Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:2085

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-06-2020
Datum publicatie
10-06-2020
Zaaknummer
18/830205-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt verdachte tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf en legt daarbij bijzondere voorwaarden op. Verdachte heeft zich, samen met anderen, schuldig gemaakt aan diefstal met geweld en bedreiging met geweld, waarbij twee slachtoffers van hun telefoon en portemonnee zijn beroofd. Verdachte heeft daarbij met een pistool gedreigd. Vorderingen benadeelde partijen deels toegewezen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 312
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830205-19

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 9 juni 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] ,

thans gedetineerd te P.I. Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 mei 2020.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. F.H. Kappelhof, advocaat te Delfzijl. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T.H. Pitstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 6 oktober 2019, in de gemeente Delfzijl, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen, één of meer goederen geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), te weten (onder meer) een portemonnee, een hoeveelheid geld, een rijbewijs, een ID-kaart, één of meer bankpassen en/of een mobiele telefoon, en/of één of meer goederen geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), te

weten (onder meer) een hoeveelheid geld, een ID-kaart, één of meer bankpassen,

een zorgpas en/of een mobiele telefoon, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de

vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

en/of zijn mededaders:

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben aangesproken met de woorden: "come, come, i have a problem", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of (vervolgens) in/naar een pand heeft/hebben gelokt, en/of

- een vuurwapen op (het hoofd van) die [slachtoffer 2] heeft/hebben gericht en/of gedrukt/geduwd, en/of

- ( daarbij) die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd: "Money, money, money" en/of "more, more", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of

- die [slachtoffer 1] tegen een muur heeft/hebben gedrukt en/of die [slachtoffer 1] heeft/hebben vastgehouden, en/of

- die [slachtoffer 1] heeft/hebben geslagen en/of geschopt, en/of

- die [slachtoffer 2] heeft/hebben geduwd, en/of

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd: 'No police, otherwise..", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, waarbij een snijbeweging langs de keel werd gemaakt;

2.

hij op of omstreeks 6 oktober 2019, in de gemeente Appingedam en/of Delfzijl, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de feiten 1 en 2. De officier van justitie acht de feiten mede op grond van de bekennende verklaring van verdachte te bewijzen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de tenlastegelegde feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 mei 2020;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 6 oktober 2019, opgenomen op p. 41 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019265770 en 2019265794 d.d. 6 februari 2020, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verhoor aangever d.d. 14 oktober 2019, opgenomen op p. 44 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van

[slachtoffer 1] ;

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 6 oktober 2019, opgenomen op p. 65 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] ;

5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte

d.d. 16 oktober 2019, opgenomen op p. 212 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte;

6. een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut, zaaknummer 2019.10.22.174 d.d. 22 januari 2020, opgemaakt door dr. H. Mujcic, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op p. 496 e.v. van voornoemd dossier;

7. een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 6 oktober 2019 opgenomen op p. 244 van voornoemd dossier;

8. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek vuurwapen

d.d. 28 oktober 2019, opgenomen op p. 463 van voornoemd dossier.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 6 oktober 2019, in de gemeente Delfzijl, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen, goederen toebehorende aan [slachtoffer 1] , te weten een portemonnee, een hoeveelheid geld, een rijbewijs, een ID-kaart, een bankpas en een mobiele telefoon, en goederen toebehorende aan [slachtoffer 2] , te weten een hoeveelheid geld, een ID-kaart, een bankpas, een zorgpas en een mobiele telefoon, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en zijn mededaders:

- die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben aangesproken met de woorden: "come, come, I have a problem", en vervolgens in een pand hebben gelokt, en

- een vuurwapen op die [slachtoffer 2] hebben gericht,

- en daarbij die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dreigend de woorden hebben toegevoegd: "Money, money, money" en "more, more", en

- die [slachtoffer 1] tegen een muur hebben gedrukt en die [slachtoffer 1] hebben vastgehouden, en

- die [slachtoffer 1] hebben geslagen en geschopt, en

- die [slachtoffer 2] hebben geduwd, en

- die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dreigend de woorden hebben toegevoegd: 'No police, otherwise..",

waarbij een snijbeweging langs de keel werd gemaakt;

