Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:2084

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-06-2020
Datum publicatie
10-06-2020
Zaaknummer
18/730285-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft een 55-jarige man ontslagen van alle rechtsvervolging wegens brandstichting, en bepaald dat de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging zal worden toegepast.

De rechtbank heeft geoordeeld dat verdachte in december 2019 opzettelijk brand heeft gesticht door een gordijn in zijn woning in aanraking te brengen met vuur. Hierdoor is er een forse woningbrand ontstaan met verstrekkende gevolgen. De woning die door verdachte werd gehuurd, is door de brand volledig verwoest en moet als verloren worden beschouwd. Ook de naastgelegen woningen zijn beschadigd geraakt. Een buurvrouw liep direct gevaar nu zij zich in haar woning bevond toen de brand uitbrak. De rechtbank heeft geconstateerd dat verdachte een gevaarlijke situatie heeft veroorzaakt. Tegelijkertijd heeft de rechtbank vastgesteld dat verdachte kampt met forse psychiatrische problematiek die ten grondslag heeft gelegen aan dit delict. De deskundigen achten verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar. Zij concluderen dat verdachte lijdt aan een schizo-affectieve stoornis van het bipolaire type en een persoonlijkheidsstoornis.

De rechtbank heeft deze conclusies overgenomen. Gelet op de ernst van de stoornis, de ontoerekenbaarheid, de beperkte motivatie van verdachte en het vereiste beveiligingsniveau, acht de rechtbank tbs met dwangverpleging noodzakelijk.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 157
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730285-19

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 9 juni 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats] ,

verblijvende in het [verblijfsplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 mei 2020.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M. Rosema, advocaat te Leeuwarden.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J.T.D. Stoffels.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 11 december 2019 te Hallum, (althans) in de gemeente Noardeast-Fryslân, opzettelijk brand heeft gesticht in een bij hem in gebruik zijnde (tussen)woning (perceel [straatnaam] , aldaar) door open vuur in aanraking te brengen met een (eetwaar)verpakking en/of (een) gordijn(en), althans met (een) brandbare stof(fen),

ten gevolge waarvan dat/die gordijn(en) en/of een deel van de inboedel van die woning geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor die woning en/of een of beide aangrenzende woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een)

bewoner(s)/aanwezige(n) in die aangrenzende woning(en), in elk geval voor een

ander of anderen te duchten was.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Op grond van het proces-verbaal van de politie en de verklaring van verdachte kan wettig en overtuigend worden bewezen dat de brand door toedoen van verdachte is ontstaan. Dat hierdoor gevaar voor goederen te duchten was, is evident nu de woning als verloren moet worden beschouwd. Ook de buren hebben schade aan hun woning ondervonden. Daarnaast is er levensgevaar voor personen ontstaan, omdat de buurvrouw van verdachte in haar woning aanwezig was toen de brand uitbrak.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er een bewezenverklaring kan volgen met betrekking tot de brandstichting en het daardoor ontstane gevaar voor goederen. Dat er ook levensgevaar voor personen is ontstaan, is door de raadsvrouw betwist. Voor dit deel van de tenlastelegging dient verdachte te worden vrijgesproken. De buurvrouw heeft haar woning tijdig kunnen verlaten en verder was er niemand in de woning van verdachte of naastgelegen panden aanwezig.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 26 mei 2020 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik heb op 11 december 2019 in mijn woning in Hallum geprobeerd met lucifers de verpakking van een banketstaaf in brand te steken. Dat lukte niet en toen heb ik een gordijn in brand gestoken. Ik zag de buurvrouw in haar woning zitten toen ik naar buiten kwam.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 18 december 2019, opgenomen op pagina 19 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019328836 d.d. 3 februari 2020, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :

De woning op het adres [straatnaam] in Hallum maakt deel uit van een blok van vier bejaardenwoningen, [nummers] , en is de tweede woning van dat blokje. De woning is door de brand onbewoonbaar. De benedenverdieping waar de brand is geweest moet helemaal gestript worden, de plafonds zijn kapot, en het dak van de woning is door de brandweer opengemaakt om bij de brand te kunnen. De brand was al in de spouwmuur. Ik kan niet zeggen hoe groot het schadebedrag is, maar de woning moet helemaal opnieuw worden opgebouwd. De woning op [huisnummer] heeft door deze brand rookschade en stankschade opgelopen. De woning op [huisnummer] heeft alleen stankschade.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 12 december 2019, opgenomen op pagina 21 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2] :

