Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:1655

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
15-04-2020
Datum publicatie
16-04-2020
Zaaknummer
126374
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Klaverblad en Goudse betichten gedaagden van verzekeringsfraude en vorderen terugbetaling van de reeds uitgekeerde bedragen. Alleen gedaagde sub 1 staat in een contractuele relatie tot Klaverblad. Gedaagde sub 2 is de benadeelde in de twee ongevallen waarbij Klaverblad en Goudse zijn betrokken. Hoofdelijke aansprakelijkheid kan alleen worden aangenomen voor zover er sprake is van medeschuld door wanprestatie en onrechtmatige daad (art. 6:102) dan wel door onrechtmatige schade die in groepsverband is veroorzaakt (art. 6:166 BW). Informatieplicht en verval van recht a.b.i. art. 7:941 lid 2 en lid 5 BW gelden alleen in relatie tussen Klaverblad en gedaagde sub 1, niet in de relatie tussen Klaverblad met (beweerdelijke) benadeelde (gedaagde sub 2). Bewijsopdracht aan de verzekeraars.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0297
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Assen

zaaknummer / rolnummer: C/19/126374 / HA ZA 19-64

Vonnis van 15 april 2020

in de zaak van

1. naamloze vennootschap

KLAVERBLAD SCHADEVERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Zoetermeer,

2. de naamloze vennootschap

GOUDSE SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Gouda,

eiseressen,

advocaat mr. T. Havekes te Voorburg,

tegen

1 [gedaagde 1.] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. A. Kilinç te Amsterdam,

en

2 [gedaagde 2.] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. R.H. Bouwman te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Klaverblad en Goudse en [gedaagde 1.] en [gedaagde 2.] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 19 juni 2019,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie gehouden op 4 december 2019, en de stukken die ten behoeve van de comparitie door Klaverblad en Goudse zijn ingediend,

  • -

    de brief van Klaverblad en Goudse met opmerkingen over het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde 1.] en [gedaagde 2.] zijn rond 1984 vier jaar met elkaar getrouwd geweest en hebben samen twee dochters, [dochter X.] en [dochter Y.] . [dochter X.] heeft een zoon die [zoon van dochter X.] heet en heeft een relatie gehad met [vriendin van zoon van dochter X.] . Na de scheiding hebben [gedaagde 1.] en [gedaagde 2.] het contact met elkaar onderhouden.

2.2.

Klaverblad en Goudse zijn verzekeringsmaatschappijen. [gedaagde 1.] heeft in het verleden een aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren (AVP) afgesloten bij Klaverblad. In artikel 16 van de polisvoorwaarden staat dat bij verzekeringsfraude geen recht bestaat op uitkering. Er is onder meer verzekeringsfraude als er wordt gelogen bij de aanvraag of claim of een onjuiste verklaring wordt afgelegd. [dochter X.] heeft een AVP afgesloten bij Goudse.

2.3.

Aan [gedaagde 2.] is door Interpolis Schade N.V. een vergoeding toegekend voor schade in verband met een ongeval met een auto op 18 mei 2013, waarbij [gedaagde 2.] en [vriendin van zoon van dochter X.] betrokken waren. Het bedrag is betaald op een bankrekeningnummer die op naam staat van [dochter Y.] en waarvan [gedaagde 1.] de gemachtigde is.

2.4.

Aan [gedaagde 1.] is door Unigarant, de WA verzekeraar van [gedaagde 2.] , een schadevergoeding toegekend voor een ongeval met een bromfiets op 10 oktober 2013. Dit bedrag is ook betaald op eerder genoemde bankrekening van [dochter Y.] .

2.5.

Begin 2015 heeft [gedaagde 1.] een beroep gedaan op haar AVP bij Klaverblad. Zij heeft gemeld dat op 12 januari 2015 in [plaats] een ongeval heeft plaatsgevonden waarbij haar hond tijdens het wandelen tegen het voorwiel van een achterop komende fietser is gesprongen waardoor de fietser viel. Op het aangifteformulier van 19 januari 2015 heeft zij bij de naam van de benadeelde ingevuld: "De heer [gedaagde 2.] " en bij de vraag: "In welke relatie staat diegene tot u of de veroorzaker?", "Geen". [gedaagde 2.] heeft op verzoek van Klaverblad het aangifteformulier aangevuld. Er hebben meerdere gesprekken plaatsgevonden tussen de schaderegelaar en arbeidsdeskundige van Klaverblad enerzijds en [gedaagde 2.] anderzijds. Bij de gesprekken was een mevrouw aanwezig die bij Klaverblad is geïntroduceerd als mevrouw [J.] . In december 2016 hebben [gedaagde 2.] en Klaverblad een vaststellingsovereenkomst gesloten. Klaverblad heeft aan [gedaagde 2.] in totaal € 56.936,51 aan schadevergoeding betaald. Het merendeel van dit bedrag is op verzoek van [gedaagde 2.] gestort op eerdergenoemde bankrekening die op naam staat van [dochter Y.] . Onder meer is een vergoeding uitgekeerd voor het aanpassen van de woning (nieuwe vloerbedekking en het aanbrengen van beugels/handgrepen) en voor schade aan de scootmobiel.

