Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:2083

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-06-2020
Datum publicatie
10-06-2020
Zaaknummer
18/217947-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft een 51-jarige man veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk wegens afpersing en bedreiging.

De man heeft gedurende een langere periode twee kwetsbare mannen onder druk gezet om hen geld te laten afstaan om op die manier zijn drugsverslaving te kunnen financieren. Gebleken is dat beide slachtoffers bang waren voor verdachte en zich verplicht voelden te doen wat verdachte van hen verlangde. De (financiële) gevolgen daarvan hebben zij niet kunnen overzien hetgeen samenhangt met hun kwetsbaarheid. Verdachte heeft hier gedurende een lange tijd listig gebruik van gemaakt en heeft enkel zijn eigen behoeften voor ogen gehad. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen en zijn rol in het geheel bagatelliseert. Daar komt bij dat verdachte de zus van een zijn slachtoffers met de dood heeft bedreigd toen hij door haar werd aangesproken op zijn gedrag en hem werd gevraagd het slachtoffer met rust te laten.

Met betrekking tot de bewezenverklaring van afpersing heeft de rechtbank geoordeeld dat de gedragingen van verdachte bij de slachtoffers een zodanige psychische druk opleverden dat zij hieraan geen weerstand konden bieden en zich gedwongen voelden te voldoen aan hetgeen van hen werd verlangd. Daarbij is in aanmerking genomen dat er een ongelijkwaardige relatie bestond tussen verdachte en de slachtoffers en dat verdachte hier misbruik van heeft gemaakt. Dit maakt dat er sprake is geweest van dwang door een feitelijkheid, en in het andere geval van dwang door dreiging met geweld.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 284
Wetboek van Strafrecht 285
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/217947-19

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 9 juni 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 mei 2020.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.A. Pots, advocaat te Leeuwarden.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J.T.D. Stoffels.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij meermalen, althans eenmaal in of omstreeks 01 januari 2014 tot en met 24 oktober 2018 te Vrouwenparochie , gemeente Waadhoeke, althans in Nederland, een ander, te weten [slachtoffer 1] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld
wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten het (telkens) afgeven van een geldbedrag en/of een of meer goederen (waaronder een wasmachine en/of een wasdroger), door
- die [slachtoffer 1] drugs, bestemd voor verdachte, te laten kopen en/of op te laten halen en/of
- tegen die [slachtoffer 1] te dreigen/zeggen dat als hij geen geld en/of goed(eren) zou geven, hij, verdachte, die [slachtoffer 1] bij de politie zou aangeven voor die drugsaankopen (waarvan verdachte foto's zou hebben) (waarbij die [slachtoffer 1] dan de kans zou lopen om in en cel te
komen met 8 man en die [slachtoffer 1] dan mogelijk verkracht zou worden);
2.
hij meermalen, althans eenmaal in of omstreeks de periode van 1 juni 2018 tot en met 19 oktober 2018 te Vrouwenparochie , gemeente Waadhoeke, een ander, te weten [slachtoffer 2] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten het (telkens) afgeven van een geldbedrag (al dan niet uit de pinautomaat), door die [slachtoffer 2] te dreigen/zeggen dat hij, verdachte, een aantal personen (van Joegoslavische afkomst) op hem af zou sturen (die hem
dan geld zouden aftroggelen);
3.
hij op enig tijdstip in of omstreeks de periode van 17 oktober 2018 tot en met 18 oktober 2018 te Vrouwenparochie , gemeente Waadhoeke mw. [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 3] dreigend de woorden toe te voegen "je gaat er aan", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
4.

hij op of omstreeks 18 oktober 2018 te Vrouwenparochie , gemeente Waadhoeke [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 3] dreigend de woorden toe te voegen
"ik ga je neersteken" en/of "je gaat er aan", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

De rechtbank stelt vast dat het onder 4. tenlastelegde voor zover betrekking hebbende op [slachtoffer 3] dezelfde gedraging en hetzelfde verwijt betreft als het onder 3 tenlastegelegde. Dit is door de officier van justitie ter terechtzitting bevestigd en de officier van justitie heeft voorgesteld dit deel van het onder 4. tenlastegelegde om die reden weg te strepen. Nu kennelijk sprake is geweest van een verschrijving ziet de rechtbank aanleiding de tenlastelegging verbeterd te lezen, in die zin dat onder 4 enkel de bedreiging van [slachtoffer 4] ten laste is gelegd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Met betrekking tot het onder 4. ten laste gelegde

Door de raadsman is betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard met betrekking tot het onder 3. en 4. ten laste gelegde, omdat het digitale dossier een brief bevat van het openbaar ministerie aan aangever [slachtoffer 4] waarin staat vermeld dat de strafzaak tegen verdachte wordt geseponeerd vanwege onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Op basis hiervan mocht verdachte verwachten dat hij voor de onder 3. en 4. ten laste gelegde bedreigingen niet vervolgd zou worden.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de brief aan [slachtoffer 4] is gericht, en niet aan verdachte. Op basis van die brief mocht verdachte niet verwachten dat hij voor deze feiten niet vervolgd zou worden.

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 167, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.

Zo'n uitzonderlijk geval doet zich zonder meer voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het Openbaar Ministerie gedane, of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd. Aan uitlatingen of gedragingen van functionarissen aan wie geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend kan zulk gerechtvaardigd vertrouwen dat (verdere) vervolging achterwege zal blijven evenwel in de regel niet worden ontleend.

