Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:2116

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
11-06-2020
Datum publicatie
12-06-2020
Zaaknummer
18/740060-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht verdachte schuldig aan een op 22 december 2019 in Drachten gepleegde doodslag, een poging tot afpersing in vereniging en voorbereidingshandelingen daartoe.

Met betrekking tot de doodslag is een beroep op noodweerexces gedaan. De rechtbank vindt dat sprake is geweest van een noodweersituatie. Verdachte is hierbij over de grenzen van de noodzakelijke verdediging heengegaan door zijn aanvaller met een mes in zijn borst te steken, terwijl hijzelf werd geslagen en geschopt met de vuist zonder dat daardoor letsel bij hem is ontstaan. Van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging kan alleen sprake zijn als die overschrijding het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige door de aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging. De rechtbank vindt dat dit niet aannemelijk is geworden. Verdachte heeft in een reflex gehandeld. Dat verdachte bang is geweest en stress heeft ervaren, neemt de rechtbank aan, maar het is niet aannemelijk geworden dat deze factoren van doorslaggevend belang zijn geweest voor het steken met het mes zoals verdachte dat heeft gedaan. De rechtbank verwerpt het beroep op noodweerexces.

De door de ouders van het slachtoffer gevorderde affectieschade wordt toegewezen. Ten aanzien van de moeder van het slachtoffer wordt een deel van de gevorderde shockschade toegewezen. De vorderingen van het broertje van het slachtoffer en de vordering van de vader tot vergoeding van shockschade worden niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft nog geen straf en/of maatregel bepaald maar tussenvonnis gewezen omdat de Raad voor de Kinderbescherming nog moet rapporteren over de mogelijkheden van een opname in een instelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0453
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/740060-19

Tussenvonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 11 juni 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd te [instelling 1] .

Dit tussenvonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 mei 2020.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.M. Terpstra, advocaat te Leeuwarden.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P.A. van der Vliet.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 22 december 2019 te Drachten, (althans) in de gemeente Smallingerland,

[slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door hem (met kracht) (met) een (op een) mes (gelijkend voorwerp), althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het (boven)lichaam (de borst(kas)) te steken;

2.

hij op of omstreeks 22 december 2019 te Drachten, (althans) in de gemeente Smallingerland, op de openbare weg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), [gewapend met een (verborgen) mes en/of met de inzet van fysiek en/of mentaal overwicht] aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (dreigend) heeft/hebben toegevoegd : "Laat je zakken zien" en/of "Laat zien of je geld hebt" en/of "hoeveel money heb je bij je?" en/of "Maak je zakken leeg", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 22 december 2019 te Drachten, (althans) in de gemeente Smallingerland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een ander, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander(en) (/ [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ), wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten het afgeven van geld, gewapend met een (verborgen) mes en/of met de inzet van fysiek en/of mentaal overwicht (die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (dwingend) heeft/hebben benaderd en/of) aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (dreigend) heeft/hebben toegevoegd : "Laat je zakken zien" en/of "Laat zien of je geld hebt" en/of "hoeveel money heb je bij je?" en/of "Maak je zakken leeg", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 22 december 2019 te Drachten, (althans) in de gemeente Smallingerland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, ter voorbereiding van een of meer misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten een of meer afpersing(en) of diefstal(len) met geweld (in vereniging en/of op/aan de openbare weg), opzettelijk een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1.

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 1. ten laste gelegde gevorderd op grond van de bekennende verklaring van [verdachte] , de beeldopname van de confrontatie en het sectieverslag waaruit blijkt dat [slachtoffer 1] is overleden door de messteek die [verdachte] heeft toegebracht.

Feit 2. primair

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 2. primair ten laste gelegde gevorderd op grond van de verklaringen van [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte] .

Feit 3.

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 3. ten laste gelegde gevorderd op grond van de bekennende verklaring van [verdachte] en (in mindere mate) de verklaring van [medeverdachte] .

Het standpunt van de verdediging

Feit 1.

De raadsvrouw heeft betoogd dat een bewezenverklaring zou kunnen volgen van het onder 1. ten laste gelegde nu valt aan te nemen dat [verdachte] met zijn handelen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] .

Feit 2. primair

De raadsvrouw heeft betoogd dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van het onder 2. primair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de in de tenlastelegging beschreven uitlatingen en gedragingen niet voldoen aan het vereiste dat gebruik is gemaakt van geweld en/of bedreiging met geweld. Een reële vrees voor geweld kan niet uit de tenlastelegging worden afgeleid. Daar komt bij dat niet is gebleken dat er een reële angst aanwezig was dat [verdachte] en [medeverdachte] geweld zouden gebruiken als [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet zouden gehoorzamen, zoals blijkt uit de reactie van [slachtoffer 2] .

