Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:1696

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-04-2020
Datum publicatie
23-04-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2233
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft beoordeeld of aan artikel 12, vierde lid, van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap rechtstreekse werking qtoekomt. De bepaling kan alleen rechtstreekse werking hebben als die onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is om in de nationale rechtsorde zonder meer als objectief recht te worden toegepast terwijl voor de uitvoering of werking daarvan geen verdere handeling is vereist. De rechtbank is van oordeel dat artikel 12, vierde lid, van het Verdrag daar niet aan voldoet, zodat aan die bepaling geen rechtstreekse werking toekomt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 19/2233

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 april 2020 in de zaak tussen

[bewindvoerder, eiser] , h.o.d.n. [naam kantoor] te [plaats] , in de hoedanigheid van bewindvoerder van D. [naam onderbewindgestelde] , eiser

(gemachtigde: mr. E. van Wolde),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verweerder

(gemachtigden: mrs. I.M. Zandberg en E.F. Verhagen).

Procesverloop

Bij besluit van 7 februari 2019 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) voor de kosten van bewindvoering vanaf 1 oktober 2018 afgewezen.

Bij besluit van 26 februari 2019 (het primaire besluit 2) heeft verweerder de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand op grond van de Pw voor de kosten van bewindvoering voor het jaar 2019 afgewezen.

Tegen voormelde besluiten heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 7 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2019. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Eiser is in persoon verschenen, vergezeld van zijn gemachtigde. D. [naam onderbewindgestelde] (hierna: [naam onderbewindgestelde] ) is niet verschenen. De rechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Bij brief van 18 oktober 2019 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat het onderzoek in de zaak is heropend en dat de zaak wordt verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank.

De zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 13 januari 2020. Verweerder heeft zich op die zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Eiser is in persoon verschenen, vergezeld van zijn gemachtigde. [naam onderbewindgestelde] is niet verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten en omstandigheden als vaststaand aan.

1.1

Bij beschikking van de kantonrechter van deze rechtbank van 10 februari 2016 zijn de goederen en gelden van [naam onderbewindgestelde] onder bewind gesteld, omdat hij als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, de a-grond, niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Daarbij is [naam kantoor] te [plaats] (BGNN) tot bewindvoerder benoemd. [bewindvoerder, eiser] is zijn feitelijk bewindvoerder.

1.2

[naam onderbewindgestelde] heeft over de periode van 18 januari 2018 tot en met 15 juni 2018 van de gemeente Emmen periodieke bijzondere bijstand ontvangen voor de kosten van de bewindvoering. Vanaf 1 oktober 2018 woont [naam onderbewindgestelde] in de gemeente Groningen. Op 11 januari 2019 heeft eiser deze gemeente verzocht om [naam onderbewindgestelde] bijzondere bijstand toe te kennen voor de kosten van bewindvoering vanaf 1 oktober 2018.

1.3

Bij besluit van 7 februari 2019, het primaire besluit 1, heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er een voorliggende voorziening is waar [naam onderbewindgestelde] een beroep op kan doen, te weten het beschermingsbewind bij de Gemeentelijke Krediet Bank (GKB) van de gemeente Groningen. Deze voorziening acht verweerder passend en toereikend. Een beroep op de hardheidsclausule zoals opgenomen onder artikel 7 van de Beleidsregels bijzondere bijstand beschermingsbewind van de gemeente Groningen kan naar de mening van verweerder niet slagen.

1.4

Bij brief van 12 februari 2019 heeft eiser namens [naam onderbewindgestelde] verzocht om bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering voor het jaar 2019. Bij het primaire besluit van 26 februari 2019 (het primaire besluit 2) heeft verweerder op dezelfde gronden als vermeld in het primaire besluit 1, de aanvraag afgewezen.

1.5

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten 1 en 2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

1.6

In beroep heeft eiser aangevoerd dat de GKB voor [naam onderbewindgestelde] niet passend en toereikend is. Daarnaast is eiser van mening dat verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 12, vierde lid, van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (hierna het VN Verdrag Handicap of het Verdrag).

2. De rechtbank overweegt als volgt.

2.1

De rechtbank zal zich eerst buigen over de vraag of in dit geval het Verdrag op [naam onderbewindgestelde] van toepassing is. Daarna zal de rechtbank beoordelen of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat de GKB voor [naam onderbewindgestelde] een passende en toereikende voorliggende voorziening is.

De toepasselijkheid van het VN Verdrag Handicap

2.2

Het Verdrag is op 14 juli 2016 in Nederland inwerking getreden.

Eiser stelt zich op het standpunt dat [naam onderbewindgestelde] is aan te merken als een persoon met een handicap, zoals omschreven in artikel 1 van het Verdrag. Vervolgens is hij van mening dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 12, vierde lid, van het Verdrag. Uitgangspunt van het Verdrag is de zelfbeschikking van het individu. Op grond van artikel 12, vierde lid, van het Verdrag is bewind of curatele niet verboden, maar als ertoe wordt overgegaan, dan moeten de voorkeuren van de onderbewindgestelde ten aanzien van de te benoemen bewindvoerder wel worden gerespecteerd. Naar de mening van eiser heeft verweerder hiermee ten onrechte geen rekening gehouden nu verweerder [naam onderbewindgestelde] feitelijk dwingt om de GKB als bewindvoerder te nemen.

2.3

De rechtbank is van oordeel dat [naam onderbewindgestelde] , gelet op zijn lichamelijke en geestelijke gesteldheid, behoort tot de doelgroep van het Verdrag zoals die is beschreven in artikel 1 van dat Verdrag.

