Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:1618

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-04-2020
Datum publicatie
10-04-2020
Zaaknummer
18/840038-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/840038-19

ter terechtzitting gevoegde parketnummers 18/840028-19, 18/840059-19 en 18/840003-20

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/840042-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 10 april 2020 in de zaken van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 maart 2020.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. F.H. Kappelhof, advocaat te Delfzijl. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A. Hertogs.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd

in de zaak met parketnummer 18/840038-19 dat:

1.

a.

hij op of omstreeks 19 april 2019 te Groningen

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een mobiele

telefoon (Apple Iphone SE), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 1] ,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, die telefoon onverhoeds uit de handen

van die [slachtoffer 1] heeft gepakt en/of die [slachtoffer 1] tegen het lichaam

en/of naar de grond heeft geduwd en/of die [slachtoffer 1] (meermalen en/of met

kracht en/of met een (op een) mes (gelijkend voorwerp) in de hand) op en/of

tegen het lichaam en/of in het gezicht heeft geslagen;

en/of

b.

hij op of omstreeks 19 april 2019 te Groningen

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen een jas, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , te plegen met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, een (op een) mes (gelijkend voorwerp) bij en/of in de richting van de keel en/of de buik, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1] heeft gehouden en/of die [slachtoffer 1] tegen het lichaam en/of naar de grond heeft geduwd en/of (meermalen en/of met kracht en/of met een (op een) mes (gelijkend voorwerp) in de hand) op en/of tegen het lichaam en/of in

het gezicht heeft geslagen en/of aan de jas van die [slachtoffer 1] heeft

getrokken en/of aan die [slachtoffer 1] heeft toegevoegd: "Geef mij je jas, geef

mij je jas", althans woorden van gelijke (dreigende) aard of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 19 april 2019 te Groningen

[slachtoffer 1] heeft mishandeld door hem tegen het lichaam en/of naar de grond

te duwen en/of (meermalen en/of met kracht en/of met een (op een) mes

(gelijkend voorwerp) in de hand) op en/of tegen het lichaam en/of in het

gezicht te slaan;

2

hij op of omstreek 3 mei 2019 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s),

die [slachtoffer 1] tegen het lichaam en/of naar/op de grond heeft/hebben

geduwd/gewerkt en/of (meermalen en/of met kracht) met een hamer, althans een

voorwerp, op en/of tegen het lichaam (de rug) heeft/hebben geslagen en/of

(meermalen en/of met kracht) tegen het lichaam heeft/hebben geschopt en/of aan

die [slachtoffer 1] heeft/hebben toegevoegd dat hij aan verdachte en/of zijn

mededader|(s) een 'donnie' moest geven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreek 3 mei 2019 te Groningen tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door hem (met kracht) tegen het lichaam en/of naar/tegen de grond te duwen/werken en/of (meermalen en/of met kracht) met een hamer, althans een voorwerp, op en/of tegen het lichaam (de rug) te slaan en/of (meermalen en/of met kracht) tegen het lichaam te schoppen;

en in de zaak met parketnummer 18/840028-19 dat:

hij op of omstreeks 25 mei 2019 te Usquert, (althans) in de gemeente Het
Hogeland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet
die [slachtoffer 2] (met kracht) met een hamer, althans een hard en/of puntig
voorwerp (/een mobiele telefoon), op en/of tegen het hoofd heeft geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat


hij op of omstreeks 25 mei 2019 te Usquert, (althans) in de gemeente Het
Hogeland,
[slachtoffer 2] heeft mishandeld door hem (met kracht en/of met een hamer, althans
een hard en/of puntig voorwerp(/een mobiele telefoon)) op en/of tegen het
hoofd te slaan;

en in de zaak met parketnummer 18/840059-19 dat:

hij op of omstreeks 03 oktober 2019 te Uithuizen, (althans) in de gemeente Het

Hogeland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, aan een persoon,

(te weten [slachtoffer 3] ), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet die [slachtoffer 3] meermalen en/of met kracht en/of met de vuist(en)

op en/of tegen het hoofd heeft/hebben geslagen en/of (nadat die [slachtoffer 3]

naar de grond was gegaan) die [slachtoffer 3] meermalen en/of met kracht op en/of

tegen het hoofd heeft/hebben geschopt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 03 oktober 2019 te Uithuizen, (althans) in de gemeente Het

Hogeland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

[slachtoffer 3] heeft mishandeld door hem meermalen en/of met kracht op en/of

tegen het hoofd te slaan en/of te schoppen;

en in de zaak met parketnummer 18/840003-20 dat:


1.

hij op of omstreeks 06 april 2019 te Groningen tezamen en in vereniging met een
ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en)
wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld
[slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5]
heeft gedwongen tot de afgifte van (een) jas(sen) (een grijze jas van Stone
Island en/of een zwarte jas van Napapijri) en/of (een) tas(sen)(rugzak(ken))
(met inhoud) en/of (/waaronder) een (trainings)broek (Tommy Hilfiger) en/of
een shirt/trui en/of schoolspullen (rekenmachine(s)/pen(nen)/passer(s)) en/of
(huis)sleutels en/of parfum en/of een JBL box en/of een drinkfles, in elk
geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] en/of
[slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn
mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en)
dat verdachte en/of zijn mededader(s) een (op een) mes (gelijkend voorwerp)
voor en/of bij/tegen de keel en/of voor het gezicht van die [slachtoffer 4] en/of
[slachtoffer 5] heeft/hebben gehouden en/of daarbij aan hen heeft/hebben toegevoegd:
"Jassen uit, schoenen uit en tassen af. En geen melding bij de politie maken
anders zoeken wij jullie op." en/of "Trek je schoenen en je jas uit!" en/of
"doe je jas uit en je pet af" en/of (/althans) (nog andere) woorden van
gelijke (dreigende) aard of strekking;

2.
hij op of omstreeks 06 april 2019 te Groningen ter uitvoering van het door
verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of
anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en)
wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 6]
te dwingen tot de afgifte van een jas en/of schoenen en/of een tas, in
elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 6] ,
in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn
mededader(s), een (op een) mes (gelijkend voorwerp) op en/of in de richting
van (de borst van) die [slachtoffer 6] heeft/hebben gezet/gehouden en/of daarbij
aan hem (en/of zijn vriend(en) [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] ) heeft/hebben
toegevoegd: "Jassen uit, schoenen uit en tassen af. En geen melding bij de
politie maken anders zoeken wij jullie op.", althans woorden van gelijke
(dreigende) aard of strekking,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het ten laste gelegde onder:

- parketnummer 18/840038-19 feit 1 primair onder a. diefstal Iphone van [slachtoffer 1] op 19 april 2019) en 2 primair (poging afpersing [slachtoffer 1] op 3 mei 2019) en subsidiair (mishandeling van [slachtoffer 1] op 3 mei 2019).

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde onder:

- parketnummer 18/840038-19 feit 1 primair onder b. (poging diefstal met geweld, jas [slachtoffer 1] op 19 april 2019);

- parketnummer 18/840028-19 primair (poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel [slachtoffer 2] op 25 mei 2019;

- parketnummer 18/840059-19 primair (poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel [slachtoffer 3] op 3 oktober 2019);

- parketnummer 18/840003-20 feit 1 en 2 (eendaadse samenloop straatroof Westerhaven).

Zij heeft daartoe ter terechtzitting een (op schrift gesteld) bewijsmiddelenoverzicht gegeven.

De officier van justitie heeft ten aanzien van parketnummer 18/840028-19 primair ten laste gelegde aangevoerd dat kan worden bewezen dat verdachte, [slachtoffer 2] op 25 mei 2019 krachtig met een hard voorwerp - een hamer of een telefoon - op het hoofd heeft geslagen, gelet op de geconstateerde forse hoofdwond. Een dergelijke slag levert voorwaardelijk opzet op tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Ten aanzien van het onder parketnummer 18/840059-19 primair ten laste gelegde heeft zij aangevoerd dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte tezamen met zijn mededader, [slachtoffer 3] op 3 oktober 2019 heeft mishandeld door hem onder andere te schoppen tegen het hoofd. Dergelijk geweld tegen het hoofd levert voorwaardelijk opzet op tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

De officier van justitie heeft ten aanzien van het onder parketnummer 18/840003-19 feit 1 en 2 onder meer aangevoerd dat kan worden bewezen dat verdachte tezamen met de medeverdachten op 18 juni 2019 aan de Westerhaven te Groningen, [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] hebben beroofd en gepoogd [slachtoffer 6] te beroven. Daarbij is sprake van eendaadse samenloop. Zij baseert het bewijs met name op de door aangevers gegeven signalementen van de verdachten, historische gegevens en de inhoud van de telefoons van verdachten, de belastende verklaringen van [getuige 1] en [slachtoffer 1] , alsmede op na de overval door de verdachten gedragen jassen en een bij verdachte [medeverdachte 1] aangetroffen broek, welke kleding gelijkenis vertonen met de afgeperste kleding. Tevens verwees de officier van justitie naar de herkenning van verdachte door de ter zitting aanwezige slachtoffers [slachtoffer 4] en [slachtoffer 6] .

