Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:1785

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-04-2020
Datum publicatie
30-04-2020
Zaaknummer
LEE 19/1961
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing van verzoek om handhaving is besluit want verweerder heeft dienaangaande bevoegdheden. Eiseres is echter geen belanghebbende bij de bestreden afsluiting van vier parkeerplaatsen in het recreatiegebied in de nacht omdat het recreatiegebied 's nachts voor niemand toegankelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2020/278
JGROND 2020/134 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 19/1961

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 april 2020 in de zaak tussen

Stichting Platform Keelbos, te Nuth, eiseres

(gemachtigden: [gemachtigden] ),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Coevorden, verweerder

(gemachtigde: M.T. Derks).

Als derde partij heeft Staatsbosbeheer aan het geding deelgenomen (gemachtigden: mr. H. van den Burg en mr. G. Durville).

Procesverloop

Op 29 augustus 2016 heeft eiseres verweerder verzocht om handhavend op te treden met betrekking tot het deels onttrekken aan het openbare verkeer van vier parkeerplaatsen binnen het recreatieterrein De Kibbelkoele. Bij deze vier parkeerplaatsen zijn door derde partij onder de blauwe P-borden (E04) onderschriftborden geplaatst met de tekst “Verboden toegang van zonsondergang tot zonsopkomst, artikel 461 Wetboek van Strafrecht”. Volgens eiseres zijn de parkeerplaatsen op deze manier ten onrechte gedurende de nachtperiode afgesloten. Hiervoor hadden immers – aldus eiseres - verkeersbesluiten moeten worden genomen. Eiseres heeft verzocht de onderschriftborden te verwijderen.

Bij brief van 14 december 2018 heeft verweerder het door eiseres ingediende verzoek om handhaving afgewezen. Daarbij is aangegeven dat verweerder niet bevoegd is tot handhaven, omdat er geen sprake is van een overtreding; het is volgens verweerder aan Staatsbosbeheer om te reageren op het verzoek van eiseres om de verkeersborden te verwijderen.

Op 13 maart 2019 heeft de Bezwaarschriftencommissie Gemeente Coevorden (de Bezwaarschriftencommissie) een openbare hoorzitting gehouden.

Op 8 april 2019 heeft de Bezwaarschriftencommissie geadviseerd eiseres niet-ontvankelijk te verklaren in haar bezwaren.

Bij besluit van 17 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Volgens verweerder is de brief van 14 december 2018 namelijk geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), nu geen sprake is van enige publiekrechtelijke rechtsplicht en daaruit voortvloeiende bevoegdheid om handhavend op te treden.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 23 augustus 2019 een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft op 5 september 2019 aanvullende stukken aan de rechtbank doen toekomen.

Op 17 februari 2020 heeft verweerder foto’s toegezonden.

Op 19 februari 2020 heeft eiseres opnieuw aanvullende stukken aan de rechtbank doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2020. Namens eiseres zijn [gemachtigden] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door M.T. Derks. Namens Staatsbosbeheer zijn mr. H. van den Burg en mr. G. Durville verschenen.

Overwegingen

1. In het bestreden besluit van 17 april 2019 heeft verweerder zoals hiervoor reeds vermeld het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Volgens verweerder is de brief van 14 december 2018, waartegen het bezwaar is gericht, geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb.

2. De vraag die de rechtbank thans moet beantwoorden is of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de brief van 14 december 2018 geen besluit is.

3. Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb bepaalt het volgende:

“Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.”

4. Volgens vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL4154) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) moet een mededeling van een bestuursorgaan dat het in een bepaald geval niet bevoegd is het door verzoeker gewenste rechtsgevolg te bewerkstelligen in beginsel worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in de Awb, aangezien een dergelijke mededeling in ieder geval een beoordeling inhoudt aangaande de aanwezigheid en de reikwijdte van de door de aanvrager om een besluit veronderstelde bevoegdheid. Indien echter aan het bestuursorgaan waaraan het verzoek is gericht geen enkele bevoegdheid is toegekend in het kader van de uitvoering van de wettelijke regeling waarop het verzoek betrekking heeft en het ook geen bemoeienis heeft met aan andere bestuursorganen opgedragen uitvoering en handhaving van deze wettelijke regeling, is geen sprake van een besluit. Deze uitzondering is aan de orde indien ‘evident geen sprake is van enige publiekrechtelijke rechtsplicht en daaruit voortvloeiende bevoegdheid.’

5. Naar het oordeel van de rechtbank is van een evidentie als hiervoor bedoeld in dit geval geen sprake. Eiseres heeft als grondslag voor handhaving verwezen naar de Wegenwet, naar de Wegenverkeerswet en naar de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Coevorden. Niet in geschil is dat verweerder bevoegdheden heeft in het kader van die regelgeving, meer specifiek ook met betrekking tot het gebruik van wegen. Gelet hierop is de mededeling van verweerder dat hij niet bevoegd is handhavend op te treden in dit geval een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het bezwaar, zij het om andere redenen, wel terecht niet-ontvankelijk verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres namelijk geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb. De rechtbank zal hieronder uitleggen hoe zij tot dat oordeel is gekomen.

7. Artikel 1:2 van de Awb bepaalt het volgende:

“1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

(…)

3. Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.”

8. Ter zitting is door partijen toegelicht hoe de situatie precies is bij de parkeerplaatsen van recreatieterrein De Kibbelkoele. Het recreatieterrein is voor iedereen toegankelijk, bijvoorbeeld voor wandelaars, fietsers en ruiters. Er is geen speciale plek aangewezen die dient als homo-ontmoetingsplek. ’s Nachts is het hele gebied door middel van de onderschriftborden afgesloten. Op geen enkele parkeerplaats die toegang geeft tot het recreatiegebied mag geparkeerd worden. Ook bij de wandel-, fiets- en ruiterpaden is aangegeven dat deze ’s nachts niet mogen worden be(t)reden. Namens derde partij is te kennen gegeven dat het de bedoeling is om ’s nachts rust te creëren voor de fauna.

9. Om als belanghebbende te worden aangemerkt dient er sprake te zijn van een belang waarmee men zich in voldoende mate onderscheidt van anderen. De rechtbank is gelet op de beschrijving van de situatie zoals hiervoor onder 8 is weergegeven van oordeel dat eiseres zich niet in voldoende mate onderscheidt van anderen. Het plaatsen van de genoemde onderschriftborden heeft immers voor alle gebruikers van het recreatiegebied gevolgen doordat het gebied gedurende de nachtperiode niet meer toegankelijk is. Het plaatsen van de onderschriftborden heeft niet tot gevolg dat het bos (overdag) niet meer als homo-ontmoetingsplaats kan worden gebruikt. Eiseres is daarom met betrekking tot haar verzoek om handhaving niet aan te merken als belanghebbende. Haar verzoek om handhaving kan niet worden aangemerkt als een aanvraag en de afwijzing van haar verzoek niet als een besluit (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 maart 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AV6230, en de uitspraak van 20 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO1160). Het bezwaar is dus terecht niet-ontvankelijk verklaard.

11. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. L. Mulder, voorzitter, H.J. Bastin en M.M. van Driel, rechters, in aanwezigheid van mr. F.K. Heiting, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 28 april 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

de griffier is verhinderd de uitspraak voorzitter

te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.