Feit 3.

De raadsvrouw heeft betoogd dat een bewezenverklaring kan volgen van het onder 3. ten laste gelegde.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen1 die de daartoe redengevende feiten en omstandigheden bevatten, het volgende vast.

Op 22 december 2019 hadden [verdachte] en [medeverdachte] met elkaar afgesproken in Drachten om mensen te gaan afpersen. Ook anderen wisten van dat plan.2 Met dat doel had [medeverdachte] een mes meegenomen.3 Het was een scherp keukenmes met een lemmet van ongeveer 12 centimeter lang.4 Direct na hun ontmoeting in Drachten heeft [medeverdachte] het mes aan [verdachte] laten zien. Op een bepaald moment heeft [medeverdachte] ook tegen [verdachte] gezegd: “Werken de mensen niet mee, dan trek jij of ik een mes”. Ze konden het mes gebruiken om mee te intimideren.5 Na wat te hebben rondgelopen in het centrum van Drachten, zagen [verdachte] en [medeverdachte] twee jongens lopen van wie ze dachten dat ze wel iets van waarde bij zich zouden kunnen hebben. Later bleek dat de twee jongens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] waren.6[verdachte] en [medeverdachte] bespraken hoe ze zich moesten gedragen.7 Ook hadden ze het erover dat als je luid zegt: ‘Geef me je geld’ of iets in die trant, dat dat dan intimiderend kan overkomen en dat mensen het dan sneller zullen doen. Dat zou worden versterkt doordat ze best lang zijn: [verdachte] is 1.88 meter lang en [medeverdachte] nog iets langer. De buit zouden ze delen.8 Even later zagen ze [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] weer lopen. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] waren beiden rond de 1.60 meter lang.9 [verdachte] en [medeverdachte] stonden toen in een soort steegje, om het hoekje bij het eethuis in de buurt van de Hema. Het was donker. Ze droegen beiden een capuchon. [medeverdachte] liep als eerste op ze af en sprak hen aan door iets te zeggen als: “Hoeveel money heb je bij je?”. [verdachte] kwam erbij en zei tegen hen dat ze hun zakken leeg moesten maken.10 Ze spraken op een harde toon, zeker niet vriendelijk. Het was eerder schreeuwend.11 [slachtoffer 1] deed wat hem gevraagd werd en haalde een bril uit zijn jaszak. [slachtoffer 2] verzette zich met woorden. [verdachte] en [medeverdachte] zijn uiteindelijk zonder iets buit te hebben gemaakt, weggelopen. Op dat moment zat het mes in de borstzak van de jas van [medeverdachte] .

Hij heeft het mes bij de ontmoeting met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet gebruikt of laten zien.12 Al snel daarna merkte [verdachte] op dat ze moesten uitkijken, omdat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] terug zouden kunnen komen om hen te pakken te nemen. Ondanks dat bleven [verdachte] en [medeverdachte] rondlopen in het centrum van Drachten. Op een bepaald moment merkten ze dat ze gevolgd werden door drie jongens, waaronder [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Ze wilden bescherming zoeken bij hun vrienden die ze eerder op de avond bij de Feu hadden zien staan, maar dat was nog een stuk lopen. Terwijl ze gevolgd werden door [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [naam 1] gaf [medeverdachte] het mes aan [verdachte] . Hij zei erbij dat [verdachte] er beter mee kon omgaan.13 Op de Zuidkade werden [medeverdachte] en [verdachte] ingehaald door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en van achteren aangevallen. In de gewelddadige confrontatie die toen volgde heeft [verdachte] [slachtoffer 1] in de borst gestoken met het mes dat hij kort daarvoor van [medeverdachte] had gekregen.14 Als gevolg daarvan is [slachtoffer 1] op 30 december 2019 overleden.15

Bewijsoverwegingen

Feit 1.

Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank worden bewezenverklaard dat [verdachte] [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd op 22 december 2019. De rechtbank merkt daarbij nog op dat vaststaat dat [slachtoffer 1] op 30 december 2019 is overleden. Dit staat niet in de weg aan een bewezenverklaring die inhoudt dat het ‘opzettelijk van het leven beroven’ is gepleegd op 22 december 2019. Uit het arrest van de Hoge Raad van 7 mei 1985 (NJ 1985/821) volgt dat het ‘opzettelijk van het leven beroven’ ook gebeurt op het tijdstip waarop de dader datgene heeft gedaan wat heeft geleid tot de dood van het slachtoffer en niet enkel op het tijdstip waarop het slachtoffer aan het door de dader gepleegde geweld is bezweken.