De rechtbank is van oordeel dat de vervolging van de verdachte is ingesteld of voortgezet nadat door het Openbaar Ministerie gedane, of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen, uitlatingen of daarmee gelijk te stellen gedragingen, bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd. Immers is aangever [slachtoffer 4] per brief van 12 december 2019 geïnformeerd dat de officier van justitie na beoordeling van het proces-verbaal van de politie heeft besloten dat er geen strafzaak komt tegen verdachte, omdat is gebleken dat er niet genoeg wettig en overtuigend bewijs is. Die brief, waarop ook het parketnummer 18-217947-19 staat vermeld, bevindt zich in het digitale dossier en moet derhalve worden beschouwd als een processtuk waarover ook de verdediging vrij kan beschikken. Feit is dat het Openbaar Ministerie verantwoordelijk is voor het strafdossier en dat met deze brief een verwachting is gewekt bij verdachte. Hij mocht erop vertrouwen dat hij voor deze zaak niet verder vervolgd zou worden. Dat de brief niet aan verdachte was gericht, doet daar niet aan af. De rechtbank overweegt dat het voorgaande enkel ziet op de vervolging voor bedreiging van [slachtoffer 4] zoals deze onder 4. ten laste is gelegd. De brief was immers gericht aan aangever [slachtoffer 4] en niet aan aangever [slachtoffer 3] . Het standpunt van de verdediging dat verdachte erop mocht vertrouwen ook niet vervolgd te zullen worden voor de bedreiging zoals deze onder 3. ten laste is gelegd, deelt de rechtbank dan ook niet.

Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte behoort te worden verklaard met betrekking tot het onder 4. ten laste gelegde.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1., 3. en 4. ten laste gelegde. Voor het onder 2. ten laste gelegde heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Uit het dossier volgt dat zowel aangever [slachtoffer 1] als aangever [slachtoffer 2] bang waren voor verdachte. Het afgeven van grote sommen geld en het onvrijwillige karakter hiervan over een lange periode kan echter niet wettig en overtuigend worden bewezen. Hiervan dient verdachte dan ook te worden vrijgesproken. Dit geldt niet voor de afgifte van een wasmachine en droger zoals onder 1. ten laste is gelegd nu deze goederen kort na de aankoop voor een te lage prijs door [slachtoffer 1] zijn verkocht aan een opkoper. Verdachte was bij die verkoop en overdracht betrokken hetgeen overtuigend bewijs vormt voor het dwangmatige karakter van deze verkoop. De bedreigingen zoals onder 3. en 4. ten laste zijn gelegd, kunnen op basis van de aangiften en de verklaring van verdachte wettig en overtuigend worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor alle ten laste gelegde feiten. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. Met betrekking tot het onder 1. en 2. ten laste gelegde staan de aangiften haaks op de verklaring van verdachte. Verder blijkt nergens uit dat er sprake is geweest van dwang.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past ten aanzien van het onder 1., 2. en 3. tenlastegelegde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. De door verdachte ter zitting van 26 mei 2020 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik heb een aantal jaar in Vrouwenparochie gewoond en had in die jaren veel contact met [slachtoffer 1] , we waren maten. We aten met elkaar en deden veel samen. Ik heb voor [slachtoffer 1] [bedrijf 3] gebeld. Ik heb [slachtoffer 1] geholpen de wasmachine en droger in de auto te tillen. Ik kende [slachtoffer 2] ook goed, hij was mijn buurman. Ik ben een aantal keer met [slachtoffer 2] naar Sint Annaparochie gefietst om daar geld op te nemen met de bankpas van [slachtoffer 2] . Ik heb op 18 oktober 2018 in Vrouwenparochie een woordenwisseling gehad met de zus en zwager van [slachtoffer 2] .

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 30 juli 2019, opgenomen op pagina 45 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019283159 d.d. 11 november 2019, inhoudend als verklaring van verdachte:

V: vraag verbalisant

A: antwoord verdachte

O: opmerking verbalisant

A: [slachtoffer 1] is een persoon met een gebruiksaanwijzing.
V: [slachtoffer 1] heeft verklaard dat jij in Leeuwarden drugs kocht. Dat hij jou naar Leeuwarden bracht zodat jij daar drugs kon kopen. Wat kan jij daarover verklaren?
A: Ja, dat klopt wel. [slachtoffer 1] haalde ook wel alleen drugs voor mij op.

V: Hoe zou je [slachtoffer 2] omschrijven? Wat voor persoon is [slachtoffer 2] ?
A: Hij is wat minder. Wat anders dan ons. Hij werkt bij [instantie] en heeft zijn beperkingen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 26 oktober 2018, opgenomen op pagina 7 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :

Ik doe aangifte van afpersing/chantage door [verdachte] gepleegd tussen 1 januari 2014 en 24 oktober 2018. Ik ken [verdachte] sinds het voorjaar van 2014. Ik hoorde van buurtbewoners dat [verdachte] niet te vertrouwen was en dat ik daar niet mee in zee moest gaan. Ik ben alleen heel goed van vertrouwen en wil altijd voor andere mensen klaar staan. De eerste keer dat [verdachte] bij mij kwam vroeg hij of ik hem naar Leeuwarden wilde brengen met mijn auto. Ik vond dit wel goed en reed met hem naar Leeuwarden. Hij vertelde mij vaak dat ik zijn beste vriend was en dat hij me nooit zou laten vallen als vriend. Als snel had ik door dat [verdachte] met mij naar Leeuwarden ging om drugs te halen. Al snel moest ik het geld voor de drugs pinnen en meenemen om de drugs te betalen. Als ik dan zei dat ik geen geld had, dan flipte [verdachte] . Hij werd dan wild en begon te schreeuwen. Hij was dan [verdachte] niet meer en flipte helemaal. Hij keek dan heel kwaad. Ik herkende hem dan niet meer. Hij schreeuwde dan tegen mij: "Ik ga naar de politie en dan geef ik je aan, ik hoef dan maar een zinnetje te zeggen en dan hang je. Dan zijn er 60 man en die doen allemaal aangifte bij de politie. Jij komt dan in Lelystad in de cel met 8 man. Dan ben jij het vrouwtje en word je anaal genomen en 10 keer per dag verkracht op de cel." Ik werd dan angstig, ik werd dan bang en geloofde alles wat hij zei. Ik nam zijn dreigement voor waar aan. Ik werd hierdoor heel bang dat mij verschrikkelijke dingen zouden gebeuren als ik [verdachte] geen geld zou geven. We gingen al snel elke week, meerdere keren, naar Leeuwarden. We gingen sommige weken wel drie dagen achter elkaar naar Leeuwarden om drugs te halen. Hij dreigde ook vaak dat hij foto's van mij had dat ik de drugs kocht, hij dreigde hiermee naar de politie te gaan als ik geen geld wilde geven. [verdachte] heeft mij in het verleden twee keer bij de keel vastgepakt. Ik weet niet meer precies hoe dat ging. Een keer zei hij in ieder geval dat hij me al lang in elkaar geslagen had als ik een vreemde was. Hiervan werd ik dan erg angstig. [verdachte] vertelde mij ook meerdere keren in de afgelopen jaren dat hij uit een hele andere wereld kwam dan ik. Ik dacht dan dat hij het had over de drugswereld waarin hij zich bevond. Ik was bang dat [verdachte] zijn vrienden zou inschakelen om mij iets aan te doen. Ik zag [verdachte] als een hele sterke man, die al een keer in de gevangenis had gezeten voor poging moord. Ik bleef door mijn angst voor [verdachte] hem geld geven als hij erom vroeg. Ik wilde vrienden blijven. Door de jaren heen heeft [verdachte] ook goederen van mij weggenomen en verkocht. [verdachte] had altijd geld nodig en kwam heel veel bij mij over de vloer. In juni 2018 ongeveer had [verdachte] geld nodig. Hij wilde mijn computer inleveren bij het pandjeshuis in Sint Annaparochie als borg voor geld. Ik had een HP computer, een kast, beeldscherm, muis en toetsenbord. Deze had ik bij de [bedrijf 1] gekocht. [verdachte] wilde deze computer inleveren voor geld bij de winkel waar "Goud inkopen en verkopen" op de gevel staat. De eigenaar van deze winkel wilde mijn computer niet. We zijn toen naar [verdachte] zijn huis gefietst en daar heb ik mijn pc achter gelaten. Van [verdachte] heb ik begrepen dat [verdachte] de computer aan zijn oudste zoon had gegeven. Nog later vertelde [verdachte] dat er was ingebroken bij zijn oudste zoon en dat mijn computer daarbij was weggenomen. [verdachte] had vervolgens tegen mij gezegd dat ik van hem een nieuwe computer en printer zou krijgen, maar dat is tot op heden nog niet gebeurd. Tot twee keer toe heeft [verdachte] mijn wasmachine en droger verkocht. Dit ging beide keren op dezelfde manier. Hij maakte een afspraak met [naam 3] , witgoedhandel Akkrum. [verdachte] noemde deze man [naam 4] of [naam 5]. Zij kochten de wasmachine en droger en [verdachte] kreeg het geld. Van hem begreep ik dat hij 250,- euro had gekregen. Als ik deze 250,- euro zou betalen dan kreeg ik mijn witgoed weer terug, De laatste keer dat mijn wasmachine en droger weg waren gehaald was in september 2018. Ook mijn factuur van de wasmachine en droger was meegenomen en een kleed om de machines tegen stoten te beschermen. De wasmachine en de droger waren van het merk Miele. Deze had ik in april 2018 bij de [bedrijf 1] in Sint Annaparochie gekocht voor iets meer dan 2000,- euro. Op het laatst ging ik voor [verdachte] op mijn fiets naar Leeuwarden om voor hem drugs te halen. Ik pinde geld hiervoor. Dit moest van [verdachte] . Een enkele keer kreeg ik geld van [verdachte] , dat ging dan om 10 of 20 euro om drugs voor hem te kopen. Ik moest dan [verdachte] bellen als ik in Leeuwarden was. Hij belde dan een persoon. Dan wachtte ik op de afgesproken locatie en na een tijdje kwam dan een persoon bij me. Ik gaf dan het geld en kreeg dan de bolletjes. Al met al is dit maar een samenvatting van wat er in de afgelopen 4 jaar is gebeurd. Door de jaren heen moest ik alle berichtjes van [verdachte] op mijn telefoon verwijderen. [verdachte] liet mij deze berichten verwijderen in opdracht van hem. Hij zei dat ik dat moest doen en dan deed ik dat. Ik was en ben zeer bang voor [verdachte] . Ik ben ook heel bang dat nu ik dit alles heb verteld dat [verdachte] boos op mij is en mij wat gaat aandoen. Het enige berichtje wat nog op mijn telefoon staat van [verdachte] is van 31-08-2018 en houdt in: "Dit is nou wat ik bedoel weer heb je de telefoon uit en je belt me niet terug terwijl het belangrijk is en het mij weer geld heeft gekost. Maar dit was de laatste keer ik regel niets meer je hebt het weer voor elkaar nu zijn ze allemaal kwaad nu moet jij het maar zelf regelen. Nu heb ik schijt aan jou. Tot straks 10 bij mij je zou even voor mij pinnen tot straks".

4. Een geschrift, zijnde een behandelplan van Zorgmaatwerk, opgenomen op pagina 17 van voornoemd dossier, inhoudend:

Patient [slachtoffer 1]

Datum behandelplan 6 maart 2018

Classificatie volgens de DSM IV:

As I :5.05 – Gegeneraliseerde angststoornis

Behandeldoelen vanuit de patiënt:

- (…)

- over vier maanden heb ik meer sociale contacten

Beschermende en belemmerende factoren:

Belemmerend is het gevoel van eenzaamheid en het vele piekeren.