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde onder:

- parketnummer 18/840038-19 feit 1 primair onder a. en b. (diefstal Iphone en poging diefstal jas [slachtoffer 1] op 19 april 2019.en 2 primair en subsidiair (poging afpersing [slachtoffer 1] , respectievelijk mishandeling [slachtoffer 1] op 3 mei 2019);

- parketnummer 18/840028-19 primair; (poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel [slachtoffer 2] op 25 mei 2019

- parketnummer 18/840059-19 primair en subsidiair (poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel [slachtoffer 3] , respectievelijk mishandeling [slachtoffer 3] op 3 oktober 2019);;

- parketnummer 18/840003-20 feit 1 en 2 (straatroof Westerhaven).

Met betrekking tot een bewezenverklaring van de overige ten laste gelegde feiten, de eenvoudige mishandelingen van [slachtoffer 1] (parketnummer 18/840038-19 sub 1 subsidiair) en [slachtoffer 2] (parketnummer 18/840028-19 subsidiair), heeft de raadsman geen verweer gevoerd.

Oordeel van de rechtbank

vrijspraken

De rechtbank acht de feiten onder parketnummer 18/840038-19 feit 1 primair onder a. (diefstal Iphone [slachtoffer 1] ) en 2 primair en subsidiair (poging afpersing, respectievelijk mishandeling [slachtoffer 1] ) niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken.

Bewezen verklaarde feiten

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen het ten laste gelegde onder:

- parketnummer 18/840038-19 feit 1 primair onder b. (poging diefstal jas [slachtoffer 1] );

- parketnummer 18/840028-19 primair; (poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel [slachtoffer 2] )

- parketnummer 18/840059-19 primair; (poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel [slachtoffer 3] )

- parketnummer 18/840003-20 feit 1 en 2. (straatroof Westerhaven).

De rechtbank overweegt hierbij het volgende.

Ten aanzien van parketnummer 18/840038-19 feit 1 primair onder b. (poging tot afpersing van een jas van [slachtoffer 1] op 19 april 2019)

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 13 mei 2019, opgenomen op pagina 9 en verder van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2019098903 van 14 oktober 2019, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :

Op 19 april 2019 stond ik bij het bankje aan de Haydnlaan te Groningen. Er kwam er een jongen genaamd [naam 1] bij mij staan. Niet heel veel daarna kwamen er 3 andere jongens aangelopen. Ik herkende één van deze jongens als [medeverdachte 1] . Een andere jongen die erbij was is een jongen van ongeveer 17 a 18 jaar, ongeveer 1.85 m groot met een Turks uiterlijk. Ik zag dat de jongen met het Turkse uiterlijk een mes bij zich had. De jongen met het Turkse uiterlijk stond bij het bankje en begon met het mes te spelen en kwam daarna naar mij toe en hield het mes bij mijn keel en buik en hij zei daarbij dat hij mijn jas wilde hebben. Ik zag dat de Turkse jongen zijn mes weer pakte en ik hoorde dat hij toen zei dat hij mijn jas wilde hebben. Ik moest mijn jas uit doen en aan hem geven. Omdat ik mijn jas niet uit wilde doen zag ik dat de Turkse jongen op mij af kwam lopen en ik voelde dat hij mij met kracht met één hand een duw gaf waardoor ik struikelde en achterover viel in de bosjes naast het bankje. Ik voelde meteen daarna dat de Turkse jongen mij met kracht meerdere keren op de borst en arm sloeg. Ik voelde hierdoor bij elke slag behoorlijke pijn op de plek waar hij mij raakte. Ik voelde dat de Turkse jongen de gehele tijd aan mijn jas trok met de kennelijke bedoeling om deze bij mij over mijn hoofd uit te trekken. Ik hoorde ook dat hij meerdere keren tegen mij zei "geef mij je jas, geef mij je jas". Maar ik hield mijn jas vast aan de onderkant zodat hij deze niet bij mij uit kon trekken. Terwijl hij mijn jas probeerde uit te trekken voelde ik dat hij mij nog enkele malen sloeg. Ik voelde bij elke klap een felle pijn maar heb mijn jas niet losgelaten. Hij sloeg mij toen weer een paar keer. Toen ben ik weggesprint,

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 21 augustus 2019, opgenomen op pagina 214 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant 4] :

Op 3 juni 2019 werd door verbalisanten een foto getoond aan aangever [slachtoffer 1] . Aangever [slachtoffer 1] herkende [verdachte] als de eerder genoemde Turkse jongen. Na het tonen van de foto van verdachte [verdachte] aan aangever [slachtoffer 1] verklaarde hij: 'Ja, dit is 'm. Dit is die Turkse jongen die mij heeft overvallen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 25 juli 2019, opgenomen op pagina 245 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van

A. [getuige 6] :

O: Je bent toen als getuige gehoord over de diefstal met geweld op 19 april 2019 aan de Haydnlaan in Groningen.

V: Ik was bij het bankje aan het wachten, toen zag ik [slachtoffer 1] daar. [slachtoffer 1] heeft een discussie gehad met een jongen over een jas. De jongen zei geef gewoon die jas terug.

V: Vervolgens verklaart de aangever dat de Turkse jongen zei dat hij zijn jas wilde

hebben. Wat kun je hierover vertellen?

A: Ja dat klopt met die reden.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 4 oktober 2019, opgenomen op pagina 267 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :

V: Er is aangifte gedaan door [slachtoffer 1] in verband met een diefstal met

geweld op 19 april 2019 omstreeks 21:00 uur. Wat kun jij hierover vertellen?

A: Ja ik weet wel dat er een ruzie is geweest.

V: Wie waren daar bij betrokken?

A: [naam 2] , [medeverdachte 1] en [verdachte] .

V: Wat is er gezegd?

A: Iets met een jas.

V: Wie zei dat tegen [slachtoffer 1] ?

A: Eén van de jongens die daar bij stond

V: Vervolgens verklaart [slachtoffer 1] dat [verdachte] heeft gezegd dat hij zijn jas wilde hebben. Wat kun jij hierover zeggen?

A: Dat was denk ik wat ik had gehoord over die jas.

V: Hoe reageerde [slachtoffer 1] daarop?

A: Die zei volgens mij nee ofzo.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van 10 juli 2019, opgenomen op pagina 289 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van verdachte [verdachte] :

Op 19 april 2019 heb ik woorden met [slachtoffer 1] gehad. Toen heb ik [slachtoffer 1] een duw gegeven en toen raakten we aan het vechten. Toen ging ik met [slachtoffer 1] vechten. Ik sloeg hem op zijn schouder. Er is een paar keer geslagen. Daarna sloeg ik nog een keer. Toen viel hij op de grond.

Ten aanzien van parketnummer 18/840028-19 primair (poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 2] op 25 mei 2019)

De rechtbank acht op basis van de verklaring van de objectieve getuige [getuige 2] , een beveiliger op de kermis, bewezen dat verdachte het slachtoffer met een hamer op het hoofd heeft geslagen en niet -zoals in de latere verklaring van verdachte- met een mobiele telefoon.

[getuige 2] heeft een jongen zien wegrennen met een hamer. Verdachte ontkent niet dat [getuige 2] op hem doelt, maar meent dat [getuige 2] zich vergist als het gaat om wat hij in zijn hand had. De rechtbank volgt hem daarin niet.

De rechtbank is van oordeel, dat verdachte, door het met hard voorwerp - een hamer - met kracht (gelet op het geconstateerde letsel) op het hoofd van het slachtoffer te slaan, zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht. Deze gedraging van verdachte kan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op het gevolg, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 26 mei 2019, opgenomen op pagina 20 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2019132784 van 4 juni 2019, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :

Op 25 mei 2019 was ik op de kermis in Usquert. Bij de gokautomaten zag ik [verdachte] uit Uithuizermeeden. [verdachte] wilde met mij vechten. Ik zag dat [verdachte] steeds met zijn hand onder zijn jas zat en met zijn hand in zijn broek. Ik zag in één keer dat [verdachte] op mij af kwam. Ik voelde een harde klap op de rechter kant van mijn hoofd. Ik voelde dat ik geraakt werd door [verdachte] met een hard voorwerp op mijn hoofd. Ik voelde dat ik aan de rechterkant van mijn hoofd geraakt werd. Ik voelde en zag dat mijn hoofd bloedde. Later hoorde ik dat [verdachte] mij op mijn hoofd had geslagen met een hamer.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangever van 28 mei 2019, opgenomen op pagina 23 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :

Ik zag dat [verdachte] op mij af kwam. Het viel mij op dat toen [verdachte] daar stond hij meerdere keren met zijn handen onder zijn jas zat. Net alsof hij iets wilde pakken wat daar zou zitten. Ik voelde toen op dat moment een harde klap op mijn hoofd. Ik merkte dat ik aan het bloeden was. Ik heb van iemand van de beveiliging gehoord dat ik geslagen ben met een hamer. Toen ik op het hoofd werd geslagen door [verdachte] hoorde ik dat ik met iets van ijzer op mijn hoofd werd geslagen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 21 mei 2019, opgenomen op pagina 26 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 3] :

Op 25 mei 2019 was ik in Usquert met [verdachte] bij de kermis. [verdachte] duwde [slachtoffer 2] en daarna sloeg [verdachte] [slachtoffer 2] .

