Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:1935

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-05-2020
Datum publicatie
20-05-2020
Zaaknummer
LEE 19/3399
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op maandag 18 mei 2020 heeft de meervoudige kamer van de bestuursrechter voor het eerst uitspraak gedaan in een beroep tegen een besluit van de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen (TCMG) (ECLI:NL:RBNNE:2020:1935).

Het bijzondere van de besluiten van de TCMG is dat de commissie bij het nemen van zijn besluiten ook civielrechtelijke criteria moet toepassen en de bestuursrechter die besluiten daarom mede aan de hand van civielrechtelijke criteria moet beoordelen. De bestuursrechter heeft daarom ook een civiele rechter gevraagd om zitting te nemen in de meervoudige kamer.

Met het Besluit mijnbouwschade Groningen beoogde de minister om bestuursrechtelijke rechtsbescherming te bieden. De vraag was echter of een dergelijke beslissing van de TCMG, gezien het civielrechtelijke karakter en het ontbreken van een wettelijke grondslag, wel een besluit in de zin van de Awb zou kunnen zijn. De rechtbank heeft geoordeeld dat dit inderdaad het geval is zodat de bestuursrechter een inhoudelijk oordeel kan geven over de vraag of de TCMG de schadevergoeding op het juiste bedrag heeft vastgesteld.

Eiser heeft de vergoeding verzocht van een groot aantal schades aan zijn huis die door gasbevingen zouden zijn ontstaan. De TCMG heeft in bezwaar op basis van een rapport van een deskundige geoordeeld dat voor een aantal van die schades wel met zekerheid een andere oorzaak dan de gaswinning is aan te wijzen. Het beroep spitst zich toe op de vraag of de TCMG daarbij wel op de juiste wijze inhoud heeft gegeven aan het zogenaamde bewijsvermoeden ex artikel 6:177A, eerste lid, van het BW dat in dit soort zaken van toepassing is. De bestuursrechter heeft geoordeeld dat de mate van zekerheid die de TCMG verlangt voor het bestaan van een andere oorzaak dan de gaswinning voldoet aan hetgeen de Hoge Raad daarvoor verlangt en dat de TCMG bij het vaststellen van die zekerheid in dit geval ook uit mocht gaan van het oordeel van de deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2020/295
Omgevingsvergunning in de praktijk 2020/8267
OGR-Updates.nl 2020-0125
JB 2020/143 met annotatie van Bronsema, R.
AB 2020/287 met annotatie van H.E. Bröring
JGROND 2020/173 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 19/3399

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 mei 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. P.M.J. de Goede),

en

de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder

(gemachtigde: mr. T.W. Franssen).

Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om schadevergoeding afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 14 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote en door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door J.N. Handgraaf en ing. R. Lubbers.

Overwegingen

Feiten

1. Op 15 maart 2018 heeft eiser verzocht om vergoeding van schade aan zijn huis aan de [adres] te [woonplaats] door mijnbouwactiviteiten in het Groningenveld.

1.1

Op 10 juli 2018 heeft deskundige R. Buis in opdracht van de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen (de TCMG) bij de woning van eiser de schade opgenomen. Buijs heeft op 12 juli 2018 advies uitgebracht.

1.2

Op 7 januari 2019 heeft deskundige R. Gras in opdracht van de TCMG bij de woning van eiser de schade opgenomen. Gras heeft op 25 januari 2019 advies uitgebracht.

1.3

Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek afgewezen. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat de deskundigen hebben vastgesteld dat de schades niet zijn veroorzaakt door mijnbouwactiviteiten in het Groningenveld en Norg. Verweerder stemt in met het advies van de deskundigen.

1.4

Op 11 juni 2019 heeft een aanvullende schadeopname plaatsgevonden door deskundige R. Lubbers. Deze heeft een adviesrapport uitgebracht aan de Commissie Advisering Bezwaarschriften Schade door Mijnbouw.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. Hiertoe heeft verweerder aangegeven dat eiser een schadevergoeding van

€ 6.413,43 toegekend krijgt, inclusief wettelijke rente. Verweerder heeft hierbij bepaald dat de schadevergoeding bestaat uit een vergoeding voor het herstel van de schade ten bedrage van € 6.288,97 en de verschuldigde wettelijke rente ten bedrage van € 184,46.

