Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:1979

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
27-05-2020
Datum publicatie
28-05-2020
Zaaknummer
130929
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kort geding. Huur bedrijfsruimte. Coronacrisis, Noodverordening COVID-19. Gebrek in de zin van art. 7:204 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2020/308
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Assen

Zaak-/rolnummer: C/19/130929 / KG ZA 20-48

Vonnis van de voorzieningenrechter van 27 mei 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap SIGISMUND B.V., gevestigd te Elsloo,

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

advocaat mr. T. Binnema te Leeuwarden,

tegen

de naamloze vennootschap INBEV NEDERLAND N.V., gevestigd te Breda,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

advocaat mr. B. Poort te Eindhoven.

Partijen zullen hierna Sigismund en Inbev genoemd worden.

1 Het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in kort geding van Sigismund, op 4 mei 2020 aan Inbev betekend;

- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van Inbev;

- de akte wijziging van eis van Sigismund;

- de bij de stukken gevoegde en de aanvullend toegezonden producties;

- de door Sigismund voorafgaand aan de zitting overgelegde pleitnotities, die ten behoeve van de zitting als voorgedragen zijn beschouwd;

- de via beeldverbinding gehouden mondelinge behandeling van 13 mei 2020, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.

1.2.

Ten slotte is vonnis op vandaag bepaald.

2 De feiten in conventie en in reconventie

2.1.

Sigismund is een vastgoedbelegger. Zij behoort tot een groep vennootschappen die 442 onroerende zaken bezit. Sigismund heeft over 2019 ongeveer € 3.000,00 winst behaald en - volgens haar gedeponeerde jaarrekening - een eigen vermogen van circa € 2,5 miljoen. Inbev is een wereldwijd opererende bierbrouwer, die in 2019 een resultaat behaalde van

€ 19,1 miljard. Inbev verhuurt panden (onder) aan horecaondernemingen waarmee zij zaken doet.

2.2.

Inbev huurt van Sigismund de bedrijfsruimte gelegen aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: het gehuurde). De maandelijks door Inbev aan Sigismund vooruit te betalen huur bedraagt thans € 1.761,97 inclusief btw. Het gehuurde is onderverhuurd aan een horecaondernemer, die daarin onder de naam " [naam] " een bruin café exploiteert.

2.3.

In de huurovereenkomst die de rechtsvoorgangers van Sigismund en Inbev in 1984 hebben gesloten, staat onder meer het volgende:

"Bestemming Het gehuurde is uitsluitend bestemd om te worden gebruik als cafébedrijf."

Verder is bepaald dat de Algemene Bepalingen volgens het ROZ-model 1980 van toepassing zijn. Daarin is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

" Hoofdstuk XI. Schade

(…)

3. De verhuurder is niet aansprakelijk voor schade die ontstaat aan de personen en de goederen van de huurder of van derden, behalve (…). De verhuurder is niet aansprakelijk voor enige schade die voor de huurder zou kunnen voortvloeien uit tekortkomingen van de eventuele leveringen en diensten.

(…)

Hoofdstuk XIV. Betaling

De betaling van huurpenningen en van al hetgeen verder krachtens deze overeenkomst is verschuldigd, zal in wettig Nederlands betaalmiddel - zonder enige korting, aftrek of compensatie - geschieden (…) op een nader door de verhuurder op te geven rekening. (…)"

2.4.

Op aanwijzen van de Nederlandse regering heeft de Veiligheidsregio Drenthe als maatregel in het kader van de Coronacrisis de Noodverordening COVID-19 vastgesteld. Artikel 2.3 lid 1 sub a van die noodverordening bepaalt dat het verboden is om eet- en drinkgelegen (anders dan in het kader van een afhaalfunctie) open te houden. In verband hiermee is ook " [naam] " niet meer open voor publiek.

2.5.

Inbev heeft per brief van 25 maart 2020 onder meer het volgende aan Sigismund geschreven:

"Gezien de recente ontwikkelingen en de getroffen overheidsmaatregelen vanwege het COVID-19 virus, wensen wij u te informeren over de maatregelen die Inbev Nederland onderneemt om haar huurders tevens afnemers te ondersteunen in relatie tot de lopende huurovereenkomsten.

(…)

Een van voormelde maatregelen is dat wij - gelet op de huidige situatie en om commerciële reden- besloten hebben om bij alle pandeigenaren en bij al onze klanten die een huurovereenkomst met ons hebben, de betaling van de huur van de maand april 2020 uit te stellen.