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 26 mei 2019, opgenomen op pagina 28 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2] :

Op 25 mei 2019 was ik als beveiliger werkzaam op de kermis in Usquert. Ik zag dat een jongen vanaf het kermisterrein richting de uitgang rende. Ik zag dat deze jongen een hamer in zijn linkerhand vasthield. Ik zag dat hij de hamer tegen zijn lichaam aanhield alsof hij deze wilde afschermen. Ik zag dat hij een licht getinte huid heeft. Ik zag daarna dat er een groepje jongens naar ons toe kwam rennen. Ik zag dat er bij deze groep een jongen was waarvan het hoofd onder het bloed zat. Ik zag dat hij een wond aan de rechterkant van zijn hoofd had. Ik hoorde de gewonde jongen vertellen dat hij geslagen was. Ik zag duidelijk dat de wond op het hoofd rond was. Dit kwam overeen met de hamer die ik gezien had.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 25 mei 2019, opgenomen op pagina 30 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 4] :

Ik was samen met [slachtoffer 2] naar de kermis in Usquert. Ik zag dat [verdachte] steeds met zijn rechterhand onder zijn shirt/ jas zat. Opeens uit het niets zag ik dat [verdachte] een hard voorwerp onder zijn shirt/jas pakte. Ik zag dat [verdachte] met het hard voorwerp een klap op het hoofd van [slachtoffer 2] sloeg. Ik zag dat [slachtoffer 2] bloed had aan zijn hoofd.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 26 mei 2019, opgenomen op pagina 32 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 5] :

Ik was samen met [slachtoffer 2] op de kermis in Usquert. Wij kwamen [verdachte] tegen. Opeens uit het niets zag ik dat [verdachte] een hard voorwerp onder zijn shirt pakte. Ik zag dat [verdachte] met het hard voorwerp een klap op het hoofd van [slachtoffer 2] sloeg. Ik zag dat [slachtoffer 2] bloed had aan zijn hoofd.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van 28 mei 2019, opgenomen op pagina 39 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van verdachte [verdachte] :

Op 25 mei 2019 was ik op de kermis in Usquert. Ik heb [slachtoffer 2] geslagen. Ik raakte hem ergens op zijn hoofd.

8. Een geneeskundige verklaring, op 12 juni 2019 opgemaakt en ondertekend door L.R. Pameijer, huisarts, opgenomen op pagina 47 van voornoemd dossier, inhoudend:

Medische informatie betreffende: [slachtoffer 2] .

Uitwendig waargenomen letsel: wijkende 2 cm grote hoofdwond. Gehecht middels 1 hechting. Blijvend litteken van de wond. Geschatte duur van genezing 3 weken, gehele litteken 1 jaar.

9. Een deskundigenrapport afkomstig van de GGD Groningen, parketnummer: 18/840028-19, van 26 september 2019 opgemaakt door T. van Mesdag, forensisch arts, inhoudend:

Vraagstelling: Past het letsel bij het slaan met een hamer op het hoofd?

Het letsel kan goed passen bij een barstwond. Een barstwond van de behaarde hoofdhuid kan

ontstaan door inwerking van van buitenaf komend stomp geweld met een hard voorwerp. Het

letsel kan passen bij het slaan met een hamer op het hoofd.

Ten aanzien van parketnummer 18/840059-19 primair (poging tot medeplegen van zware mishandeling van [slachtoffer 3] op 3 oktober 2019).

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 4 oktober 2019, opgenomen op pagina 36 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2019320390 van 5 december 2019, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3] :

Ik stapte op 3 oktober 2019 op het hoofdstation in Groningen in de trein naar Uithuizen. Ik had de trein van 21:22 uur. Toen ik in de trein zat zag ik [verdachte] . De andere jongen ken ik niet. Ik ben in Uithuizen uit de trein gestapt. Ik ben vervolgens naar huis gelopen. Ik zag dat [verdachte] en de andere jongen achter mij aanliepen. [verdachte] haalde mij in en kwam naast mij rennen. Toen [verdachte] naast mij rende pakte hij mij bij mijn nek, in een soort van wurggreep. Ik stond en [verdachte] en de andere jongen sloegen met vuisten op mijn hoofd. Ik zag dat, toen ze op mij afrenden gebalde vuisten hadden. Ik voelde dat zij beide met hun vuisten met kracht op mijn hoofd sloegen. Ik zag af en toe flitsen en werd het af en toe zwart. Toen ik op de grond lag hebben [verdachte] en de andere jongen mij tegen mijn hoofd geschopt,. Ze schopten zowel links als rechts meerde malen tegen mijn hoofd. Terwijl ik geschopt werd, zag ik kans om op te staan. Toen ik weer stond heb ik geprobeerd om weg te rennen maar ik werd tegen gehouden. Nadat ik werd tegen gehouden werd ik weer met vuisten tegen mijn hoofd geslagen. Ik werd door [verdachte] en de andere jongen tegen mijn hoofd geslagen. Ik zag toch een kans om weg te komen en rende ik weg. Toen ik thuis kwam voelde ik de pijn aan mijn hoofd. Ik kreeg hoofdpijn. Ook heb ik pijn aan mijn keel en kaken. Nadat ik enige tijd thuis was, voelde ik een verdikking onder mijn linkeroog. Ik voelde dat de plek erg pijn ging doet. De dokter heeft mij nagekeken en stelde vast dat ik vermoedelijk een hersenschudding heb. Verder heb ik een gekneusde kaak.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van 4 oktober 2019, opgenomen op pagina 46 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van verdachte [verdachte] :

Ik ging naar het hoofdstation, daar kwam ik een vriend tegen. We namen volgens mij de trein van 21:22 uur. Die vriend heet [medeverdachte 2] en woont in Uithuizen. Het is een Palestijn. Wij stapten uit op station Uithuizen. Er stapten daar nog meer mensen uit de trein.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van 4 oktober 2019, opgenomen op pagina 60 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van verdachte [medeverdachte 2] :

V: Je wordt verdacht van mishandeling gepleegd op 3 oktober 2019 omstreeks 22:03 uur. Ik zie dat je een beetje een dikke hand hebt, geen pijn?

A. Nee ik ben eergisteren gevallen. Ik woon in Uithuizen. Ik kom uit Syrië.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van 2 december 2019, opgenomen op pagina 69 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van verdachte [medeverdachte 2] :

O: We hebben je telefoon laten uitlezen en daaruit zijn wat dingen naar voren

gekomen. Ook hebben we de opgevraagde beelden ontvangen van de [bedrijf] .

V. Jouw telefoon is onderzocht, daaruit komt een geluidsfragment: naar voren. Ik ga

voorlezen wat er in dat geluidsfragment gezegd wordt: Ik citeer: "Broer, die tappa heeft van mij mattie zijn moeder die portemonnee gestolen en kwam altijd met 4, 5 jongens mijn mattie slaan dit dat hoela met hamer zelf enzo. Opeens ik wij stappen die trein in, wij zien die jonge hij stapt uit. Wij stappen achter hem, wij pakken hem, poem, poem poem die jongen ligt gewond in ziekenhuis, maar mijn mattie wordt herkend door die jonge, dus mijn mattie van zijn huis wordt opgehaald hij zit nu vast.

A. Heb ik dat gezegd? Ik weet het niet.

5. Een geneeskundige verklaring, op 17 oktober 2019 opgemaakt en ondertekend door huisarts J.S. Wolters, opgenomen op pagina 80 e.v. van voornoemd dossier voor zover inhoudend, als zijn/haar verklaring:

Onderzoek van [slachtoffer 3] op 3 oktober 2019. Er is vermoeden van niet uitwendig waarneembaar letsel. Diagnose doktersdienst: hoofdletsel met hersenschudding.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 10 oktober 2019, opgenomen op pagina 111 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant 6]:

Ik zag op de door [bedrijf] aangeleverde camerabeelden, gedateerd 3 oktober 2019:

Te 21:27:36 uur zag ik [verdachte] en [medeverdachte 2] opstaan er in de richting van de

camera komen lopen. Te 21:27:39 uur komt [medeverdachte 2] duidelijk in beeld en herken ik hem duidelijk aan zijn gezicht. Zie bijgevoegde foto, bijlage 1.

