Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:1706

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
14-04-2020
Datum publicatie
17-04-2020
Zaaknummer
LEE 19/2847
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen volstaan met het opleggen van de geurbeperkende maatregelen zoals deze zijn opgenomen in het bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2020-0092
Omgevingsvergunning in de praktijk 2020/8244
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling bestuursrecht

locatie Groningen

zaaknummer: LEE 19/2847

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. F. Postma),

en

het college van burgemeester en wethouders van Midden-Drenthe, verweerder

Als derde belanghebbende heeft [bedrijf], te [plaats] aan het geding deelgenomen (gemachtigde: [gemachtigde] )

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan [bedrijf] (vergunninghouder) enkele maatwerkvoorschriften opgelegd.

Bij besluit van 18 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 8 oktober 2019 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. S. van Gent, kantoorgenoot van de gemachtigde van eiser. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2] . Namens belanghebbende zijn [naam 3] en [naam 4] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde bovengenoemd.

Overwegingen

1. Bij de beoordeling van het onderhavige beroep neemt gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Aan vergunninghouder is bij besluit van 5 december 2017 een oprichtingsvergunning verleend voor het oprichten van een insectenkwekerij. De inrichting is opgericht om onderzoek te doen om te komen tot een beter productieproces. Deze inrichting is gevestigd op de locatie [straatnaam] te [plaats]. Later zal op een andere locatie een grootscheepse kwekerij worden opgericht.

1.2.

Sinds juli 2018 zijn klachten over geurhinder ingediend bij verweerder.

1.3.

Bij besluit van 20 januari 2019 heeft verweerder enkele maatwerkvoorschriften opgelegd om er voor te zorgen dat geurhinder zo veel mogelijk wordt voorkomen dan wel tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt. De voorschriften zijn:

  1. De kweek- en verwerkingsruimte(n) moeten gesloten zijn en door middel van afzuiging op onderdruk worden gehouden. De afgezogen lucht moet alvorens deze wordt geëmitteerd worden behandeld in een actief koolfilter van voldoende capaciteit. De werking van de koolfilters moet regelmatig worden gecontroleerd, verzadigde filters moeten worden vervangen. Tijdstippen van controle en vervanging moeten worden geregistreerd.

  2. Ramen en deuren in de kweek- en verwerkingsruimte(n) moeten, behoudens het openen voor het direct doorlaten van personen en/of goederen, gesloten zijn.

  3. Afval dat geurhinder veroorzaakt, moet worden opgeslagen in de verwerkingsruimte tot dit naar buiten de inrichting wordt afgevoerd.

1.4.

Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt; eiser is van mening dat verdergaande maatregelen noodzakelijk zijn.

1.5.

Op 21 februari 2019 is verweerder een onderzoek gestart naar de geursituatie door het plaatsen van een e-neus. In de rapportage daaromtrent heeft verweerder aangegeven dat dit onderzoek is gestart vanwege de klachten die over de geursituatie zijn gedaan en het feit dat vergunninghouder een koolstoffilter heeft geplaatst.

1.6.

Eiser is naar aanleiding van zijn bezwaar op 9 april 2019 gehoord door de Advies commissie bezwaarschriften gemeente Midden-Drenthe. De commissie heeft geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren.

1.7.

Onder overneming van het advies van de commissie heeft verweerder bij besluit van 18 juli 2019 het bezwaar ongegrond verklaard.

2.1.

Ingevolge artikel 2.30, eerste lid van de Wabo, voor zover relevant, beziet het bevoegd gezag, voor zover de omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, regelmatig of de voorschriften die aan een omgevingsvergunning zijn verbonden, nog toereikend zijn gezien de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.

Ingevolge artikel 2.31, eerste lid onder b van de Wabo wijzigt het bevoegd gezag voorschriften van de omgevingsvergunning: indien door toepassing van artikel 2.30, eerste lid, blijkt dat de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu veroorzaakt, gezien de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu, verder kunnen, of, gezien de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu, verder moeten worden beperkt.

In artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit is, voor zover elevant, het volgende neergelegd.

1. Indien bij een activiteit emissies naar de lucht plaatsvinden, wordt daarbij geurhinder bij geurgevoelige objecten voorkomen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is wordt de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau beperkt;

2.(…);

3. Bij het bepalen van een aanvaardbaar niveau van geurhinder wordt ten minste rekening gehouden met de volgende aspecten:

a. de bestaande toetsingskaders, waaronder lokaal geurbeleid;

b. de geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten;

c. de aard, omvang en waardering van de geur die vrijkomt bij de betreffende inrichting;

d. de historie van de betreffende inrichting en het klachtenpatroon met betrekking geurhinder;

e. de bestaande en verwachte geurhinder van de betreffende inrichting, en

f. de kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels in de inrichting.