Op woensdag 11 december 2019 kwam [verdachte] bij mij aan de deur. Ik hoorde hem zeggen: ' [getuige 2] , mijn huis staat in de fik'. Toen we bij het huis van [verdachte] waren, had ik de brandweer aan de telefoon. Ik zag dat de linkerbuurvrouw naar buiten kwam.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 18 december 2019, opgenomen op pagina 24 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :

Ik zag rook uit het dak van de woning komen. Hierop ben ik naar de hoekwoning gelopen, welke aan het huis vast zit. Ik zag dat de vrouwelijke bewoonster haar huis net verlaten had. Ik heb tegen de vrouw gezegd dat ze haar woning niet meer mocht betreden in verband met de gevaarzetting en de rookontwikkeling.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 19 december 2019, opgenomen op pagina 29 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van verbalisant [verbalisant 2] :

Op woensdag 18 december 2019 heb ik gesproken met [naam] , Clusterhoofd Vakbekwaamheid-Noordoost, brandweer Fryslân. Op woensdag 11 december was hij Officier van Dienst ten tijde van de brand op het adres [straatnaam] in Hallum. De heer [naam] verklaarde dat het om een middelbrand ging toen de brandweer ter plaatse kwam. De brand was gezien de schade ontstaan achter in de woning. Er is een gat in het dak gemaakt om bij het vuur te kunnen komen. Er was rookontwikkeling ontstaan in de woning op nummer 9. In de woning op nummer 5 was nog meer rookontwikkeling ontstaan. De heer [naam] verklaarde dat de dakbalken van de woning op nummer 5 waren aangeslagen door de brand. Hierdoor was de brand zeker overgeslagen naar deze woning via de dakconstructie, als de brandweer niet ter plaatse was gekomen en was het een grote brand geworden. Er was dan zeker gevaar geweest voor goederen en personen in de woning op nummer 5.

Bewijsoverweging

Uit voornoemde bewijsmiddelen volgt dat verdachte op 11 december 2019 in zijn woning in Hallum opzettelijk brand heeft gesticht door een gordijn in brand te steken. De rechtbank kan verdachte niet volgen in zijn verklaring dat het niet zijn intentie is geweest brand te stichten en dat hij de brand per ongeluk heeft veroorzaakt. Uit verdachtes verklaring over de feitelijke gang van zaken, inhoudende dat hij eerst heeft geprobeerd de verpakking van een banketstaaf in brand te steken en toen dat niet lukte het gordijn in brand heeft gestoken, blijkt dat hij dat opzettelijk heeft gedaan.

Voor zover verdachte bedoelt dat hij niet heeft voorzien heeft dat er gevaar zou kunnen ontstaan voor goederen en personen, geldt dat voor een bewezenverklaring niet vereist is dat verdachte het gevaar heeft voorzien, maar of het gevaar naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest.

De woning van verdachte is een tussenwoning in een blok van vier. Deze woning is ten gevolge van de brand verwoest. Ook in de naastgelegen woningen is hierdoor schade ontstaan. Hieruit volgt dat bewezen verklaard kan worden dat door de brand gemeen gevaar voor de woning van verdachte en de aangrenzende woningen te duchten was.

De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of de brand ook levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen in de aangrenzende woningen heeft doen ontstaan. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de buurvrouw van verdachte zich in haar woning bevond tijdens de brand. Toen verdachte de woning verliet en hij zijn buurvrouw in haar woning zag zitten, heeft hij haar niet onmiddellijk gewaarschuwd, terwijl zijn woning op dat moment al in brand stond. Hij is eerst doorgelopen naar een vriendin die in de buurt woont en is met haar teruggekomen naar de brandende woning. Pas enkele ogenblikken daarna heeft de buurvrouw haar woning verlaten vanwege het brandgevaar. Uit de informatie van de brandweer blijkt dat de brand via het dak naar de aangrenzende woning had kunnen overslaan indien de brandweer niet tijdig had ingegrepen. Hieruit volgt zonder meer dat er een gevaarlijke situatie is ontstaan, ook voor de in die woning aanwezige buurvrouw en dat dit gevaar ook naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest. De rechtbank is dan ook van oordeel dat door de brand eveneens levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoner in de aangrenzende woning te duchten was.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 11 december 2019 te Hallum opzettelijk brand heeft gesticht in een bij hem in gebruik zijnde tussenwoning (perceel [straatnaam] , aldaar) door open vuur in aanraking te brengen met een gordijn ten gevolge waarvan dat gordijn en de inboedel van die woning geheel is verbrand en daarvan gemeen gevaar voor die woning en beide aangrenzende woningen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een bewoner in die aangrenzende woning, te duchten was.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Meerdaadse samenloop van

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerequireerd tot ontslag van alle rechtsvervolging van verdachte gelet op de psychiatrische- en psychologische onderzoeksrapportages. Beide gedragsdeskundigen concluderen dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis en achten hem volledig ontoerekeningsvatbaar.