Het karakter van het primaire besluit

3. Op grond van artikel 8:1 en artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) kan een belanghebbende tegen een beslissing slechts bezwaar instellen en vervolgens het besluit op bezwaar in beroep inhoudelijk laten beoordelen indien die beslissing een besluit is in de zin van de Awb.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

In artikel 1:1, eerste lid, van de Awb is bepaald dat onder bestuursorgaan wordt verstaan: a. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of b. een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed.

Verweerder, de minister van Economische Zaken en Klimaat, is een bestuursorgaan als bedoeld onder a. Het bestreden besluit is ook schriftelijk genomen zodat slechts beoordeeld moet worden of de beslissing van verweerder een publiekrechtelijke rechtshandeling inhoudt.

3.1

Er is in dit geval sprake van een publiekrechtelijke rechtshandeling indien een publiekrechtelijke rechtsregel, of een samenstel daarvan, aan de primaire beslissing van verweerder het rechtsgevolg verbindt dat verweerder de schade die is veroorzaakt door de gaswinning, de mijnbouwschade, moet vergoeden.

3.2

In artikel 3, tweede en derde lid, van het Besluit mijnbouwschade Groningen (het Besluit) heeft verweerder een bevoegdheid bij de deelcommissie mijnbouwschade neergelegd om op aanvragen tot vergoeding van schade te beslissen en bij de deelcommissie bezwaar om beslissingen op bezwaar tegen dergelijke beslissingen te nemen. In het Besluit is geen verwijzing opgenomen naar een specifieke wettelijke bepaling op grond waarvan verweerder zich bevoegd acht tot het vaststellen van dit Besluit. In de toelichting is opgenomen dat dit Besluit een vorm van onverplicht, buitenwettelijk beleid vastlegt. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat er geen wettelijke grondslag is aan te wijzen voor deze regelgeving en dat de regels, zoals die in het Besluit zijn opgenomen, moeten worden aangemerkt als beleid in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Awb.

3.3

Met deze beleidsregel geeft verweerder een nadere invulling en concretisering van zijn algemene bevoegdheid tot het doen van financiële uitkeringen ten laste van de publieke middelen. Op grond van artikel 4:84 van de Awb is verweerder verplicht om overeenkomstig deze beleidsregel op aanvragen om schadevergoeding te beslissen. Aldus verbindt artikel 4:84 van de Awb aan de beslissing tot het al dan niet vergoeden van mijnbouwschade op grond van het Besluit het rechtsgevolg dat verweerder, indien er recht bestaat op schadevergoeding, die schade dan ook moet vergoeden. In die zin is er sprake van een rechtsgevolg.

3.4

Het publiekrechtelijk karakter van het Besluit en daarmee van de beslissingen die op basis van het Besluit worden genomen is naar het oordeel van de rechtbank gelegen in een samenstel van factoren. Zo wordt de vergoeding van de mijnbouwschade gefinancierd uit de publieke middelen. Voorts is de mijnbouwschade mede het gevolg van de lang door de overheid gevoelde noodzaak om de gaswinning maximaal te faciliteren om aldus de energievoorziening in Nederland veilig te stellen en te voorzien in extra publieke middelen om bij te dragen aan de algemene welvaart in Nederland. Aldus is de schade een gevolg van de behartiging van een groot algemeen, publiek, belang en wordt met de vergoeding van die schade hetzelfde publieke belang behartigd. Ook doet de door de gaswinning veroorzaakte schade, die het directe gevolg is van dit door de overheid bevorderde algemene belang, door de beschadiging van woningen, voorts ernstig afbreuk aan de bewoonbaarheid van het land en het leefmilieu van degenen die in het aardbevingsgebied wonen. Aldus voorziet het Besluit in de invulling van de in artikel 21 van de Grondwet gewaarborgde zorgplicht van de overheid. Tot slot kan nog worden gewezen op de inmiddels door de wetgever aangenomen Wet Instituut mijnbouwschade Groningen waarin dit publiekrechtelijke karakter ook wordt vastgelegd in een wet in formele zin.

