Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:2078

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-06-2020
Datum publicatie
19-06-2020
Zaaknummer
8305267
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Trefwoorden: verzoekschrift artikel 843a Rv, recht en belang, verboden onderpacht?, rechtsopvolging onder bijzondere titel

Samenvatting: Verpachters verzoeken inzage in bedrijfsgegevens van de pachter. Zij hebben die gegevens nodig omdat zij van plan zijn in een bodemprocedure ontbinding en schadevergoeding te vorderen in verband met de volgens verpachters verboden onderpacht. De kantonrechter-voorzitter oordeelt dat verpachters een rechtmatig belang hebben bij inzage en afschrift van een deel van de verzochte gegevens. Dat verpachters rechtsopvolger onder bijzondere titel zijn betekent dat zij niet in alle rechten en verplichtingen van de verkoper treden. Dat neemt niet weg dat verpachters gebonden zijn aan de pachtovereenkomst die aan de door hen gekochte percelen is verbonden. Als zou komen vast te staan dat de pachter met hun rechtsvoorgangster van de pachtovereenkomst afwijkende afspraken heeft gemaakt, betekent dit dat de huidige verpachters daaraan gebonden zijn. De verpachters mochten als rechtsopvolgers onder bijzondere titel echter in beginsel afgaan op de informatie uit het pachtcontract dat onderverpachting verboden was. Dat zij na de koop van de percelen in 2014 vervolgens werden geconfronteerd met onderpacht, is daarom voldoende om aan te nemen dat zij recht en belang hebben bij inzage en afschrift van stukken ter voorbereiding op een mogelijke bodemprocedure. Hun vordering is daarmee immers niet op voorhand als kansloos aan te merken. Het ligt op de weg van de pachter om in de bodemprocedure het bewijs te leveren van het bevrijdende verweer dat toestemming is gegeven. Dat de rechtsvoorgangster van de verpachters na haar brief aan pachter over de lelieteelt geen actie heeft ondernomen, kan verpachters als rechtsopvolgers onder bijzondere titel niet worden tegengeworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Assen

zaak-/rolnummer: 8305267 \ VZ VERZ 20-5

beschikking van de kantonrechter van 17 juni 2020

in de zaak van

1 [verzoeker 1] , wonende te [woonplaats] ,

2. [verzoeker 2], wonende te [woonplaats] ,

3. [Verzoeker 3], wonende te [woonplaats] ,

4. [Verzoeker 3], wonende te [woonplaats]

hierna te noemen: [verzoekers] ,

verzoekers,

gemachtigde: mr. J.M.E. Hamming,

tegen

[verweerder] ,

hierna te noemen: [verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder

gemachtigde: mr. J.W.A. de Jonge.

1 Procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, ingekomen op 3 februari 2020;
- het verweerschrift, ingekomen op 19 mei 2020;
- de mondelinge behandeling, via een Skype-verbinding gehouden op 20 mei 2020, waar de heer [verzoeker 1] en mevrouw [verzoeker 2] zijn verschenen, bijgestaan door mr. Hamming en waar de heer [verweerder] is verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge. Van deze behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

1.2.

Tenslotte is beschikking bepaald op vandaag.

2
2. De feiten

2.1.

[verweerder] heeft vanaf 1970, aanvankelijk samen met zijn vader en vanaf 1979 alleen, een perceel, kadastraal bekend gemeente [woonplaats] , [kadastrale aanduiding 1] , gepacht van de moeder en oom van [verzoekers] Begin jaren '80 is de bijbehorende hoeve verkocht aan [verweerder] . Sindsdien heeft [verweerder] los land gepacht. Vanaf 1987 heeft [verweerder] ook een perceel kadastraal bekend gemeente [woonplaats] , [kadastrale aanduiding 2] van [verzoekers] gepacht. [moeder van verzoekers] is in 1991 enig verpachter geworden. De pacht van perceel [kadastrale aanduiding 2] loopt tot en met 31 december 2022 en die van perceel [kadastrale aanduiding 1] tot en met 1 mei 2024.

2.2.

In februari 2011 heeft [verweerder] via zijn rentmeester [X] aan [moeder van verzoekers] meegedeeld dat hij wilde stoppen met de pacht per november 2011 of 2012. Partijen hebben onderhandeld over de financiële afwikkeling maar hebben geen overeenstemming bereikt. De pacht is voortgezet.

2.3.

Bij aangetekende brief van 19 april 2011 heeft [moeder van verzoekers] [verweerder] geschreven over de pachtbeëindiging. In die brief schrijft zij ook:
"Verder is het mij ter ore gekomen dat jullie voorbereidingen zouden treffen om perceel [kadastrale aanduiding 2] te gebruiken voor de teelt van lelies. Graag hoor ik van jullie of dit inderdaad het geval is.".

2.4.

[verzoekers] hebben de percelen in 2014 van hun moeder gekocht. Zij hebben in 2018 van een buurman van één van de door [verweerder] gepachte percelen gehoord dat de verpachte percelen worden gebruikt voor bollen- en lelieteelt.

2.5.

[verzoekers] hebben bij brief van 27 november 2019, die eveneens per deurwaarderexploot is betekend, de pachtovereenkomsten opgezegd. Ook hebben zij verzocht om afgifte van stukken. [verweerder] heeft bij brief van 6 januari 2020 meegedeeld dat hij zich tegen opzegging verzet en heeft afgifte van de gevraagde stukken geweigerd.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoekers] verzoeken, verkort weergegeven,
I. om [verweerder] op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag, met een maximum van € 25.000,00, te bevelen om binnen tien dagen na betekening van deze beschikking aan [verzoekers] goed leesbare afschriften te verstrekken van de volgende stukken:
1) jaarstukken omzetgegevens over de periode 2011 t/m 2018
2) de gecombineerde opgaven over de periode 2011 t/m 2019

3) vaststelling en uitbetaling van toeslagrechten, inclusief bankafschriften die daarop zien over de periode 2011 t/m 2019
4) bestelformulieren en facturen betreffende kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen over de afgelopen 3 jaar (2017 t/m 2019)
5) de ondertekende maatschapsakte tussen [verweerder] en zijn echtgenote, dan wel andere maten
6) gegevens met betrekking tot aan [verweerder] (of diens maatschap) toegekende en verkochte fosfaatrechten, zoals fosfaatbeschikking, bezwaar, beroep etc. verkoopovereenkomst

7) betalingsgegevens 2012 t/m 2015 met betrekking tot melkquotum verhuur dan wel gegevens (overeenkomst) aangaande de verkoop daarvan

8) schriftelijke overeenkomsten met derden over de periode 2011 t/m2019 ten aanzien van het ter beschikking stellen van het van [verzoekers] gepachte aan deze derden

9) schriftelijke bewijzen (o.a. bankafschriften) ten aanzien van de door deze derden betaalde vergoeding aan [verweerder] voor het gebruik van de door [verweerder] gepachte percelen over de periode 2011 t/m 2019,
II. met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten.
[verzoekers] stellen, samengevat, dat zij recht en belang hebben bij genoemde stukken om, met het oog op de bodemprocedure waarin zij ontbinding van de pacht willen vorderen en compensatie willen claimen vanwege de verboden onderverpachting door [verweerder] , hun positie te bepalen. Zij willen kunnen afwegen of het de moeite waard is om een vordering in te stellen. [verzoekers] stellen dat zij nooit toestemming hebben gegeven voor onderverpachting. De brief van 28 april 2011 van [verweerder] waarin hij schrijft dat hij het land van [moeder van verzoekers] mocht gebruiken en laten gebruiken zoals hem goeddunkt, is door [moeder van verzoekers] of door haar makelaar nooit ontvangen. [moeder van verzoekers] was dus niet op de hoogte van de verboden onderverpachting en heeft daarvoor nooit toestemming gegeven en heeft dit evenmin gedoogd. Bovendien doet de vraag of toestemming is verleend volgens [verzoekers] niet ter zake omdat sprake is van rechtsopvolging onder bijzondere titel zodat, als er al toestemming door moeder zou zijn verleend, die toestemming [verzoekers] niet raakt en [verweerder] niet opnieuw toestemming heeft gevraagd. In elk geval is geen expliciete toestemming gegeven. Dat [moeder van verzoekers] destijds heeft geïnformeerd naar lelieteelt, betekent niet dat zij toestemming heeft gegeven voor de onderpacht. [verzoekers] stellen dat nu [verweerder] al jarenlang geen melkveebedrijf meer uitoefende, het ongeloofwaardig voorkomt dat hij het melkquotum niet zou hebben verkocht en zij maken daarom aanspraak op de helft van de verkoopsom van het melkquotum. Om die reden hebben zij ook inzage nodig van de daarop betrekking hebbende stukken. Verder is [verzoekers] gebleken dat [verweerder] met zijn echtgenote een maatschap is aangegaan en dat zij het ervoor houden dat hier eveneens sprake is van een verboden ingebruikgeving.

3.2.

[verweerder] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen. Hij voert daartoe aan, samengevat, dat [verzoekers] geen rechtmatig belang hebben bij het verzoek. [verweerder] erkent dat hij van plan was om een deel van het gepachte te gebruiken voor de teelt van lelies en dat hij daarvoor derden zou inschakelen maar stelt dat [moeder van verzoekers] hem meermaals heeft laten weten dat hij het gepachte mocht gebruiken zoals hem goeddunkt. Of toestemming is gegeven, zal in de bodemprocedure moeten blijken. [verweerder] heeft het gepachte vanaf 2014 daadwerkelijk aan derden in gebruik gegeven voor de teelt van lelies, tulpen en andere gewassen. Door de verpachters is hiertegen, hoewel het vanzelfsprekend ter plaatse zichtbaar was, nooit bezwaar gemaakt. [verweerder] voert verder aan dat hij al in 1988 om fiscale redenen een maatschap is aangegaan met zijn vrouw en dat dit destijds aan de medeverpachter bekend is gemaakt. Ook is de pacht van de maatschapsrekening betaald en richt [moeder van verzoekers] zich in haar brief aan familie [verweerder] . [verweerder] voert verder aan dat hij het melkquotum niet heeft verkocht maar verhuurd, wat hem vrij stond. Ten aanzien van de fosfaatrechten wijst [verweerder] erop dat de RVO het aantal fosfaatrechten op 0 kg heeft gesteld en dat op het beroep dat [verweerder] hiertegen na de laatste beschikking heeft ingesteld, nog geen uitspraak is gevolgd. [verweerder] heeft de pachtbetaling over 2019 opgeschort omdat gebleken is dat de verpachters ten onrechte een toeslag hebben berekend zodat hij vanaf 1987 per jaar € 604,69 onverschuldigd heeft betaald. Anders dan [verzoekers] stellen, hebben zij geen schade geleden. [verweerder] heeft niet of nauwelijks verdiend aan de onderpacht. Er bestaat geen recht op winstafdracht zoals [verzoekers] nu lijken te (gaan) vorderen.

4 De beoordeling

4.1.

Voorafgaand aan de zitting heeft de griffier partijen meegedeeld dat er aanleiding is om de behandeling door de kantonrechter-voorzitter alleen te laten plaatsvinden. Artikel 1019s, eerste lid, Rv voorziet in die mogelijkheid. De griffier heeft partijen erop gewezen dat als zij wensen dat de zaak ten overstaan van de volledige kamer wordt gehouden, zij hierom schriftelijk moeten verzoeken. Partijen hebben een dergelijk verzoek niet gedaan. De kantonrechter-voorzitter, handelend als rechter-commissaris, heeft daarom in dit verzoek de aan de pachtkamer toegekende bevoegdheden alleen uitgeoefend.

4.2.

Voor toewijzing van het verzoek is op grond van artikel 843a Rv vereist dat [verzoekers] (1) een rechtmatig belang hebben bij de inzage en het afschrift, (2) dat het gaat om bepaalde bescheiden (hierna: gegevens) (3) en dat de gegevens betrekking hebben op een rechtsbetrekking waarin [verzoekers] partij zijn. Verder is (4) vereist dat [verweerder] de gegevens tot zijn beschikking of onder zijn berusting heeft. De mogelijkheid om inzage en afschrift te vorderen is een uitzondering op de hoofdregel dat iemand onder hem berustende gegevens niet aan een ander ter inzage hoeft te geven (vgl. HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3529). Tussen de voorwaarde van een rechtmatig belang en de voorwaarde dat het om bepaalde gegevens moet gaan, is een samenhang (vgl. conclusie van de PG bij de HR van 3 januari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:10). In het algemeen kan van een rechtmatig belang reeds sprake zijn als degene die afschrift verlangt deze gegevens niet tot zijn beschikking heeft, maar wel bekend is met het bestaan ervan en deze gegevens in de procedure zou willen overleggen. Voldoende is dat de gegevens relevant kunnen zijn voor een niet op voorhand als kansloos aan te merken vordering of verweer. Om een zogenoemde "fishing expedition" te voorkomen, moeten de verlangde gegevens voldoende bepaald zijn. Voldoende concreet moet aangegeven zijn dat en waarom de specifieke gegevens van belang zijn. De mogelijkheid tot inzage en afschrift dient er niet toe om gegevens op te vragen waarvan slechts het vermoeden bestaat dat die mogelijk in de procedure van pas zouden kunnen komen (vgl. Hof 's‑Hertogenbosch 3 december 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:4392 en Hof Arnhem-Leeuwarden 22 april 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:3377). In deze procedure gaat het om de vraag of is voldaan aan het vereiste dat [verzoekers] (1) een rechtmatig belang hebben bij inzage en afschrift van de gegevens. Van de overige vereisten is niet in geschil dat er aan is voldaan.

4.3.

Niet in geschil is dat [verweerder] de percelen heeft onderverpacht. Partijen zijn verdeeld over de vraag of in afwijking van de schriftelijke pachtovereenkomst (mondeling) is afgesproken dat onderpacht is toegestaan. [verweerder] stelt dat [moeder van verzoekers] hem toestemming heeft gegeven het gepachte te gebruiken zoals hem goeddunkt en daarnaast dat zij nooit bezwaar heeft gemaakt tegen het in gebruik geven aan derden. [verzoekers] betwisten dat die toestemming al dan niet impliciet is gegeven.

4.4.

[verzoekers] hebben het gepachte van hun moeder gekocht. [verzoekers] merken dan ook terecht op dat zij rechtsopvolgers onder bijzondere titel zijn. Dat betekent dat zij niet in alle rechten en verplichtingen van de verkoper treden. Dat neemt niet weg dat [verzoekers] gebonden zijn aan de pachtovereenkomst die aan de door hen gekochte percelen is verbonden. Op grond van artikel 7:361 BW doet de overdracht van de percelen aan [verzoekers] als verkrijgers immers de rechten en plichten van de verpachter uit de pachtovereenkomst op hen overgaan. Als zou komen vast te staan dat de pachter met hun rechtsvoorgangster van de pachtovereenkomst afwijkende afspraken heeft gemaakt, betekent dit dat [verzoekers] daaraan gebonden zijn. De kantonrechter is echter van oordeel dat [verzoekers] als rechtsopvolgers onder bijzondere titel in beginsel mochten afgaan op de informatie uit het pachtcontract dat onderverpachting verboden was. Dat zij na de koop van de percelen in 2014 vervolgens werden geconfronteerd met onderpacht, is daarom voldoende om aan te nemen dat zij recht en belang hebben bij inzage en afschrift van stukken ter voorbereiding op een mogelijke bodemprocedure. Hun vordering is daarmee immers niet op voorhand als kansloos aan te merken. Het ligt op de weg van [verweerder] om in de bodemprocedure het bewijs te leveren van het bevrijdende verweer dat toestemming is gegeven. Dat [moeder van verzoekers] na haar brief van 19 april 2011 geen actie meer heeft ondernomen, kan [verzoekers] als rechtsopvolgers onder bijzondere titel niet worden tegengeworpen.

4.5.

Het voorgaande betekent dat de kantonrechter de verzoeken zal toewijzen met uitzondering van sub 6 over de fosfaatrechten omdat daarvan al stukken zijn overgelegd en met dien verstande dat [verzoekers] stukken mogen inzien vanaf het jaar 2014, het jaar van de aankoop van de percelen. Voor toewijzing van een dwangsom is naar het oordeel van de kantonrechter geen plaats, nu onvoldoende duidelijk is dat [verweerder] over alle gevraagde stukken beschikt.

4.6.

[verweerder] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kantonrechter zoekt hiervoor aansluiting bij de liquidatietarieven kanton 2019 en zal een punt toekennen voor het verweerschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting.

Beslissing 1


De kantonrechter:

beveelt [verweerder] om binnen tien dagen na betekening van deze beschikking aan [verzoekers] goed leesbare afschriften te verstrekken van de volgende stukken:
1) jaarstukken omzetgegevens over de periode 2014 t/m 2018
2) de gecombineerde opgaven over de periode 2014 t/m 2019

3) vaststelling en uitbetaling van toeslagrechten, inclusief bankafschriften die daarop zien over de periode 2014 t/m 2019
4) bestelformulieren en facturen betreffende kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen over de afgelopen 3 jaar (2017 t/m 2019)
5) de ondertekende maatschapsakte tussen [verweerder] en zijn echtgenote, dan wel andere maten
6) betalingsgegevens 2014 t/m 2015 met betrekking tot melkquotum verhuur dan wel gegevens (overeenkomst) aangaande de verkoop daarvan

7) schriftelijke overeenkomsten met derden over de periode 2014 t/m 2019 ten aanzien van het ter beschikking stellen van het van [verzoekers] gepachte aan deze derden

8) schriftelijke bewijzen (o.a. bankafschriften) ten aanzien van de door deze derden betaalde vergoeding aan [verweerder] voor het gebruik van de door [verweerder] gepachte percelen over de periode 2014 t/m 2019,


veroordeelt [verweerder] tot betaling van de proceskosten, tot deze uitspraak aan de zijde van [verzoekers] vastgesteld op € 83,00 aan griffierecht en € 480,00 aan salaris gemachtigde,

wijst het meer of anders verzochte af,

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven door de kantonrechter mr. A. van der Meer en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2020.

typ: 361/cd

coll:

1 Beschikking verzonden op: Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk. Door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet worden ingesteld door een advocaat bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden te Leeuwarden