Standpunt van de verdediging

Door de raadsvrouw is primair bepleit dat het feit aan verdachte kan worden toegerekend en dat verdachte strafbaar is. Hierbij is door de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte de door de gedragsdeskundigen vastgestelde stoornis betwist. Verdachte wist wat hij deed en wil verantwoordelijkheid nemen voor zijn handelen.

Subsidiair heeft de raadsvrouw ontslag van alle rechtsvervolging van verdachte bepleit indien verdachte ontoerekeningsvatbaar wordt verklaard.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op de psychiatrische onderzoeksrapportage van 11 mei 2020, opgemaakt door dr. I.F.F.M. Elzakkers, psychiater en op de psychologische onderzoeksrapportage van 5 mei 2020, opgemaakt door drs. J. Yntema, psycholoog.

De conclusies van deze rapporten luiden, zakelijk weergegeven, dat verdachte lijdt aan een schizo-affectieve stoornis van het bipolaire type en een persoonlijkheidsstoornis met histrionische, narcistische, borderline en antisociale trekken. Hiervan was ook sprake op 11 december 2019, de dag waarop verdachte de brand heeft gesticht. Beide gedragsdeskundigen concluderen dat de stoornissen de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte tijdens het plegen van het feit beïnvloedden, zijn keuzevrijheid werd op dat moment aanzienlijk ingeperkt. Het advies is om het feit verdachte niet toe te rekenen. De rechtbank kan zich met deze conclusies verenigen en neemt deze over en concludeert met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte dat het bewezen verklaarde aan verdachte niet kan worden toegerekend.

De rechtbank acht verdachte derhalve niet strafbaar en zal verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging.

Motivering van de maatregel

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om verdachte voor het ten laste gelegde feit de ongemaximeerde maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen. De officier van justitie heeft hiertoe aangevoerd dat er geen alternatieve mogelijkheid is dan oplegging van deze maatregel gezien de stoornis van verdachte en de ernst van het feit. Daarnaast is er een kans op herhaling waardoor de veiligheid van anderen in gevaar komt.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft afgifte van een zorgmachtiging in het kader van de Wet Verplichte Geestelijke Gezondheidszorg (Wvggz) bepleit. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat een maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging een te zware en niet passende maatregel is. Door middel van een zorgmachtiging kan passende zorg worden verleend en kan er tevens worden voorzien in het vereiste beveiligingsniveau. Ook vindt er een halfjaarlijkse toetsing plaats waarbij wordt gekeken of verplichte zorg langer nodig is. Die toetsing is in het kader van de maatregel van terbeschikkingstelling minimaal.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf en/of maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de psychiatrische onderzoeksrapportage van 11 mei 2020 en de psychologische onderzoeksrapportage van 5 mei 2020, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft in december 2019 opzettelijk brand gesticht door een gordijn in zijn woning in aanraking te brengen met vuur. Hierdoor is er een forse woningbrand ontstaan met verstrekkende gevolgen. De woning die door verdachte werd gehuurd, is door de brand volledig verwoest en moet als verloren worden beschouwd. Ook de naastgelegen woningen zijn beschadigd geraakt. Een buurvrouw liep direct gevaar nu zij zich in haar woning bevond toen de brand uitbrak. De rechtbank constateert dat verdachte een gevaarlijke situatie heeft veroorzaakt. Tegelijkertijd stelt de rechtbank vast dat verdachte kampt met forse psychiatrische problematiek die ten grondslag heeft gelegen aan dit delict. De deskundigen achten verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar. De rechtbank heeft deze conclusies overgenomen en zal verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging wat betekent dat geen straf kan worden opgelegd. Wel kan de rechtbank bepalen dat er een maatregel zal worden toegepast.

