Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:1927

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-05-2020
Datum publicatie
25-05-2020
Zaaknummer
LEE 19/3337
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing van een verzoek om vergoeding van planschade, die zou zijn ontstaan door de weigering van een omgevingsvergunning voor het dempen van een sloot. Onvoldoende gemotiveerd waarom is afgeweken van advies bezwaarschriftencommissie. Verweerder heeft onjuiste maatstaf aangelegd voor de berekening van de schadevergoeding. Onvoldoende onderbouwing van de kosten van het dempen van de sloot. Onvoldoende gemotiveerd waarom er sprake is van een normale maatschappelijke ontwikkeling die een hoge aftrek op grond van het normaal maatschappelijk risico rechtvaardigt. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2020-0130
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 19/3337

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 mei 2020 in de zaak tussen

Kannes B.V., te Kantens, eiseres

(gemachtigde: mr. M.J.W. Boezelman),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Het Hogeland, verweerder

(gemachtigden: C. Groenewolt en S. van Roon).

Procesverloop

Bij besluit van 21 november 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verzoek om tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 6 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van het volgende.

1.1.

De gemeente Eemsmond maakt sinds 1 januari 2019 deel uit van de gemeente Het Hogeland. De rechtbank duidt in deze uitspraak het college van burgemeester en wethouders van de beide gemeenten aan als ‘verweerder’.

1.2.

De raad van de gemeente Eemsmond heeft op 17 september 1998 het bestemmingsplan Buitengebied 1998 vastgesteld. Onder de werking van dit bestemmingsplan was er geen omgevingsvergunning (aanlegvergunning) vereist voor het dempen van sloten.
De raad van de gemeente Eemsmond heeft op 17 februari 2010 het bestemmingsplan Buitengebied 2010 vastgesteld. In dit bestemmingsplan is een vergunningplicht opgenomen voor het dempen van sloten.

1.3.

Eiseres heeft verweerder op 16 december 2014 verzocht om een omgevingsvergunning te verlenen voor het dempen van twee sloten, zodat hij vier percelen grond zou kunnen samenvoegen tot twee percelen. Verweerder heeft op 6 februari 2015 besloten om de aanvraag af te wijzen. Dit besluit is op 9 februari 2015 verzonden en op 10 februari 2015 in werking getreden.

1.4.

Eiseres heeft verweerder op 7 december 2015 verzocht om vergoeding van planschade. Verweerder heeft Anteagroup (Antea) als deskundige aangewezen om advies uit te brengen over de aanvraag. Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek afgewezen omdat de omvang van het nadeel met 1,5% beperkt is en volgens verweerder geheel tot het normaal maatschappelijk risico van eiser behoort. Daarbij heeft verweerder opgemerkt dat hij het advies van Antea en alle daaraan ten grondslag liggende overwegingen tot de zijne heeft gemaakt.

1.5.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. De commissie voor bezwaar- en beroepschriften (de commissie) heeft verweerder geadviseerd om het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit gegrond te verklaren en het bestreden besluit te herroepen.