5. Een geschrift, zijnde een brief van 12 maart 2018 van [naam 1] , verpleegkundige en N. Dijkema, psychiater, van Zorgmaatwerk aan van P.F. Bögels, huisarts, opgenomen op pagina 19 van voornoemd dossier, inhoudend:

Betreft: terugkoppelingsbrief huisarts

Patiënt: [slachtoffer 1]

Vanaf 20 februari 2018 is bovengenoemde patiënt bij ons in behandeling

Reden van verwijzing: Verwezen door GGZ waar u naartoe heeft verwezen i.v.m. suïcidaliteit en onverwerkte rouw.

Psychiatrische voorgeschiedenis:

GGZ (meerdere keren)

Zorgmaatwerk (2012)

Beschrijvende diagnose: Er is sprake van een gegeneraliseerde angststoornis bij een man met een laag IQ.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 9 november 2018, opgenomen op pagina 25 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :

[slachtoffer 1] is heel lief en heeft echt alles voor een ander over. [slachtoffer 1] gaat niet met de tijd mee, hij doet niet aan internetbankieren en regelt alles via acceptgiro's en dergelijke. [slachtoffer 1] is iemand die graag aandacht krijgt, hiermee bedoel ik dat hij in contact wil zijn en met iedereen een praatje maakt. Nu heeft hij eigenlijk alleen nog contact met zijn broer en mij. [slachtoffer 1] is zeer goedgelovig en niet in staat om dingen te verifiëren. Hij neemt alles van een ander aan. Op 22 januari 2018 kwam [slachtoffer 1] bij me langs met een brief van de Rabobank waarin stond dat hij er voor moest zorgen dat zijn rekening weer in de plus kwam. [slachtoffer 1] had vele schulden en stond dus flink rood op zijn rekening. [slachtoffer 1] vroeg nooit om financiële steun, maar toen kwam de vraag of ik hem kon helpen en er voor kon zorgen dat hij weer in de plus stond.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 2 november 2018, opgenomen op pagina 36 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2] :

Ik ben eigenaar van [bedrijf 2] te Sint Annaparochie. Hier handel ik in goud en tweedehands artikelen. Eind oktober 2018 kwam
er een politieagent bij mij in de winkel en die vroeg mij of ik wel eens spullen had gekocht van iemand uit Vrouwenparochie . Ik kon mij niet direct herinneren dat ik dit had gedaan. Nadat ik van uw collega vernam dat de man die hij bedoelde, een bril draagt met opvallend dikke glazen herinner ik mij wel dat deze man enkele keren in de winkel is geweest omdat hij spullen aan mij wilde verkopen. De laatste keer dat hij in mijn winkel was, was ongeveer in juni. Hij vertelde mij toen dat hij een computer had en dat hij die graag wilde verkopen, toen ik doorvroeg werd duidelijk dat het een oude desktop computer betrof. Ik had geen interesse in het apparaat. Vervolgens zag ik dat de man naar buiten liep en voor mijn winkel bleef staan. Ik ben toen gaan roken, dit doe ik altijd aan de voorkant van de winkel. Tijdens het roken stond ik in de buurt van de man en ik zag en hoorde dat hij aan het bellen was. Met wie hij aan het bellen was weet ik niet maar ik kon wel een gedeelte van het gesprek horen. Ik hoorde dit omdat het geluid van de telefoon heel hard stond. Ik hoorde dat de man aan de andere kant van de telefoon zei: "die rotzooi moet ingeleverd worden" en "de spullen moeten verkocht worden" of woorden van gelijke strekking. Ik kreeg het idee dat de man die voor de winkel stond machteloos was en niet in staat was een weerwoord te bieden aan de man waarmee hij in gesprek was. ik hoorde hem zeggen dat hij zijn best deed om de spullen te verkopen. In eerste instantie heb ik hier niet wat achter gezocht maar als ik hier nu aan terugdenk krijg ik het idee dat hij de spullen in opdracht van een ander probeerde te verkopen.

8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 juli 2019, opgenomen op pagina 42 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van [naam 2] :

Op 21 mei 2019 heb ik telefonisch contact gehad met eigenaar van [bedrijf 3] te Akkrum naar aanleiding van een telefoongesprek wat wij hadden gehad over de wasmachine en droger welke hij had gekocht van aangever [slachtoffer 1] . [naam 3] verklaarde dat:

- de verkoop van die wasmachine en droger op 18 september 2018 was geweest.
- hij er 250/350 euro voor had betaald.
- hij had gezien dat het een vrij nieuw setje was.
- dat [verdachte] daar ook was geweest.
- de eigenaar zelf mee had geholpen om de goederen in de auto te tillen.
- die man wel wat zenuwachtig was.
- hij diverse malen aan die man had gevraagd of het klopte.
- hij het wel wat een vreemd geval vond.
- de eigenaar had gezegd dat hij het wel zou regelen met [verdachte] .

9. Een geschrift, opgenomen op pagina 43 van voornoemd dossier, inhoudend een factuurkopie van [bedrijf 1] :

[slachtoffer 1]

Factuurdatum: 02-03-2018

Goederen volgens order 1804007091:

1. Voorlader, Miele WKE 130 WPS, prijs 1.199,00 euro

1. Warmtepompdroger, Miele TCE 630 WP, prijs 1.099,00 euro

1. Dienst intern, [bedrijf 1] installatiebox wassen/drogen/vaatwasser, 24,95 euro

Totaal inclusief BTW: 2.300,00 euro, reeds betaald.

10. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 18 oktober 2018, opgenomen op pagina 54 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3] :

Ik doe aangifte namens mijn broer [slachtoffer 2] . Naast mijn broer woont [verdachte] . [verdachte] bedreigt mijn broer en maakt hem geld afhandig. Mijn broer is een kwetsbare man die zelfstandig woont. De eerste keer dat [slachtoffer 2] geld heeft gepind voor [verdachte] is geweest op 18 augustus 2018. [verdachte] fietst dan met mijn broer mee naar de pinautomaat in Sint Annaparochie en daar pint [slachtoffer 2] dan contant geld. [slachtoffer 2] heeft gezegd dat hij bang is voor [verdachte] en hem daarom geld geeft wanneer [verdachte] er om vraagt.