3.5

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder met het Besluit een beleidsregel heeft vastgesteld waarin hij zijn algemene bevoegdheid tot het doen van financiële uitkeringen nader heeft geconcretiseerd. Het Besluit heeft gezien de context waarbinnen die regeling is opgesteld, een publiekrechtelijk karakter zodat beslissingen op basis van het Besluit naar het oordeel van de rechtbank moeten worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Dit oordeel sluit aan bij een ontwikkeling in de rechtspraak die mede vorm heeft gekregen in de zogenaamde Metroschade uitspraak (ECLI:NL:RVS:1986:AM9085 (AB 1986, 568)) en de Silicose uitspraak (ECLI:NL:RVS:1995:ZF1850 (AB 1996, 136)).

3.6

Uit het voorgaande volgt dat de beslissing, waarbij verweerder de aanvraag van eiser om een eenmalige vergoeding heeft afgewezen, dient te worden aangemerkt als een besluit, waartegen eiser ingevolge artikel 8:1, eerste lid, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, van de Awb bezwaar kon maken.

Inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit: het bewijsvermoeden

4. Eiser betoogt dat alle schades aan zijn woning het gevolg zijn van de gaswinning in het Groningenveld, althans dat verweerder niet is geslaagd in het tegenbewijs. Hiertoe heeft eiser allereerst aangevoerd dat verweerder het bewijsvermoeden ex artikel 6:177a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) onjuist heeft toegepast. Hierbij heeft eiser aangegeven dat de door verweerder ingeschakelde deskundige oorzaken van de schades heeft genoemd, maar dat de door hem gegeven motivering geenszins uitsluit dat de schades (mede) zijn veroorzaakt door mijnbouwactiviteiten. Verweerder volgt slechts het oordeel van één deskundige. De door eiser ingeschakelde deskundige, ing. Meiborg, heeft kenbaar gemaakt het niet eens te zijn met het oordeel van de door verweerder ingeschakelde deskundige en stelt in zijn algemeenheid dat de schades wel degelijk veroorzaakt kunnen zijn door mijnbouwactiviteiten. Eiser stelt daarom dat er geen sprake is van een 'evident' en 'aantoonbaar' andere uitsluitende oorzaak dan mijnbouwactiviteiten nu niet kan worden gesteld dat onder deskundigen geen redelijke twijfel bestaat over de aanwezigheid van dergelijke andere oorzaken. Verweerder is op dit door eiser ingenomen standpunt ten onrechte niet ingegaan. Gelet hierop is het besluit, aldus eiser, in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.

4.1

Verweerder geeft in het verweerschrift met betrekking tot toepassing van het bewijsvermoeden aan dat het rapport van Lubbers (zie 1.4) voldoende aannemelijk maakt dat de schades die zijn aangeduid met de nummers 3, 8, 9, 12, 19, 20, 21, 23, 24, 25, 26, 27 en 28 redelijkerwijs niet het gevolg zouden kunnen zijn van mijnbouwactiviteiten en dat hierdoor het bewijsvermoeden is ontzenuwd. Eiser heeft geen bewijs aangedragen ter onderbouwing van de conclusie dat ondanks dat het bewijsvermoeden is ontzenuwd, toch aangenomen moet worden dat sprake is van mijnbouwschade. Voor al deze dertien schades heeft Lubbers in zijn advies aangegeven dat deze zijn ontstaan door andere omstandigheden dan bodembeweging. Deze conclusies zijn, aldus verweerder, voldoende begrijpelijk gemotiveerd. Hierbij heeft verweerder aangegeven dat de deskundige het bewijsvermoeden in overeenstemming met het advies van het panel van deskundigen, dat in zijn rapport van 22 januari 2019 vragen heeft beantwoord van de TCMG , en de lijn van verweerder heeft toegepast. Daarnaast heeft verweerder aangegeven dat uit de motivering van de causaliteit van andere schades blijkt dat indien Lubbers wel twijfelt over de vraag of de schade niet ten minste is verergerd door bodembeweging als gevolg van mijnbouwschades, dat hij het bewijsvermoeden dan niet ontzenuwd acht. Ten aanzien van de genoemde schades heeft Lubbers deze twijfels echter niet.