Het opschorten van de huur geeft ons en de ondernemers de tijd om beter de individuele gevolgen van de steunmaatregelen in kaart te brengen en zoveel mogelijk maatwerk te leveren. (…)

Onze Real-Estate agents hebben ook zoveel mogelijk met pandeigenaren (telefonisch) contact opgenomen om de situatie te bespreken. Het is van belang dat we hierin samen optrekken ter ondersteuning van de gebruikers van de panden, onze klanten en de horeca-branche in de breedte.

(…)

Wij rekenen op uw begrip in deze moeilijke tijden."

Inbev heeft voorafgaand aan deze brief geen contact met Sigismund gehad.

2.6.

De advocaat van Sigismund heeft Inbev op 31 maart 2020 geschreven dat het voornemen van Inbev om de huur over april uit te stellen volledig in strijd is met de huurovereenkomst, dat Inbev niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet aan haar betalingsverplichting kan voldoen en dat niet wordt geaccepteerd dat de huur niet tijdig wordt voldaan. In de brief staat dat Sigismund afspraken maakt met kleine ondernemers die in de problemen komen maar dat zij een relatief kleine vastgoedbelegger is en daarom voor haar bedrijfsuitvoering ook afhankelijk is van huurpenningen. De advocaat van Sigismund kondigt aan dat een kort geding aanhangig zal worden gemaakt als Inbev niet terstond betaalt. Omdat een reactie van Inbev uitbleef, is de brief is op 6 april 2020 nogmaals verzonden.

2.7.

De advocaat van Inbev heeft op 8 april 2020 gereageerd. Hij schrijft onder verwijzing naar de oproep van de Minister van Economische zaken om tot een ketenwijze oplossing te komen, dat bij voorkeur op landelijk of regionaal niveau overleg dient te worden gevoerd en verzoekt Sigismund mee te delen of zij daaraan al wil deelnemen.

De advocaat van Inbev geeft verder aan - samengevat - dat hij ervan uitgaat dat Sigismund nog geen verdere juridische stappen onderneemt en noemt het dreigen met een kort geding laakbaar, omdat Inbev heeft meegedeeld bereid te zijn om het gesprek aan te gaan en de huur voor april enkel uitstelt om tijd te krijgen de situatie met haar huurders, verhuurders en de overheid te bespreken. De brief is afgesloten met de zin:

"Ik vertrouw er echter op dat uw cliënte het gesprek met cliënte aan zal gaan danwel de uitkomst van een generiek overleg afwacht."

2.8.

De advocaat van Sigismund heeft op 9 april 2020 geantwoord dat Sigismund niet bereid is bij een collectief overleg aan te schuiven en dat zij als uitgangspunt meent dat zij als relatief kleine vastgoedondernemer met Inbev geen maatwerkafspraken hoeft te maken om de pijn te delen. Hij geeft aan dat als Inbev de huurpenningen de volgende dag niet heeft betaald, Sigismund een kort geding zal starten.

2.9.

Op 10 april 2020 heeft de advocaat van Inbev gereageerd. Hij heeft aangegeven dat sprake is van een zeer uitzonderlijke situatie die voor Inbev en haar onderhuurders enorme impact heeft en heeft Sigismund verzocht om in overleg te treden over betaling van de huurprijs. De advocaat van Inbev is in zijn brief tevens ingegaan op de juridische merites van een huurprijsvermindering en heeft daarover onder meer het volgende geschreven:

"Uit de wetsgeschiedenis van artikel 7:204 BW volgt het begrip gebrek ruim moet worden geïnterpreteerd en dat daarmee niet alleen de fysieke toestand van het gehuurde wordt bedoeld. In dit geval huurt cliënte horecabedrijfsruimte bestemd voor de uitoefening van een horecabedrijf. De huurovereenkomst laat niet toe er een andere bestemming aan te geven. (…)

Er is dan ook sprake van een situatie dat het gemis van het (volledige) genot van het gehuurde het gevolg is van een oorzaak die buiten toedoen van partijen ligt. Het gemis van het genot leidt ertoe dat cliënte van haar betalingsverplichting wordt bevrijd, althans niet gehouden kan worden om de volledige huurprijs te blijven voldoen over de periode van het (volledige) gemis van genot.