Op donderdag 18 oktober 2018 belde [slachtoffer 2] mij, ik hoorde dat [slachtoffer 2] zei dat [verdachte] al anderhalf uur bij hem voor de deur stond. [verdachte] wilde geld hebben van [slachtoffer 2] . [verdachte] heeft tegen [slachtoffer 2] gezegd dat hij met hem mee moest komen naar Sint Annaparochie en dat hij geld nodig had. [slachtoffer 2] werd bang en heeft gezegd dat zijn pinpas bij onze moeder ligt en dat hij geen geld heeft. [verdachte] nam hier geen genoegen mee en bleef dus voor de deur staan en bleef dreigende taal uitslaan. Daarom heeft [slachtoffer 2] ons gebeld. Ik ben samen met mijn man naar de woning van [slachtoffer 2] gegaan. Toen wij daar aankwamen zagen wij dat [verdachte] bij de deur van [slachtoffer 2] zijn woning stond. Ik zei tegen [verdachte] "wat doe jij hier, probeer je mijn broer weer geld afhandig te maken?" [verdachte] zei dat ik me er niet mee moest bemoeien. Ik was heel erg boos op [verdachte] . Hierop ontstond een woordenwisseling en tijdens deze woordenwisseling hoorde ik dat [verdachte] zei: "je gaat eraan." Hier werd ik bang van.

11. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 18 oktober 2018, opgenomen op pagina 62 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :

V: vraag verbalisant

A: antwoord aangever

O: opmerking verbalisant

A: Vorig jaar zomer begon het, ergens in juni/juli 2018. [verdachte] kwam toen voor de eerste keer voor geld. Hij had dan een smoesje. Dit ging dan soms over zijn moeder en de begrafenis van zijn moeder. Nu blijkt dat zij helemaal niet is overleden. Ik moest [verdachte] geld geven. Dit heeft ongeveer 6 tot 8 weken geduurd. Ik gaf dit geld aan [verdachte] omdat hij mij onder druk begon te zetten over Joegoslaven. Hij zei dat zij dan wel bij mij zouden komen, dan zou hij ze op mij afsturen. Dit zei hij allemaal om geld van mij af te troggelen. Daar bedreigde hij mij mee. Ik werd hier angstig van. Ik gaf hem tussen de 75,00 euro en 150,00 per keer. In totaal is [verdachte] mij 3000,00 euro verschuldigd.
V: Heeft hij aangegeven toen hij voor het eerst voor de deur stond dat hij jou zou terugbetalen?
A: Dat heeft hij verscheidende keren gezegd. Hij zei dan dat ik het dan de avond weer terug zou krijgen. Elke keer zei hij dat het de laatste keer, maar elke keer kwam hij weer terug.
V: Wie is [verdachte] :
A: Dat is mijn buurman. Onze relatie veranderde in juni/juli 2018. [verdachte] stond toen ineens voor mijn deur en kwam met allemaal smoesjes om geld van mij te lenen.

V: Wat vond jij daarvan?

A: Ik heb wel eens gezegd dat hij daar mee moest ophouden, maar daar trok hij zich niets van aan. Ik deed uiteindelijk de deur open, omdat ik wist dat hij toch niet zou stoppen. Dan zou hij mij weer gaan bedreigen.

V: Waar bedreigde hij jou allemaal mee?
A: Met Joegoslaven en andere buitenlanders die mij dan kwamen opzoeken. Hij zei dat hij zelf ook werd bedreigd door mensen. [verdachte] stond op 18 oktober 2018 voor mijn deur te wachten. Dit was de dag dat ik mijn zwager heb opgebeld. Hij zat al 1.5 uur bij mij in de deurpost en bleef maar vragen om geld. Ik was bang voor [verdachte] . Ik wilde deze gok niet nemen. Ik was bang dat hij mij wat aan wilde doen. Het komt er eigenlijk op neer dat alles wat [verdachte] vroeg, moest ik gehoor aangeven, anders was ik bang dat hij mij wat aan zou doen. Ik vertelde aan mijn zwager dat [verdachte] al anderhalf uur voor mijn deur stond en niet weg wilde gaan. Ongeveer vijf minuten later zag ik mijn zus samen met mijn zwager aan komen lopen.

A: [verdachte] gaf altijd een bedrag aan wat hij nodig had. Dit bedrag was elke keer anders, maar dit lag elke keer tussen de 75 en 150 euro.

V: Hoe gaf jij dit geld aan [verdachte] ?
A: Ik moest altijd naar de pinautomaat in Sint Annaparochie met hem fietsen. Ik pinde dan altijd het bedrag wat hij nodig had.

A: Dit heeft ongeveer 6 tot 8 weken geduurd. Hij heeft mij uiteindelijk ongeveer 3000 euro afhandig gemaakt.
V: Wat moest hij met het geld?
A: Daar kocht hij drugs voor achteraf. Ik was er nooit bij als hij drugs kocht.

V: Wie zijn nog meer slachtoffer geworden van [verdachte] ?
A: [slachtoffer 1]

V: Kan jij jezelf omschrijven wat voor persoon jij bent?

A: Onzeker, beïnvloedbaar.

12. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 28 januari 2019, opgenomen op pagina 75 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 4] :

Mijn zwager [slachtoffer 2] vertelde ons dat hij voor zijn buurman [verdachte] geld moest pinnen. Dat hij dit niet aan ons had verteld omdat hij hartstikke bang voor [verdachte] was. [slachtoffer 2] vertelde ons dat hij bang was voor [verdachte] omdat hij had gezegd dat hij vast had gezeten voor moord en doodslag. We hebben de bankafschriften vervolgens van [slachtoffer 2] gecheckt. Deze bankafschriften ontving mijn schoonmoeder omdat [slachtoffer 2] hier zelf niet mee bezig was. Uit de bankafschriften bleek dat [slachtoffer 2] regelmatig had gepind. Op donderdag 18 oktober werd ik omstreeks 00:02 uur gebeld door [slachtoffer 2] . Mijn vrouw nam op en heeft gesproken met [slachtoffer 2] . Mijn vrouw vertelde vervolgens aan mij dat [slachtoffer 2] fluisterde dat [verdachte] al anderhalf uur voor zijn deur stond. Wij zijn toen meteen naar [slachtoffer 2] toegegaan. Wij kwamen bij [slachtoffer 2] aan en ik zag dat [slachtoffer 2] met [verdachte] zat te praten bij de voordeur. [verdachte] zei: "wat moet je hier met je grote bek". Mijn vrouw zei dat hij terug moest gaan naar zijn eigen woning. Daarop zei [verdachte] "kom maar even mee, dan zou ik je even nazien, of ik zou je neersteken, of woorden van gelijke strekking". Dit zei hij tegen mij. Ik zag dat hij op dat moment in de richting van mij keek. Ik stond er ongeveer een halve meter vandaan. Ook hoorde Ik hoorde [verdachte] tegen mijn vrouw zeggen "je gaat eraan". Ik zag dat [verdachte] naar mijn vrouw keek op het moment dat hij dit zei. Ik kan aangeven dat [slachtoffer 2] een kwetsbaar persoon is. Hij werkt bij Empatec omdat hij begeleiding nodig heeft met de meeste dingen die hij doet. Voor hem is niet alles vanzelfsprekend. De financiële zaken gaan allemaal automatisch. Dit hebben zijn ouders voor hem geregeld omdat dit voor [slachtoffer 2] te moeilijk is. [slachtoffer 2] neemt normaal gesproken geen geld op en al helemaal geen contant geld.

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van het onder 1. en 2. ten laste gelegde

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat iemand wederrechtelijk is gedwongen iets te doen, na te laten of te dulden door geweld of enige andere feitelijkheid of door bedreiging hiermee. Van door een feitelijkheid wederrechtelijk dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden als bedoeld in artikel 284 Sr kan slechts sprake zijn indien de verdachte door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer tegen zijn of haar wil iets heeft gedaan, niet gedaan of geduld.1 Het bestanddeel ‘andere feitelijkheid’ in de zin van artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht omvat in beginsel elke gedraging die onder de gegeven omstandigheden iemand kan dwingen tot het betreffende gevolg en die niet beantwoordt aan een van de andere in het betreffende artikel genoemde dwangmiddelen.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het onder 1. tenlastegelegde het volgende. Aangever [slachtoffer 1] heeft onder meer verklaard dat hij verdachte in 2014 heeft leren kennen waarna er een intensief contact is ontstaan. Verdachte kwam veel bij aangever over de vloer en samen ging zij regelmatig naar Leeuwarden waar verdachte dan drugs kocht. Aangever moest het geld pinnen om hiermee de drugs te betalen. Indien aangever dit weigerde, dan werd verdachte boos en dreigend richting aangever. Hij zette aangever onder druk door hem onder meer te bedreigen met het doen van aangifte, waardoor aangever met meerdere personen in een cel zou belanden en zou worden verkracht. Aangever heeft ook verklaard dat verdachte goederen van hem heeft verkocht en aangever de opdracht heeft gegeven spullen te verkopen, waaronder een oude computer. De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van aangever op essentiële onderdelen steun vinden in de overige bewijsmiddelen. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat aangever hem een oude pc heeft aangeboden en handelde in opdracht van een andere man. Daarnaast heeft aangever verklaard dat verdachte zijn wasmachine en droger heeft verkocht aan een witgoedhandelaar voor een bedrag van 250,00 euro hetgeen ondersteuning vindt in de in het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [naam 2] opgenomen verklaring van de witgoedhandelaar. De wasmachine en droger zijn op 18 september 2018 opgehaald. Verdachte was bij die verkoop aanwezig en heeft verklaard dat hij het witgoedbedrijf heeft benaderd. De desbetreffende wasmachine en droger zijn eerder dat jaar door aangever nieuw aangeschaft, zo blijkt uit de factuur van 2 maart 2018. De ‘verkoop’ van een enkele maanden daarvoor aangeschafte wasmachine, voor een prijs ver beneden de marktwaarde, is een volstrekt onlogische handeling en acht de rechtbank ook ondersteunend voor de verklaring van verdachte dat hij dit niet vrijwillig deed.

Aangever is een kwetsbaar persoon. Zo heeft verdachte verklaard dat [slachtoffer 1] een persoon is met een gebruiksaanwijzing en heeft aangever verklaard dat hij in behandeling is bij Zorgmaatwerk. De zus van aangever heeft dit bevestigd en verklaard dat aangever te goed van vertrouwen is en niet in staat is om zaken te verifiëren. Uit de stukken van Zorgmaatwerk blijkt dat aangever een psychiatrische voorgeschiedenis heeft, lijdt aan een angststoornis, een laag IQ heeft, somber is, zich eenzaam voelt en behoefte heeft aan meer sociale contacten.

Met betrekking tot het onder 2. ten laste gelegde overweegt de rechtbank het volgende. Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij verdachte geld moest geven, omdat verdachte hem onder druk zette. Als aangever niet deed wat verdachte vroeg, dan zou verdachte Joegoslaven op hem afsturen. Aangever voelde zich daarom gedwongen om met hem mee te fietsen naar Sint Annaparochie waar aangever dan geld voor verdachte moest pinnen. De verklaring van aangever vindt op essentiële onderdelen ondersteuning in andere bewijsmiddelen. De zus en zwager van aangever hebben ook verklaard dat aangever bang was voor verdachte en daarom deed wat verdachte vroeg en dat uit zijn bankafschriften bleek dat aangever regelmatig pinde, terwijl hij dat voorheen nauwelijks deed. Ondersteunend voor de aangifte zijn tevens de verklaringen van de zus en zwager van aangever waaruit volgt dat zij verdachte op 18 oktober aantreffen voor de woning van aangever en waar verdachte zich dreigend gedraagt.