De commissie heeft geoordeeld dat in het eerste rapport van Antea ten onrechte geen rekening wordt gehouden met het verschil in waarde tussen grote en kleine percelen. Ook wordt in het rapport volgens de commissie geen onderbouwing gegeven van de waarde die de grond, bedoeld voor demping van de sloot, vertegenwoordigt. In zoverre is de commissie reeds daarom van oordeel dat het bestreden besluit moet worden herroepen. Verweerder heeft Antea op beide punten om nader advies gevraagd. De commissie heeft vastgesteld dat na het nadere advies niet meer in geschil is dat kleinere percelen minder waard zijn per vierkante meter dan grotere percelen. Nog wel in geschil is welke oppervlakte daarvoor maatgevend is. Ook de waardering van de schade is nog in geschil. De commissie heeft vastgesteld dat het nadeel dat eiser ondervindt als gevolg van de planologische wijziging nog altijd niet overtuigend aannemelijk was gemaakt door de rapportages van Antea. Niet in geschil is volgens de commissie dat het nadeel dat eiser lijdt moet worden berekend over 121.352 m². De bandbreedte van de schade varieert naar het oordeel van de commissie van € 3.640,56 als wordt uitgegaan van bouwland (€ 0,03 maal 121.352 m²) tot € 76.451,76, indien wordt uitgegaan van grasland (€ 0,63 maal 121.352 m²). De commissie heeft verweerder, om het voortslepende geschil tot een einde te brengen, geadviseerd om uit te gaan van het waardeverlies van € 0,63 per m² omdat eiser zijn land ook als grasland had kunnen verkopen en dan met dit verlies aan waarde was geconfronteerd. Zij heeft verweerder geadviseerd om de planschade vast te stellen op de schatting van het planologisch nadeel van € 0,63 per m² en daarbij de kosten die in mindering worden gebracht voor het dempen van de sloot nader te onderbouwen. De commissie heeft overwogen dat daarbij moet worden uitgegaan van een min of meer objectieve waardebepaling waarbij grondwerkzaamheden door derden zullen worden uitgevoerd. Alleen als nadere onderbouwing van deze kostenpost kan plaatsvinden, kan deze volgens de commissie in mindering worden gebracht op het planologisch nadeel dat eiseres ondervindt.

1.6.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder in afwijking van het advies van de commissie het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het advies van Antea van 30 juni 2017 zorgvuldig tot stand is gekomen en dat hij op basis van dat advies terecht heeft besloten om de aanvraag af te wijzen. Verweerder heeft daarbij opgemerkt dat hij in het primaire besluit heeft nagelaten om te vermelden dat Antea in haar advies expliciet twee redenen heeft vermeld waarom het planschadeverzoek moet worden afgewezen: voorzienbaarheid (passieve risicoaanvaarding) en het normaal maatschappelijk risico.

Voorzienbaarheid

2. Door verweerder is ter zitting aangegeven dat aan eiser de passieve risico-aanvaarding niet langer zal worden tegengeworpen. Deze beroepsgrond behoeft daarom geen bespreking meer maar heeft wel tot gevolg dat het beroep van eiser in ieder geval gegrond is.

Motivering bestreden besluit

3. Eiseres voert aan dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 7:12, eerste lid en 7:13, zevende lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder had moeten motiveren waarom het advies van Antea zorgvuldig tot stand is gekomen, omdat de commissie concludeert dat het planologisch nadeel van eiseres niet overtuigend aannemelijk is gemaakt in de rapportages van Antea. Verweerder verwijst naar voorzienbaarheid en de aard van het maatschappelijk risico als redenen om de aanvraag af te wijzen, maar gaat niet in op de aangevoerde bezwaargronden.

3.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de commissie had moeten beoordelen of het deskundigenadvies van Antea aan het bestreden besluit ten grondslag kon worden gelegd, maar dat de commissie zich daarover niet heeft uitgelaten. In plaats daarvan stelt de commissie zelfstandig vast -zonder daartoe bevoegd of deskundig te zijn- dat er sprake is van planschade en creëert vervolgens een eigen kader om de omvang van de schade vast te stellen. Hierbij is ook van belang dat er geen deskundig tegenadvies is overgelegd. Het advies van de commissie is op een eigen beoordeling tot stand gekomen, waarbij zij op de stoel van de planschadedeskundige gaat zitten en de commissie is daarmee buiten de eigen bevoegdheid getreden. Dit alles maakt dat verweerder het advies van de commissie niet heeft kunnen opvolgen. Verder is in de procedure niet gebleken dat het advies van Antea onjuist tot stand is gekomen. Antea heeft tijdens de procedure meerdere malen haar standpunt verduidelijkt en heeft verweerder blijvend geadviseerd dat er geen sprake is van planschade. Laatstelijk in de memo van 7 december 2018 (onder punt 6).