2.6.

[gedaagde 2.] heeft bij Goudse een letselschadeclaim ingediend. Gemeld is dat [gedaagde 2.] op 28 februari 2017 op de fiets omver is gereden door [zoon van dochter X.] , die hij naar school bracht en die op zijn eigen fiets is gaan slingeren waardoor [gedaagde 2.] ten val is gekomen. [gedaagde 2.] heeft gemeld dat hij letselschade en schade aan onder meer een fiets en een horloge heeft geleden. Andere schadeposten die hij heeft geclaimd zijn kosten voor de honden uitlaatservice, huishoudelijke hulp, een tuinman, vervangend vervoer en voorzieningen in de nieuwe woning. Op 26 september 2017 heeft de schaderegelaar van Goudse, de heer [M.] (hierna; [M.] ) een bespreking gehad met [gedaagde 2.] . Op verzoek van [gedaagde 1.] heeft het bezoek plaatsgevonden in het huis van [dochter X.] . [gedaagde 1.] was daarbij aanwezig. In het bezoekrapport dat [M.] na de bespreking heeft opgesteld staat onder andere:

" Eerdere ongevallen :

Datum: Ja, vijf jaar geleden gevallen met de fiets

Letsel: Ja, linker oor problemen
Aansprakelijkheid: n.v.t. want eigenaar hond die tegen de fiets liep was niet bekend

zo deelt meneer mij mee

Uitkering: n.v.t. want aansprakelijke wederpartij was niet bekend zo deelt meneer mij mee.

(…)
Gezondheid voor ongeval:

(…) Door ongeval met fiets waar een hond tegen aan liep heeft meneer problemen met zijn linker oor. Met betrekking tot dat ongeval is de eigenaar van de hond niet bekend geworden. Er is daardoor ook geen letselvergoeding geweest."

Goudse heeft aan [gedaagde 2.] een voorschot betaald voor zijn schade van (in totaal) € 2.500,00.

2.7.

Op 6 oktober 2017 ontving het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit (CBV) per email een anonieme tip waarin melding wordt gemaakt van verzekeringsfraude door [gedaagde 2.] . Naar aanleiding van deze tip is door diverse verzekeraars, waaronder Klaverblad en Goudse, onderzoek gedaan naar het claimgedrag van [gedaagde 1.] en [gedaagde 2.] .

2.8.

Op 26 januari 2018 heeft het door Goudse ingeschakelde particulier recherchebureau [W.] Onderzoeks- en Adviesbureau (hierna: [W.] ) een interview gehouden met [dochter X.] . Bij brief van 20 februari 2018 heeft Goudse de schadeclaim afgewezen en de schaderegeling stopgezet.

2.9.

Op 27 juni 2018 heeft [W.] een interview gehouden met [gedaagde 1.] en [gedaagde 2.] . Op 16 oktober 2018 heeft [W.] een interview gehouden met [dochter X.] en [vriendin van zoon van dochter X.] . Op 16 januari 2019 is een onderzoeksrapport opgesteld door de Afdeling Speciale Zaken van Goudse.

2.10.

Bij brief van 31 januari 2019 heeft Klaverblad de met [gedaagde 2.] gesloten vaststellingsovereenkomst buiten rechte vernietigd wegens dwaling en/of bedrog en [gedaagde 2.] en [gedaagde 1.] hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor terugbetaling van de door haar verrichte betalingen.

3 De vordering

3.1.