5. De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het wettelijk bewijsvermoeden van artikel 6:177a, eerste lid, van het BW van toepassing is. In de onderhavige procedure is wel de vraag aan de orde of verweerder voor dertien van de negenentwintig door eiser geclaimde schades het bewijsvermoeden heeft weerlegd met verwijzing naar het rapport van Lubbers, waarin voor deze schades een andere uitsluitende oorzaak dan bodembeweging door mijnbouwactiviteiten is aangewezen. Met betrekking tot deze vraag overweegt de rechtbank als volgt.

5.1

Ingevolge artikel 6:177a, eerste lid, van het BW wordt vermoed, bij fysieke schade aan gebouwen en werken, die naar haar aard redelijkerwijs schade door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld zou kunnen zijn, dat die schade veroorzaakt is door de aanleg of de exploitatie van dat mijnbouwwerk.

5.2

Het voornoemde panel van deskundigen heeft in het advies van 22 januari 2019 geadviseerd om het wettelijk bewijsvermoeden weerlegd te achten indien de schadeoorzaak evident en aantoonbaar een andere is dan de bodembeweging als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk in het Groningenveld of als gevolg van de gasopslag Norg. Hierbij heeft het panel aangegeven dat deskundigen dit op een begrijpelijke en schriftelijke wijze dienen te motiveren.

5.3

De Hoge Raad heeft op 19 juli 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1278) antwoord gegeven op door de rechtbank Noord-Nederland gestelde prejudiciële vragen die onder meer zagen op de toepassing van het bewijsvermoeden. In dit kader heeft de Hoge Raad - onder meer - aangegeven dat indien is voldaan aan de vereisten voor toepassing van het vermoeden van artikel 6:177a, eerste lid, van het BW de exploitant dat vermoeden alleen dan met succes weerlegt als hij erin slaagt te bewijzen dat de schade niet is veroorzaakt door de aanleg of de exploitatie van het mijnbouwwerk. Hierbij heeft de Hoge Raad opgemerkt dat voor bewijs in het burgerlijk procesrecht niet is vereist dat de te bewijzen feiten en omstandigheden onomstotelijk komen vast te staan, maar dat voor bewijs kan volstaan dat de te bewijzen feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk worden.

5.4

In het bestreden besluit en in het verweerschrift heeft verweerder aangegeven dat

de schades aan de woning van eiser moeten worden aangemerkt als schades die redelijkerwijs het gevolg zouden kunnen zijn van bodembeweging door gaswinning in het Groningenveld. De rechtbank begrijpt hieruit dat niet in geschil is dat het bewijsvermoeden van toepassing is. Verweerder heeft aangegeven dat hij het bewijsvermoeden ontzenuwd acht (de rechtbank begrijpt dat verweerder bedoelt: weerlegd acht) indien er evident en aantoonbaar een andere uitsluitende oorzaak van de fysieke schade is aangewezen dan beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld. De termen 'evident en aantoonbaar' legt verweerder zo uit dat het bewijsvermoeden pas weerlegd is indien de deskundige met een voldoende grote mate van zekerheid een andere uitsluitende oorzaak van de schade kan aanwijzen. Hierbij heeft verweerder aangegeven dat het woord 'evident' inhoudt dat onder deskundigen geen redelijke twijfel bestaat over de aanwezigheid van dergelijke andere oorzaken en dat het woord 'aantoonbaar' impliceert dat in het concrete geval een of meer andere oorzaken dan mijnbouw kunnen worden aangetoond en dus (voor een ter zake deskundige) zichtbaar zijn op grond van bepaalde waarneembare kenmerken. Ten slotte heeft verweerder aangegeven dat het criterium niet aldus moet worden begrepen dat van de deskundige kan worden verlangd dat hij met een natuurwetenschappelijke zekerheid tot zijn conclusie is gekomen.

5.5

De rechtbank stelt vast dat verweerder het bewijsvermoeden in de praktijk zo toepast dat het bewijsvermoeden pas weerlegd is indien er voor de betreffende schade met een voldoende grote mate van zekerheid een andere uitsluitende oorzaak dan bodembeweging door gaswinning kan worden aangewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met het vaststellen van dit criterium - daargelaten de vraag of verweerder met dit criterium een strenger criterium hanteert dan de Hoge Raad - geen afbreuk gedaan aan de waarborg zoals deze door de Hoge Raad intussen is vastgelegd. Gelet hierop mocht verweerder daarom uitgaan van dit criterium.