(…)

Verzoek tot overleg en het maken van afspraken over een verdeelsleutel

Op deze gronden verzoekt cliënte om in overleg te treden over een regeling voor betaling van de huur. Cliënte is hierbij bereid om ook een deel van de financiële pijn te dragen en (…), uitdrukkelijk er niet op uit om in het geheel geen huur te betalen. Van betalingsonmacht is geen sprake.

(…)"

2.10.

Nadat namens Sigismund was gereageerd, heeft de advocaat van Inbev bij mail van 15 april 2020 het volgende geschreven:

"Om te voorkomen dat huurder-ondernemers en pandeigenaren nog langer in onduidelijkheid verkeren, heeft cliënte besloten om aan de pandeigenaren die zich bij cliënte hebben gemeld kenbaar te maken op welke wijze cliënte een oplossing wenst te bereiken voor de huur over in elk geval de maanden april en mei 2020. Voor deze oplossing zal uiteraard nog steeds de medewerking van de individuele huurders vereist zijn. Cliënte is dan ook genoodzaakt hiervoor een uitdrukkelijk voorbehoud te maken. Echter alvorens het met de betreffende individuele huurder te kunnen bespreken, is vereist te weten of uw cliënte als pandeigenaar bereid is in te stemmen met de navolgende verdeelsleutel:

- Cliënte voldoet na instemming van uw cliënte als pandeigenaar en haar huurders 66% van de huurprijs over de maanden april en mei 2020 aan uw cliënte als pandeigenaar. Uw cliënte als pandeigenaar verleent na ontvangst van dit deel van de huur voor het restant (…) kwijting;

- De huurder van cliënte voldoet na akkoord van uw cliënte als pandeigenaar 33% van de onderhuurprijs over de maanden april en mei 2020 aan cliënte. Cliënte verleent na ontvangst van dit deel van de huur voor het restant (…) kwijting;

(…)

Graag verneem ik namens cliënte of uw cliënte als pandeigenaar zich kan vinden in deze verdeelsleutel. Indien dat het geval is, hoor ik graag ook of uw cliënte als pandeigenaar bereid is om het gesprek met de betreffende huurder af te wachten.

(…)

Graag wacht ik uw reactie af. Mocht telefonisch overleg wenselijk zijn, verneem ik het graag."

Inbev heeft dit voorstel ook aan haar overige verhuurders gedaan.

2.11.

Sigismund is niet op het voorstel en de uitnodiging ingegaan en heeft Inbev op 20 april 2020 de dagbepaling voor dit kort geding toegezonden. Nadat de advocaat van Inbev nogmaals het juridische standpunt van Inbev had toegelicht en had aangedrongen op overleg, heeft de advocaat van Sigismund bij e-mail van 24 april 2020 het volgende geantwoord:

"Uiteraard heb ik de bestuurder van cliënte bij het aannemen van deze zaak gevraagd of er bereidheid is om in overleg te treden met Inbev Nederland N.V. Cliënte heeft daarbij uitgelegd dat die bereidheid eronder de huidige omstandigheden niet is. Aanleiding daartoe is de wijze waarop Inbev Nederland N.V. dit gehele traject is ingegaan. Dit door als donderslag bij heldere hemel een bericht te sturen waarin doodleuk wordt aangegeven dat de huur over april in het geheel niet betaald wordt. U zult zich voor kunnen stellen dat een verhuurder door een dergelijk bericht 'not amused' is en ik denk dat ik mij daarbij voorzichtig uitdruk.

Bijkomend feit is dat cliënte meent dat het niet op haar pad ligt om een grote partij als Inbev Nederland aan uw N.V. in deze tijden te helpen. De breedste schouders dienen ook de zwaarste lasten te dragen. (…) Mag ik u er daarbij ook aan herinneren dat uw cliënte expliciet te kennen geeft niet in betalingsonmacht te verkeren, maar desondanks tot op de dag van vandaag nog niet één euro huur naar cliënte heeft overgemaakt. (…)

Het is nu aan uw cliënte of zij er voor kiest het kort geding wel of geen doorgang te laten vinden. (…)"

2.12.

Bij e-mail van 24 april 2020 heeft Inbev aan de advocaat van een van haar andere verhuurders onder meer het volgende bericht:

"Om uw cliënte als pandeigenaar alvast financieel tegemoet te komen, heeft cliënte verder besloten om conform de verdeelsleutel de betalingen in gang te zetten. De betaling van een gedeelte van de huur voor de maanden april en mei zal als volgt plaatsvinden:

  • -

    Begin mei 2020 zal een betaling plaatsvinden gelijk aan 100% van de huurrijs voor de maand mei. Deze betaling wordt aangemerkt als een betaling van 2/3 van de maand april en 1/3 van de maand mei;

  • -

    Begin juni zal een betaling van 1/3 van de huur van mei 2020 plaatsvinden.