Ten aanzien van parketnummer 18/840003-20 sub 1 en 2 (medeplegen afpersing aan de Westerhaven te Groningen op 6 april 2019 en een poging daartoe)

De rechtbank acht op basis van na te melden bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met de medeverdachten op 18 juni 2019 aan de Westerhaven te Groningen, [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] hebben beroofd en gepoogd [slachtoffer 6] te beroven.

Als de rechtbank de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang op een rij zet, dan ontstaat het volgende beeld.

Aangevers [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] hebben verklaard over wat er aan de (poging tot) beroving vooraf ging en wat er zich vervolgens heeft afgespeeld tijdens en na die (poging tot) beroving. Zij maken melding van een groepje van vijf jongens. Drie van die jongens trokken, na wat een vriendelijk gesprek leek, een mes.

[getuige 1] was één van die vijf jongens. Dat heeft hij zelf aan de politie bevestigd tijdens een verhoor. [getuige 1] heeft in dat verhoor geen namen willen noemen van de andere vier jongens omdat hij ze niet wilde verraden. Wel heeft [getuige 1] verteld wat er volgens hem die avond is gebeurd. De rechtbank constateert dat [getuige 1] hetzelfde verhaal vertelt als de aangevers. Nadat ze eerst met zijn vijven hebben gerookt en gepraat wordt geopperd om de aangevers hun spullen af te pakken, ze lopen naar de andere jongens, er wordt een mes getrokken, dat wordt op de borst van één van de aangevers gezet en de andere jongens geven onder dwang onder meer hun jassen af. [getuige 1] weet ook de merken van die jassen te noemen, Nappapijri en Stone Island. Het groepje van vijf waar [getuige 1] bij hoor vlucht dan naar rechts, aldus ook [getuige 1] .

De politie is met [getuige 1] gaan praten omdat [slachtoffer 1] aan de politie dat [getuige 1] over de overval aan de Westerhaven had gesproken. De informatie van [slachtoffer 1] , dat [getuige 1] daarbij was en daar meer over weet, die informatie klopte. [slachtoffer 1] heeft ook aan de politie verteld wat hij verder van [getuige 1] heeft gehoord en wat hij zelf heeft gezien. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij op 19 april 2019 heeft gezien dat [medeverdachte 1] een grijze Stone Island jas droeg. Een andere daarbij aanwezige jongen droeg op dat moment een grijs/zwarte Napapijri jas, aldus [slachtoffer 1] . Dat was volgens [slachtoffer 1] een jongen van 17/18 jaar, met een Turks uiterlijk, maar dan met een volgens [slachtoffer 1] opvallend witte huidskleur. [slachtoffer 1] noemt ook een door hem geschatte lengte, beschrijft die jongen met dat Turkse uiterlijk ook verder. De beschrijving die [slachtoffer 1] geeft komt overeen met de beschrijving die [slachtoffer 6] en [slachtoffer 4] hebben gegeven van de jongen die [slachtoffer 6] bedreigde. [slachtoffer 1] heeft verdachte later aan de hand van een foto ook herkend. Dan ziet [slachtoffer 1] verdachte dus in een jas die qua kleur en merk overeenkomt met de jas die is afgenomen van [slachtoffer 5] , terwijl hij [medeverdachte 1] ziet in een jas van het merk en in de kleur die is afgenomen van [slachtoffer 4] .

[slachtoffer 1] heeft verder verklaard dat hij van [getuige 1] heeft gehoord dat naast [getuige 1] ook [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] betrokken waren bij de straatroof aan de Westerhaven. Ook heeft [getuige 1] verteld dat hij en de ander betrokken jongens bang waren dat [medeverdachte 3] was opgepakt voor die straatroof, toen [medeverdachte 3] was aangehouden.

[getuige 1] heeft aan de politie niet willen vertellen wie die andere jongens waren, maar is hij wel bevraagd over [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en over zijn vrienden in het algemeen. Als hem naar zijn vrienden wordt gevraagd, dan noemt hij vijf namen, waaronder [verdachte] , een Turkse jongen van ook 15 jaar. [medeverdachte 1] kent hij via via. Die zag hij twee, drie keer in de week. [medeverdachte 3] kent hij van school. Die zag hij destijds veel.

Dat [medeverdachte 1] inderdaad onrustig is geworden nadat [medeverdachte 3] was aangehouden heeft de politie bevestigd gekregen door een chatgesprek tussen beide jongens van 20 april 2019. [medeverdachte 3] stelt [medeverdachte 1] gerust dat hij niet zat voor die ding met hem en dat hij over “onze torrie” niet zal snitchen.

De betrokkenheid van [medeverdachte 1] wordt verder onderbouwd doordat bij [medeverdachte 1] een broek is aangetroffen die bij de straatroof is gestolen. In de rugzak van [slachtoffer 4] zat een blauwe joggingbroek van het merk Tommy Hilfiger. Bij [medeverdachte 1] is een broek aangetroffen van het merk en het type broek dat is ontvreemd, in dezelfde kleur en dezelfde maat. Hoe [medeverdachte 1] aan die broek komt is zijn moeder, gezien haar reactie, niet bekend. Mocht er nog enige twijfel zijn over de vraag of dit meer is dan stom toeval, dan verdwijnt die twijfel door het onderscheidende kenmerk (een gaatje in een achterzak) dat door [slachtoffer 4] werd herkend.

Dat de drie jongens op de avond van 6 april 2019 bij elkaar waren kan verder worden onderbouwd door de telecomgegevens. [medeverdachte 1] en [verdachte] waren rond 21.00 uur samen in Haren. [medeverdachte 3] heeft bevestigd dat hij die avond in gezelschap was van [verdachte] . De telefoons van [medeverdachte 3] en [verdachte] stonden rond de tijd van de straatroof kennelijk uit, althans zij hebben in die periode geen enkele mast aangestraald. Kort voor de straatroof straalde de telefoon van [medeverdachte 1] een mast aan bij de Westerhaven, vlak bij de plaats waar de straatroof plaatsvond. Kort nadat de vijf jongens die de straatroof pleegden straalden hun telefoons een mast aan in de buurt van het hoofdstation. Dat hoofdstation bereik je vanaf de plek waar de straatroof plaatsvond het snelst door naar rechts te gaan, in de richting van de brug over het water

Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank ook zonder de herkenning van verdachte ter zitting het bewijs van dit feit wettig en overtuigd aanwezig.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 7 april 2019, opgenomen op pagina 12 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NN2R019070 Los Angeles van 2 december 2019, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 6] :

Ik was op 6 april 2019 met [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] omstreeks 22.30 uur in het dakparkje aan de Westerhaven te Groningen. We hadden een JBL Charge 3 luidsprekertje bij ons. Toen wij alleen met dat groepje van 5 jongens overbleven kwam de groep (weer) naar ons toe. Plotseling sloeg de stemming om. 3 van de 5 jongens trokken een mes en bedreigden ons daarmee. Bij mij werd een mes met het lemmet op mijn borst gezet. Ik zag dat [slachtoffer 4] een mes op zijn keel kreeg gedrukt. Ik hoorde dat er gezegd werd; Jassen uit, schoenen uit en tassen af. En geen melding bij de politie maken anders zoeken wij jullie op. Ik zag dat [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] hun jas en tas aan de jongens afgaven. [slachtoffer 5] deed ook zijn schoenen uit. Deze lieten de daders later achter. Ik heb niets afgegeven. De jongen die volgens mij de leiding van de groep had sprak ons nadien nog persoonlijk toe. Hij zei dat wij zeker geen aangifte bij de politie moesten doen. Mijn vrienden werden belaagd door 4 personen. Ik werd belaagd door 1 dader. Kort daarop pakten de jongens de spullen van [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] bij elkaar en ging men er hard lopend vandoor. Ik kan het volgende over de jongens die ons beroofd hebben vertellen,

De leider (volgens mij) van de groep;

Blanke jongen met vermoedelijk een nep buitenlands accent.

Blond opgeschoren haar (naar voren gekamd.)

ongeveer 16 jaar oud en sportief uiterlijk.

lengte ongeveer 1.80

glad gezicht, geen baard/snor/puisten o.i.d.

Hij droeg donkere kleding. Eerst droeg hij een capuchon. Deze deed hij later af.

Hij droeg vermoedelijk hoody met jas er over heen.