5.6

De rechtbank overweegt voorts dat, indien en voor zover met het door verweerder gehanteerde criterium wellicht een hogere eis wordt gesteld aan het weerleggen van het bewijsvermoeden dan de door de Hoge Raad gegeven bewijsmaatstaf (zie 5.3), dit in het voordeel van eiser is. In het verweerschrift is aangegeven dat deze toepassing van het bewijsvermoeden een vaste gedragslijn is van verweerder en dat verweerder ook aan deze invulling gehouden mag worden. De rechtbank acht deze invulling van het bewijsvermoeden tegen de achtergrond van de onderhavige problematiek en de totstandkomingsgeschiedenis van het Besluit noch onjuist noch kennelijk onredelijk. De rechtbank zal het bestreden besluit op dit punt vol toetsen aan het criterium of verweerder met een voldoende grote mate van zekerheid een andere uitsluitende oorzaak dan bodembeweging door gaswinning heeft aangewezen.

5.7

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat er voor de deskundigen die schades opnemen een werkinstructie is opgesteld. In deze werkinstructie is aangegeven dat de deskundigen aan de hand van feiten en omstandigheden voor iedere afzonderlijke schade moeten aangeven of met een voldoende grote mate van zekerheid een andere uitsluitende oorzaak van de schade valt aan te wijzen. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat verweerder de door haar ingeschakelde deskundigen schades laat opnemen waarbij de deskundigen het door verweerder toegepaste criterium dienen te hanteren.

5.8

Verweerder heeft zich laten adviseren door deskundige R. Lubbers van adviesbureau 10BE. Lubbers is op 11 juni 2019 bij de woning van eiser geweest om de negenentwintig door eiser gemelde schades te beoordelen. Op 8 juli 2019 heeft Lubbers een adviesrapport uitgebracht. In dit adviesrapport heeft Lubbers per schade toegelicht of de betreffende schade al dan niet is veroorzaakt en/of verergerd door mijnbouw. Daarnaast zijn in het adviesrapport van iedere schade foto's opgenomen. Lubbers concludeert dat dertien schades niet zijn veroorzaakt en/of verergerd door mijnbouw. Voor al deze schades heeft hij aangeven wat de oorzaak is van de schade, zoals het condenseren van vocht aan de binnenzijde van de ruit, vorst en mechanische schade, verzanden en uitvallen van voegwerk door veroudering en dergelijke(n). Met betrekking tot de overige zestien schades heeft Lubbers aangegeven dat deze wel zijn veroorzaakt en/of verergerd door mijnbouw, althans dat dit niet is uit te sluiten. Hierbij heeft Lubbers per schade de kosten van herstel begroot alsmede de herstelmethodiek bepaald en toegelicht.

5.9

Naar het oordeel van de rechtbank heeft Lubbers in het rapport van 8 juli 2019 voldoende inzichtelijk onderbouwd waarom hij voor dertien schades een andere uitsluitende oorzaak dan bodembeweging door gaswinning in het Groningenveld aangewezen acht en mocht verweerder bij het nemen van het bestreden besluit daarvan uitgaan. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaronder de uitspraak van 18 december 2019, (ECLI:NL:RVS:2019:4250), mag een bestuursorgaan, indien in een advies van een door dat bestuursorgaan benoemde deskundige op objectieve en onpartijdige wijze verslag is gedaan van het door de deskundige verrichte onderzoek en daarin op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, bij het nemen van een besluit van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht.

5.10

Bij haar beoordeling overweegt de rechtbank allereerst dat - anders dan eiser voor ogen staat - voor het weerleggen van het bewijsvermoeden niet vereist is dat met 100% (natuurwetenschappelijke) zekerheid komt vast te staan dat de betreffende schade is veroorzaakt door deze andere uitsluitende oorzaak. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voor het beoordelen of sprake is van een andere uitsluitende oorzaak terecht een deskundige heeft ingeschakeld.