Klaverblad en Goudse vorderen (samengevat):

(1) voor recht te verklaren dat [gedaagde 1.] en [gedaagde 2.] zich schuldig hebben gemaakt aan opzettelijke misleiding van Klaverblad en Goudse en dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn om de daaruit voortvloeiende schade te vergoeden;

(2) voor recht te verklaren dat de tussen Klaverblad enerzijds en [gedaagde 2.] anderzijds op 21 december 2016 gesloten vaststellingsovereenkomst en belastinggarantie op goede gronden zijn vernietigd op grond van dwaling en/of bedrog, subsidiair dat deze overeenkomsten op goede gronden met terugwerkende kracht zijn ontbonden in verband met onvoorziene omstandigheden, meer subsidiair voor recht te verklaren dat [gedaagde 2.] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen beroep toekomt op de in die overeenkomsten gemaakte afspraken;

(3) [gedaagde 1.] en [gedaagde 2.] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan Klaverblad van een bedrag van € 56.936,41,

(4) [gedaagde 1.] en [gedaagde 2.] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan Goudse van bedragen van € 2.500,00 respectievelijk € 1.000,00, € 234,86, € 408,00 en van € 9.701,26 inzake de onderzoekskosten;

(5) [gedaagde 1.] en [gedaagde 2.] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding en de nakosten;

een en ander vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2.

Klaverblad en Goudse leggen aan de vordering ten grondslag dat er sprake is van verzekeringsfraude waarbij [gedaagde 1.] en [gedaagde 2.] onder één hoedje hebben gespeeld waardoor de afzonderlijke gedragingen van de één aan de ander moeten worden toegeschreven. Ten aanzien van de schadeclaim van Klaverblad is aangevoerd dat [gedaagde 1.] en [gedaagde 2.] valselijk een claim hebben ingediend over een ongeval dat in werkelijkheid niet heeft plaatsgevonden en valselijk hebben verklaard over hun relatie, het bankrekeningnummer waarop de schade-uitkeringen moeten worden gedaan, de aanwezigheid van [gedaagde 1.] bij de gesprekken met Klaverblad en over de schadeposten. Op grond van artikel 16 van de polisvoorwaarden van de AVP verzekering bij Klaverblad kan Klaverblad de uitkering terugvorderen. Daarnaast is [gedaagde 1.] toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende informatieplicht jegens Klaverblad als bedoeld in artikel 7:941 lid 2 BW en is er sprake van wanprestatie (artikel 6:74 BW) en van een algeheel verval van recht (artikel 16 van de polisvoorwaarden en artikel 7:941 lid 5 BW).

Ten aanzien van de schadeclaim van Goudse is aangevoerd dat valselijk een claim is ingediend van een ongeval dat in werkelijkheid niet heeft plaatsgevonden, dat [gedaagde 2.] en [gedaagde 1.] hier beiden van afwisten en dat tijdens de schaderegeling door zowel [gedaagde 2.] als [gedaagde 1.] leugenachtig is verklaard over onder andere de wijze waarop de claim bij Klaverblad is afgewikkeld en over de schade die door het ongeval dat bij Goudse is geclaimd. [gedaagde 1.] en [gedaagde 2.] hebben hierdoor wanprestatie gepleegd jegens Goudse. Analoge toepassing van artikel 7:194 lid 5 BW brengt met zich dat sprake is van een algeheel verval van het recht op uitkering.

Subsidiair beroepen Klaverblad en Goudse zich op onrechtmatig handelen door [gedaagde 1.] en [gedaagde 2.] (artikel 6:162 BW), meer subsidiair op ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW), meer meer subsidiair op onverschuldigde betaling (artikel 6:203 BW) en uiterst subsidiair op rechtsverwerking op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikelen 6:2 en 6:248 BW).

4 Het verweer van [gedaagde 2.]

4.1.

heeft in de eerste plaats aangevoerd dat sprake is van twee afzonderlijke zaken en dat de processtukken en de producties in de zaak van Klaverblad geen onderdeel kunnen uitmaken van de zaak van Goudse en andersom. Evenmin kunnen de verwijten jegens [gedaagde 1.] zonder onderbouwing niet worden geacht te zijn gericht tegen [gedaagde 2.] en vice versa. [gedaagde 2.] betwist dat beide ongevallen niet hebben plaatsgevonden. Hij voert aan dat de verklaringen van [dochter X.] en [vriendin van zoon van dochter X.] niet kunnen worden gebruikt als bewijsmiddelen omdat beiden hebben aangegeven dat zij zich niet herkennen in de verklaringen. Ter onderbouwing van zijn verweer heeft [gedaagde 2.] een rapport overgelegd van [deskundige] van [F.] letselschade, waarop deze reageert op het onderzoek dat in opdracht van Goudse is gedaan, en schriftelijke verklaringen die op naam staan van [dochter X.] en [vriendin van zoon van dochter X.] .

