Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:1790

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
01-05-2020
Datum publicatie
01-05-2020
Zaaknummer
LEE 20/961
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning verleend voor wijzigen monumentaal pand van kantoorgebouw in appartementencomplex. de weigeringsgrond van strijd met redelijke eisen van welstand doet zich niet voor en het belang van monumentenzorg verzet zich niet tegen verlening van de vergunning. In redelijkheid heeft verweerder vergunning kunnen geven voor gebruik afwijkend van het bestemmingsplan. Geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 20/961

uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 mei 2020 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

Stichting Vlietvaardig, te Leeuwarden, verzoekster

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden, verweerder

(gemachtigde: H. Helbig).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [belanghebbende], te Groningen (gemachtigde: [gemachtigde 2] ).

Procesverloop

Bij besluit van 15 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan derde-partij een omgevingsvergunning verleend, betreffende de locatie [adres] te Leeuwarden, voor de activiteiten het bouwen van een bouwwerk, het wijzigen van een beschermd monument en het gebruik van gronden/bouwwerken strijdig met het bestemmingsplan.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Om redenen van volksgezondheid en bij wijze van uitzondering heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) besloten om uitspraak te doen zonder het houden van een zitting.

Overwegingen

1. Op www.rechtspraak.nl heeft de Rechtspraak een overzicht gegeven van urgente zaken, die in afwijking van het besluit om de gerechten te sluiten in verband met de Corona-maatregelen, wel op zitting worden behandeld. Voor reguliere bestuursrechtzaken geldt dat alleen de voorlopige voorzieningen (alleen in geval van “superspoed”) doorgaan. Daarvoor geldt dat de behandeling zoveel mogelijk schriftelijk gebeurt. Alleen in uitzonderlijke gevallen is een fysieke zitting in de rechtbank mogelijk.

2. De voorzieningenrechter oordeelt dat niet is gebleken van een dergelijk uitzonderlijk geval. De gedingstukken bevatten een uitvoerige motivering van de besluitvorming, beroepschrift en verzoekschrift en partijen hebben op elkaars standpunten gereageerd.

3. Daarmee acht de voorzieningenrechter zich voldoende geïnformeerd en bepaalt dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

4. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een bodemgeding niet. Omdat geen zitting is gehouden, is uitspraak doen in de hoofdzaak, als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb, niet aan de orde.

5. Verzoekster en enkele natuurlijke personen, onder wie [gemachtigde 1] , hebben een gezamenlijke zienswijze, gedateerd 17 november 2019, over het ontwerpbesluit ingediend. Verzoekster heeft, blijkens de stukken, Den Dulk gemachtigd om beroep in te stellen en een verzoek in te dienen. Aan de wettelijke vereisten voor de ontvankelijkheid van het verzoekschrift is, anders dan door de derde partij is betoogd, voldaan.

6.1.

Verzoekster wijst erop dat het bestreden besluit vermeldt dat de omgevingsvergunning buiten werking blijft als tijdig beroep wordt ingesteld, maar dat verweerders behandelend ambtenaar later heeft bericht dat deze passage onjuist is en dat het instellen van beroep geen schorsende werking heeft.

6.2.

De voorzieningenrechter overweegt enerzijds dat verweerder terecht heeft gesteld dat genoemde passage onjuist is en anderzijds dat deze onjuistheid er niet in de weg aan heeft gestaan dat verzoekster de geëigende rechtsmiddelen heeft ingesteld. De belangen van verzoekster zijn daarom niet geschaad. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding aan de onjuiste passage gevolgen te verbinden.

6.3.

Voor zover verzoekster beoogt te stellen dat sprake is van ernstige procedurele onzorgvuldigheden, overweegt de voorzieningenrechter dat niet blijkt dat verweerder de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van Afdeling 3.4 van de Awb niet correct heeft toegepast of dat anderszins de belangen van een belanghebbende zijn geschonden. Dat de aan deze procedure voorafgaande informele inloopbijeenkomst niet bij verzoekster bekend was, doet daaraan niet af.

7. De toepasselijke artikelen van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

8.1.

Verzoekster stelt dat de vergunningverlening zich niet verdraagt met de redelijke eisen van welstand en het belang van de monumentenzorg.

8.2.

In het advies van 5 april 2019 heeft de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geconcludeerd dat het bouwplan voldoet aan de eisen voor monumentenzorg. Het RCE heeft positief geadviseerd, met daarbij het advies speciale aandacht aan enkele aspecten te besteden.

8.3.

De Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit heeft in haar brief van 15 april 2019 geoordeeld dat het plan voldoet aan de normen ten aanzien van monumentenzorg en welstand. Volgens deze commissie worden de monumentale waarden van het pand in voldoende mate gerespecteerd en voldoet het plan aan de door de gemeenteraad vastgestelde welstandscriteria.

8.4.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder de adviezen als deugdelijk kunnen aanmerken en de besluitvorming kunnen baseren op deze adviezen. Van belang is dat verweerder naar aanleiding van het advies van de RCE voorschriften aan de omgevingsvergunning heeft verbonden. Dat de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit abusievelijk spreekt over 9 in plaats van 15 appartementen, is voor de welstandstoets niet relevant. De uiterlijke verschijningsvorm van het pand is beoordeeld aan de hand van de bouwtekeningen.