5.11

Vervolgens stelt de rechtbank vast dat Lubbers de schades heeft beoordeeld aan de hand van het door verweerder vastgestelde criterium, namelijk dat het bewijsvermoeden pas weerlegd is indien met voldoende mate van zekerheid een andere uitsluitende oorzaak dan bodembeweging door gaswinning aangewezen kan worden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Lubbers met zijn uitgebreide motivering per schade in het rapport van 8 juli 2019 toereikend onderbouwd dat voor dertien schades (namelijk de schades 3, 8, 9, 12, 19, 20, 21, 23, 24, 25, 26, 27 en 28) er met een voldoende mate van zekerheid een andere uitsluitende oorzaak is aangewezen. Dat daarbij het oordeel van de deskundige niet alleen is gebaseerd op een logische argumentatie, maar mede op de deskundigheid en daarmee de autoriteit van de deskundige, doet daaraan niet af.

Eiser heeft, afgezien van de algemene grond dat er onvoldoende zekerheid is verkregen omtrent de weerlegging van het bewijsvermoeden, geen specifieke aanknopingspunten tegen de juistheid of volledigheid van de bevindingen van Lubbers aangedragen. Eiser heeft ook geen tegenrapport ingediend. Ook uit de bespreking ter zitting van een tweetal schades, te weten schade 3 en schade 25, waarbij de door eiser ter zitting meegebrachte deskundige een aantal kritische kanttekeningen bij het rapport van Lubbers heeft gezet, ziet de rechtbank - mede gelet op de reactie daarop door de ter zitting meegenomen deskundigen van verweerder - geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het rapport van Lubbers. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank bij het nemen van het bestreden besluit terecht op dit rapport beroepen. Naar het oordeel van de rechtbank is met dit rapport bewezen dat de genoemde schades niet zijn veroorzaakt door de aanleg of de exploitatie van het mijnbouwwerk.

5.12

Gelet op al het bovenstaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het rapport van Lubbers gebaseerd en is verweerder terecht en op goede gronden tot de conclusie gekomen dat voor dertien van de negentwintig door eiser geclaimde schades het bewijsvermoeden weerlegd is nu voor deze schades een andere uitsluitende oorzaak dan bodembeweging door mijnbouwactiviteiten is aangewezen. Deze schades komen derhalve niet voor vergoeding in aanmerking. De gronden van eiser ten aanzien van de toepassing van het bewijsvermoeden kunnen daarom niet tot een gegrond beroep leiden.

Inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit: de hoogte van de schadevergoeding

6. Eiser is het niet eens met de door verweerder gekozen herstelmethode(s) en de daarvoor vastgestelde herstelkosten van de wel als mijnbouwschade erkende schades. Hij is van mening dat de gekozen wijze van herstel van de schades en de hoogte van de herstelkosten ontoereikend zijn om de veroorzaakte schade te herstellen. Hierbij heeft eiser aangegeven dat verweerder bij het calculeren van de herstelkosten niet is uitgegaan van ruimhartig, duurzaam en vakkundig herstel en dat de door Lubbers voorgestelde herstelmethoden puur optisch zijn.

6.1

Verweerder heeft aangegeven dat de door hem ingeschakelde deskundigen gezamenlijk één uniform calculatiemodel hebben opgesteld met gebruikmaking waarvan de herstelkosten worden begroot. Dit calculatiemodel is onafhankelijk gevalideerd op marktconformiteit en ruimhartigheid, waarbij het model ook in de praktijk is beproefd. Vervolgens heeft verweerder aangegeven dat het uitgangspunt bij de begroting van (vermogens)schade is dat degene die schade heeft geleden zoveel als mogelijk moet worden teruggebracht in de toestand waarin hij zou hebben verkeerd als de schadeveroorzakende gebeurtenis zich niet zou hebben voorgedaan. Lubbers heeft per schadepost een toelichting gegeven op de herstelmethode en uiteengezet welke kosten zijn gemoeid met het herstel van de schade. Hierbij heeft Lubbers gebruik gemaakt van het calculatiemodel.