Feit 2. primair

Voor een veroordeling van de ten laste gelegde poging tot afpersing is voor het bestanddeel ‘bedreiging met geweld’ vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is gedaan dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat geweld tegen hem zou worden uitgeoefend.16

Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat van een bedreiging met geweld ook sprake kan zijn wanneer de dader een dermate dreigende situatie heeft gecreëerd, dat de vrees van het slachtoffer voor geweld van zijn kant gerechtvaardigd is.

Op basis van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat:

  • -

    [verdachte] en [medeverdachte] op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn afgestapt;

  • -

    het donker was en dat zij in eerste instantie verdekt stonden opgesteld;

  • -

    zij hun capuchon op hadden en hun gezicht niet te zien was;

  • -

    zij aanzienlijk langer zijn dan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ;

  • -

    zij op een luide en schreeuwende toon zeiden: "hoeveel money heb je bij je?" en "Maak je zakken leeg.”;

  • -

    [slachtoffer 1] vervolgens zijn zakken heeft leeggemaakt.

Door onder deze omstandigheden dit soort dingen te zeggen, hebben [verdachte] en [medeverdachte] een dermate dreigende sfeer gecreëerd dat vrees voor geweld van de zijde van [verdachte] en [medeverdachte] gerechtvaardigd was. Dat de situatie ook daadwerkelijk bedreigend is geweest voor [slachtoffer 1] blijkt wel uit het feit dat hij zijn zakken heeft leeggemaakt. De rechtbank merkt daarbij nog op dat niet blijkt dat [slachtoffer 2] ook daadwerkelijk bang is geweest voor geweld. Dit staat een bewezenverklaring op dit punt niet in de weg, omdat het erom gaat dat een gemiddeld mens zich bedreigd kon voelen. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw en oordeelt dat het onder 2. primair ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen.

Feit 3.

De rechtbank acht op grond van de voornoemde bewijsmiddelen, te weten de bekennende verklaring van [verdachte] en de verklaring van [medeverdachte] , het onder 3. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1., 2. primair en 3. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 22 december 2019 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door hem met een mes in het bovenlichaam (de borst) te steken;

2. primair

hij op 22 december 2019 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, op de openbare weg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van geld, toebehorende aan die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , met de inzet van fysiek overwicht aan die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dreigend hebben toegevoegd : "Hoeveel money heb je bij je?" en/of "Maak je zakken leeg", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 22 december 2019 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, tezamen en in vereniging met een ander, ter voorbereiding van een of meer misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten een of meer afpersingen, opzettelijk een mes, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad.

[verdachte] zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. [verdachte] is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Doodslag.

2. primair Poging tot afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

3. Medeplegen van voorbereiding van afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich voor wat betreft de doodslag op het standpunt gesteld dat [verdachte] geen geslaagd beroep op noodweer toekomt.

Zij heeft aangevoerd dat er weliswaar sprake is geweest van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van zijn eigen lijf of dat van een ander, maar dat er geen noodzaak is geweest tot verdediging omdat [verdachte] en [medeverdachte] weg hadden kunnen lopen. Daarnaast is niet uit de stukken en de camerabeelden gebleken dat sprake was van een zodanig heftige vechtpartij dat een verdediging door [verdachte] absoluut noodzakelijk was. Aan de subsidiariteitseis is daarom niet voldaan. En mocht er wel een noodzaak tot verdediging zijn geweest, dan heeft [verdachte] zich niet op een passende wijze verdedigd tegen de vuistslagen van [slachtoffer 1] door hem met een mes te steken. Ook aan de proportionaliteitseis is niet voldaan.

Een beroep op noodweerexces heeft volgens de officier van justitie evenmin kans van slagen. Er is geen noodsituatie geweest en er zijn geen aanwijzingen dat [verdachte] [slachtoffer 1] heeft gestoken met een mes onder invloed van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door de aanval op hem door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

Tot slot zijn er geen aanwijzingen voor putatief noodweer. Er is geen sprake geweest van een verontschuldigbare dwaling ten opzichte van de noodzaak om zich te verdedigen en de manier waarop [verdachte] zich dacht te moeten verdedigen.

Het standpunt van de verdediging

Met betrekking tot de strafbaarheid van [verdachte] voor de doodslag heeft de raadsvrouw bepleit dat [verdachte] moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens noodweerexces.

De raadsvrouw heeft gesteld dat [verdachte] geconfronteerd is met een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van zijn lijf, waartegen verdediging noodzakelijk was.