3.2.

De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 7:13, zevende lid, Awb volgt dat verweerder moet motiveren waarom hij afwijkt van het advies van de bezwaarcommissie. De bezwaarcommissie heeft mede op basis van de vergewisplicht van verweerder (artikel 3:9 Awb) kritische kanttekeningen geplaatst bij het advies van Antea waarop verweerder zijn besluit heeft gebaseerd. Het ligt op de weg van verweerder om gemotiveerd aan te geven waarom de overwegingen van de commissie niet juist zijn. Het staat verweerder daarbij vrij om aanvullend advies te vragen wanneer hij daartoe gehouden is op grond van de plicht om zijn besluiten goed voor te bereiden (artikel 3:2 Awb). Op de commissie rust in dat verband geen plicht tot het laten opstellen van een tegenrapportage. Ook het verwijt dat verweerder aan de commissie maakt, namelijk dat zij als deskundige in planschadezaken optreedt, kan de rechtbank niet volgen. De commissie maakt kritische kanttekeningen op basis van de informatie die in het advies van Antea besloten ligt en reikt verweerder op basis daarvan argumenten aan die verweerder volgens de commissie onder ogen behoort te zien en die bijvoorbeeld in het kader van nadere advisering onderzocht zouden kunnen worden.

Nu verweerder niet inhoudelijk op het advies van verweerder is ingegaan is het bestreden besluit onvoldoende toereikend gemotiveerd (artikel 7:12, eerste lid, Awb) en dient het ook daarom te worden vernietigd.


Waardevermindering

4. Met betrekking tot de hoogte van de schade verwijst eiseres naar het advies van de commissie. Eiseres voert aan dat de commissie haar berekening geheel heeft gebaseerd op door Antea aangeleverde gegevens: het prijsverschil tussen grote en kleine percelen en de totale oppervlakte van de percelen. Het verbaast eiseres dan ook dat verweerder van mening is dat de commissie niet deskundig zou zijn om het schadebedrag vast te stellen. De conclusie van de commissie dat moet worden uitgegaan van het hoogste bedrag omdat eiseres haar land als grasland kan verkopen is in lijn met vaste jurisprudentie.

4.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat tijdens de bezwaarprocedure is afgesproken om uit te gaan van de waarde(vermindering) van bouwland. Uit de verkooptransacties die Antea heeft gebruikt, blijkt dat de markt voor akkerbouwpercelen anders is dan voor grasland. Daarom kunnen transacties voor grotere graslandpercelen niet gebruikt worden om te onderbouwen of er meer wordt betaald voor grotere akkerbouwpercelen. Omdat er in deze procedure wordt uitgegaan van akkerbouwpercelen is de conclusie dat er nauwelijks meer betaald wordt voor percelen groter dan 6 ha (€ 0,03 per m²).

4.2.

Niet in geschil is dat het nieuwe planologische regime in combinatie met de geweigerde aanlegvergunning voor eiseres een planologische verslechtering betekent die er uit bestaat dat eiseres de niet bewerkbare oppervlakte van de sloten niet geschikt kan maken voor gebruik als landbouwgrond en dat de wel bewerkbare landbouwgrond lastiger te bewerken is door de aanwezige sloten dan wanneer die sloten gedempt zouden zijn. Door Antea is de waarde van de grond getaxeerd voorafgaand aan de peildatum en daarna, waarbij met beide factoren rekening is gehouden.

Het geschil spitst zich in dit verband toe op de vraag welke vierkante meter prijs moet worden gehanteerd voor de betrokken percelen, de prijs voor bouwland of de prijs voor grasland. Daarbij dient te worden opgemerkt dat het getaxeerde verschil in de verkoopprijs per vierkante meter grasland aanmerkelijk hoger is dan het getaxeerde verschil per vierkante meter voor bouwland. Antea heeft dit prijsverschil respectievelijk berekend op € 0,63 en € 0,03.