Deze jongen had ook een mes in zijn handen. Ik hoorde van [slachtoffer 4] dat het een vlindermes

betrof. Ik heb dat mes zelf niet gezien.

Dader 2. (man die mij mes op de borst heeft gezet.)

Jongen van Turkse afkomst.

zwarte stippeltjes (onvolgroeid) snor

Deze dader had steeds capuchon op.

Hij droeg gewatteerde jas met gladde mouwen. (zwart of donker van kleur)

Hij was slank en tenger maar groter dan 1.80

Deze jongen was ouder dan de rest. Ik denk 17/18 jaar oud.

Deze jongen zette een mes op mijn borst. Het was een soort zakmes, Volgens mij was

het een mes met een donkerkleurig houten handvat.

Van dader 3, 4 en 5 kan ik niet zoveel vertellen.

Ik weet dat alle daders in het donker gekleed waren.

1. jongen droeg een opvallende wijde donkergrijze joggingbroek.

1. jongen droeg een opvallende Canada Joose jas met opvallend rood logo op de mouw.

Het was een lange donker kleurige winterjas.

Alle drie jongens waren blank en vermoedelijk van Nederlandse afkomst.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 7 april 2019, opgenomen op pagina 17e.v. van voornoemd het dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 4] :

Op 6 april 2019 omstreeks 22.10 uur, zat ik samen met [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] , op een bankje in het parkje aan de Westerhaven te Groningen. Tien minuten later zagen wij dat er een groepje van vijf jongens op ons af kwamen lopen. Ik zag dat een van de jongens een mes uit klapte. Ik zag dat de jongen met het mes [slachtoffer 5] bij zijn keel vast pakte en dat hij het mes voor [slachtoffer 5] zijn keel hield. Ik hoorde dat de jongen tegen [slachtoffer 5] zei ‘‘Trek je schoenen en je jas uit!’’. Ik zag in mijn ooghoeken dat [slachtoffer 5] zijn schoenen en zijn jas uit deed. Terwijl ik dat zag, zag ik dat de andere twee jongens ook een mes uit klapten. Ik hoorde dat een van de jongens tegen mij zei ‘‘ Trek je jas en je schoenen uit!’’. Ik zag dat deze jongen heel dicht bij mij stond en voelde dat hij het mes tegen mijn keel hield. Ik deed hierna mijn jas uit toen ik zag dat de jongen mijn jas gelijk uit mijn handen pakte. Ik zag dat de jongen die mijn jas had ook mijn tas van de grond af pakte en bij zich hield. Terwijl de jongen het mes voor mijn keel hield zag ik dat de andere jongen een mes gericht had op [slachtoffer 6] . Ik zag dat de jongen die bij [slachtoffer 5] stond, de jas van [slachtoffer 5] vast hield en dat hij de tas van [slachtoffer 5] pakte. Ik zag dat de jongens weg wilden lopen, terwijl zij weg wilden lopen zag ik dat een van de jongens [slachtoffer 6] nog bedreigde met het mes ter hoogte van zijn borst en vroeg wat voor jas [slachtoffer 6] aan had. Ik zag de jongens lachend wegrennen met onze spullen in de richting van het station. De jongens hebben van mij mijn zwarte tas van het merk North face’’ weggenomen en mijn donker blauwe/ grijze jas van het merk ‘‘Stone Island’’. Ik zag ook dat de jas en de tas van [slachtoffer 5] gestolen was. Dit was een zwarte jas van het merk NAPAPIJRI. Ik kan twee van de jongens omschrijven, de rest van de jongens waren ook van Nederlandse afkomst maar kan ik niet verder omschrijven omdat zij zwarte capuchons op hadden. In mijn North face tas zaten de volgende goederen, een Sport bidon, rekenmachine van liet merk Casio, trui van liet merk de ELEMENT, Jogging broek van het merk Tommy Hilfiger, Groen shirt van het merk NAPAPIJRI, Parfum flesje van Scotch en Soda en een menzis zorgpas. Ik kan de jongen die [slachtoffer 6] bedreigde met het mes als volgt omschrijven:

— plusmines 185 — 190 cm lang

— Turks uiterlijk

— Dun

— Stoppeltjes Snor

— Stoppeltjes baart

— Zwarte jas met capuchon

— Bruine ogen

Daarnaast kan ik nog een van de jongens omschrijven, hij bedreigde mij of [slachtoffer 5] met het mes. — plusminus 180 cm lang

— Zijkant haar kort geschoren

— Donker blond/bruin hoofdhaar zat naar voren.

— Zwarte capuchon op

— Zwarte jas

— Spijkerbroek aan

Hierbij werden de goederen, zoals genoemd op de bijlage goederen weggenomen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 7 april 2019, opgenomen op pagina 22 e.v. van voornoemd het dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 5] :

Op 6 april 2019 zat ik samen met [slachtoffer 6] en [slachtoffer 4] in het parkje van de Westerhaven te Groningen. Ik denk dat wij daar net na 21.30 zijn gaan zitten. Op enig moment, ik denk dat wij toen inmiddels een half uurtje op de trap hadden gezeten, kwam er een groepje van 5 jongens de trap op. Na die 15 minuten kwamen de jongens onze kant opgelopen. Van ons drieën zat [slachtoffer 4] in het midden. Ik zag dat 1 jongen naast mij ging zitten. Daarnaast ging nog een jongen zitten. De andere 3 jongens bleven staan. Ineens maakte een jongen, ik noem hem de Turkse jongen, een soort klikgeluid. Een soort seintje ofzo. Ik zag dat de jongen die naast mij zat op stond. Ik zag dat hij naar een jongen met blond haar liep en dat zij beiden iets fluisterden. Plotseling, in een hele snelle beweging, hield de jongen die naast mij zat iets bij mijn keel. Ik keek ernaar en zag dat hij een mes in zijn handen had Het was een uitklapbaar mes. Ik hoorde dat de jongen met het mes begon te schreeuwen ‘doe je schoenen uit, doe je schoenen uit!’ Daarna hoorde ik ‘doe je jas uit en je pet af’. Ik hoorde dat toen ook de andere jongens dingen begonnen te roepen naar [slachtoffer 4] en [slachtoffer 6]. Volgens mij hoorde ik dat ze tegen hen ook riepen dat ze hun jas uit moesten doen. Ik deed gewoon wat ze vroegen van ons want ik wilde echt geen mes tussen mijn ribben. Al mijn spullen werden afgenomen, waaronder ook mijn huissleutel. Ik heb mijn jas uit gedaan. Ik hoorde vervolgens dat er geroepen werd dat ik mijn vest uit moest doen. Ik deed daarop mijn vest uit. Toen ik mijn vest uittrok liepen de jongens ook al weer weg. Ik zag nog wel dat de jongen die naast mij zat, en dus het mes in zijn handen had, het mes voor [slachtoffer 4] zijn gezicht hield. Ik keek om mij heen en zag dat mijn schoenen nog op de trap stonden. Ik had mijn vest, die ik eerder daarvoor nog uit moest doen, in mijn handen dus die deed ik weer aan. Uiteindelijk bleken de volgende spullen van mij weggenomen te zijn:

— een donkerblauwe baseball pet van het merk Ellesse.

— mijn zwarte jas van het merk Napa Pijn.

— mijn donkerblauwe Eastpak tas. In de tas zat een zwarte JEL box charge 3, een snoertje van de Iphone oplader, mijn huissleutels, een drinkfles van het merk Dopper, aluminium kleurig met de opdruk van NAM. Verder zaten er nog goederen in de tas die ik voor school gebruik zoals een rekenmachine en pennen en mogelijk een passer.

Alle jongens zijn weggerend, over de Sluiskade in de richting van een brug die daar staat. Hierbij werden de goederen, zoals genoemd op de bijlage goederen, weggenomen.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 9 mei 2019, opgenomen op pagina 28 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :

Op 19 april 2019 kwamen er 3 andere jongens aangelopen. Ik herkende één van deze jongens als [medeverdachte 1] . Deze avond droeg hij een grijze Stone Island jas. Er wordt over [medeverdachte 1] gepraat binnen [stichting] dat hij de straatroof aan de Westerhaven gepleegd heeft met een aantal andere jongens en dat hij daar deze Stone Island jas buit gemaakt zou hebben. De andere jongens die erbij waren ken ik niet maar kan ik als volgt beschrijven: de één was een jongen van ongeveer 17 a 18 jaar, ongeveer 1.85 m groot met een Turks uiterlijk, waarbij ik hem een opvallend witte huidskleur vond hebben. Hij had een kort geschoren, zwart baardje rond zijn mond en verder een geschoren gezicht. Hij droeg op dat moment een grijs/zwarte zomerjas van het merk Napapijri. De andere jongen was een licht getinte jongen van 1.70 m groot en 15 a 16 jaar oud. Ik zag dat [medeverdachte 1] en de jongen met het Turkse uiterlijk een mes bij zich hadden.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangever van 30 mei 2019, opgenomen op pagina 36 e.v. van voornoemd het dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :

V: In je aangifte verklaar je dat er over [medeverdachte 1] wordt gepraat binnen [stichting] dat hij de straatroof aan de Westerhaven heeft gepleegd samen met een aantal andere jongens en dat hij daar de grijze Stone Island jas heeft buit gemaakt welke hij op 19 april 2019 draagt. Van wie heb jij dat gehoord?