Er was geen sprake van een situatie waarin hij zich niet aan deze aanranding kon of moest onttrekken. De reactie van [verdachte] voldoet echter niet aan het vereiste van proportionaliteit omdat het gebruik van het mes door hem niet in redelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding. Volgens de raadsvrouw kan deze overschrijding van de grenzen van een noodzakelijke verdediging niet aan [verdachte] worden verweten. Dit is namelijk het onmiddellijke gevolg geweest van een hevige gemoedsbeweging die door de aanvallen werd veroorzaakt. Door de felheid en diverse aanvallen, waaronder de laatste plotselinge aanval is bij [verdachte] als onmiddellijk gevolg een hevige gemoedsbeweging van angst, vrees en radeloosheid teweeggebracht.

Ondersteuning hiervoor wordt gevonden in de verklaring van [verdachte] bij het Nederlands Forensisch Instituut waar hij tijdens het onderzoek heeft verklaard dat hij in shock was tijdens het incident en in een reflex heeft gehandeld. Uit dat onderzoek blijkt ook dat de rapporteur heeft geconcludeerd dat [verdachte] ten tijde van het ten laste gelegde wel angstig moet zijn geweest.

Omdat [verdachte] de grenzen van een geboden en noodzakelijke verdediging heeft overschreden door de hevige gemoedsbeweging die door de aanranding werd veroorzaakt, komt hem een beroep op noodweerexces toe.

Het oordeel van de rechtbank

Noodweer

Om het beroep op noodweerexces, dat namens [verdachte] is gedaan, te beoordelen moet de rechtbank eerst de vraag beantwoorden of [verdachte] zich in een noodweersituatie heeft bevonden.

Op grond van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht kan een beroep op noodweer slagen als sprake is geweest van een verdediging van eigen of eens anders lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. De verdediging moet hierbij noodzakelijk (subsidiariteitseis) en geboden (proportionaliteitseis) zijn geweest.

Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 22 december 2019 hebben [verdachte] en [medeverdachte] geprobeerd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] af te persen. Zij zijn uiteindelijk weggelopen zonder iets buit te hebben gemaakt. Op een bepaald moment merkten ze dat ze gevolgd werden door drie jongens, waaronder [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . [medeverdachte] heeft toen een keukenmes (met een lemmet van 12 cm) dat hij had meegenomen om mensen mee te kunnen intimideren aan [verdachte] gegeven. Op de Zuidkade werden [medeverdachte] en [verdachte] ingehaald door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . [slachtoffer 1] schopte [medeverdachte] tegen zijn been. [slachtoffer 2] raakte in gevecht met [verdachte] . [slachtoffer 1] kwam vervolgens ook in gevecht met [verdachte] . [verdachte] werd hierbij geschopt en geslagen. [verdachte] heeft verklaard dat er op enig moment ruimte was tussen hem en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en dat hij het mes pakte dat hij van [medeverdachte] had gekregen. [slachtoffer 1] probeerde [verdachte] opnieuw aan te vallen, waarna [verdachte] hem met het mes in zijn borst stak. [slachtoffer 1] is op 30 december 2019 aan zijn verwondingen overleden.

De rechtbank vindt dat er sprake is geweest van een noodweersituatie. [verdachte] en [medeverdachte] werden immers achtervolgd door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en laatstgenoemden waren degenen die de confrontatie opzochten met hen. De daarop volgende schoppen en klappen die [verdachte] van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] kreeg, leverden een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding op waartegen hij zich mocht verdedigen.

Daarbij wijst de rechtbank erop dat de poging tot afpersing die hieraan vooraf is gegaan, niet maakt dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] enige tijd later (bij wijze van eigenrichting) op deze manier de confrontatie mochten zoeken. Die omstandigheid neemt dus de wederrechtelijkheid van hun handelen niet weg. De verdediging door [verdachte] is bovendien noodzakelijk geweest.

Uit de verklaringen van [verdachte] bij de politie en op de zitting en ook uit de camerabeelden blijkt dat [verdachte] van dichtbij werd aangevallen door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Zij bleven ook steeds op korte afstand van [verdachte] en trokken zich niet terug uit het gevecht. Van groot belang vindt de rechtbank ook dat de confrontatie in een ontzettend kort tijdsbestek van ongeveer 15 seconden plaatsvond (vanaf het moment dat [slachtoffer 1] [medeverdachte] voor de eerste keer schopte tot de steekwond die [verdachte] bij [slachtoffer 1] toebracht). Anders dan de officier van justitie heeft gesteld, is de rechtbank van oordeel dat onder deze omstandigheden niet van [verdachte] kon en mocht worden gevergd dat hij op dat moment een andere keuze maakte dan zich te verdedigen. Weglopen en zijn aanvallers de rug toekeren was voor hem geen reëel alternatief; daarvoor was de situatie voor hem te bedreigend. In die zin was er dan ook sprake van een noodzakelijke verdediging en is voldaan aan de subsidiariteitseis.

De proportionaliteitseis wordt gesteld om niet ook dan een gedraging straffeloos te laten zijn als hij - als verdedigingsmiddel - niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De in dat verband - tot terughoudendheid nopende - maatstaf luidt of de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de manier waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal. Zo staat in beginsel het met kracht toebrengen van een diepe, potentieel dodelijke steekwond niet in verhouding met een aanval die bestaat uit het slaan met de blote handen dan wel een vuist. 17

Hoewel [verdachte] zich mocht verdedigen tegen de aanval van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] tegen hem, vindt de rechtbank dat de manier die hij heeft gekozen om zich te verdedigen, te ver ging. Het steken met het keukenmes in de borst op een plek waar zich vitale structuren bevinden -als verdedigingsmiddel- stond niet in redelijke verhouding tot de ernst van wat [verdachte] werd aangedaan. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] schopten en sloegen hem met de vuist zonder dat daardoor letsel bij [verdachte] is ontstaan. [verdachte] is dus over de grenzen van de noodzakelijke verdediging heengegaan.

Noodweerexces

Van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging kan alleen sprake zijn als die overschrijding het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige door de aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging.

De rechtbank heeft gekeken naar wat [verdachte] heeft verklaard over wat hij heeft gedacht en/of gevoeld tijdens de gewelddadige confrontatie. Bij zijn aanhouding heeft [verdachte] het volgende verklaard (pagina 20 van het dossier): “De persoon die wij wilden beroven ging met ons op de vuist waarna ik hem in een reactie eenmaal in de borst heb gestoken”. Bij de rechter-commissaris heeft hij verklaard: “Ik werd door twee jongens aangevallen op het moment dat ik het mes trok. Het was een reflex om mijzelf te verdedigen”. Bij de politie heeft [verdachte] verklaard: “Ik heb de jongen geraakt. Ik raakte in shock en dacht wat gebeurt er met mij? (pagina 313 van het dossier) en “Toen het steken eenmaal was gebeurd, dacht ik meteen van: ‘Wat heb ik nou eigenlijk gedaan?’. Ik raakte in paniek.” (pagina 325 van het dossier) Bij de politie (pagina 324 van het dossier) heeft hij nog verklaard op de vraag hoe de sfeer was: “Tijdens het gevecht van mijn kant verward. Die andere jongens waren vooral boos, wraakzuchtig vooral, dat gevoel had ik. Ik paniekte eigenlijk”. [verdachte] heeft op de zitting opnieuw verklaard dat hij heeft gestoken in een reflex. Verder heeft hij verklaard dat hij bang was toen hij de steekbeweging maakte en dat hij vol adrenaline zat.

Naast de verklaringen van [verdachte] heeft de rechtbank rekening gehouden met wat [slachtoffer 2] bij de politie heeft verklaard over het moment van steken: “Ik vraag me nog steeds af…er was geen enkele aarzeling. Ik vraag me dat nog steeds af. Je kan dreigen met een mes, maar waarom gelijk er op los steken? Hij ging er echt op los” (pagina 170 van het dossier). Die verklaring sluit goed aan op wat de rechtbank op de beelden heeft gezien, namelijk dat het ontzettend snel gegaan is. Tussen de eerste trap van [slachtoffer 1] op het been van [medeverdachte] en de messteek die [verdachte] bij [slachtoffer 1] heeft toegebracht, zitten maar 15 seconden.

Uit de verklaring van [verdachte] in combinatie met de camerabeelden blijkt dat er maar een paar seconden zitten tussen het trekken van het mes en het steken van [slachtoffer 1] . Dat past bij wat [verdachte] heeft verklaard, namelijk dat hij in een reflex heeft gestoken. De paniek kwam daarna.

De rechtbank vindt niet aannemelijk geworden dat [verdachte] heeft gestoken als onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door het geweld tegen hem. Dat [verdachte] ook bang is geweest en stress heeft ervaren, neemt de rechtbank aan, maar dat maakt haar oordeel niet anders. Het is niet aannemelijk geworden dat deze factoren van doorslaggevend belang zijn geweest voor het steken met het mes zoals [verdachte] dat heeft gedaan. De rechtbank verwerpt het beroep op noodweerexces.

Omdat het beroep op noodweerexces is verworpen en ook verder geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluit, acht de rechtbank hem strafbaar.