Van belang is echter dat cliënte zolang uw cliënte niet akkoord is met de voorgestelde verdeelsleutel, de horeca ondernemer, die het gehuurde van cliënte huurt, slechts 1/3 huurkwijtschelding kan verlenen.

(…)

In navolging van mijn e-mailbericht van 15 april 2020 doe ik dan ook nogmaals de oproep om in te stemmen met de voorgestelde verdeelsleutel. (…)"

Deze e-mail is op 25 april 2020 in het bezit van de advocaat van Sigismund gekomen.

2.13.

Op de dag van betekening van de dagvaarding, 4 mei 2020, heeft Sigismund van Inbev een betaling ter hoogte van € 1.761,97 ontvangen. Sigismund heeft die betaling als eerste verrekend met de in de dagvaarding gevorderde buitengerechtelijke kosten ad € 264,30 en het restant in mindering gebracht op de achterstallige huur over de maand april 2020.

3 De vordering en het verweer

in conventie

3.1.

Na wijziging van haar eis vordert Sigismund - verkort weergegeven - dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Inbev veroordeelt om aan Sigismund te betalen:

i. de huurachterstand over de maand april 2020 ad € 264,30 inclusief btw en de huurachterstand over de maand mei 2020 ad € 1.761,97 inclusief btw, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met wettelijke handelsrente over voornoemde bedragen vanaf respectievelijk 1 april en 1 mei 2020 tot de dag van volledige betaling;

ii. een bedrag van € 1.761,97 inclusief btw, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag, ter zake huurpenningen voor iedere maand gedurende de maanden juni, juli en augustus 2020, telkens bij vooruitbetaling te voldoen uiterlijk op de eerste dag van de kalendermaand waar de respectievelijke huurpenningen betrekking op hebben;

met veroordeling van Inbev in de (na)kosten van dit geding, vermeerderd met rente indien deze kosten niet binnen veertien dagen na de datum van het te wijzen vonnis zijn voldaan.

3.2.

Sigismund legt aan haar vordering ten grondslag dat Inbev in verzuim is geraakt met de betaling van de huur. Zij stelt dat zij volledige huurbetaling kan verlangen en daarbij een spoedeisend belang te hebben omdat financieel gezien het water al aan haar lippen staat, mede doordat zij in verband met de coronacrisis andere kleine ondernemers, met wij zij een huurrelatie heeft, probeert te helpen door maatwerkafspraken te maken. Volgens Sigismund valt niet in te zien waarom Inbev niet de volledige huur kan betalen. Daar waar Sigismund een relatief klein vastgoedbelegger is, is Inbev als onderneming dusdanig groot dat zij niet in betalingsonmacht verkeert of zal verkeren en Inbev schrijft ook zelf dat daarvan geen sprake is. Een afweging van de belangen van partijen in deze kwestie moet daarom volgens Sigismund in haar voordeel uitvallen.

Omdat inmiddels duidelijk is dat de genoemde overheidsmaatregelen, behoudens een aantal voorwaardelijke versoepelingen, zijn verlengd tot 1 september 2020 vordert Sigismund ook over die maanden de huur nu zij niet verwacht dat Inbev op vrijwillige basis deze huurtermijnen (volledig) zal betalen.

Wat betreft de proceskosten: Sigismund voert aan dat zij door Inbev gedwongen is om een kort geding te beginnen omdat Inbev niet één euro huur wilde betalen en pas na dagvaarding onvoorwaardelijk heeft toegezegd sowieso twee derde van de huur te zullen voldoen en een (gedeeltelijke) betaling heeft gedaan. Het bij rov. 2.12 aangehaalde bericht van 24 april 2020, waarin Inbev aan de advocaat van een andere verhuurder schrijft dat zij zal gaan betalen, heeft Sigismund niet gekregen. Sigismund meent verder dat uit moet worden gegaan van de tarieven die gelden voor kort gedingen in handelszaken.

3.3.

Inbev concludeert - verkort weergegeven - tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van Sigismund in de (na)kosten van dit geding, vermeerderd met rente vanaf de vijftiende dag na het te wijzen vonnis. Volgens Inbev leent dit geschil zich niet voor een kort geding en ontbreekt een spoedeisend belang aan de zijde van Sigismund. Zij voert aan dat zij niet haar machtspositie inzet maar overleg wil over een redelijke verdeling van de pijn en verwijst daarbij naar het paritas creditorium. Inbev nuanceert het door Sigismund gegeven beeld dat laatstgenoemde een kleine vastgoedbelegger zou zijn, betwist dat Sigismund over een beperkte financiële ruimte beschikt en relativeert het door Sigismund geschetste incasseringsvermogen van Inbev voor wat betreft deze coronacrisis.

Inbev voert aan dat Sigismund misbruik van recht maakt en haar verplichting tot onderhandeling schendt door overleg over een verdeelsleutel uit de weg te gaan en in kort geding betaling te vorderen van een huurvordering waarvan het (volledige) bestaan onvoldoende aannemelijk is en reeds 66% is betaald. Door de overheidsmaatregelen ter bestrijding van het Coronavirus is het gehuurde namelijk gebrekkig zoals bedoeld artikel 7:204, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) en op grond daarvan, alsmede op grond van onvoorziene omstandigheden en de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, komt Inbev een recht op huurprijsvermindering toe. Inbev acht zich onder de huidige omstandigheden gehouden twee derde van de huur te voldoen en geeft te kennen dienovereenkomstig (al dan niet in delen) te zullen betalen. Zij voert aan dat zij dat voorstel

aan al haar verhuurders heeft gedaan en dat inmiddels afgerond 75% daarmee heeft ingestemd, hetgeen volgens haar (naar analogie van artikel 7:220 BW) een aanwijzing oplevert dat haar voorstel redelijk is.

Inbev licht toe dat haar betaling van 4 mei 2020 twee derde van de huur over de maand april 2020 en een derde van de huur over de maand mei 2020 betreft en dat eerdaags nog een derde voor mei zal worden voldaan. Zij betwist, onder verwijzing naar de bij rov. 2.12 aangehaalde e-mail, dat zij pas huur wilde betalen als Sigismund akkoord zou gaan met de voorgestelde verdeelsleutel en dit onder druk van dit kort geding heeft gedaan. Inbev geeft aan dat zij tot betaling is overgegaan om te voorkomen dat kleine beleggers, wat Sigismund pretendeert te zijn, door de huuropschorting in de problemen zouden komen en dat zij inmiddels ook heeft besloten om alle (onder)huurders twee derde korting op de huurprijs te verlenen, ongeacht of zij de resterende een derde uiteindelijk gaan betalen.

Ingeval de vordering van Sigismund wordt toegewezen, verzoekt Inbev om uit te gaan van het (lagere) griffierecht en salaris van de kamer voor kantonzaken omdat ook die kamer in dit geval bevoegd is en Inbev, door de keuze van Sigismund om haar vordering bij de voorzieningenrechter aan te brengen, ten onrechte met hogere proceskosten wordt geconfronteerd.

in reconventie

3.4.

Inbev vordert - verkort weergegeven - dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, bij wijze van ordemaatregel bepaalt:

i. dat Inbev niet tekortschiet in de betaling van de huur of boetes verbeurt in het geval Inbev haar verplichting tot betaling van de volledige huur niet nakomt, dit totdat een bodemrechter een beslissing heeft gegeven in een aanhangig te maken bodemprocedure tussen onderhavige partijen;

ii. dat Inbev voorshands twee derde, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen deel, van de huurprijs moet voldoen voor de maanden april en mei alsmede de daarop volgende maanden indien de overheidssluiting van de horecapanden na

20 mei 2020 wordt verlengd;

iii. dat de hiervoor onder i. en ii. genoemde voorzieningen komen te vervallen:

- indien Inbev niet binnen veertien dagen een bodemprocedure tussen onderhavige partijen aanhangig maakt waarin zij voor de betreffende maanden een vordering tot huurprijsvermindering instelt, dan wel

- indien Inbev zich niet houdt aan de voorwaarde als hiervoor onder ii. bedoeld;

met veroordeling van Sigismund in de (na)kosten van dit geding, vermeerderd met rente vanaf de vijftiende dag na het te wijzen vonnis.

3.5.