A: 0 die [medeverdachte 1] , ja ja ja daar praten ze gewoon over. [getuige 1] praat erover dat hij erbij was en toen [medeverdachte 3] gepakt was, waren ze bang dat hij daarvoor gepakt was. Ik heb [medeverdachte 1] met die “Stone”jas zien rondlopen. Een grijze “Stone Island” jas. [medeverdachte 1] zei dat hij daarvan was. Ik heb daarna op 112 Groningen gekeken en toen stond het er ook nog echt.

V: Je had het ook over [medeverdachte 3] , wat was daar mee?

A: Die was toen opgepakt, ik weet niet waarvoor. Ze dachten dat hij voor de straatroof was aangehouden, maar toen praatten ze er over. Ik had het ook al van [getuige 1] gehoord.

V: Weet jij nog meer die betrokken waren bij die straatroof op de Westerhaven?

A: Nee ik weet alleen van die 3 namen, daarvan heb ik het gehoord.

V: Je vertelde over de Stone Island jas, kun je daar meer over vertellen?

A: Redelijk lange jas, tot op de heup. Met capuchon. Beetje hoody achtige jas, grote

capuchon. Het was een Stone jas, dus een Stone logo op de linker arm. Grijs van kleur.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 3 juni 2019, opgenomen op pagina 41 e.v. van voornoemd het dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :

Gelet op de verklaring van aangever [slachtoffer 1] waarin hij, kort weergegeven verklaard dat hij enkele malen is aangevallen/beroofd/mishandeld door een Turkse jongen is er nader onderzoek verricht naar deze verdachte. [slachtoffer 1] verklaarde dat de verdachte met het Turkse uiterlijk tijdens het plegen van dit feit in het gezelschap was van een jongen genaamd [medeverdachte 1] en een meisje genaamd [naam 3] . Uit een registratie opgemaakt in BVH bleek dat een half uur voor de straatroof op 19 april 2019 een jongen genaamd [medeverdachte 1] ( [medeverdachte 1] ) en een meisje genaamd [naam 3] waren gecontroleerd door de politie. [medeverdachte 1] en [naam 3] waren toen in het gezelschap van onder meer een Turkse jongen genaamd [verdachte] . [verdachte] bleek tevens te passen binnen het signalement welke door aangever [slachtoffer 1] werd opgegeven. Op 3 juni 2019 toonden wij verbalisanten aangever [slachtoffer 1] een foto (tweeluik) van [verdachte] : Antwoord aangever [slachtoffer 1] : Ja, dit is m. Dit is die Turkse jongen die mij heeft overvallen. Ik herken hem aan zijn snorretje en zijn hoofd. Die is spits. De getoonde foto wordt door ons als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verdenking van 25 juni 2019, opgenomen op pagina 54 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :

Op 6 april 2019 heeft er een straatroof plaats gevonden op de Westerhaven te Groningen. De drie slachtoffers zaten achter de Mediamarkt in het parkje te chillen en muziek te luisteren. [medeverdachte 1] ( [medeverdachte 1] ) zou ook betrokken zijn bij de straatroof en zou de jas dragen die buit gemaakt is tijdens deze straatroof. Een van de daders zou verteld hebben tijdens de straatroof Westerhaven dat hij bij Kardinge op school zit en 16 jaar oud zou zijn. [medeverdachte 1] heeft tijdens een eerder verhoor verklaard dat hij op de Kluiverboom op school zit. Deze school ligt nabij het Kardinge complex. [medeverdachte 1] is tevens 16 jaar. Een van de slachtoffers verklaard dat een van de daders donkerblond/bruin haar had en zijkanten opgeschoren, bovenkant haar naar voren gedragen. Dit is passend in het signalement van [medeverdachte 1] .

8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 24 juli 2019, opgenomen op pagina 62 e.v. van voornoemd het dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 4] :

Op 9 juli 2019 hadden wij een afspraak met [naam 4] , de moeder van [medeverdachte 1] in haar woning. Zij toonde ons een blauwe trainingsbroek van het merk Tommy Hilfiger. Toen wij deze broek zagen deed dit ons denken aan de blauwe trainingsbroek van Tommy Hilfiger welke is weggenomen bij de diefstal met geweld aan de Westerhaven op 6 april 2019. Toen wij aan mevrouw [medeverdachte 1] vroegen of deze broek van [medeverdachte 1] was, hoorden wij haar zeggen: ‘Hij zou deze broek wel eens in de aanbieding gekocht kunnen hebben’. Wij hebben daarop besloten om deze trainingsbroek voor verder onderzoek in beslag te nemen.

9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 11 juli 2019, opgenomen op pagina 64. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant 4] :

Ik heb op 10 juli 2019 in het kader van het onderzoek straatroof Westerhaven telefonische contact opgenomen met aangever [slachtoffer 4] . Ik vroeg aan [slachtoffer 4] of hij specifiek kon omschrijven hoe zijn weggenomen Tommy Hilfiger broek er uit zag.

Ik hoorde [slachtoffer 4] zeggen dat het een donkerblauwe joggingbroek van het merk Tommy

Hilfiger was. Ik hoorde [slachtoffer 4] zeggen dat er op de broeksband van de blauwe jogging broek in grote letters Hilfiger stond. Ik vroeg aan de [slachtoffer 4] wat voor maat de broek was waarna ik [slachtoffer 4] hoorde zeggen dat de broek een maat 164 was. Ik vroeg aan [slachtoffer 4] of er nog meerdere specifieke kenmerken waren aan broek. Ik hoorde [slachtoffer 4] zeggen dat er bij de broekzak aan de linker of rechterkant een klein merkteken van Hilfiger stond. Ik zei tegen [slachtoffer 4] dat ik de specificaties van de jogging broek genoteerd had en dat ik verder zou gaan met het onderzoek. Ik had op het moment dat ik [slachtoffer 4] aan de telefoon had een soort gelijke blauwe jogging broek van het merk Tomy Hilfiger voor mij liggen welke in beslag is genomen. Ik herkende de omschrijving van [slachtoffer 4] over de Tommy Hilfiger broek als de Tommy Hilfiger broek die ik voor mij had liggen.

10. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van 11 juli 2019, opgenomen op pagina 75 e.v. van voornoemd het dossier, inhoudend als verklaring van verdachte [medeverdachte 1] :

V: Dan zullen wij jou nu een aantal vragen stellen over de diefstal met geweld op zaterdag 6 april 2019 tussen 22:00 uur en 23:00 uur aan de Westerhaven in Groningen. Wij hebben de historische print gegevens van jou telefoon onderzocht en daaruit blijkt dat jou telefoon op 6 april 2019 om 22:02 uur de mast Westerhaven 13 in Groningen aanstraalt. Hiermee kunnen wij precies zien waar jou telefoon is geweest. Wat kun jij hierover verklaren?

A: Het zou wel kunnen.

11. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van 29 juli 2019, opgenomen op pagina 85 e.v. van voornoemd het dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 4] :

0: Wij verbalisanten tonen de in beslag genomen Tommy Hilfiger broek aan aangever [slachtoffer 4]

A: Aangever herkent de broek als de broek die van hem is weggenomen bij de straatroof

aan de Westerhaven op 6 april 2019. Hij zegt dat het 100% deze broek is. Ik weet dat ik de broek niet zoveel aan had omdat mijn telefoon steeds uit mijn broek viel omdat de broek hele kleine broekzakjes had. Ik herken het kleine logo aan de voorzijde en de achterzijde van de broek en nu weet ik weer dat het grote logo aan de voorzijde van de broek Hilfiger is. Ik wist niet meer zeker of er Tommy of Hilfiger stond.

0: Wij laten zien dat er in de kontzak aan de achterzijde van de broek een klein gat aan de onderzijde van de naad zit en vragen of hij dit herkent.

A: [slachtoffer 4] zegt dat hij het gat aan de broekzak aan de achter herkent. Hij heeft hier namelijk een pen ingestopt die hier wel eens doorheen is gevallen. Ook herken ik de boord aan het uiteinde van mijn broekspijpen.

12. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 20 augustus 2019, opgenomen op pagina 93 e.v. van voornoemd het dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant 5] :

Gedurende het onderzoek werden historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [medeverdachte 3] , te weten [mobielnummer] aangevraagd voor een periode van 6 april 2019 13.20 tot en met 7 april 2019 03.56 uur.

- op genoemde datum van 6 april 2019 te 22:33 uur, kennelijk 2 keer een mast wordt

aangestraald die geplaatst is op de Stationsplein 7 te Groningen. Dit is kort na het

gepleegde straatroof op 6 april 2019. In de proces verbaal van aangifte van

straatroof op 6 april word onder andere verklaard dat de daders richting station

wegliepen.

— op genoemde datum van 6 april 2019 tussen 19:49 uur, (1) één uitgaande verbindingen

tot stand gekomen met telefoonnummer 0627197338. Naar later bleek genoemde

telefoonnummer te zijn van verdachte [medeverdachte 1] . Hierbij werd mast aan de Hereweg 120 te

Groningen aangestraald,

- op genoemde datum van 6 april 2019 op 22:33 uur, één (1) uitgaande verbindingen tot

stand gekomen met telefoonnummer [mobielnummer] . Naar later bleek genoemde telefoonnummer te zijn van getuige [getuige 6] . Hierbij werd mast aan de Stationsplein 7 te Groningen aangestraald,

— op genoemde datum van 6 april 2019 op 22:57, twee (2) inkomende sms contacten met

telefoonnummer [mobielnummer] zijn ontvangen. Naar later bleek genoemde telefoonnummer te

zijn van verdachte [verdachte] . Hierbij werd mast aan de Groenesteinflat Helperbrink 61 te

Groningen aangestraald,

— op genoemde datum van 6 april 2019 tussen 22:57 en 23:02 uur, vijf (5) inkomende en

drie (3) uitgaande verbindingen tot stand gekomen met telefoonnummer [mobielnummer] . Naar

later bleek genoemde telefoonnummer te zijn van betrokkene [medeverdachte 4] . Hierbij werd

mast aan de Groenesteinflat Helperbrink 61 te Groningen aangestraald.

13. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 21 augustus 2019, opgenomen op pagina 105e.v. van voornoemd het dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant 4] :

Op 6 april 2019 is er tussen 22.20 uur en 22:30 uur een straatroof is gepleegd aan de

Westerhaven. In het bijgevoegde overzicht is te zien dat de telefoon van [verdachte] op 6 april 2019 net voor de straatroof aanstraalt in Haren aan de Nesciolaan 32 om 21:05 uur. Uit de mast gegevens blijkt dat de telefoon van [verdachte] tijdens de straatroof uitstaat/geen verbindingen maakt. De straatroof is gepleegd tussen 22.20 uur en 22:30 uur aan de Westerhaven. Net na de straatroof om 22.52 uur straalt [verdachte] de mast aan Stationsplein 7 te Groningen aan. Om 22:57 uur stuurt [verdachte] een SMS naar [mobielnummer] welke op naam staat van [medeverdachte 3] . Het valt op dat de telefoon exact tussen 21:05 uur en 22:52 uur geen gegevens heeft. Tussen deze tijden om 22.20 uur heeft de straatroof aan de Westerhaven plaatsgevonden.

14. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 29 augustus 2019, opgenomen op pagina 118e.v. van voornoemd het dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant 4] :

Op zaterdag 6 april 2019 omstreeks 22.15 uur heeft er een straatroof aan de Westerhaven plaatsgevonden.. De verdachten zijn gevlucht in de richting van het station te Groningen. Op basis van het signalement die door de aangevers van de straatroof Westerhaven werden benoemd, hebben wij een verder onderzoek ingesteld. Uit het onderzoek blijkt [verdachte] volledig aan het signalement voldoet en tevens voor komt in de groep waarin de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [getuige 1] zitten. Hierop hebben wij de historische gegevens van [verdachte] opgevraagd. Van de providers KPN, Tele 2 en Vodafone werden onderstaande gegevens ontvangen.

Nr Gebruiker Telefoonnr. Periode Provider

1. [medeverdachte 1] [mobielnummer] 1 april 2019 tlm 22 juli 2019 Vodafone

2. [medeverdachte 3] [mobielnummer] 6 april 2019 Um 16 juli 2019 Vodafone

3. [getuige 1] [mobielnummer] 6 april 2019 tlm [geboortedatum] 2019 Tele 2

4. [verdachte] [mobielnummer] 1 maart 2019 t/m 22 juni 2019 KPN

Straatroof Westerhaven gepleegd tussen 22.20 uur en 22.30 uur.

• De telefoonnummers van verdachte [medeverdachte 1] en [verdachte] stralen voor de straatroof beiden aan in Haren. [verdachte] straalt om 21:05 uur aan op de mast aan de Nesciolaan 32 te Haren. [medeverdachte 1] straalt om 20:49 uur aan op de mast aan het Raadhuisplein 13 te Haren.

• De telefoon van [medeverdachte 1] straalt hierna om 22:02 uur aan op de Westerhaven 13 te

Groningen.

• De telefoon van [medeverdachte 3] straalt om 21:38 uur aan de Trompsingel 7 te Groningen en daarna pas weer om 22:33 uur aan het Stationsplein 7 te Groningen. Tussen 21:38 uur en 22:33 uur heeft de telefoon van [medeverdachte 3] geen data.

• De telefoon van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] stralen net na de straatroof die gepleegd is

tussen 22:20 uur en 22:30 uur beiden aan om 22.33 uur aan de mast op Stationsplein 7 te Groningen.

• De telefoon van [verdachte] straalt nadat hij de mast aan de Nesciolaan in Haren had aangestraald niets meer aan tot net na de straatroof om 22:52 uur aan de Stationsplein 7 te Groningen. De telefoon van [verdachte] heeft dus tussen 21:05 uur en 22:52 uur geen data.

Ongeveer één uur voor de straatroof aan de Westerhaven zijn de telefoonnummers die in

gebruik zijn van verdachte [medeverdachte 1] en [verdachte] kennelijk dicht bij elkaar. De

telefoons stralen beiden aan in Haren. [verdachte] straalt om 21 :05 uur aan op de

Nesciolaan 32 te Haren. [medeverdachte 1] straalt om 20:49 uur aan op de mast aan het Raadhuisplein

13 te Haren.

Uit de historische mast gegevens blijkt dat [medeverdachte 1] voor de straatroof om 22:02 uur aan

de Westerhaven was.

Vlak na de straatroof aan de Westethaven zijn de telefoons die in gebruik zijn van verdachten

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] kennelijk dicht bij elkaar. Beide telefoons stralen om 22.33 uur aan de

mast op Stationsplein 7 te Groningen aan.

Wat opvallend is, is dat de telefoon van [verdachte] na de straatroof om 22:52 uur aanstraalt aan de Stationsplein 7 te Groningen.

15. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van 24 september 2019, opgenomen op pagina 134 e.v. van voornoemd het dossier, inhoudend als verklaring van verdachte [getuige 1] :

V: We willen het graag met je hebben over een straatroof aan de Westerhaven te Groningen op 06 april 2019 rond 22.20 uur.

A: Ik zat bij die bankjes daar, met daar nog een paar jongens. Er kwamen toen nog een paar

jongens aan. Die gingen die daar ook zitten. En toen zei iemand, we kunnen hun spullen wel

afpakken. Ik dacht eerst dat het een grapje was. We liepen er langs. 1 van die jongens waar ik bij was, trok een mes en toen zeiden ze dat ze de kleren uit moesten doen. En dat was..

V: Hoe is dat gegaan? Bij de Westerhaven?

A: Er kwamen 3 jongens aan.

V: Er was 1 uit de groep die met het idee kwam. We bleven eerst even zitten, daarna liepen we weg we liepen in de richting van de jongen. We gingen daar eerst mee praten. Daarna pakte 1 uit de groep een mes en zei dat ze hun kleren uit moesten doen.

V: Met hoeveel waren jullie op dat moment?

A: 5 jongens

V: Er wordt dat mes getrokken en dan?

A: Ik zag dat het mes werd getrokken, ik schrok. Ik deed een stap achteruit. Twee anderen stappen naar voren en helpen degene die het mes trok.

V: Hoe doen ze dan?

A: Die pakken de kleren aan. 3 jassen volgens mij

V: Wat gebeurde erna?

A: Ze rende weg en ik ging achter hun aan? Richting het hoofdstation

V: Wat voor jassen zijn er weggenomen?

A: Napapijri en een Stone Island

V: Je vertelde in het begin over een vriend, genaamd [verdachte] . Wie is [verdachte] ?

A: Een Turkse jongen. Ook 15 jaar. Uit [woonplaats] .