Benadeelde partijen

[naam 2] , [naam 3] en [naam 4] , respectievelijk de vader, moeder en het broertje van [slachtoffer 1] hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt:

- voor de vader bedragen van € 20.000 (affectieschade) en € 20.000 (shockschade);

- voor de moeder bedragen van € 20.000 (affectieschade) en € 20.000 (shockschade);

- voor het broertje bedragen van € 17.500 (affectieschade) en € 20.000 (shockschade).
Elk van de benadeelde partijen heeft – op grond van artikel 6:166 Burgerlijk Wetboek – hoofdelijke veroordeling van de toe te wijzen bedragen gevorderd, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 december 2019 en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen moeten worden toegewezen, waarbij voor wat betreft de schadevergoedingsmaatregel het aantal dagen gijzeling zal worden gesteld op nul.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de vorderingen betwist. Zij heeft daarbij onder andere aangevoerd dat de hoogte van de affectieschade in ieder geval moet worden gematigd. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat in het geval van de vader en het broertje niet aan de vereisten voor toewijzing van de shockschade wordt voldaan.

Het oordeel van de rechtbank

Affectieschade

Uit artikel 6:108, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat naasten, als bedoeld in het vierde lid, aanspraak kunnen maken op forfaitaire bedragen. Die bedragen zijn vastgesteld bij het Besluit vergoeding affectieschade.

 ouders

In artikel 6:108, vierde lid aanhef en onder c BW zijn ouders van de overledene aangemerkt als naaste. Het Besluit vergoeding affectieschade geeft ouders van de overledene aanspraak op een bedrag van € 20.000.

Voor matiging van het forfaitaire bedrag, zoals door de verdediging is aangevoerd, is naar het oordeel van de rechtbank geen plaats.

De omstandigheid dat [verdachte] verminderd toerekeningsvatbaar zou zijn staat aan toerekening van deze schade aan hem naar maatstaven van civielrecht niet in de weg.

Datzelfde geldt voor de omstandigheden dat hij nog niet zo lang zelf aansprakelijk is voor schade die hij heeft veroorzaakt ( [verdachte] is op [datum] 2018 14 jaar oud geworden) en dat hij op dit moment nauwelijks draagkracht heeft. Deze omstandigheden leiden er, ook in onderlinge samenhang bezien, niet toe dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat het forfaitaire bedrag wordt toegewezen. Gelet op het grote verschil in gewicht tussen de ‘fouten’ die aan [verdachte] respectievelijk [slachtoffer 1] kunnen worden verweten (doodslag tegenover een mede door [slachtoffer 1] ingezette aanval zonder wapens en zonder dat bij [verdachte] letsel is ontstaan), bestaat evenmin grond voor het toerekenen van een deel van de schade aan [slachtoffer 1] zelf in het kader van eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW. De rechtbank zal de vorderingen van de ouders tot vergoeding van affectieschade geheel toewijzen.

 het broertje

Namens het broertje van [slachtoffer 1] is een beroep gedaan op de hardheidsclausule van artikel 6:108, vierde lid aanhef en onder g BW. Daarbij is erop gewezen dat hij drie jaar jonger is dan [slachtoffer 1] , zijn hele leven in gezinsverband met hem heeft samengeleefd en zij een goede band hadden, zoals dat voor broers met een dergelijk leeftijdsverschil gebruikelijk is.

Broers of zussen zijn in artikel 6:108, vierde lid BW niet als aparte categorie als naaste in de zin van het derde lid aangemerkt. Zij horen in beginsel dus niet bij de kring van gerechtigden die aanspraak kunnen maken op affectieschade.

Op grond van artikel 6:108, vierde lid aanhef en onder g BW kan “een persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 3 als naaste wordt aangemerkt” ook aanspraak maken op affectieschade. Dit is de zogenaamde hardheidsclausule.


In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel affectieschade wordt de broer wel genoemd als voorbeeld voor toepassing van deze hardheidsclausule. De memorie van toelichting noemt daarbij als voorbeeld van een nauwe persoonlijke betrekking een relatie van broers of zussen die langdurig samenwonen en voor elkaar zorgen (Kamerstukken II 2014/15, 34257, nr. 3 (MvT), p. 15). Bij de behandeling van deze wetgeving heeft de minister aan de Eerste Kamer geantwoord: ‘Aan (half)broers of -zussen komt als zodanig geen beroep op de hardheidsclausule toe. In een bijzonder geval kan worden bezien of hun feitelijke relatie een beroep op de hardheidsclausule rechtvaardigt. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn, indien twee (half)broers langdurig met elkaar samenleven en voor elkaar zorgen’ (Kamerstukken I 2016/17, 34257, nr. C, p. 6. en Kamerstukken I 2017/18, 34257, nr. E, p. 5).

Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat uit wat namens het broertje is gesteld, niet volgt dat zijn relatie met [slachtoffer 1] anders of meer bijzonder was dan tussen broers van die leeftijd gebruikelijk is en dat hij om die reden als ‘naaste’ in de zin van artikel 6:108, vierde lid, aanhef en onder g, BW zou kunnen worden aangemerkt. De uitspraken van andere rechtbanken waarnaar is verwezen, maken dit oordeel niet anders. De rechtbank zal de vordering op dit punt dan ook afwijzen.

Shockschade

Wat betreft de criteria voor de toekenning van immateriële schade in de vorm van shockschade sluit de rechtbank aan bij de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad. Vergoeding van shockschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door (i) het waarnemen van het tenlastegelegde, of (ii) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan.

Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het tenlastegelegde is gedood of verwond. Voor vergoeding van deze schade is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zal zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. De hoogte van de geleden shockschade dient te worden vastgesteld naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van de benadeelde partij. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.18

Namens de moeder is aangevoerd dat zij [slachtoffer 1] heeft aangetroffen op de plaats van het misdrijf, zij met hem in de ambulance is meegegaan en getuige is geweest van de hulp die is verleend, waaronder diverse reanimatiepogingen. Daarnaast heeft zij aan de hand van een verklaring van een psycholoog aangegeven dat zij als gevolg daarvan lijdt aan een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, namelijk een posttraumatische stressstoornis (PTSS). Het geestelijk letsel van de moeder acht de rechtbank van zodanig ernstige aard dat moet worden aangenomen dat zij daardoor in haar persoon is aangetast. Dat leidt tot toewijzing van een bedrag aan immateriële schade, oftewel smartengeld. Toekenning van smartengeld doet recht aan het feit dat het opgelopen letsel erkenning verdient. Inherent aan elk bedrag is echter dat de mate waarin die erkenning wordt ervaren, per persoon kan verschillen. Daarom kan de subjectieve wens van de moeder ten aanzien van de hoogte van het bedrag niet beslissend zijn, maar gaat het erom naar billijkheid een bedrag vast te stellen. Gelet op de ernst van het aan de [verdachte] te maken verwijt, de aard van het letsel, de ernst van het door de moeder opgelopen letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van de moeder, acht de rechtbank een bedrag van € 10.000 passend. De rechtbank heeft daarbij gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Tot slot heeft de toewijzing van de affectieschade aan de moeder een matigende werking op het bedrag aan shockschade dat de rechtbank billijk vindt. Voor het overige zal de vordering worden afgewezen.

Voor de vader en het broertje is dat anders. De vraag ligt voor of is voldaan aan het confrontatievereiste. Uit de verklaring die de vader bij de politie heeft afgelegd lijkt te volgen dat hij op enige afstand is gebleven en het broertje in de bij de plaats van het misdrijf geparkeerde auto is blijven zitten. Daarnaast is het de vraag of bij hen een hevige emotionele schok is teweeggebracht door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het misdrijf. Daarbij komt dat ten aanzien van het broertje wel is gesteld dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, maar dat dit niet is onderbouwd.

Voor wat betreft de bij de vader gestelde diagnose van PTSS is door de verdediging als verweer aangevoerd dat niet blijkt dat de PTSS is ontstaan door de confrontatie met (de ernstige gevolgen van) het misdrijf. De rechtbank acht zich er niet van verzekerd dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen wat zij ter onderbouwing van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat de voegingsprocedure in het strafproces slechts in beperkte mate plaats biedt aan bewijslevering; zo kunnen blijkens art. 334 lid 1 Sv door de benadeelde partij zelf geen getuigen of deskundigen worden aangebracht.

Het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM brengt mee dat de vorderingen tot vergoeding van shockschade van de vader en het broertje van [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

Hoofdelijkheid

De benadeelde partijen hebben aangevoerd dat [verdachte] op grond van artikel 6:166 BW hoofdelijk aansprakelijk is voor de door hen geleden schade. Vaste rechtspraak, zie onder andere het arrest van de Hoge Raad van 6 november 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2016), houdt in dat óók in geval van medeplichtigheid uitgegaan kan worden van hoofdelijke aansprakelijkheid als daarvoor op grond van het burgerlijke recht aanleiding bestaat. Nu [medeverdachte] is veroordeeld voor medeplichtigheid aan doodslag van [slachtoffer 1] , zal de rechtbank uitgaan van hoofdelijkheid, voor zover de vorderingen voor toewijzing in aanmerking komen.