6.2

Naar het oordeel van de rechtbank kan hetgeen eiser heeft aangedragen niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Verweerder heeft zich bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding voor wat betreft de wijze van herstel op het deskundigenoordeel van Lubbers gebaseerd. Eiser heeft zijn betwisting van dit deskundigenbericht naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende deugdelijk onderbouwd. In hetgeen door eiser is aangevoerd ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de gekozen herstelmethodes slechts zouden resulteren in optisch herstel. Voor wat betreft de hoogte van de herstelkosten zoals die door Lubbers zijn begroot, ziet de rechtbank in hetgeen door eiser is aangevoerd ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat die kosten onjuist zijn vastgesteld. Deze gronden kunnen daarom niet tot een gegrond beroep leiden.

7. In het verweerschrift heeft verweerder aangegeven dat per abuis geen herstelmethodiek of schadebegroting voor schadepost 29 is opgenomen. Nu deze schadepost wel voor vergoeding in aanmerking komt heeft verweerder deskundige Lubbers alsnog gevraagd om het herstel van deze schade te begroten. Lubbers heeft de schade begroot op

€ 383,77. Hierbij heeft Lubbers aangegeven dat als herstelmethode is geadviseerd om nieuw voegwerk uit te brengen, gebruikmakend van normale mortel.

7.1

Hieruit blijkt dat de schadevergoeding in het bestreden besluit op een te laag bedrag is vastgesteld. De rechtbank zal daarom het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover daarin is bepaald dat aan eiser een schadevergoeding van in totaal € 6.413,43 wordt toegekend.

7.2

De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door de aan eiser toe te kennen schadevergoeding voor de kosten van herstel ten bedrage van € 6.288,97 te vermeerderen met de schadebegroting van schadepost 29 zijnde € 383,77. De rechtbank stelt de schadevergoeding daarmee vast op

€ 6.672,74, vermeerderd met wettelijke rente. Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit.

Proceskostenveroordeling

8. Omdat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

8.1

Met toepassing van artikel 8:75 van de Awb veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten in beroep. De kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vastgesteld.

8.2

Op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb ziet de rechtbank allereerst aanleiding om de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand te vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,-- (één punt voor het indienen van het beroepschrift, één punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van

€ 525,-- en een wegingsfactor 1).

8.3

Op grond van artikel 1, aanhef en onder c, van het Bpb ziet de rechtbank daarnaast aanleiding om de door eiser gemaakte reiskosten te vergoeden. In artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van Bpb is voor de vergoeding van reiskosten artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 van overeenkomstige toepassing verklaard. Deze bepaling schrijft de volgende tarieven voor: reiskosten per openbaar vervoer laagste klasse dan wel een kilometervergoeding van € 0,28 per km als openbaar vervoer niet (voldoende) mogelijk is. De reiskosten van eiser stelt de rechtbank, op de voet van het Bpb vast op

€ 19,26. Hierbij is uitgegaan van een kilometervergoeding van € 0,28 per kilometer, nu vanaf het adres van eiser reizen met openbaar vervoer naar de rechtbank niet voldoende mogelijk is.

8.4

Ter zitting is door eiser een factuur van de door hem ingeschakelde deskundige overgelegd. Deze factuur heeft betrekking op het door de deskundige bijwonen van de zitting op 11 februari 2020 en zijn reiskosten naar deze zitting. Deze kosten komen, naar het oordeel van de rechtbank, niet voor vergoeding in aanmerking. Hiertoe overweegt de rechtbank dat eiser niet overeenkomstig artikel 8:60, vierde lid, van de Awb uiterlijk tien dagen voor de dag van de zitting mededeling heeft gedaan dat hij een deskundige naar de zitting meebrengt.

8.5

Gelet op het bovenstaande komt in totaal een bedrag van € 1.069,26 aan proceskosten voor vergoeding in aanmerking.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin de hoogte van de schadevergoeding is vastgesteld op € 6.413,43;

- bepaalt dat de aan eiser toe te kennen schadevergoeding € 6.672,74 bedraagt, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,-- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.069,26.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.L. Vucsán, voorzitter, en mr. J.W. Keuning en

mr. S.M. Schothorst, leden, in aanwezigheid van mr. S.I. Havinga, griffier.

De beslissing is gedaan op 18 mei 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier De rechter

(De griffier is buiten staat de

uitspraak te ondertekenen)

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.