Inbev legt aan haar vordering ten grondslag hetgeen zij in conventie heeft aangevoerd, te weten dat zij een recht heeft op huurprijsvermindering. Met de gevraagde voorlopige voorziening wordt op een evenwichtige wijze rekening gehouden met de belangen van beide partijen, zo stelt Inbev. Inbev beseft dat het veel gevraagd is om hierover in kort geding een voorlopig oordeel te vellen, maar het is evident dat zij een groot belang heeft bij een voorlopig oordeel over haar aanspraken op huurvermindering en in ieder geval bij een voorziening die er toe strekt dat Inbev niet meer dan twee derde van de huurprijs voor in elk geval de maanden april en mei 2020 moet voldoen totdat een bodemrechter uitsluitsel heeft gegeven over een eventuele huurprijsvermindering.

3.6.

Sigismund concludeert - verkort weergegeven - tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van Inbev, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van dit geding. Zij meent dat er geen sprake is van een gebrek of van onvoorziene omstandigheden die maken dat Inbev een recht op huurprijsvermindering toekomt. Volgens Sigismund is de mogelijkheid om huurprijsvermindering te vorderen contractueel uitgesloten maar hoeft daar in dit kort geding bovendien geen rekening mee te worden gehouden omdat dit voorbehouden is aan de bodemrechter.

4 De beoordeling in conventie en in reconventie

Spoedeisendheid

4.1.

De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang voldoende onderbouwd. De vorderingen in conventie en in reconventie zullen hierna zoveel mogelijk gezamenlijk worden besproken.

Maatstaf in kort geding

4.2.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat ten aanzien van een geldvordering in kort geding terughoudendheid op zijn plaats is. De voorzieningenrechter moet niet alleen onderzoeken of het bestaan van een dergelijke vordering voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de voorzieningenrechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar

- kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de gevraagde voorziening. Aan het vereiste van onverwijlde spoed zal echter minder gewicht toekomen naar mate de aannemelijkheid van het bestaan van de vordering groter is.

Huurprijsvermindering

4.3.

Sigismund vordert dat Inbev wordt veroordeeld om de huur over de maanden april tot en met augustus 2020 volledig te betalen. Nu Inbev erkent dat zij in ieder geval twee derde van die huur, te weten € 1.174,65 per maand, aan Sigismund moet voldoen en tijdens de mondelinge behandeling te kennen heeft gegeven dat het haar om het even is of dit in conventie of in reconventie wordt beslist, zullen de vorderingen van Sigismund in zoverre worden toegewezen.

4.4.

Dit ligt anders voor het resterende deel van de huur. Voor toewijzing daarvan is nodig dat met voldoende mate van zekerheid kan worden aangenomen dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat Inbev ook dat deel aan Sigismund verschuldigd is. Aan die voorwaarde wordt niet voldaan. De voorzieningenrechter overweegt daartoe het volgende.

4.5.

Vaststaat dat het gehuurde uitsluitend is bestemd voor het gebruik als cafébedrijf. Vaststaat ook dat de overheid in maart 2020 heeft bepaald dat cafébedrijven in verband met het Coronavirus voorlopig gesloten moeten blijven en dat Inbev en haar onderhuurder daardoor het huurgenot missen.

Inbev beroept zich er naar voorlopig oordeel terecht op dat uit de parlementaire behandeling van de gebrekenregeling volgt dat een sluiting van het gehuurde als gevolg van een overheidsmaatregel zoals die hier aan de orde is, een gebrek vormt in de zin van artikel 7:204 BW, zodat een huurder op grond van artikel 7:207 BW in beginsel (met terugwerkende kracht) aanspraak kan maken op huurprijsvermindering. Tijdens die parlementaire behandeling heeft de minister op een vraag van de vaste commissie voor justitie over het toepassingsbereik van artikel 7:210 BW namelijk het volgende geantwoord (Wetsvoorstel 26.089, nr. 6, Nota naar aanleiding van het verslag, p.15):

"De vraag van de Commissie of het onderhavige artikel ook van toepassing is indien een (onvoorziene) overheidsmaatregel het gebruik van de zaak verhindert, moet bevestigend worden beantwoord. Er is dan immers sprake van een gebrek in de zin van artikel 204, dat het genot dat de huurder mocht verwachten geheel onmogelijk maakt."

4.6.

Artikel 7:207 BW is van regelend recht en kan dus contractueel worden uitgesloten. Sigismund heeft betoogd dat partijen, althans hun rechtsvoorgangers, dat hebben gedaan. Zij beroept zich in dat verband op hoofdstuk XIV van de algemene bepalingen bij de huurovereenkomst.