5 Het verweer van [gedaagde 1.]

5.1.

Ook [gedaagde 1.] heeft in de eerste plaats aangevoerd dat sprake is van twee afzonderlijke zaken en dat de processtukken en de producties in de zaak van Klaverblad geen onderdeel kunnen uitmaken van de zaak van Goudse en andersom. Evenmin kunnen de verwijten jegens [gedaagde 2.] zonder onderbouwing niet worden geacht te zijn gericht tegen [gedaagde 1.] . Ook [gedaagde 1.] beroept zich op het rapport van [deskundige] en de schriftelijke verklaringen van [dochter X.] en [vriendin van zoon van dochter X.] .

5.2.

Ten aanzien van de vorderingen van Klaverblad betwist [gedaagde 1.] dat Klaverblad schade heeft opgelopen door haar handelswijze. Zij betwist dat zij onjuiste gegevens heeft gedaan met het opzet tot misleiding van Klaverblad. Met de verdere schaderegeling met [gedaagde 2.] heeft zij geen betrokkenheid gehad. Als er onduidelijkheid was over de schadeclaim had Klaverblad bij haar nadere informatie moeten vragen. Als Klaverblad had geweten van de eerdere relatie met [gedaagde 2.] had dat bovendien niet tot een andere afdoening van de schadeclaim geleid. Zij betwist dat zij haar mededelingsplicht en informatieplicht heeft geschonden. Met betrekking tot het onderzoek van Goudse, voert zij aan dat Klaverblad geen toegang had mogen krijgen tot deze gegevens. Hiervoor is geen toestemming verleend. Evenmin is sprake geweest van het opzettelijk verhullen van de relatie tussen [gedaagde 1.] en [gedaagde 2.] . [gedaagde 1.] betwist ook dat zij met [gedaagde 2.] samenleefde, zoals [dochter X.] en [vriendin van zoon van dochter X.] zouden hebben verklaard en wijst er op dat [dochter X.] en [vriendin van zoon van dochter X.] zich hebben gedistantieerd van hun verklaringen en geen toestemming hebben verleend voor het gebruik maken van die verklaringen. [gedaagde 1.] betwist voorts de juistheid van het gespreksverslag van [M.] en zij ontkent dat zij bij de gesprekken met Klaverblad aanwezig is geweest en zich heeft voorgedaan als mevrouw [J.] . Verder kunnen de claims omtrent een onjuiste opgave van schadeclaims niet aan haar worden toegerekend.

[gedaagde 1.] voert aan dat er geen grond is om haar hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor betalingen die aan [gedaagde 2.] zijn gedaan en betwist dat er sprake is van wanprestatie, verval van recht van uitkering, ongerechtvaardigde verrijking, onverschuldigde betaling en rechtsverwerking.

5.3.

Ten aanzien van de vordering van Goudse heeft [gedaagde 1.] aangevoerd dat zij geen contractuele relatie heeft met Goudse. Bovendien betwist zij dat Goudse schade heeft geleden door haar gedragingen en/of handelswijze. Hetgeen Goudse naar voren heeft gebracht, kan niet de conclusie dragen dat [gedaagde 1.] met [gedaagde 2.] heeft samengewerkt en op meerdere punten een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven met de opzet om Goudse te misleiden en te bewegen tot het doen van schade-uitkeringen waar geen recht op bestaat. Verder betwist zij dat zij fraude jegens Goudse heeft gepleegd, dat er sprake is van ongerechtvaardigde verrijking, onverschuldigde betaling of rechtsverwerking.

6 De beoordeling

Het proces-verbaal

6.1.

Het proces-verbaal van de zitting is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Naar aanleiding van de opmerkingen van Klaverblad en Goudse over het proces-verbaal van de zitting, ziet de rechtbank aanleiding om de volgende wijzigingen in het proces-verbaal aan te brengen:
- p.1 : De voorletter van mevrouw [B.] , is niet "K", maar "T";

- p.1: Aanwezig was niet "mevr. [X.]", maar "mevr. [Y.] ;

- p. 2: In de verklaring van [gedaagde 2.] waar staat "in het park" moet gelezen worden "op het park";

- p. 8: Aan de verklaring van mr. Havekes moet worden toegevoegd: "Als [dochter Y.] in het buitenland zit, zie ik niet in waarom het dan nodig is dat haar moeder is gemachtigd om in Nederland geld op te nemen vanaf die bankrekening voor [dochter Y.]".