De rechtbank is van oordeel dat de waardedaling dient te worden berekend aan de hand van het verschil tussen de verkoopprijs die een redelijk denkend koper en een redelijk denkend verkoper overeen zouden komen direct voorafgaand aan de planologische wijziging en vlak daarna. Niet in geschil is dat de verkoop als grasland aanmerkelijk meer zou opbrengen dan de verkoop als bouwland. Nu niet in geschil is dat het land planologisch gezien gebruikt mag worden als grasland, valt niet in te zien dat er een redelijk denkend verkoper zou zijn die het land als bouwland zou verkopen. In het advies van Antea zijn ook geen relevante bijzonderheden vermeld die tot een dergelijke wijze van verkoop aanleiding zouden kunnen geven. De enkele stelling van verweerder dat eiser daar ergens in de procedure in toegestemd zou hebben, acht de rechtbank, voor zover die stelling al rechtens relevant zou zijn, ontoereikend. Van een dergelijke vergaande concessie van eiser behoort een schriftelijk stuk te bestaan waaruit uitdrukkelijk blijkt dat eiser dit inderdaad heeft gewild en de consequenties daarvan ook onder ogen heeft gezien. Nu een dergelijk stuk niet in het dossier is aangetroffen en ook door verweerder niet kon worden overgelegd is de rechtbank van oordeel dat verweerder een onjuiste maatstaf heeft aangelegd voor de berekening van de schadevergoeding.

Ook deze grond treft doel en leidt tot een gegrond beroep.


Hoogte van de kosten voor het dempen van de sloot

5. Eiseres voert aan dat uit het rapport van Antea blijkt dat deze geen rekening heeft gehouden met het feit dat eiseres de sloot in eigen beheer kan dempen en geen grond hoeft in te kopen om de sloot te dempen en dat de kosten daardoor aanzienlijk lager zijn dan door Antea wordt gesteld. Uit het rapport wordt ook niet duidelijk waarom Antea van mening is dat verweerder hier geen rekening mee hoeft te houden. De commissie heeft vastgesteld dat in het rapport de prijs van schone grond en van grondwerkzaamheden niet nader zijn onderbouwd. Verweerder heeft de kosten van het dempen van de sloot niet aannemelijk gemaakt. Voor de berekening van de kosten verwijst eiseres naar haar bezwaarschrift.

5.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de situatie op de peildatum van belang is. De peildatum is 10 februari 2015. De aanvraag voor het dempen van de sloot is gedaan op 16 december 2014. De omgevingsvergunning voor de bouw van een ligboxenstal is aangevraagd op 18 september 2015 en verleend op 19 mei 2016. Dit is ruim na voornoemde peildatum. Op de peildatum was het nog niet bekend dat de uitkomende grond voor het dempen van de sloot gebruikt kon worden. Om die reden hoefde Antea in de taxatie geen rekening te houden met de uitkomende grond van de nieuwe ligboxenstal.

5.2.

Op grond van artikel 6, zesde lid, van de Wro, wordt schade als gevolg van een bepaling als bedoeld in artikel 3.3 eerst vastgesteld op grond van een krachtens die bepaling genomen besluit. De bepaling uit het vigerende bestemmingsplan die het dempen van sloten vergunningplichtig maakt, is een bepaling als bedoeld in artikel 3.3 van de Wro. De peildatum is daarom 10 februari 2015 (de dag waarop het besluit tot weigering van de omgevingsvergunning in werking is getreden).

Net zoals de vaststelling van het verschil in waarde van de grond voor en na de planologische wijziging gebeurt aan de hand van een hypothetische verkoop op de peildatum dienen ook de kosten die gemoeid zijn met het geschikt maken van die grond voor gebruik als grasland te worden berekend aan de hand van de hypothetische kosten die met dat werk op de peildatum gemoeid zijn. Daarbij dient te worden bedacht dat deze kosten nauw verbonden zijn met de bedoelde verkoop. Indien immers de werkzaamheden nog niet zouden zijn verricht op de peildatum dan zouden een redelijk handelende koper en verkoper deze kosten in mindering op de koopprijs hebben gebracht.

