Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:2156

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
16-06-2020
Datum publicatie
16-06-2020
Zaaknummer
18/930012-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte is vrijgesproken van het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/930012-19

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 16 juni 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van

16 juli 2019, 26 mei 2020 en 2 juni 2020.

Verdachte is ter terechtzitting van 26 mei 2020 in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.H. Wormmeester, advocaat te Emmen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. Janssens.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 maart 2015 tot en met

7 september 2017 te De Kiel,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk,

in een ondergrondse (zee)container en/of ruimte (kelder), in een schuur bij een pand aan de [straatnaam],

heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, en/of in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

een hoeveelheid van (telkens) (in totaal) ongeveer 1510 hennepplanten en/of delen daarvan, zijnde een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet,

althans (telkens) een (groot) aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Uit de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] alsmede de verklaring van [medeverdachte 4] volgt dat ene [verdachte] in ieder geval tot begin 2017 zeer actief betrokken was bij de hennepkwekerij. Hij deed de verzorging van de planten en kwam om de dag langs. De officier van justitie leidt uit de verklaringen van voornoemde medeverdachten af dat zij met deze “[verdachte]” doelen op verdachte. Weliswaar heeft medeverdachte [medeverdachte 1] het in eerste instantie over ene [naam 1], maar later noemt hij de achternaam [verdachte]. Zowel medeverdachte [medeverdachte 1] als medeverdachte [medeverdachte 2] verklaren dat de door hen bedoelde [verdachte] uit Emmermeer komt. Verdachte komt uit Emmermeer. Verder wordt verklaard dat de door hen bedoelde [verdachte] in een Opel Astra reed. Verdachte reed destijds in een Opel Astra. Daar komt bij dat in de aangetroffen hennepkwekerij een tweetal groeischema's zijn aangetroffen waarop de naam van verdachte stond geschreven.

Dat verdachte, uitgaande van de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1], mogelijk het laatste half jaar een stap achteruit heeft gedaan, wil nog niet zeggen dat hij daarmee dat laatste half jaar niet langer heeft gedeeld in de winst. Nu verdachte zelf geen openheid van zaken geeft, gaat de officier van justitie er van uit dat verdachte op de achtergrond betrokken is gebleven. Gelet op voornoemde bewijsmiddelen acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het telen van hennep in de ten laste gelegde periode.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte ontkent stellig zijn betrokkenheid bij de aangetroffen hennepkwekerij. Medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] verklaren dat ene [verdachte] uit Emmen om de dag naar de hennepkwekerij kwam om de plantjes te verzorgen. Als signalement geeft medeverdachte [medeverdachte 1] op dat deze [verdachte] ongeveer 40 jaar oud is, geen tatoeages heeft, kort donker haar heeft en niet al te groot is.

Verdachte voldoet evenwel niet aan voornoemd signalement. Opvallend is verder dat medeverdachte [medeverdachte 1] de achternaam [verdachte] niet uit zichzelf noemt. Hij noemt de door hem genoemde [verdachte] zelfs meerdere malen [naam 1]. Daarnaast komt in het dossier ook de naam [naam 3] voor. De rol van deze "[namen]" wordt in het geheel niet duidelijk. Bovendien zijn de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] over de precieze betrokkenheid van de door hen bedoelde [verdachte] of [namen] bij de aangetroffen hennepkwekerij niet consequent en tegenstrijdig. Daar komt bij dat van verdachte geen DNA dan wel vingerafdrukken zijn aangetroffen in de hennepkwekerij en het telefoonnummer van verdachte niet terugkomt in het onderzoek naar de onderlinge telefonische contacten van de medeverdachten. Er komen in de omgeving Emmen veel mannen voor met de naam [verdachte]. Waarom de familie [naam 2] de naam [verdachte] heeft genoemd, blijft onduidelijk. Het is voorstelbaar dat zij dit hebben gedaan om de schuld op verdachte af te schuiven. Verdachte is een bekende van de motorcross (een rode draad in het dossier). Het is daarnaast geen geheim dat hij eerder, in 2004, is veroordeeld voor hennep. Gelet op het vorenstaande -in onderlinge samenhang bezien- is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Uit de inhoud van de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en

[medeverdachte 4] kan worden afgeleid dat ene [verdachte] uit de omgeving van Emmen betrokken is geweest bij de aangetroffen hennepkwekerij. Echter, de rechtbank heeft noch uit de inhoud van het thans voorliggende strafdossier, noch uit verhandelde ter terechtzitting, de overtuiging gekregen dat verdachte ook daadwerkelijk de betreffende [verdachte] is over wie de medeverdachten verklaren. De omstandigheid dat in de aangetroffen hennepkwekerij twee groeischema's zijn aangetroffen met daarop de naam "[verdachte]" geschreven, acht de rechtbank onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen van het ten laste gelegde, het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.I. Klaassens, voorzitter, mr. H.H.A. Fransen en mr. R. Depping, rechters, bijgestaan door mr. H. Wachtmeester-Koning, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 juni 2020.