Inbev heeft dit standpunt naar voorlopig oordeel terecht bestreden. De vraag of het recht op huurprijsvermindering is uitgesloten, moet worden beoordeeld aan de hand van de zogenoemde Haviltex-maatstaf. Uit de tekst van die bij rov. 2.3. geciteerde bepaling, die handelt over 'betalingen', blijkt niet dat de rechtsvoorgangers van partijen de bedoeling hebben gehad om dat te doen. Laat staan dat zij daarbij het oog hebben gehad op ernstige gebreken die maken dat het gehuurde gedurende langere tijd niet volgens de contractuele bestemming kan worden gebruikt. Dat partijen destijds hebben afgesproken dat betaling van huurpenningen 'zonder enige korting' op een rekening van de verhuurder moet geschieden, is onvoldoende om aan te nemen dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat dit wel is overeengekomen. Te minder nu de wettelijke regeling van artikel 7:207 BW, zoals Inbev terecht aanvoert, bij het aangaan van de huurovereenkomst nog niet bestond en latere ROZ-modellen (die nog steeds een vergelijkbare bepaling over 'betalingen') bevatten, de aanspraak op huurprijsvermindering in geval van een gebrek in een ander artikel met zoveel woorden uitsluiten.

Voor zover Sigismund een beroep zou willen doen op de exoneratie in hoofdstuk XI lid 3, wordt ook dat verworpen. Die bepaling gaat over schade aan de personen en goederen van Inbev of van derden en over schade door tekortkomingen in eventuele leveringen en diensten. Die situatie doet zich hier niet voor.

4.7.

Gelet op het voorgaande is onvoldoende aannemelijk dat de bodemrechter het beroep van Inbev op huurprijsvermindering zal afwijzen en de vordering van Sigismund tot betaling van de volledige huur over de maanden april tot en met augustus 2020 zal toewijzen. Of en zo ja per wanneer de overheidsmaatregelen zodanig zullen worden versoepeld dat een huurprijsvermindering niet meer op zijn plaats is, is op dit moment niet duidelijk en tussen partijen ook nog geen onderwerp van debat geweest.

4.8.

De door Inbev voorgestelde vermindering met een derde komt voorshands niet onredelijk voor en dit kort geding leent zich er niet voor om daar nader onderzoek naar te doen. Inbev zal daarom (slechts) worden veroordeeld om gedurende de door Sigismund genoemde periode maandelijks twee derde van de huur te betalen, te weten € 1.174,65 inclusief BTW. Dat betekent dat Inbev met haar betaling van € 1.761,97 op 4 mei 2020, de huur voor april inmiddels volledig en de huur voor mei deels heeft voldaan.

De voorzieningenrechter komt niet toe aan de vraag of de Inbev ook aanspraak kan maken op verlaging van de huurprijs wegens onvoorziene omstandigheden, wat een weging vergt van alle omstandigheden van het geval. Zij volstaat met de constatering dat het in de rede ligt om de Coronacrisis te kwalificeren als een onvoorziene omstandigheid in de zin van artikel 6:258 BW omdat partijen een dergelijke ingrijpende situatie bij het sluiten van de overeenkomst in het algemeen niet voor ogen zullen hebben gehad en niet in hun overeenkomst zullen hebben verdisconteerd.

4.9.

Zoals hiervoor overwogen heeft Inbev ter zitting aangegeven dat het haar om het even is of zij gehouden is twee derde van de huur te betalen door een beslissing in conventie dan wel in reconventie, omdat het haar gaat om het resultaat. Dat resultaat is haar gegeven in de beslissing op de vordering in conventie. De vorderingen in reconventie zullen daarom worden afgewezen.

Incassokosten

4.10.

Ten aanzien van de bij dagvaarding gevorderde incassokosten ad € 264,30 met betrekking tot de huur over april 2020, overweegt de voorzieningenrechter dat Inbev zich hiertegen als zodanig niet verzet voor zover het bestaan van de vordering van Sigismund voldoende aannemelijk wordt geacht. Nu van het huurbedrag twee derde wordt toegewezen onder afwijzing van het resterende deel, is Inbev daarover slechts een bedrag van € 176,20, zijnde 15% van € 1.174,65, aan incassokosten verschuldigd. Sigismund heeft derhalve een bedrag van € 88,10 te veel met de huurbetaling van Inbev verrekend. Hiermee zal rekening worden gehouden in het toe te wijzen huurbedrag over mei 2020.