Door eiseres is gesteld dat zij de benodigde werkzaamheden zelf zou kunnen uitvoeren tegen aanzienlijk lagere kosten zodat deze niet of nauwelijks op de schadevergoeding in mindering gebracht zouden hoeven worden.

De rechtbank stelt vast dat eiseres deze werkzaamheden niet op die wijze zou hebben kunnen voltooien voor de peildatum. Daarbij speelt het feit dat de planologische wijziging hieraan in de weg zou hebben gestaan geen rol omdat die voor de berekening van de schadevergoeding moet worden weggedacht. Wel is van belang dat de grond die eiser hiervoor had willen gebruiken ten tijde van de peildatum nog niet beschikbaar was omdat eiseres geen vergunning had op basis waarvan hij over deze grond kon beschikken. Eiseres had daarom ten tijde van de peildatum de werkzaamheden nog niet kunnen realiseren en daarmee ook niet de verkoopprijs zonder aftrek van de kosten van het dempen van de sloten kunnen realiseren. Het enkele feit dat eiseres wellicht na de peildatum de sloten kan dempen tegen lagere kosten doet hier niet aan af. Deze beroepsgrond treft geen doel.

Met de commissie is de rechtbank wel van oordeel dat de prijs van de grond die voor het dempen van de sloten benodigd is, door Antea onvoldoende onderbouwd is. De enkele navraag bij een collega voldoet niet aan de eis van controleerbaarheid die aan een deskundigenadvies behoort te worden gesteld. Deze beroepsgrond treft wel doel.


Normaal maatschappelijk risico

6. Eiseres bestrijdt dat de schade tot het normaal maatschappelijk risico behoort. Op basis van de door verweerder aangehaalde stukken was het voor eiseres geenszins te verwachten dat dit gevolgen zou hebben voor de mogelijkheid om sloten te dempen. Ook hetgeen Antea hierover heeft aangevoerd is ronduit vaag te noemen. Zij spreekt van een (inter)nationale ontwikkeling waarin de belangen van archeologie en cultuurhistorie moeten worden beschermd, dit kan op werkelijk alles betrekking hebben. Verweerder had ook moeten bezien of de schade die een normale maatschappelijke ontwikkeling tot gevolg heeft voor eiseres onevenredig uitpakt. Eiseres meent dat dit het geval is. Zij betwist in dat kader de hoogte van de schade die Antea heeft berekend en verwijst daarbij naar het advies van de commissie.

6.1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een middeleeuwse verkaveling en dat in dat verband dient te worden opgemerkt dat de gronden in het bestemmingsplan Buitengebied 1998 de bestemming “Landelijk gebied I” kenden. Zij waren daarom bestemd voor behoud en herstel van de landelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden en voor sociaal economische doeleinden. Een nadere invulling van de landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden ontbrak (ter plaatse van de desbetreffende gronden). Bescherming van de cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplan zijn te beschouwen als een normale maatschappelijke ontwikkeling. De bescherming van deze waarden vindt plaats door opneming van gebruiksregels van een bestemming, al dan niet in combinatie met een (aanleg-)vergunningstelsel. In dat licht lag het opnemen van een aanlegvergunningstelsel en de uiteindelijke weigering van de omgevingsvergunning voor het dempen van sloten, in de lijn der verwachtingen. Verder is het zo dat - als gevolg van het beleid Modernisering Monumentenzorg - per 1 januari 2012 in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.6.1.) is bepaald dat gemeenten verplicht zijn cultuurhistorie mee te wegen bij het opstellen van het bestemmingsplan. Niet alleen de cultuurhistorische waarden in de grond (archeologie), maar ook boven de grond moeten meegenomen worden. Gelet hierop diende eiser ten minste vanaf 1 januari 2012 rekening te houden met een wijziging van het bestemmingsplan ten aanzien van de bescherming van de middeleeuwse verkaveling. Gelet op het feit dat Antea van mening blijft dat het nadeel en de bijbehorende waardedaling van de percelen beperkt is, is de waardedaling te beschouwen als een schade die niet uitkomt boven de financiële nadelen die behoren tot het normaal maatschappelijk risico.