De overige opmerkingen van Klaverblad en Goudse (betreffende de val op het rechteroor en de koop van de fiets voor € 75,00) worden niet bevestigd door de aantekeningen van de griffier en leiden niet tot wijziging van het proces-verbaal.

Verschillende zaken

6.2.

Anders dan [gedaagde 1.] en [gedaagde 2.] betogen, kunnen de vorderingen van Goudse en Klaverblad niet van elkaar worden gescheiden. Zij beroepen zich namelijk beide op hoofdelijke aansprakelijkheid van [gedaagde 1.] en [gedaagde 2.] . De rechtbank zal moeten beoordelen of daarvan sprake is en of dat met zich brengt dat de gedragingen van de één aan de ander kunnen worden toegerekend.

Hoofdelijke aansprakelijkheid

6.3.

In artikel 6:6 lid 2 BW is bepaald dat als een prestatie ondeelbaar is of uit de wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit dat de schuldenaren ten aanzien van een zelfde schuld ieder voor het geheel aansprakelijk zijn, zij hoofdelijk verbonden zijn. Van een ondeelbare prestatie is in dit geval geen sprake. Klaverblad en Goudse hebben geen feiten of omstandigheden gesteld die er op duiden dat uit de gewoonte sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid. Beoordeeld moet daarom worden of in dit geval uit de wet of rechtshandeling een hoofdelijke aansprakelijkheid kan voortvloeien.

6.4.

De rechtbank stelt voorop dat alleen tussen [gedaagde 1.] en Klaverblad en tussen [dochter X.] en Goudse sprake is van een contractuele relatie. Van een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis door [gedaagde 2.] richting Klaverblad of van [gedaagde 1.] en/of [gedaagde 2.] richting Goudse kan dan ook geen sprake zijn. Evenmin kan Klaverblad richting [gedaagde 2.] een beroep doen op haar polisvoorwaarden. Deze gelden immers alleen in de relatie tussen Klaverblad en [gedaagde 1.] . Een schadevergoedingsverplichting vanwege wanprestatie kan daarom alleen op [gedaagde 1.] rusten in haar relatie tot Klaverblad. Dit geldt ook voor een terugbetalingsverplichting die voortvloeit uit een verval van recht. Op grond van artikel 7:941 lid 2 BW rust op [gedaagde 1.] een inlichtingenplicht richting Klaverblad. Op grond van lid 5 van deze bepaling vervalt het recht op uitkering indien [gedaagde 1.] deze verplichting niet is nagekomen met het opzet de verzekeraar te misleiden, tenzij deze misleiding het verval van het recht op uitkering niet rechtvaardigt. Deze inlichtingenplicht en de consequentie van verval van recht op uitkering in geval van misleiding, gelden echter niet voor de benadeelde zoals [gedaagde 2.] (vgl. Hoge Raad van 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1103 en de conclusie van de AG; Bijrijderszaak).

Klaverblad heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat de polisvoorwaarden ook gelden richting de benadeelde partij aan wie zij schade uitkeert. Dit brengt met zich dat uit een rechtshandeling geen hoofdelijke aansprakelijkheid van [gedaagde 2.] richting Klaverblad of van [gedaagde 1.] en/of [gedaagde 2.] richting Goudse kan voortvloeien.

6.5.

Uit de wet kan wel hoofdelijke aansprakelijkheid voortvloeien, zoals bij medeschuld of bij onrechtmatige schade toegebracht in groepsverband. Medeschuld is aan de orde als vastgesteld wordt dat als zowel op [gedaagde 1.] als op [gedaagde 2.] de verplichting rust tot vergoeding van dezelfde schade (artikel 6:102 BW). Daarvan kan sprake zijn in geval van wanprestatie van [gedaagde 1.] in haar relatie tot Klaverblad (artikel 6:74 BW) en onrechtmatig handelen van [gedaagde 2.] richting Klaverblad en van [gedaagde 1.] en [gedaagde 2.] beiden richting Goudse (artikel 6:162 BW). Hoofdelijke aansprakelijkheid wegens onrechtmatige schade in groepsverband toegebracht, is aan de orde als [gedaagde 1.] en [gedaagde 2.] als groep hebben opgetreden en één van hen onrechtmatig schade heeft toegebracht en de kans op het aldus toebrengen van schade de ander had behoren te weerhouden van zijn of haar gedragingen in groepsverband en deze gedragingen hun beiden kunnen worden toegerekend (artikel 6:166 BW). De rechtbank stelt vast dat als vastgesteld wordt dat [gedaagde 1.] en [gedaagde 2.] beiden verzekeringsfraude hebben gepleegd richting Klaverblad en Goudse door opzettelijke misleiding zoals Klaverblad en Goudse stellen, waarbij [gedaagde 1.] en [gedaagde 2.] valse claims hebben ingediend en al dan niet onder één hoedje hebben gespeeld, er zowel sprake is van wanprestatie door [gedaagde 1.] richting Klaverblad als van onrechtmatig handelen - al dan niet in groepsverband - door [gedaagde 1.] en [gedaagde 2.] richting Goudse en Klaverblad. In dat geval zal de rechtbank uitgaan van hoofdelijke aansprakelijkheid van [gedaagde 1.] en [gedaagde 2.] wegens medeschuld dan wel wegens onrechtmatige schade in groepsverband toegebracht, voor de schade die Goudse en Klaverblad hierdoor lijden.