Wettelijke rente

4.11.

Uit het voorgaande volgt dat over de maand mei 2020 nog € 763,53 openstaat

(€ 2.349,30 aan huur over april en mei plus € 176,20 aan incassokosten minus de betaling van € 1.761,97). Hierover zal wettelijke rente ex artikel 6:119 BW worden toegekend. De gevorderde wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW wordt afgewezen nu deze, zoals Inbev terecht aanvoert, niet van toepassing is op overeenkomsten die vóór 8 augustus 2002 zijn gesloten (Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1783).

Proceskosten in conventie

4.12.

Gelet op de uitkomst van deze procedure, zal de voorzieningenrechter bepalen dat Sigismund de proceskosten in conventie moet dragen, met uitzondering van de door Inbev gevorderde nakosten. Zij neemt daarbij in aanmerking dat Inbev Sigismund reeds in haar brief van 10 april 2020 heeft meegedeeld dat zij er niet op uit was om in het geheel geen huur te betalen en op welke (in dit kort geding gehonoreerde) juridische gronden zij een huurprijsvermindering baseerde en al op 15 april 2020 heeft voorgesteld om twee derde van de huur te voldoen. Voorstelbaar is dat Sigismund (in de woorden van haar advocaat) 'not amused' was toen Inbev haar op 25 maart 2020 meedeelde dat zij (eenzijdig) had besloten om de huur over april uit te stellen. Dat neemt echter niet weg dat partijen zich tegenover elkaar moeten gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid en dat het in de gegeven (crisis)situatie op de weg van Sigismund had gelegen om in te gaan op de herhaalde uitnodigingen die Inbev daarna heeft gedaan in plaats van iedere vorm van overleg af te wijzen en te persisteren dat Inbev de volledige huur moest voldoen. Daar komt bij dat Sigismund, door haar (relatief beperkte) huurvordering bij de voorzieningenrechter in plaats van de kantonrechter aan te brengen, Inbev voor onnodig hoge kosten heeft geplaatst.

Dat Inbev eerst op 4 mei 2020 een betaling heeft gedaan en het Sigismund pas na dagvaarding duidelijk is geworden dat Inbev sowieso twee derde van de huurprijs zal betalen en het voorbehoud dat de (onder)huurder met de voorgestelde verdeelsleutel instemt heeft laten varen, is gelet op een en ander onvoldoende om hierover anders te oordelen.

4.13.

De proceskosten van Inbev worden als volgt vastgesteld:

- vast recht € 2.042,00.

- salaris advocaat € 633,00;

in totaal € 2.675,00.

Proceskosten in reconventie

4.14.

Nu Inbev haar vorderingen in reconventie niet heeft ingetrokken en deze afgewezen worden, zal zij de proceskosten van Sigismund in reconventie moeten vergoeden. Het salaris advocaat zal ook hier worden vastgesteld op € 633,00.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

in conventie

1. veroordeelt Inbev om aan Sigismund te betalen een bedrag van € 763,53 inclusief btw aan huurachterstand over de maand mei 2020, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2020 tot aan de dag van volledige betaling;

2. veroordeelt Inbev om aan Sigismund te betalen een bedrag van € 1.174,65 inclusief btw ter zake huurpenningen voor iedere maand gedurende de maanden juni, juli en augustus 2020, telkens bij vooruitbetaling te voldoen uiterlijk op de eerste dag van de kalendermaand waar de respectievelijke huurpenningen betrekking op hebben;

3. veroordeelt Sigismund tot betaling van de proceskosten in conventie, tot deze uitspraak aan de zijde van Inbev, vastgesteld op € 2.675,00, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang vanaf de vijftiende dag na dit vonnis, indien deze proceskosten niet voor die dag zijn voldaan;

4. verklaart dit vonnis in conventie uitvoerbaar bij voorraad;

5. wijst het meer of anders door Sigismund gevorderde af;

in reconventie

6. wijst de vorderingen van Inbev af;

7. veroordeelt Inbev tot betaling van de proceskosten, tot deze uitspraak aan de zijde van Sigismund vastgesteld op € 633,00;

8. verklaart de proceskostenveroordeling onder 7 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. van Rossum en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. J. de Vroome, rolrechter, op 27 mei 2020.

c532/MS