8.5.

De voorzieningenrechter oordeelt daarom dat verweerder terecht het standpunt heeft ingenomen dat de weigeringsgrond van strijd met redelijke eisen van welstand (artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo) zich niet voordoet en dat het belang van monumentenzorg (artikel 2.15 van de Wabo) zich niet verzet tegen verlening van de omgevingsvergunning.

9.1.

Het voorgenomen gebruik van de gronden en bouwwerken is in strijd met het bestemmingsplan. Uit artikel 2.12 van de Wabo volgt (in dit geval) dat verlening van een omgevingsvergunning alleen mogelijk is met een goede ruimtelijke onderbouwing en als het een geval betreft als genoemd in het Bor. Voorts volgt uit de wettekst dat verweerder een discretionaire bevoegdheid heeft om te beoordelen of de het bouwplan vergund dient te worden. Het gebruik van deze discretionaire bevoegdheid wordt door de bestuursrechter terughoudend getoetst.

9.2.

De voorzieningenrechter stelt vast dat zich in dit geval de situatie van artikel 4, aanhef en negende lid, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht voordoet omdat het bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroot worden.

9.3.

Daarnaast is afwijking van het bestemmingsplan alleen mogelijk als er geen strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het bestreden besluit (en bijlagen) heeft verweerder hiertoe, samengevat, overwogen dat de realisatie van 15 ruime huurwoningen in een monumentaal pakhuis voldoet aan het gemeentelijk woonbeleid en dat dit ook past in het beleid om incourante kantoorpanden te transformeren naar andere passende functies. De nieuwe woonfunctie sluit goed aan bij de overige functies in het gebied. De monumentale waarden van Oostersingel 62 worden voldoende gerespecteerd en er zijn afdoende akoestische maatregelen getroffen. Er is geen sprake van kamerverhuur zodat daarmee samenhangende overlast niet valt te verwachten. Bewoning door studenten of, via een zorginstelling, door probleemjongeren zal niet aan de orde zijn.

De functiewijziging leidt ertoe dat de theoretische parkeerbehoefte met vijf parkeerplaatsen afneemt. Met derde-partij is afgesproken dat maximaal vier parkeerontheffingen zullen worden verstrekt. Het parkeerterrein achter het pand zal beschikbaar komen voor de buurt.

9.4.

Verzoekster stelt dat te verwachten is dat zich in de appartementen personen zullen vestigen die geen positief effect op de omgeving zullen hebben. De voorzieningenrechter overweegt dat het ombouwen van een kantoorpand tot een appartementencomplex niet in het algemeen tot een slechter woonklimaat voor de omwonenden leidt. Voorts valt niet in te zien waarom in dit geval de herinrichting van het pand met nieuwe en zelfstandige huurappartementen, waarvoor een marktconforme huurprijs moet worden betaald, tot achteruitgang van de buurt zal leiden.

9.5.

De voorzieningenrechter ziet ook voor het overige geen aanleiding om de onderbouwing door verweerder, onder meer over conformiteit met beleid en de toekomstige parkeersituatie, ondeugdelijk te achten. Dit leidt tot het voorlopige oordeel dat er geen strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

9.6.

Verzoekster stelt dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte de uitstoot van stikstof niet heeft betrokken. De voorzieningenrechter volgt verzoekster niet in dit betoog. Verweerder heeft zich gebaseerd op de conclusie in het rapport van Rho dat er geen significante toename van stikstofdepositie op de dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden (Alde Feanen) zal plaatsvinden. De stikstofuitstoot is dus wel degelijk beoordeeld. Verzoekster heeft niet gemotiveerd bestreden dat de conclusie niet juist is.

9.7.

Voor zover verzoekster betoogt dat in het bestreden besluit onvoldoende rekening is gehouden met de gevolgen voor de habitat van vleermuizen, stelt de voorzieningenrechter vast dat verweerder hiernaar onderzoeken heeft laten verrichten en op grond daarvan voorschriften aan de vergunning heeft verbonden. Niet is gebleken dat verweerder de Wet natuurbescherming niet juist heeft toegepast.

9.8.

Gezien het voorgaande oordeelt de voorzieningenrechter dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen grond is om niet tot vergunningverlening over te gaan.

10. Verzoekster stelt dat de appartementen niet voldoen aan de normen van het Bouwbesluit. Wat hiervan ook zij, deze bepalingen strekken niet tot bescherming van de belangen van verzoekster. Gezien het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb kan deze grond daarom niet slagen.

11. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter kent het bestreden besluit geen gebrek dat grond zou kunnen vormen voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan op 1 mei 2020 door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

BIJLAGE MET TOEPASSELIJKE WET- EN REGELGEVING

Artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bepaalt, voor zover van belang, het volgende:

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

(…)

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan (…),

(…)

f. het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een rijksmonument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een rijksmonument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

Artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo luidt:

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

(…)

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend;.

Artikel 2.12 van de Wabo bepaalt, voor zover van belang, het volgende:

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a.indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

(…)

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

Artikel 2.15 van de Wabo luidt:

Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing op de aanvraag houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument.

Artikel 4, aanhef en negende lid, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht luidt, voor zover van belang, als volgt:

Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:

(…)

9. het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, (…);