Vernietiging vaststellingsovereenkomst

6.6.

Als sprake is van fraude in de zin van opzettelijke misleiding door [gedaagde 2.] in de claim die heeft geleid tot de vaststellingsovereenkomst tussen [gedaagde 2.] en Klaverblad van december 2016, slaagt het beroep van Klaverblad op dwaling (artikel 6:228 BW) en bedrog (artikel 3:44 BW). [gedaagde 2.] heeft tegen deze vordering geen (afzonderlijk) verweer gevoerd. De rechtbank is van oordeel dat Klaverblad in dat geval de vaststellingsovereenkomst en de belastinggarantie op goede gronden buitengerechtelijk heeft vernietigd.

Bewijs verzekeringsfraude

6.7.

Op Klaverblad en Goudse rust de bewijslast van de door hen gestelde verzekeringsfraude (artikel 150 Rv.). Ook voor de gestelde groepsaansprakelijkheid doordat [gedaagde 1.] en [gedaagde 2.] volgens Klaverblad en Goudse onder één hoedje hebben gespeeld, rust de bewijslast op Klaverblad en Goudse. Klaverblad en Goudse hebben hun stellingen naar het oordeel van de rechtbank ruimschoots onderbouwd met het rapport van [W.] en andere bevindingen die op zijn minst twijfel oproepen bij de gang van zaken rond de indiening en afwikkeling van de claims bij Klaverblad en Goudse. [gedaagde 1.] en [gedaagde 2.] hebben echter gemotiveerd betwist dat sprake is van verzekeringsfraude. Zij hebben een andere uitleg gegeven aan de gang van zaken en deze uitleg onderbouwd met het rapport van [deskundige] en schriftelijke verklaringen van [dochter X.] en [vriendin van zoon van dochter X.] . Gelet op deze betwisting zal de rechtbank een bewijsopdracht aan Klaverblad en Goudse verstrekken, op de wijze als hieronder bepaald.

6.8.

Als en voor zover Klaverblad en Goudse in de bewijsopdracht slagen, zullen [gedaagde 1.] en/of [gedaagde 2.] (hoofdelijk) worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die Klaverblad en Goudse hierdoor hebben geleden dan wel tot terugbetaling van de uitgekeerde bedragen.

Slotsom

6.9.

De zaak wordt naar de rol verwezen voor akte uitlating aan de zijde van Klaverblad en Goudse over de wijze waarop zij bewijs willen leveren.

6.10.

Bij het oproepen van de getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, dienen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank te worden opgegeven.

6.11.

Elke overige beslissing wordt aangehouden.

7 De beslissing

De rechtbank

7.1.

draagt Klaverblad en Goudse op te bewijzen dat [gedaagde 1.] en [gedaagde 2.] , Klaverblad en Goudse opzettelijk hebben misleid - en daarbij al dan niet onder één hoedje hebben gespeeld - bij het indienen en afwikkelen van de claims ter zake de gestelde ongevallen op 12 januari 2015 en 28 februari 2017,

7.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 29 april 2020 voor uitlating door Klaverblad en Goudse of zij bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

7.3.

bepaalt dat Klaverblad en Goudse, indien zij geen bewijs door getuigen willen leveren maar wel bewijsstukken willen overleggen, die stukken direct in het geding moeten brengen,

7.4.

bepaalt dat Klaverblad en Goudse, indien zij getuigen willen laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden augustus tot en met november 2020 direct moeten opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

7.5.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. S.M. Schothorst in het gerechtsgebouw te Assen aan Brinkstraat 4,

7.6.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk veertien dagen voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

7.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Schothorst en in het openbaar uitgesproken door mr. J. de Vroome op 15 april 2020.1

1 type: MS coll: