Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:2035

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
04-06-2020
Datum publicatie
04-06-2020
Zaaknummer
C/18/198946 / PR RK 20/156
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Wraking
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

wraking wegens het niet horen van een getuige.

Verzoek is afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

zaaknummer: C/18/198946 / PR RK 20/156

beslissing van de meervoudige kamer van 4 juni 2020

op het verzoek van

[naam] , verzoeker

(raadsman: mr. U. Ural),

tot wraking van

mrs. O.J. Bosker, M. Brinksma en M.B.W. Venema, rechters.

Procesverloop

Bij brief van 19 mei 2020 is namens verzoeker een verzoek ingediend tot wraking van

bovengenoemde rechters, rechters in de afdeling strafrecht van deze rechtbank, in de procedure met parketnummer 18/95007-18 (hoofdzaak), waarin verzoeker als verdachte is gedagvaard.

Bij brief van 20 mei 2020 hebben de rechters medegedeeld niet in de wraking te berusten. Bij brief van 27 mei 2020 hebben de rechters hun standpunt toegelicht.

Bij brief van 27 mei 2020 hebben de officieren van justitie mrs. S.M. von Bartheld en H.J. Timmer het standpunt van het Openbaar Ministerie toegelicht.

Het verzoek is ter zitting van 28 mei 2020 door de wrakingskamer behandeld.

Verzoeker en zijn raadsman zijn verschenen.

De rechters mrs. Bosker en Venema zijn verschenen. Mr. Brinksma is, met kennisgeving, niet verschenen.

Het Openbaar Ministerie is, met kennisgeving, niet verschenen.

Overwegingen

wettelijke bepaling

1. Ingevolge artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan op verzoek van de verdachte of het openbaar ministerie iedere rechter die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

feiten

2.1.

Verzoeker wordt strafrechtelijk vervolgd in verband met het deelnemen aan een criminele organisatie en het in vereniging plegen van misdrijven.

2.2.

Ter terechtzitting van 11 februari 2020 is [getuige] als getuige in de zaak van verzoeker gehoord. Het getuigenverhoor is op die zitting niet afgerond.

2.3.

Tussen de rechtbank, verzoeker en zijn raadsman en [getuige] en zijn raadsman is vervolgens in overleg 19 mei 2020 als nieuwe zittingsdatum vastgesteld voor de voortzetting van het getuigenverhoor.

2.4.

Ter terechtzitting van 19 mei 2020 is het getuigenverhoor van [getuige] voortgezet. [getuige] heeft zich beroepen op zijn verschoningsrecht in verband met de afwezigheid van zijn raadsman en voorts aangegeven ‘helemaal geen zin’ te hebben in het beantwoorden van veel (herhalings)vragen. Naar aanleiding van het verloop van het verhoor, heeft de raadsman van verzoeker verzocht om aanhouding van het onderzoek voor het horen van de getuige. Ter terechtzitting heeft de rechtbank besloten dat het verzoek van de verdediging om nogmaals de gelegenheid te krijgen [getuige] te horen, wordt afgewezen.

wrakingsverzoek

3.1.

Verzoeker heeft blijkens het schriftelijke wrakingsverzoek, de op de wrakingszitting overhandigde pleitnota en de nadere toelichting op die zitting het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd.

3.2.

Vaststaat dat hij belang heeft bij het horen van de getuige. Dat maakt deel uit van een eerlijk proces. Door de zaak niet aan te houden zodat de getuige op een nader te bepalen datum kan worden gehoord, bestaat de vrees van vooringenomenheid. In het licht van alle feiten en omstandigheden is deze beslissing zo onbegrijpelijk dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring kan worden gegeven dan dat deze door vooringenomenheid is ingegeven. De betreffende getuige is een allesbepalende persoon en in de zaak van medeverdachten wordt deze getuige wel gehoord.

3.3

De rechters hebben op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

beoordeling

4.1.

Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1413) overweegt de rechtbank dat bij de beoordeling van een verzoek tot wraking voorop dient te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, en dat slechts als zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens de verdachte of het openbaar ministerie een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte of het openbaar ministerie dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is, dit vermoeden moet wijken.

4.2.

In genoemd arrest heeft de Hoge Raad voorts overwogen dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich evenzeer ertegen dat de motivering van een rechterlijke (tussen)beslissing grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.

4.3.

Verzoeker stelt dat uit de afwijzing van het verzoek om [getuige] nogmaals te horen blijkt dat de rechters vooringenomen zijn. Uit voormeld arrest volgt dat die afwijzing op zich zelf geen grond voor wraking kan vormen, maar enkel de motivering daarvan.

4.4.

De rechtbank heeft de afwijzing van het verzoek als volgt gemotiveerd:

De rechtbank wijst het verzoek om de verdediging nogmaals een mogelijkheid te geven om

[getuige] als getuige te horen af, nu de rechtbank heeft voldaan aan haar plicht om het

ondervragingsrecht te effectueren. Bij herhaling heeft de rechtbank, op de openbare zitting

dan wel bij de rechter-commissaris, de heer [getuige] opgeroepen als getuige in de zaak van

[verzoeker] . [getuige] heeft zich meerdere keren -om verschillende redenen- beroepen op zijn

verschoningsrecht. Ook vandaag heeft hij dat gedaan. Vandaag heeft hij verklaard dat hij niet wil verklaren bij afwezigheid van zijn advocaat en zich beroepen op zijn verschoningsrecht. Bovendien heeft hij verklaard dat hij geen zin heeft om heel veel vragen te beantwoorden.

De rechtbank hecht eraan om op te merken dat, anders dan de verdediging stelt, de rechtbank het getuigenverhoor op een gegeven moment op de openbare zitting in plaats van bij de rechter-commissaris heeft gepland vanwege praktische redenen. Namelijk dat verdachte en alle medeverdachten op de geplande zittingen in juni en december aanwezig zouden zijn. Dit ook tegen de achtergrond dat de vele opgegeven verhinderdata het plannen moeilijk maken. Het is voorts niet aan een getuige om te bepalen op welke wijze het getuigenverhoor plaats dient te vinden.

4.5.

In de reactie op het wrakingsverzoek is voorts onder meer ter nadere toelichting nog aangegeven dat de datum van 19 mei 2020, na het afgebroken verhoor van 11 februari 2020 wegens de eerst toen gebleken meer dan 1.000 vragen van de zijde van verzoeker, in overleg met alle betrokkenen is gepland.

4.6.

Naar het oordeel van de rechtbank kan van de bewoordingen van voormelde motivering van de beslissing (om de zaak niet -nogmaals- aan te houden) niet worden gezegd dat deze in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechters die haar hebben gegeven. De rechters hebben een uitvoerige feitelijke onderbouwing van hun tussenbeslissing gegeven. Mede gezien hetgeen voorafgegaan is (zie 2.2 en 2.3), kan uit de omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet geconcludeerd worden dat deze motivering getuigt van vooringenomenheid.

5. De rechtbank laat zich niet uit over de vraag of het ondervragingsrecht van verzoeker is geëffectueerd omdat dit buiten het beoordelingskader van een wrakingsverzoek valt.

6. Op grond van het voorgaande wordt het verzoek afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    wijst het verzoek tot wraking af;

  • -

    bepaalt dat de procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking;

  • -

    beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker,

aan mrs. Bosker, Brinksma en Venema en aan het Openbaar Ministerie.

Aldus gegeven door mrs. Th.A. Wiersma, voorzitter, A.M.A.M. Kager en A. Jongsma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Hulst als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2020.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen de beslissing staat geen rechtsmiddel open.