4. Het bevoegd gezag kan, indien blijkt dat de geurhinder ter plaatse van een of meer geurgevoelige objecten een aanvaardbaar hinderniveau kan overschrijden, bij maatwerkvoorschrift:

a. (…);

b.(…), of

c. bepalen dat technische voorzieningen in de inrichting worden aangebracht of gedragsregels in de inrichting in acht worden genomen om de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken.

3. De rechtbank stelt voorop dat het in deze zaak niet gaat om het verlenen van een omgevingsvergunning of een verzoek om handhaving. Deze zaak heeft alleen betrekking op de door verweerder bij het besluit van 20 januari 2019 gestelde maatwerkvoorschriften.

3.1.

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 23 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1696) heeft verweerder beleidsruimte bij de beslissing om maatwerkvoorschriften te stellen. Indien wordt besloten tot het stellen daarvan, heeft verweerder een zekere beoordelingsruimte bij de vaststelling van wat nodig is ter bescherming van het milieu.

4.1.

Eiser heeft aangevoerd dat hij overlast ondervindt van vergunninghouder. Eiser geeft aan dat hij overlast ervaart door motjes die door een gat in de muur naar buiten komen.

4.2.

Omdat deze procedure alleen betrekking heeft op de vraag of verweerder in redelijkheid de maatwerkvoorschriften van het besluit van 20 januari 2019 kon stellen, valt de beroepsgrond van eiser dat hij last heeft van motjes buiten het bereik van deze procedure. De rechtbank zal deze grond daarom niet bespreken.

5.1.

Eiser is voorts van mening dat het advies van de commissie tegenstrijdig is, aangezien enerzijds wordt gesteld dat de maatwerkvoorschriften voldoende zijn, terwijl anderzijds de commissie adviseert om uitgebreider onderzoek te doen. Door de resultaten van de e-neus niet mee te nemen heeft verweerder onvoldoende informatie vergaard, waardoor het besluit in strijd is met artikel 3:2 van de Awb.

5.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de metingen van de e-neus indicatief zijn en geen informatie opleveren die kan worden gebruikt bij de heroverweging van het besluit. Deze indicatieve metingen hebben er wel toe geleid dat op dit moment een geuronderzoek wordt uitgevoerd. De uitkomsten van dit onderzoek zouden aanleiding kunnen zijn tot het opleggen van meer maatwerkvoorschriften. Dat er eventueel meer voorschriften zouden moeten worden opgelegd staat overigens binnen deze procedure niet ter beoordeling.

5.3.

Uit het besluit tot opleggen van de maatwerkvoorschriften blijkt dat verweerder rekening heeft gehouden met de aspecten die genoemd worden in artikel 2.7a, derde lid van het Activiteitenbesluit. Hierbij is overwogen dat verweerder verwacht dat door het opleggen van de genoemde maatwerkvoorschriften de geur wordt gereduceerd en waarschijnlijk verwaarloosbaar wordt. Gelet ook op het feit dat geen landelijk dan wel lokaal beleid geldt voor insectenkwekerijen en dat is gewerkt met de algemene Handleiding Geur moet het plaatsen van de e-neus naar het oordeel van de rechtbank gezien worden in het licht van het verzamelen van gegevens over de feitelijke situatie bij de insectenkwekerij. Zoals verweerder heeft aangegeven, en dat is niet weersproken door eiser, leveren de gegevens van de e-neus niet direct bruikbare data op, maar slechts indicatieve gegevens die nog moeten worden geïnterpreteerd. Op het moment dat verweerder het thans bestreden besluit heeft genomen waren deze data (nog) niet voorhanden. Concreet aanwezig was de inschatting van de deskundigen van verweerder die beoordeelden dat de geur met de genoemde maatwerkvoorschriften (bijna) zou verdwijnen. Aangezien de insectenkwekerij en eiser gevestigd zijn op een bedrijventerrein mag bovendien een (iets) hogere norm ten aanzien van geurhinder worden aangehouden. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid het bestreden besluit heeft kunnen nemen en is geen sprake van een onzorgvuldig voorbereid besluit.

6. Het beroep is mitsdien ongegrond.

7. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Visser, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Veenstra, griffier. De uitspraak is gedaan op 14 april 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

de griffier is verhinderd rechter

de uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.