Schadevergoedingsmaatregel / rente / proceskosten

Nu vast staat dat [verdachte] tot de hiervoor genoemde bedragen aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door hem wordt vergoed. Gelet op het feit dat [verdachte] nog erg jong is en er geen aanwijzingen zijn dat hij onwillig is de schade te vergoeden, zal de rechtbank het maximum aantal dagen gijzeling op nul bepalen.

De wettelijke rente over de toe te wijzen bedragen zal worden toegewezen vanaf 22 december 2019 tot en met de dag van algehele voldoening.

De rechtbank zal [verdachte] hoofdelijk veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Tussenvonnis

Om de straf en/of maatregel te kunnen bepalen, moet de rechtbank rekening houden met de aard en de ernst van de bewezen en strafbaar verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, als ook de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages.

Op 16 mei 2020 is een Triple rapportage Pro Justitia uitgebracht. De deskundigen adviseren om de mogelijkheid van behandeling van verdachte in een setting als die bij de [instelling 2] te onderzoeken. Deze behandeling zou dan kunnen plaatsvinden in het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel. Wanneer een opname van [verdachte] daar niet mogelijk is, adviseren de deskundigen hem een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen.

Op 11 mei 2020 heeft de Raad voor de Kinderbescherming bericht dat zij haar rapport niet klaar heeft voor het onderzoek ter terechtzitting op 28 mei 2020. Dat heeft er vooral mee te maken dat een aanmelding, screening en intake bij de [instelling 2] meer tijd vraagt.

Nu de mogelijkheid van een eventuele opname in de [instelling 2] nog niet is onderzocht en dit relevant is voor de bepaling van de op te leggen straf en/of maatregel moet worden vastgesteld dat het onderzoek in die zin niet volledig is geweest.

De zaak van [verdachte] is ten aanzien van de feiten en de vorderingen van de benadeelde partijen op dezelfde dag behandeld als de zaak van de medeverdachte [medeverdachte] . In de zaak van de medeverdachte wordt vandaag eindvonnis gewezen. Met instemming van de officier van justitie en de raadsvrouw heeft de rechtbank beslist in deze zaak een tussenvonnis te wijzen, waarbij de rechtbank reeds haar (voorshandse) oordeel geeft over de bewezenverklaring, de strafbaarheid van de feiten en verdachte en de vorderingen van de benadeelde partijen.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding het onderzoek ter terechtzitting op een nader te bepalen tijdstip te heropenen op de wijze als hierna is vermeld.

Voorlopige uitspraak

De rechtbank

- heropent het onderzoek;

- schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd, maar niet langer dan voor een periode van drie maanden (naar verwachting tot 24 juni 2020);

- draagt de officier van justitie op de Raad voor de Kinderbescherming te laten rapporteren;

- stelt de stukken in handen van de officier van justitie;

- beveelt de oproeping van verdachte, met afschrift aan zijn raadsvrouw en de ouders van verdachte tegen het tijdstip waarop het onderzoek ter terechtzitting wordt hervat;

- gelast tevens de kennisgeving aan de benadeelde partijen en hun raadsman;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit tussenvonnis is gewezen door mr. N.A. Vlietstra, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. M.J. Dijkstra en mr. G.W.G. Wijnands, rechters, bijgestaan door mr. L.T.A. Fokkema griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 juni 2020.

1 De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed/ambtsbelofte en door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt; de genoemde pagina's bevinden zich in het doorgenummerde proces-verbaal met OPS-dossiernummer 2019339235, gesloten op 6 maart 2020.

2 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] d.d. 7 januari 2020, pagina 129 en het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 27 december 2019, pagina 321.

3 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 28 mei 2020.

4 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] d.d. 27 december 2019, pagina 354 en de bijbehorende foto van het mes, pagina 356.

5 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 28 mei 2020 en het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 27 december 2019, pagina 313.

6 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 28 mei 2020 en het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 27 december 2019, pagina 313.

7 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 28 mei 2020 en het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 21 januari 2020, pagina 331.

8 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 21 januari 2020, pagina 331

9 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 27 december 2019, pagina 324.

10 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 28 mei 2020 en het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] d.d. 20 januari 2020, pagina 360.

11 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2] d.d. 25 januari 2020, pagina 160.

12 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 28 mei 2020 en het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] d.d. 20 januari 2020, pagina 360.

13 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 28 mei 2020, het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 27 december 2019, pagina 313 en het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 21 januari 2020, pagina 335.

14 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 28 mei 2020 en het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2] d.d. 23 december 2019, pagina 86.

15 Een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 27 februari 2020, pagina 68 tot en met 73.

16 HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659, NJ 2005/448.

17 Vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456.

18 vgl. HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2201 en HR 4 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2241.