Voorts blijkt uit het dossier dat aangever, net als [slachtoffer 1] , een kwetsbaar persoon is. Dit hebben zowel aangever, zijn zus en zwager verklaard. Aangever heeft begeleiding nodig en is niet in staat om zelfstandig zijn financiële zaken te regelen. Verdachte wist van die kwetsbaarheid, hij heeft verklaard dat [slachtoffer 2] werkzaam is bij [instantie] en dat hij zijn beperkingen heeft.

De rechtbank overweegt dat verdachte met zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] gedurende enige tijd een (vriendschaps)relatie heeft onderhouden. Kenmerk van deze beide relaties was dat aan de ene kant sprake was van een kwetsbaar persoon die kon beschikken over geld en aan de andere kant verdachte, die kampte met een drugsverslaving en onvoldoende middelen had om deze verslaving te kunnen bekostigen. Over en weer was in deze relaties sprake van een afhankelijkheid: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] waren eenzaam en afhankelijk van verdachte voor aandacht en gezelschap, terwijl verdachte op zijn beurt financieel afhankelijk was van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Deze verschillende belangen, in samenhang met het feit dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] kwetsbare personen zijn, maken dat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van een gelijkwaardige relatie. Van deze ongelijkwaardigheid heeft verdachte misbruik gemaakt door hen met intimiderend gedrag te dwingen om geld en goederen af te staan.

De rechtbank komt tot het oordeel dat de gedragingen van de verdachte jegens aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voor deze een zodanige psychische druk opleverden dat zij hieraan geen weerstand konden bieden en zich gedwongen voelden te voldoen aan hetgeen van hen werd verlangd. In geval van [slachtoffer 1] was sprake van dwang door een feitelijkheid en in het geval van [slachtoffer 2] van dwang door dreiging met geweld. Dat beide aangevers (ook) vrijwillig met verdachte tijd doorbrachten en gezamenlijk aten en/of dronken, doet aan dit oordeel niet af. Dit dient te worden bezien tegen de achtergrond van de onevenwichtige en complexe verhouding tussen verdachte en aangevers. Van de zijde van verdachte was constante dreiging niet nodig om te krijgen wat hij wilde en hij had er juist belang bij de slachtoffers ook op andere wijze aan hem te binden zodat zij hem ter wille zouden zijn.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het onder 1. en 2. tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Met betrekking tot het onder 3. ten laste gelegde

Uit voornoemde bewijsmiddelen volgt dat [slachtoffer 2] op 18 oktober 2018 in paniek zijn zus en zwager heeft gebeld, omdat verdachte al anderhalf uur voor zijn deur stond en opnieuw geld wilde zien. Toen aangeefster [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] vervolgens ter plaatse kwamen, zagen zij verdachte voor de deur van [slachtoffer 2] staan. Uit hun verklaringen blijkt dat verdachte aangeefster toen heeft bedreigd met de woorden "je gaat eraan". De verklaring van verdachte dat er die avond enkel een woordenwisseling heeft plaatsgevonden, acht de rechtbank niet aannemelijk nu dit voldoende wordt weerlegd door de verklaringen van aangeefster en [slachtoffer 4] .

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het onder 3. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feiten 1., 2,. 3. wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij meermalen in de periode van 1 januari 2014 tot en met 24 oktober 2018 in Nederland, een ander, te weten [slachtoffer 1] , door een feitelijkheid wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, te weten het telkens afgeven van een geldbedrag en goederen waaronder een wasmachine en een wasdroger, door tegen die [slachtoffer 1] te zeggen dat als hij geen geld en goederen zou geven, hij, verdachte, die [slachtoffer 1] bij de politie zou aangeven voor drugsaankopen waarvan verdachte foto's zou hebben, waardoor die [slachtoffer 1] dan de kans zou lopen om in en cel te komen met acht man en die [slachtoffer 1] dan mogelijk verkracht zou worden;
2.
hij meermalen in de periode van 1 juni 2018 tot en met 19 oktober 2018 in de gemeente Waadhoeke, een ander, te weten [slachtoffer 2] , door dreiging met geweld heeft gedwongen iets te doen, te weten het telkens afgeven van een geldbedrag uit de pinautomaat, door die [slachtoffer 2] te dreigen dat hij, verdachte, een aantal personen van Joegoslavische afkomst op hem af zou sturen;


3.
hij op 18 oktober 2018 te Vrouwenparochie , gemeente Waadhoeke, [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "je gaat er aan".

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. een ander door een feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen.

2. een ander door bedreiging met geweld, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen.

3. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feiten 1, 3 en 4 wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, waarvan 50 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De officier van justitie heeft tevens oplegging van een aantal bijzondere voorwaarden gevorderd. Die voorwaarden omvatten een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling en het meewerken aan middelencontroles.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gelet op de door hem bepleite vrijspraak geen standpunt ingenomen met betrekking tot de strafmaat.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het reclasseringsrapport van 20 mei 2020, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft gedurende een langere periode twee kwetsbare mannen onder druk gezet om hen geld te laten afstaan. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een bedreiging. Daarmee heeft verdachte drie ernstige strafbare feiten gepleegd.