6.2.

Een normale maatschappelijke ontwikkeling is een maatschappelijke ontwikkeling die in de lijn der verwachtingen ligt. Zo ligt het, gezien de demografische ontwikkelingen, veelal in de lijn der verwachtingen dat steden en dorpen uitbreiden en dat dit gebeurt in de nabijheid van reeds bestaande bebouwing. Een dergelijke duidelijke causale relatie is ten aanzien van de bescherming van een middeleeuwse verkavelingsstructuur niet vast te stellen. Of iets beschermingswaardig is hangt af van de algemeen geaccepteerde maatschappelijke opvattingen daarover. De bescherming van de middeleeuwse verkavelingsstructuur in dit deel van de gemeente Het Hogeland is, voor zover de rechtbank kan overzien, geen onderwerp geweest van een indringende maatschappelijke discussie en maakt geen deel uit van een algemeen maatschappelijk gevoelen. Stukken die het bestaan van een dergelijk gevoelen zouden kunnen onderbouwen heeft de rechtbank niet in het dossier aangetroffen.

Een andere mogelijkheid is dat de veranderende opvattingen over de beschermingswaardigheid zijn neergelegd in voor eiseres kenbare stukken waaruit kan worden afgeleid dat de verkavelingsstructuur in het gebied intussen als beschermingswaardig dient te worden aangemerkt. Het kan dan vervolgens een normale maatschappelijke ontwikkeling zijn dat die verkavelingsstructuur dan ook wordt beschermd. Het enkele feit dat in het voorafgaande bestemmingsplan ook reeds cultuurhistorische waarden werden beschermd biedt daarvoor geen afdoend aanknopingspunt nu daaruit niet valt af te leiden dat die bescherming ook zag op de middeleeuwse verkavelingsstructuur. Ook uit het feit dat het Besluit ruimtelijke ordening sinds 2012 voorschrijft dat het bevoegd gezag bij het opstellen van het bestemmingsplan daarbij voorschrijft op welke wijze met de cultuurhistorische waarden rekening is gehouden, volgt niet dat de gemeenteraad in deze tot het oordeel zou komen dat de middeleeuwse verkavelingsstructuur voor zover deze nog aanwezig is, beschermingswaardig zou zijn. Ook het POP, dat in deze context het betrokken gebied juist niet heeft aangewezen als beschermingswaardig maar het aangrenzende gebied wel, biedt daarvoor geen aanknopingspunt.

De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder met een verwijzing naar het rapport van Antea onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hier sprake is van een normale maatschappelijke ontwikkeling die een hoge aftrek op grond van het normaal maatschappelijk risico rechtvaardigt. De rechtbank merkt daarbij op dat nu de hoogte van de schade nog niet vaststaat verweerder zich nog een oordeel zal moeten vormen over de vraag of die schade onevenredig is in verhouding tot de waarde van de onroerende zaak of niet.

Nu verweerder het besluit ten aanzien van het normaal maatschappelijk risico onvoldoende heeft gemotiveerd treft ook deze beroepsgrond doel.

7. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder dient opnieuw op de bezwaren van eiseres te beslissen. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien nu het nieuwe door verweerder te nemen besluit op bezwaar nog nader onderzoek en een nadere afweging vereist.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.362,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen 9 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345,00 aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2362,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.L. Vucsán, rechter, in aanwezigheid van

mr. T.C.A. Hofman-Aupers, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 18 mei 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

De griffier is buiten staat

om de uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.