Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:2082

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-06-2020
Datum publicatie
10-06-2020
Zaaknummer
18/830207-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt verdachte tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden.

Verdachte heeft zich, samen met anderen, schuldig gemaakt aan diefstal met geweld en bedreiging met geweld, waarbij twee slachtoffers van hun telefoon en portemonnee zijn beroofd. Een medeverdachte heeft daarbij met een pistool gedreigd. Daarnaast heeft verdachte zich, samen met een ander, schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Vorderingen benadeelde partijen deels toegewezen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 311
Wetboek van Strafrecht 312
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830207-19

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/222694-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 9 juni 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd te P.I. Almelo.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 mei 2020.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. U. van Ophoven, advocaat te Leek. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T.H. Pitstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is in de zaak met parketnummer 18/830207-19 ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 6 oktober 2019, in de gemeente Delfzijl, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen, één of meer goederen geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), te weten (onder meer) een portemonnee, een hoeveelheid geld, een rijbewijs, een ID-kaart, één of meer bankpassen en/of een mobiele telefoon, en/of één of meer goederen geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), te weten (onder meer) een hoeveelheid geld, een ID-kaart, één of meer bankpassen, een zorgpas en/of een mobiele telefoon, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededaders:

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben aangesproken met de woorden: "come, come, i have a problem", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of (vervolgens) in/naar een pand heeft/hebben gelokt, en/of

- een vuurwapen op (het hoofd van) die [slachtoffer 2] heeft/hebben gericht en/of gedrukt/geduwd, en/of

- ( daarbij) die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd: "Money, money, money" en/of "more, more", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of

- die [slachtoffer 1] tegen een muur heeft/hebben gedrukt en/of die [slachtoffer 1] heeft/hebben vastgehouden, en/of

- die [slachtoffer 1] heeft/hebben geslagen en/of geschopt, en/of

- die [slachtoffer 2] heeft/hebben geduwd, en/of

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dreigend de woorden heeft/hebben toegevoegd: 'No police, otherwise..", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, waarbij een snijbeweging langs de keel werd gemaakt.

Aan verdachte is in de zaak met parketnummer 18/222694-18 ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 8 november 2018 te Delfzijl tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een worst en/of pudding en/of baksoda en/of een Friese knipworst, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan de [benadeelde partij] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van de stukken in het dossier veroordeling voor het in de zaak met parketnummer 18/830207-19 ten laste gelegde feit gevorderd.

Daarnaast heeft de officier van justitie veroordeling gevorderd voor het in de zaak met parketnummer 18/222694-18 ten laste gelegde feit.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de in de zaak met parketnummer 18/830207-19 ten laste gelegde diefstal met geweld. Verdachte zou aangevers naar het pand hebben gelokt maar hierover zijn de aangevers niet duidelijk. De omstandigheden waarbij de herkenning van verdachte door aangevers tot stand is gekomen moeten worden meegewogen. De waarnemingen van aangevers hebben op afstand plaatsgevonden en er is geen contact geweest. Aangevers zijn niet consistent over de signalementen van de daders. Hieruit kan niet worden afgeleid dat verdachte heeft meegedaan aan de beroving. Mocht de rechtbank vinden dat het verdachte is geweest die aangevers naar het pand heeft gelokt dan levert dit nog niet meteen medeplegen of medeplichtigheid op. Voorts is niet duidelijk dat verdachte onderdeel was van een groep. Verdachte heeft de bij hem aangetroffen telefoon op de grond gevonden in café de [bedrijfsnaam 1] . Het bezit van de telefoon en het geld is geen bewijs voor daderschap. Verdachte heeft weliswaar het adres van de beroving als postadres opgegeven maar het betreft een pand met veel kamers.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/222694-18 ten laste gelegde dient verdachte vrijgesproken te worden voor de goederen die bij de medeverdachte zijn aangetroffen.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/830207-19 ten laste gelegde

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 26 mei 2020 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik droeg wel een groene jas. Ik was samen met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in het casino. Ik ben ook bij Bar [bedrijfsnaam 2] geweest.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 6 oktober 2019, opgenomen op p. 41 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019265770 en 2019265794 d.d. 6 februari 2020, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :

Ik ben beroofd door een zestal mannen op zaterdag/zondagnacht 5 op 6 oktober 2019 rond 00:15 uur in het centrum van Delfzijl. Vanuit het gangetje kwamen toen vijf mannen aanlopen. De voorste man had een vuurwapen bij zich. Mijn vriend werd het vuurwapen tegen zijn hoofd geduwd. Ik hoorde hen zeggen: "Money, money, money". Dit werd door meerdere personen geroepen. Ik hoorde ze ook zeggen: "more, more". Ik voelde in ieder geval zes handen aan mijn lichaam, die alles uit mijn zakken probeerden te halen. Daardoor vielen mijn portemonnee en telefoon ook op de grond. Ik werd tegen een muur gedrukt en ik werd vastgehouden. Al mijn waardevolle spullen vielen eerst op de grond en werden daarop door de daders opgepakt. Ik zag dat ze op de fiets wegreden. Ik hoorde een of twee personen nog roepen: “No police, otherwise”. Ik zag dat zij toen een handbeweging langs hun keel maakten.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verhoor aangever d.d. 14 oktober 2019, opgenomen op p. 44 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van

[slachtoffer 1] :
V: Van u is geld gestolen, euro’s en dinar. Dat waren geldbiljetten heeft u ons verteld. Weet u ook wat voor geldbiljetten, van welke waarde, van u zijn gestolen?
A: Rond tweeduizend dinar, dat is ongeveer vijf euro. Misschien iets minder, misschien in de negentienhonderd dinar. Dat waren biljetten van 200, 100 en 20 dinar. De euro biljetten waren van 50, tweemaal tien en eenmaal twintig euro.

V: In welke zakken of op welke plekken zaten welke voorwerpen?
A: Mijn telefoon, een Huawei, zat in de rechter voorzak van mijn broek.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 6 oktober 2019, opgenomen op p. 65 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :

Op 5 oktober 2019 omstreeks 22:00 uur gingen wij naar een discotheek in Delfzijl. Wij stonden buiten de discotheek te roken. Op een gegeven moment kwam er een getinte zwarte neger. Dit was een van de mannen die ons later hebben aangevallen. Hij kwam op de fiets in een groene jas. De man met de groene jas had een capuchon. Daarna kwam iemand anders, ongeveer 1.75 lang, hij was getint en had een zwarte jas en krullend haar. Ik herinner mij hem, omdat hij een pistool had en mij later heeft bedreigd. Toen wij later op de fiets zaten was er een man met een groene jas die in het Engels tegen ons riep of wij hem konden helpen. We stapten van onze fiets en gingen het gebouw in. Op een gegeven moment waren er zes mensen. Ze hebben ons in elkaar geslagen en ons geld, telefoons en kaarten weggenomen. Ze hebben mij niet geslagen, alleen geduwd en een pistool op mij gericht. De volgende spullen zijn mij afgenomen: bruinkleurige portemonnee met 630 euro, 100 dollar, mijn ID-kaart, zorgpas, bankpas, Samsung G7 in zwart hoesje. In mijn telefoon zit een Wit-Russische kaart.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal bevindingen d.d. 9 oktober 2019, opgenomen op p. 356 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

Bij de aanhouding van verdachte [verdachte] op 6 oktober 2019 werd in diens linker broekzak een oude Nokia telefoon en in de rechter broekzak een zwarte Samsung telefoon aangetroffen.

De telefoon die bij [verdachte] is aangetroffen is onderzocht en de gegevens van deze telefoon zijn veiliggesteld. De telefoon betreft een Samsung J7, die ontgrendeld kan worden met het ontgrendelingspatroon die gegeven is door aangever [slachtoffer 2] .

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 november 2019, opgenomen op p. 422 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

Aan de hand van de camerabeelden kan ik stellen dat verdachten:

  • -

    [verdachte] op zaterdag 5 oktober 2019 om 22:38 uur café [bedrijfsnaam 3] naar binnen gaat waarbij aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op de achtergrond te zien zijn.

  • -

    [verdachte] en [medeverdachte 1] op zaterdag 5 oktober 2019 om 22:45 uur samen café [bedrijfsnaam 3] naar binnen gaan.

  • -

    [verdachte] en [medeverdachte 1] op zaterdag 5 oktober 2019 om 23:17 uur samen het casino [bedrijfsnaam 4] binnen komen en samen aan de kassa gaan staan.

  • -

    [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en NN man op zaterdag 5 oktober 23:34 uur gezamenlijk aan de roulette tafel zitten en hier ook contact hebben onderling.

  • -

    [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en NN man op zaterdag 5 oktober 23:43 uur samen via de hoofdingang het casino verlaten

  • -

    [medeverdachte 2] op zaterdag 5 oktober 23:45 uur via de zijingang het casino verlaat.

  • -

    [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en NN man op zondag 6 oktober om 00:08 uur samen aankomen bij Bar [bedrijfsnaam 2] en naar binnen gaan.

  • -

    [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en NN man op zondag 6 oktober om 00:26 uur samen Bar [bedrijfsnaam 2] verlaten in de richting lopen van café [bedrijfsnaam 1] waar enige tijd later [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] zijn aangehouden ter zake diefstal met geweld.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 16 oktober 2019, opgenomen op p. 212 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] :
A: Deze dag ik was bij de casino wel, en daarna, ik weet niet wie is deze jongen allemaal, ze komen daar. Ze zeggen gaan we wiet roken. Ik heb gegaan met hen bij die pand. We gaan naar boven te roken, ik en een andere gaan naar boven te roken.

V: Met hoevelen zijn jullie naar het pand gegaan?
A: Vier ofzo.

V: Dus je was boven met iemand aan het roken, toen hoorde je geroepen werd.

A: Ja.

V: Wat zag je toen je naar beneden ging.

A: Ik zag die mensen op die Russen, ik heb ook gedaan.

V: Wat gebeurt er tussen die mensen en die Russen?

A: Ik weet het niet, beroving of wat.

V: Wat zag je, beschrijf eens.

A: Ik zie die mensen pakt die dingen van de Russen, al die dingen die jullie zeggen toch? Ik weet het niet, ik doe mee.

0: Advocaat vraagt aan verdachte wat zei je net tegen mij?

A: Fouilleren.

V: Ik kom beneden, ik trek mijn pistool. Niet op die Russen, gewoon ik doe het zo ..

0: Verdachte wijst met zijn hand vooruit en wijst op zijn broekband waar hij het wapen vandaan haalde.

V: Van wie heb je dat geld gekregen?

A: Kan niet zeggen.

V: Van een van die mensen.

A: Ik heb gekregen.

V: Waar was dat waar je het geld hebt gekregen.

A: In de [bedrijfsnaam 1] .

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de aangiftes blijkt dat aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 6 oktober 2019 rond middernacht door een groep mannen zijn beroofd in een pand aan de [adres] in Delfzijl. Van aangevers zijn onder andere mobiele telefoons, ID-kaarten, bankpassen en geld weggenomen. Dit geld betrof euro’s, Amerikaanse dollars en Servische dinars. Op 6 oktober om 01:52 uur is verdachte samen met drie medeverdachten op grond van een door aangevers gegeven signalement aangehouden bij café de [bedrijfsnaam 1] in Appingedam. Daarbij is een bij de beroving weggenomen telefoon van aangever [slachtoffer 2] aangetroffen bij verdachte.

Verdachte heeft wisselend verklaard over met wie hij die avond was en wat hij die avond heeft gedaan. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op 5 oktober 2019 om 22:00 uur alleen in café [bedrijfsnaam 3] was en toen naar Appingedam is gegaan waar hij uiteindelijk is gefouilleerd en aangehouden door de politie. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij op 5 oktober 2019 om 23:30 uur in het casino is geweest en vanuit daar naar zijn broer in Tuikwerd is gegaan. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij later medeverdachten in de buurt van Appingedam weer tegen kwam. Deze verklaringen zijn echter in strijd met hetgeen blijkt uit de bevindingen van de camerabeelden.

Door aangever [slachtoffer 2] zijn twee van de daders herkend van een eerder bezoek aan café [bedrijfsnaam 3] in Delfzijl. Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat de ene persoon die hij bij café [bedrijfsnaam 3] heeft, hem later met een vuurwapen heeft bedreigd. De andere persoon die hij bij café [bedrijfsnaam 3] heeft gezien, heeft aangevers later ook aangevallen en betrof de persoon met de groene jas met capuchon. Uit de bevindingen van de camerabeelden blijkt dat verdachte op 5 oktober 2019 om 22:45 uur samen met medeverdachte [medeverdachte 1] bij café [bedrijfsnaam 3] in Delfzijl naar binnen is gegaan. Uit de bevindingen van die camerabeelden blijkt ook dat aangevers op dat moment ook aanwezig waren bij café [bedrijfsnaam 3] . Bij medeverdachte [medeverdachte 1] is een vuurwapen aangetroffen. Verdachte droeg bij zijn aanhouding een groene jas met capuchon. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft een bekennende verklaring afgelegd en bij hem is een vuurwapen aangetroffen. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de herkenning door aangever [slachtoffer 2] als betrouwbaar kan worden aangemerkt.

Voorts blijkt uit bevindingen van de camerabeelden van casino [bedrijfsnaam 4] in Delfzijl dat verdachte om 23:17 uur samen met medeverdachte [medeverdachte 1] voornoemd casino is binnengegaan. Om 23:43 uur heeft verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] het casino verlaten. Vervolgens is verdachte samen met medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] op 6 oktober 2019 om 00:08 uur aangekomen bij Bar [bedrijfsnaam 2] in Appingedam. Blijkens de bevindingen van de camerabeelden is verdachte om 00:26 uur samen met voornoemde drie medeverdachten in de richting van café de [bedrijfsnaam 1] in Appingedam gelopen. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte die avond en nacht samen was met medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] .

Van medeverdachte [medeverdachte 1] is DNA gevonden op de jas van aangever [slachtoffer 2] . Uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] blijkt dat hij vanuit het casino met een groep van vier personen naar het pand is gegaan waar de beroving heeft plaatsgevonden. In de jas van medeverdachte [medeverdachte 2] is een bij de beroving van aangever [slachtoffer 1] weggenomen mobiele telefoon van het merk Huawei aangetroffen. Daarnaast is er DNA van medeverdachte [medeverdachte 2] aangetroffen op de jas en de broek van aangever [slachtoffer 1] . Voorts zijn bij medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] Servische dinars aangetroffen. Verdachte was bij zijn aanhouding in het bezit van een bij de beroving weggenomen Samsung telefoon van aangever [slachtoffer 2] . Aldus concludeert de rechtbank dat verdachte en de drie medeverdachten kort na de beroving allen in het bezit waren van een deel van de bij de beroving weggenomen buit.


Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij de bij hem aangetroffen telefoon in de bar in Appingedam heeft gevonden. Het ligt in de eerste plaats in de rede dat gevonden voorwerpen in de bar aan het barpersoneel worden overhandigd. Daarnaast is de telefoon kort na de beroving bij verdachte aangetroffen. De rechtbank acht, gelet op voorstaande alsook de overige hierboven besproken bewijsmiddelen in het dossier, de verklaring van verdachte op dit punt niet aannemelijk.

Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat er voldoende wettige bewijsmiddelen zijn op grond waarvan de rechtbank ook de overtuiging heeft dat verdachte één van de personen is geweest die aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben beroofd. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/222694-18 ten laste gelegde

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.


Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 mei 2020;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 8 november 2018, opgenomen op p. 4 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2018295181 d.d. 8 december 2018, inhoudende de verklaring van [vertegenwoordiger] (namens [benadeelde partij] ).