De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij zijn slachtoffers een grote hoeveelheid geld afhandig heeft gemaakt om zijn eigen drugsverslaving te kunnen financieren. Daarbij is verdachte berekenend te werk gegaan door misbruik te maken van de kwetsbaarheid van zijn slachtoffers en de ongelijkwaardige relatie die er tussen hen bestond. Gebleken is dat beide slachtoffers bang waren voor verdachte en zich verplicht voelden te doen wat verdachte van hen verlangde. De (financiële) gevolgen daarvan hebben zij niet kunnen overzien. Verdachte heeft hier gedurende een lange tijd listig gebruik van gemaakt en heeft enkel zijn eigen behoeften voor ogen gehad. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen en zijn rol in het geheel bagatelliseert. Daar komt bij dat verdachte de zus van een zijn slachtoffers met de dood heeft bedreigd toen hij door haar werd aangesproken op zijn gedrag en hem werd gevraagd het slachtoffer met rust te laten. Dit heeft gevoelens van angst bij het slachtoffer teweeg gebracht hetgeen de rechtbank verdachte eveneens kwalijk neemt.

Gezien de aard en ernst van de feiten, de gevolgen en houding van verdachte, acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf de enige passende reactie op het plegen van deze feiten. De rechtbank heeft daarbij tevens in aanmerking genomen dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een bedreiging. Verder is rekening gehouden met het reclasseringsrapport waaruit volgt dat verdachte financiële problemen heeft, kampt met een drugsverslaving en psychosociale problematiek ervaart. Deze problemen zijn van invloed geweest op de door verdachte gepleegde feiten. Daarom ziet de rechtbank, evenals de reclassering, meerwaarde in een voorwaardelijk strafdeel met daaraan verbonden een aantal bijzondere voorwaarden om bij verdachte een gedragsverandering te bewerkstelligen en de kans op recidive te verminderen.

Alles overwegende zal de rechtbank een gevangenisstraf opleggen voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Aan de proeftijd zullen de volgende bijzondere voorwaarden worden verbonden: een meldplicht bij de reclassering, het ondergaan van een ambulante behandeling en het meewerken aan middelencontroles.

Benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer 1] , tot een bedrag van € 43.315,12 ter zake van materiële schade en

€ 1.250,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
2. [slachtoffer 2] , tot een bedrag van € 3.144,74 ter zake van materiële schade en € 450,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft toewijzing van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] gevorderd tot een bedrag van € 2.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige dient de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, evenals de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] .

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen.

Oordeel van de rechtbank

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

Met betrekking tot de materiële schade overweegt de rechtbank dat de benadeelde partij schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het onder 1. bewezen verklaarde. De rechtbank kan gelet op de complexe verhouding tussen verdachte en aangever en de lange periode waarin zij contact hadden de exacte hoogte daarvan echter niet vaststellen. Onvoldoende duidelijk is of het gehele gevorderde bedrag onder dwang is afgegeven. Gebruikmakend van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek schat de rechtbank de hoogte van de schade op in ieder geval € 10.000,00. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen en voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. Voor het niet toegewezen bedrag zou de vordering bij de burgerlijke rechter aangebracht kunnen worden.

De benadeelde partij heeft (daarnaast) vergoeding van immateriële schade gevorderd. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Geestelijk letsel kan in beginsel pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn en zijn vastgesteld middels een rapportage. Gevoelens van angst en machteloosheid vormen nog geen aantasting van de persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW. Hoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat de benadeelde partij geleden heeft onder het bewezenverklaarde, is van ernstige psychische schade, als hiervoor bedoeld, onvoldoende gebleken. De vordering tot vergoeding van immateriële schade zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

Met betrekking tot de materiele schade is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2. bewezen verklaarde. De gepinde bedragen zijn voldoende onderbouwd met bankafschriften. De kosten in verband met de aanschaf van een camera zijn naar het oordeel van de rechtbank eveneens aan te merken als rechtstreekse schade. De vordering zal voor dit deel worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

De benadeelde partij heeft tevens vergoeding van immateriële schade gevorderd. Zoals hiervoor is overwogen kan geestelijk letsel in beginsel pas worden aangemerkt als aantasting van de persoon, indien de psychische gevolgen voldoende ernstig zijn en zijn vastgesteld middels een rapportage. Gevoelens van angst en machteloosheid vormen nog geen aantasting van de persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW. Van ernstige psychische schade, als hiervoor bedoeld, is onvoldoende gebleken. De vordering tot vergoeding van immateriële schade zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 284 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.Uitspraak

De rechtbank

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van het onder 4. ten laste gelegde.

Verklaart het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf (een gedeelte, groot drie maanden), niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op drie jaar, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich uiterlijk 5 dagen na zijn ontslagdatum meldt bij de reclassering van VNN, Oostergoweg 6 te Leeuwarden. Veroordeelde blijft zich daarna melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

2. dat de veroordeelde zich laat behandelen door de forensische polikliniek van VNN of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling richt zich op het middelengebruik van veroordeelde alsmede het probleemoplossend vermogen en de emotieregulatie. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich daarbij aan de huisregels en aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

3. dat de veroordeelde meewerkt aan controles op het gebruik van harddrugs om de behandeling te ondersteunen en om toe te werken naar langdurige abstinentie. De reclassering kan speekseltesten en/of urineonderzoek gebruiken voor de controles. De reclassering bepaalt waar, en hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Benadeelde partijen

Ten aanzien van 18/217947-19, feit 1:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 10.000,00 (zegge: tienduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 oktober 2018.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] te betalen een bedrag van € 10.000,00 euro, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 oktober 2018, bij gebreke van betaling kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 85 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 10.000,00 aan materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van 18/217947-19, feit 2:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 3.144,74 (zegge: drieduizend honderdvierenveertig euro en vierenzeventig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2018.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] te betalen een bedrag van € 3.144,74, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2018, bij gebreke van betaling kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 41 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 3.144,74 aan materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. M.B. de Wit en mr. R.B. Maring, rechters, bijgestaan door mr. M. Postma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 juni 2020.

Mr. Maring is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Zie HR 7 april 2020 (ECLI:NL:HR:2020:568) en 13 september 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AT5834)