De rechtbank zal aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling opleggen.

Blijkens de genoemde psychiatrische en psychologische rapportage bestond bij verdachte tijdens het begaan van het bewezen verklaarde een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Het door verdachte begane feit is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en het betreft een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Verder eist de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de oplegging van die maatregel.

De verdediging heeft betoogd dat met afgifte van een zorgmachtiging kan worden volstaan. Oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging zou voor verdachte een te zware maatregel zijn. De rechtbank deelt dat standpunt niet. Daarbij acht de rechtbank doorslaggevend dat de gedragsdeskundigen inzichtelijk en goed gemotiveerd hebben geadviseerd om tbs met dwangverpleging op te leggen. Uit de risicoanalyse van de deskundigen volgt dat het recidiverisico op geweld, waaronder brandstichting, wordt ingeschat als hoog hetgeen hoofdzakelijk voortkomt uit de aanwezigheid van zowel een psychotische stoornis als een ernstige persoonlijkheidsstoornis. Vanuit deze problematiek redeneert verdachte star waarbij zijn eigen moeilijk te volgen logica voorop staat. Verdachte heeft beperkt inzicht in zijn stoornis en de gevolgen van zijn handelen. Deze kwetsbaarheden maken dat verdachte zelfdestructief en impulsief gedrag vertoont. Bij stress of oplopende spanning raakt het waarnemingsvermogen van verdachte vertroebeld. Op die momenten treedt een bewustzijnsvernauwing op waarbij verdachte zijn realiteitsbesef verliest en zijn omgeving vertekend waarneemt. Hiervan was vermoedelijk ook sprake toen verdachte de brand stichtte. De inschatting is dat verdachte in situaties van oplopende stress en spanning niet beschikt over een vangnet; er zijn te weinig beschermende factoren en te veel risicofactoren. Daarnaast heeft verdachte een beperkt steunend netwerk en geen werk of dagbesteding. Dit zijn factoren die risicoverhogend werken. Verder heeft verdachte in het verleden niet vrijwillig meegewerkt aan behandeling of begeleiding; dit werkt eveneens risicoverhogend. De kans dat verdachte opnieuw brand zal stichten of een ander geweldsdelict pleegt, is dan ook reëel.

Gelet op de ernst van de stoornis, de ontoerekenbaarheid, de beperkte motivatie, de benodigde behandelduur en het vereiste beveiligingsniveau luidt het advies van de deskundigen om verdachte tbs met dwangverpleging op te leggen. Een zorgmachtiging zal volgens de rapporteurs tekortschieten nu de duur en het beveiligingsniveau in dat kader niet toereikend zullen zijn. Gezien het beperkt slagen van eerdere trajecten en opnames, wordt een steviger kader noodzakelijk geacht. Verdachte is niet gemotiveerd voor een behandeling en heeft zich in het verleden hiervoor niet ingezet. Daarnaast is de inschatting dat een langdurige vorm van forensische zorg nodig is om het recidiverisico verder in te perken.

Het voorgaande maakt dat de rechtbank oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling passend, maar ook noodzakelijk acht. De rechtbank is tevens van oordeel dat verdachte van overheidswege moet worden verpleegd omdat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verpleging eist.

Nu de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten het opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, kan de totale duur van de terbeschikkingstelling een periode van vier jaar te boven gaan.

Benadeelde partij

[getuige 1] heeft zich namens [benadeelde partij] als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 134.868,14 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering nu deze niet voldoende is onderbouwd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, omdat de vordering niet voldoende is onderbouwd. Daarnaast is geen machtiging of akte bijgevoegd waaruit blijkt dat [getuige 1] bevoegd is om als vertegenwoordiger van [benadeelde partij] op te treden.

Oordeel van de rechtbank

Hoewel voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte daarvan te kunnen beoordelen. De gemaakte kosten zijn niet nader onderbouwd of gespecificeerd middels facturen, terwijl het om een grote som geld gaat. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. Overigens is ook niet gebleken dat [getuige 1] bevoegd is om als vertegenwoordiger op te treden namens de benadeelde partij. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 37a, 37b, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld, maar verdachte daarvoor niet strafbaar.

Ontslaat verdachte ter zake van alle rechtsvervolging.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Bepaalt dat de benadeelde partij [getuige 1] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B. de Wit, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en mr. R.B. Maring, rechters, bijgestaan door mr. M. Postma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 juni 2020.