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 18/830207-19 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 6 oktober 2019, in de gemeente Delfzijl, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen, goederen toebehorende aan [slachtoffer 1] , te weten een portemonnee, een hoeveelheid geld, een rijbewijs, een ID-kaart, een bankpas en een mobiele telefoon, en goederen toebehorende aan [slachtoffer 2] , te weten een hoeveelheid geld, een ID-kaart, een bankpas, een zorgpas en een mobiele telefoon, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en zijn mededaders:

- die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben aangesproken met de woorden: "come, come, I have a problem", en vervolgens in een pand hebben gelokt, en

- een vuurwapen op die [slachtoffer 2] hebben gericht,

- en daarbij die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dreigend de woorden hebben toegevoegd: "Money, money, money" en "more, more", en

- die [slachtoffer 1] tegen een muur hebben gedrukt en die [slachtoffer 1] hebben vastgehouden, en

- die [slachtoffer 1] hebben geslagen en geschopt, en

- die [slachtoffer 2] hebben geduwd, en

- die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dreigend de woorden hebben toegevoegd: 'No police, otherwise..",

waarbij een snijbeweging langs de keel werd gemaakt.

De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 18/222694-18 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 8 november 2018 te Delfzijl tezamen en in vereniging met een ander, een worst, die toebehoorde aan de [benadeelde partij] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

in de zaak met parketnummer 18/830207-19

diefstal voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

in de zaak met parketnummer 18/222694-18

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 18/830207-19 en het in de zaak met parketnummer 18/222694-18 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 21 maanden met aftrek van voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, voor het geval de rechtbank in de zaak met parketnummer 18/830207-19 tot een bewezenverklaring mocht komen, gepleit voor een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het reeds door verdachte ondergane voorarrest.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsrapport van het Leger des Heils d.d. 17 december 2019, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich, samen met anderen, schuldig gemaakt aan diefstal met geweld en bedreiging met geweld, waarbij twee slachtoffers van hun telefoon en portemonnee zijn beroofd. Een medeverdachte heeft daarbij met een pistool gedreigd. Het behoeft geen betoog dat dit voor de slachtoffers bijzonder beangstigend en bedreigend is geweest. Daarnaast hebben zij door dit feit overlast en financiële schade ondervonden, omdat zij onder meer geld, een ID-kaart en bankpassen zijn kwijtgeraakt. Verder heeft verdachte op geen enkele manier verantwoordelijkheid genomen voor zijn daad.

Daarnaast heeft verdachte, samen met een ander, een winkeldiefstal gepleegd door in de supermarkt een worst te pakken en deze op te eten. Dit soort feiten veroorzaakt veel overlast en ergernis bij winkeliers, die bovendien kosten moeten maken ter beveiliging van hun zaak om dit soort feiten te voorkomen. Verdachte heeft met zijn handelen geen respect getoond voor andermans eigendommen.

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de feiten een gevangenisstraf van 18 maanden rechtvaardigt. De rechtbank ziet in het strafblad van verdachte en het reclasseringsrapport geen aanleiding om hiervan af te wijken. Uit het omtrent de persoon van verdachte opgemaakte reclasseringsrapport komt naar voren dat verdachte zich niet coöperatief heeft opgesteld richting de reclassering. De reclassering heeft aangegeven de problematische leefsituatie van verdachte zeer zorgelijk te vinden. Hij heeft geen huisvesting, geen inkomen en geen dagbesteding. In hoeverre er sprake is van een verslaving, psychische- en persoonlijkheids-problematiek, is onduidelijk gebleven. Vanwege de ontkenning van verdachte en de beperkt beschikbare informatie heeft de reclassering geen advies kunnen geven over de eventuele noodzaak van interventies en/of toezicht.

De rechtbank volstaat daarom met het opleggen van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden. Verdachte heeft tot aan deze uitspraak 248 dagen, dus ruim 8 maanden, in voorarrest gezeten. De rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf van deze duur, zoals bepleit door de raadsman, geen recht doet aan de ernst van met name de beroving.

Benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich in de zaak met parketnummer 18/830207-19 als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer 2] , tot een bedrag van € 1.021,- ter vergoeding van materiële schade en € 1.900,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
2. [slachtoffer 1] , tot een bedrag van € 4.155,- ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] kan worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de hoofdelijkheidsclausule.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft de officier van justitie gesteld dat de schade die ziet op vergoeding van het weggenomen geld ad € 100,- en de portemonnee ad € 50,-, voor toewijzing vatbaar is. [slachtoffer 1] vordert daarnaast € 4.000,- in verband met de diefstal van zijn Russisch rijbewijs. Hij heeft echter onvoldoende onderbouwd waarom hier een vergoeding van € 4.000,- tegenover zou moeten staan. De officier van justitie heeft daarom geconcludeerd dat [slachtoffer 1] in dit deel van zijn vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat de vorderingen moeten worden afgewezen in verband met de door hem bepleite vrijspraak. Mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, heeft de raadsman gesteld dat de door benadeelde partij [slachtoffer 2] gevorderde immateriële schade onvoldoende onderbouwd en aan de hoge kant is. Voor het overige heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het deel dat ziet op vergoeding van het rijbewijs, moet worden afgewezen wegens het ontbreken van een onderbouwing.

Oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in totaal een bedrag van € 1.021,- gevorderd ter vergoeding van materiële schade. De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij een deel van de schade, bestaande uit de posten 'geldbedrag', 'telefoonhoesje', 'leren portemonnee' en 'jas' heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaard. De gevorderde materiële schade, waarvan de hoogte niet door de verdediging is betwist, zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van € 901,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2019. De post 'broek' ad

€ 120,- zal worden afgewezen, nu de officier van justitie ter terechtzitting heeft aangegeven dat de broek -die voor onderzoek in beslag was genomen- aan de benadeelde partij zal worden teruggegeven.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij als gevolg van de bewezen geachte overval rechtstreeks psychische schade heeft geleden. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien er een ernstige inbreuk is gepleegd op zijn persoonlijke levenssfeer. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden, acht de rechtbank een immateriële schadevergoeding van € 1.000,- billijk. Dit bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2019. De benadeelde partij zal voor het overige deel van de gestelde immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] een deel van de gestelde materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering die ziet op de portemonnee en het geld, in totaal een bedrag van € 155,-, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 6 oktober 2019.

De benadeelde partij vordert tevens een bedrag van € 4.000,- in verband met een Russisch rijbewijs dat is weggenomen. Ten aanzien van deze schade beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte daarvan te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de benadeelde partij in dit deel van de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoedingen niet meer aan de benadeelde partijen hoeft te betalen indien zijn medeverdachten deze al hebben betaald, en andersom.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank telkens de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het in de zaak met parketnummer 18/830207-19 en het in de zaak met parketnummer 18/222694-18 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

in de zaak met parketnummer 18/830207-19

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.901,- (zegge: negentienhonderd en een euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2019, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededaders van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit € 901,- aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade.

Wijst de vordering van de benadeelde partij, voor zover deze ziet op vergoeding van de materiële schade, voor het overige af.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij, voor zover deze ziet op vergoeding van de immateriële schade, voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 2] , te betalen een bedrag van € 1.901,- (zegge: negentienhonderd en een euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2019, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door gijzeling voor de duur van 29 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 901,- aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte -al dan niet samen met zijn mededaders- aan de benadeelde partij het opgelegde

bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 155,- (zegge: honderdvijfenvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2019, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededaders van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 1] , te betalen een bedrag van € 155,- (zegge: honderdvijfenvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2019, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door gijzeling voor de duur van 3 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte -al dan niet samen met zijn mededaders- aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.J. Bosker, voorzitter, mr. S. Timmermans en

mr. N. Gerlsma, rechters, bijgestaan door A.W. ten Have-Imminga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 juni 2020.