De rechtbank dient voorts te beoordelen of de bepaling waar eiser zich op beroept, te weten artikel 12, vierde lid, van het Verdrag, rechtstreekse werking heeft. Daaraan doet niet af dat partijen ter zitting hebben aangegeven dat zij beiden van mening zijn dat die werking aan dat artikel toekomt. De rechtbank dient de vraag of er sprake is van rechtstreekse werking ambtshalve te beoordelen. Dat is het geval als die bepaling onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is om in de nationale rechtsorde zonder meer als objectief recht te worden toegepast terwijl voor de uitvoering of werking daarvan geen verdere handeling is vereist. De rechtbank is van oordeel dat artikel 12, vierde lid, van het Verdrag daar niet aan voldoet, zodat aan die bepaling geen rechtstreekse werking toekomt. De rechtbank kent daarbij betekenis toe aan de parlementaire geschiedenis van de procedure tot goedkeuring van het Verdrag. Daaruit blijkt dat de Nederlandse regering de Tweede Kamer heeft voorgehouden dat naar haar oordeel (onder meer) aan artikel 12, vierde lid, geen rechtstreekse werking toekomt, omdat die bepaling onvoldoende nauwkeurig of concreet wordt bevonden. Bij dat oordeel is onder meer verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 maart 2014 (ECLI:EU:C:2014:159). Het is weliswaar aan de rechtbank om de doorwerking van rechtsgeldig tot stand gekomen verdragen in de nationale rechtsorde te beoordelen, maar bij die beoordeling weegt wel zwaar de betekenis en reikwijdte die de Nederlandse regering aan artikel 12, vierde lid, van het Verdrag heeft toegekend en die het parlement voor ogen heeft gehad bij de goedkeuring van het Verdrag. De rechtbank is daarbij niet gebleken dat bedoeld artikel zodanig gepreciseerde normen bevat dat die zich lenen voor rechtstreekse toepassing. Voor zover uit artikel 12, vierde lid, van het Verdrag zou volgen dat de gehandicapte (een zekere) keuzevrijheid heeft voor een bewindvoerder, verwijst de rechtbank, in het kader van zijn beoordeling van het beleid van verweerder, overigens naar de betreffende procedure bij de kantonrechter waarbij de keuze van degene die onder bewind is gesteld voor een bepaalde bewindvoerder bijna altijd door de kantonrechter wordt gerespecteerd en verder dat blijkens de uitspraak van deze rechtbank van 16 augustus 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:3627, in zo’n geval de GKB door verweerder kennelijk niet (altijd) langer als een aan de Pw voorliggende voorziening wordt beschouwd. Voor zover het beroep van eiser zich richt op de toepasselijkheid van artikel 12, vierde lid, van het VN Verdrag Handicap is het dan ook ongegrond.

De bewindvoering door het GKB.

2.4

Voor wat betreft de vraag of de GKB een voorliggende voorziening is, verwijst de rechtbank in eerste instantie naar haar uitspraak van 22 januari 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:279. In deze uitspraak heeft deze rechtbank onder meer geoordeeld dat bewindvoering door de GKB als een aan de Pw voorliggende, toereikende en passende voorziening kan worden aangemerkt en dat het beleid om voor kosten van beschermingsbewind geen bijzondere bijstand te verstrekken niet kennelijk onredelijk is. De rechtbank heeft daarbij echter wel overwogen dat verweerder, alvorens over te gaan tot beëindiging van bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering, rekening dient te houden met de persoonlijke en individuele omstandigheden van de betrokkene.

2.5

De rechtbank is van oordeel dat deze overwegingen ook in onderhavige zaak van belang zijn en dat verweerder acht had moeten slaan op deze omstandigheden. Weliswaar gaat het in de onderhavige zaak -in tegenstelling de uitspraak van 22 januari 2019 en die van deze rechtbank van 16 augustus 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:3627- om een aanvraag om bijzondere bijstand, maar dat laat onverlet dat eiser aan de aanvraag en ter onderbouwing daarvan persoonlijke en individuele omstandigheden ten grondslag heeft gelegd.

2.6

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het geval van [naam onderbewindgestelde] niet inzichtelijk heeft gemaakt dat zijn persoonlijke en individuele omstandigheden zijn betrokken bij de besluiten om bijzondere bijstand te weigeren. Bij de besluitvorming is bijvoorbeeld niet voldoende betrokken dat [naam onderbewindgestelde] onder bewind is gesteld vanwege zijn lichamelijke- en/of geestelijke toestand en evenmin is acht geslagen op zijn lange historie van dakloosheid en zijn middelengebruik. Evenmin is voldoende bij de beoordeling betrokken de stelling van eiser dat [naam onderbewindgestelde] vaak van woonplaats wisselt en dat voorzienbaar was dat hij de gemeente Groningen op korte termijn weer zou verlaten en opgenomen zou worden in een instelling van ZIENN. Ook dit aspect, namelijk dat het beroep van [naam onderbewindgestelde] op bijzondere bijstand maar van korte duur zou zijn en verandering van bewindvoerder, gelet hierop, wellicht niet van hem zou kunnen worden gevergd, is niet bij de besluitvorming betrokken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat deze beroepsgrond slaagt.

2.7

Het beroep is derhalve gegrond. De rechtbank draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van eiser, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.8

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.312,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 16 oktober 2019 en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting van 13 januari 2020, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van eiser gericht tegen de primaire besluiten;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.312,50.

Deze uitspraak is gedaan op 17 april 2020 door mr. D.M. Schuiling, voorzitter, mr. C.H. de Groot en mr. M. Nieuwenhuis, leden, in aanwezigheid van mr. J.A. van Loo, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier De voorzitter is verhinderd deze uitspraak

te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.