2.

hij op 6 oktober 2019, in de gemeente Appingedam en Delfzijl, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. diefstal voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

2. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit

begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de feiten 1 en 2 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, met oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat in de eis van de officier van justitie niet terug is te zien dat verdachte verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden. Gelet op de gevorderde straffen in de zaken van de medeverdachten, die geen verantwoordelijkheid hebben genomen, en gelet op het positieve rapport van de reclassering, is de door de officier van justitie gevorderde straf te hoog.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van Verslavingszorg Noord Nederland (VNN), het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich, samen met anderen, schuldig gemaakt aan diefstal met geweld en bedreiging met geweld, waarbij twee slachtoffers van hun telefoon en portemonnee zijn beroofd. Verdachte heeft daarbij met een pistool gedreigd. Het behoeft geen betoog dat dit voor de slachtoffers bijzonder beangstigend en bedreigend is geweest. Daarnaast hebben zij door dit feit overlast en financiële schade ondervonden, omdat zij onder meer geld, een ID-kaart en bankpassen zijn kwijtgeraakt. Het pistool dat tijdens de beroving is gebruikt, is kort daarna bij verdachte in beslag genomen. Hierbij bleek dat het pistool gebruiksklaar was. Het baart de rechtbank zorgen dat verdachte het wapen onder handbereik droeg, namelijk onder zijn broeksband. Door dit wapen voorhanden te hebben heeft verdachte de algemene veiligheid van personen ernstig in gevaar gebracht. De rechtbank heeft er oog voor dat verdachte in zekere mate verantwoordelijkheid neemt voor zijn eigen rol. Echter, verdachte kiest er voor om slechts zeer summier te verklaren over wat er is gebeurd en geeft geen enkele helderheid over de bijdrage en rol van zijn mededaders.

De rechtbank is van oordeel dat alleen al de ernst van de beroving een gevangenisstraf van 18 maanden rechtvaardigt. Daarbij had verdachte een geladen pistool in zijn bezit. Het voorhanden hebben van een geladen vuurwapen rechtvaardigt op zich al een gevangenisstraf van aanzienlijke datum.

De rechtbank heeft tevens de inhoud van het door de VNN opgestelde reclasseringsrapport van 26 februari 2020 in aanmerking genomen. De reclassering ziet het overmatige gebruik van alcohol in combinatie met de omgang met risico verhogende personen als delict gerelateerde factor. De reclassering vermoedt dat een mogelijke verstandelijke beperking en een daaruit voortvloeiende beïnvloedbaarheid in negatieve zin eveneens een rol kan hebben gespeeld in de keuzes van verdachte.

Gedurende de ruim drie jaar dat verdachte nu in Nederland verblijft, is het hem niet gelukt om een zelfstandig bestaan op te bouwen. Hij ervaart wel veel steun van zijn echtgenote en staat open voor hulp om zijn leven op de rails te zetten.

De reclassering schat het risico op recidive en letselschade als hoog in. Om deze risico's in te perken, heeft de reclassering de rechtbank geadviseerd om een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling, een alcoholverbod en meewerken aan het realiseren van een passende dagbesteding.

De rechtbank neemt het advies van de reclassering over en acht, alles afwegende, de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden. De rechtbank is van oordeel dat de door de raadsman bepleite straf geen recht doet aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten.

Benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer 2] , tot een bedrag van € 1.021,- ter vergoeding van materiële schade en € 1.900,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
2. [slachtoffer 1] , tot een bedrag van € 4.155,- ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] kan worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de hoofdelijkheidsclausule.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft de officier van justitie gesteld dat de schade die ziet op vergoeding van het weggenomen geld ad € 100,- en de portemonnee ad € 50,-, voor toewijzing vatbaar is. [slachtoffer 1] vordert daarnaast € 4.000,- in verband met de diefstal van zijn Russisch rijbewijs. Hij heeft echter onvoldoende onderbouwd waarom hier een vergoeding van € 4.000,- tegenover zou moeten staan. De officier van justitie heeft daarom geconcludeerd dat [slachtoffer 1] in dit deel van zijn vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat beide vorderingen, voor zover deze zien op vergoeding van de materiële schade, onvoldoende zijn onderbouwd. De hoogte van de kwijtgeraakte geldbedragen acht de raadsman ongeloofwaardig. Nu de verdachten geen gelegenheid hebben gehad om het weggenomen geld uit te geven, is het geldbedrag dat in beslag is genomen, waarschijnlijk het bedrag dat is weggenomen. De door [slachtoffer 2] gevorderde immateriële schade moet worden afgewezen, in ieder geval gematigd.

Oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in totaal een bedrag van € 1.021,- gevorderd ter vergoeding van materiële schade. De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij een deel van de schade, bestaande uit de posten 'geldbedrag', 'telefoonhoesje', 'leren portemonnee' en 'jas' heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De benadeelde partij heeft in een toelichting uiteengezet waarom hij -omgerekend- in totaal € 721,- in zijn portemonnee had. De gevorderde materiële schade, waarvan de hoogte onvoldoende door de verdediging is betwist, zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van € 901,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2019. De post 'broek' ad € 120,- zal worden afgewezen, nu de officier van justitie ter terechtzitting heeft aangegeven dat de broek -die voor onderzoek in beslag was genomen- aan de benadeelde partij zal worden teruggegeven.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij als gevolg van de bewezen geachte overval rechtstreeks psychische schade heeft geleden. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien er een ernstige inbreuk is gepleegd op zijn persoonlijke levenssfeer. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden, acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding van € 1.000,- billijk. Dit bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2019. De benadeelde partij zal voor het overige deel van de gestelde immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] een deel van de gestelde materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering die ziet op de portemonnee en het geld, in totaal een bedrag van € 155,-, waarvan de hoogte onvoldoende door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 6 oktober 2019.

De benadeelde partij vordert tevens een bedrag van € 4.000,- in verband met een Russisch rijbewijs dat is weggenomen. Ten aanzien van deze schade beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte daarvan te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de benadeelde partij in dit deel van de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoedingen niet meer aan de benadeelde partijen hoeft te betalen indien zijn medeverdachten deze al hebben betaald, en andersom.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank telkens de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaar, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich binnen drie werkdagen na het onherroepelijk worden van deze uitspraak meldt bij de reclassering van VNN te Groningen en zich blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

2. dat de veroordeelde zal meewerken aan een diagnostisch onderzoek en de daaruit voortvloeiende ambulante behandeling bij de Ambulante Forensische Polikliniek van de GGZ of soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering; de behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt en de veroordeelde zal zich houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft, waarbij het innemen van medicijnen onderdeel kan zijn van de behandeling;

3. dat de veroordeelde zich zal onthouden van het gebruik van alcohol en meewerkt aan controle op dit verbod, waarbij de reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd; mogelijke controlemiddelen zijn urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest);

4. dat de veroordeelde meewerkt aan de realisatie van een passende dagbesteding, te bepalen door de reclassering.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.901,- (zegge: negentienhonderd en een euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2019, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededaders van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit € 901,- aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade.

Wijst de vordering van de benadeelde partij, voor zover deze ziet op vergoeding van de materiële schade, voor het overige af.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij, voor zover deze ziet op vergoeding van de immateriële schade, voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 2] , te betalen een bedrag van € 1.901,- (zegge: negentienhonderd en een euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2019, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door gijzeling voor de duur van 29 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 901,- aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte -al dan niet samen met zijn mededaders- aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 155,- (zegge: honderdvijfenvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2019, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededaders van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 1] , te betalen een bedrag van € 155,- (zegge: honderdvijfenvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2019, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door gijzeling voor de duur van 3 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte -al dan niet samen met zijn mededaders- aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.J. Bosker, voorzitter, mr. S. Timmermans en

mr. N. Gerlsma, rechters, bijgestaan door A.W. ten Have-Imminga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 juni 2020.