V: Even terug naar de straatroof. De aangevers zeggen dat er 3 messen zijn gebruikt. Wat kun je daar over zeggen?

A: Ik meende dat er 1 mes is gebruikt. Hij richtte het mes op hem.

V: De andere aangever zegt dat hij echt de mes op de borst heeft gehad, wat kun je daar over

zeggen?

A: Ik denk dat ik dat heb gezien, maar verder weet ik het niet

V: wat heb jij gezien van die andere twee jongens die hielpen?

A: Die stonden daar en pakte de kleren aan?

V: waar is die rugzak gebleven?

A: die heeft 1 van die jongens meegenomen.

V: van wie was die rugtas?

A: van 1 van die jongens gestolen. Volgens mij een grijze een East pack.

16. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van 10 september 2019, opgenomen op pagina 157 e.v. van voornoemd het dossier, inhoudend als verklaring van verdachte [medeverdachte 3] :

V: Dan willen wij jou nu een aantal vragen stellen over de diefstal met geweld op zaterdag 6 april 2019 tussen 22:15 uur en 22:40 uur aan de Westerhaven in Groningen.

0: Verbalisant toont een chatgesprek tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] van 20 april 2019. Dit chatgesprek is toegevoegd in bijlage 1. Zoals je al wist hebben wij telegram chatgespreken uit de inbeslaggenomen telefoon van [medeverdachte 1] . Het telefoonnummer dat jij gisteren hebt opgegeven als jou telefoonnummer, ( [mobielnummer] ) is het telefoonnummer wat in dit chatgesprek is gebruikt onder de naam [medeverdachte 3] . Ben jij [medeverdachte 3] ?

A:Ja dat is mogelijk. Dan heeft [medeverdachte 1] mij erin gezet als [medeverdachte 3]

V: Wat bedoel je in dit gesprek met “ Torie”? Volgens ons is dat straattaal voor overval.

Wat bedoel je met ‘ snitchen”?

A: Dat ik niet praat.

V: Wat bedoel je met “zat niet voor die ding met jou”

A: Dat gaat waarschijnlijk om die torie.

V: Zoals ik het lees zeg jij: “Als ik klem wordt gezet in het verhoor met de politie over onze overval, dan zal ik je niet verraden. Geen stress”. Wat kun je hierover verklaren?

A: Onze overval? Torie is geen overval.

V: Wij hebben de historische print gegevens van jou telefoon onderzocht. Hiermee kunnen wij precies zien waar jou telefoon is geweest. Uit deze gegevens blijkt dat jou telefoon op 6 april 2019 om 21:38 uur de mast aan de Trompsingel 7 in Groningen aanstraalt. Wat kun jij hierover verklaren?

A: Waarschijnlijk was ik dan zuiderdiep of blauwe bankjes, dat is op de Winschoterkade. Maar dat weet ik ook niet zeker.

V: Uit de historische gegevens blijkt dat jou telefoon om 20:55 uur het Raadhuisplein 13 in Haren aanstraalt. Wat kun je daarover verklaren?

A: Dat zou heel goed kunnen. Dat weet ik toch niet. Ik was best vaak in Haren.

V: Uit de historische gegevens blijkt dat de telefoon van [medeverdachte 1] om 20:49 uur ook

aanstraalt op het Raadhuisplein 13 in Haren. Wat kun je hierover vertellen?

A: Ja ik zei toch dat ik met [medeverdachte 1] omging. Ik was die tijd bijna altijd met [medeverdachte 1] .

V: Kan het ook zijn dat je met meerdere personen bent geweest die avond?

A: Ja dat zou goed kunnen.

V: Uit de verklaring van de aangevers blijkt dat de aangevers, rond 22:10 uur op een bankje achter de mediamarkt in het parkje in Groningen door een groepje van 5 jongens werden aangesproken. Herinner je je nu iets?

A: Nee. Wacht 6 april he? Groepje van drie jongens. Groepje van vijf jongens. Nee ik weet niet wat ik de hele avond heb gedaan. Ik weet alleen dat ik in Haren ben geweest en in de stad.

V: Ben jij die avond op het station in Groningen geweest?

A: Pffftfff... Weet ik niet ik denk het niet.

V: Uit de historische print gegevens van jou telefoon blijkt dat jou telefoon op 6 april 2019 om 22:33 uur het Stationsplein T te Groningen aanstraalt. Wat kun je hierover verklaren?

A: Het zou best kunnen dat ik op die plek ben geweest.

V: Uit onze gegevens blijkt dat de telefoon van [medeverdachte 1] ook om 22:33 uur de mast op het Stationsplein 7 in Groningen aanstraalt. Dus jullie waren deze avond samen. Wat kun je hierover vertellen?

A: Ja dat is heel goed mogelijk. Wij waren samen. Dat zou kunnen.

V : Uit ons onderzoek blijkt dat de telefoon van [verdachte] ook op het Stationsplein in Groningen aanstraalt om 22:52 uur. Wat kun je daarover vertellen?

A: Nou dan weet ik bijna zeker dat ik ook met [verdachte] was.

17. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van 12 september 2019, opgenomen op pagina 177 e.v. van voornoemd het dossier, inhoudend als verklaring van verdachte [medeverdachte 3] :

V: Dinsdag na het verhoor zei je tegen ons dat er eerder al mensen waren aangehouden voor de straatroof Westerhaven op 6 april. Klopt dat?

A: Ja.

V: Je vertelde ons aan dat je dat via 112 Groningen hebt gelezen. Klopt dat?

A: Ja. En zulke zaken zijn in onze groep ook een bespreekpunt.

V: Wij hebben je telefoon uitgelezen. Daarop is gebleken dat je geen andere 112 nieuwsberichten

hebt bekeken via je telefoon. Hoe kan het dat je specifiek interesse hebt in de straatroof van 6 april en dat je kunt vertellen dat daar al mensen waren voor aangehouden?

V: Eerst willen wij jou nog een vraag stellen over de straatroof op 6 april 2019 omstreeks 22:15 uur op de Westerhaven in Groningen. Uit de historische gegevens van jou mobiele telefoon blijkt dat jij op de avond van het incident, viermaal verbinding en zesmaal sms-berichten hebt gestuurd naar [verdachte] . Wat kun je hierover vertellen?

A: Uhm ja dan was ik waarschijnlijk bij hem. Hij is mijn beste vriend dus dat is toch normaal.

18. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 15 juli 2019, opgenomen op pagina 198e.v. van voornoemd het dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant 5] :

Ik deed onderzoek naar de mobiele telefoon van verdachte [medeverdachte 1] Rogier [medeverdachte 1] . Onderstaande berichten betrof een gesprek tussen een gebruiker met gebruikersnaam

[medeverdachte 3] “en de gebruiker van de in beslag genomen telefoon.

— [medeverdachte 3] , [mobielnummer]

Ik zag dat de volgende berichten nog zichtbaar waren:

— 20 april 2019 te 01:40 uur, bericht verstuurd naar “ [medeverdachte 3] ”: JO

— 20 april 2019 te 01:41 uur, bericht ontvangen van “ [medeverdachte 3] ”: Zat niet voor die ding met jou

— 20 april 2019 te 01:42 uur, bericht verstuurd naar “ [medeverdachte 3] ”: Nee voor wat dan

— 20 april 2019 te 01:53 uur, bericht ontvangen van “ [medeverdachte 3] ” : Oke komt er op neer dat ik beef

had met een recherche En dan hele lange torie erbij

— 20 april 2019 01:53 uur, bericht verstuurd naar “ [medeverdachte 3] ”: Ooo

— 20 april 2019 01:53 uur, bericht verstuurd naar “ [medeverdachte 3] ”: Ai

— 20 april 2019 01:54 uur, bericht ontvangen van “ [medeverdachte 3] ’: En als ik word geklemd met

onze torie ik snitch niet geen stress

— 20 april 2019 01:55 uur, bericht verstuurd naar ‘ [medeverdachte 3] ”: Wnr ben je grunchi bro

— 20 april 2019 01:57 uur, bericht ontvangen van “ [medeverdachte 3] ”: Idk

Opmerking verbalisant: Ambtshalve is mij bekend dat de woorden beef, torrie en snitch gebruikt worden als straattaal. Mij, verbalisant [verbalisant 5] is ambtshalve bekend dat het woord beef synoniem staat voor onder andere ruzie. Het woord torrie staat synoniem voor onder andere misdaad plegen, overval en/of klus klaren. Het woord snitch is synoniem voor onder

andere verrader. De afkortingen “wnr” en “idk” is mij ambtshalve bekend dat liet staat

voor wanneer en 1 dont know. Ik, verbalisant [verbalisant 5] zag bij liet gebruikersnaam ‘‘ [medeverdachte 3] ’’ het volgende telefoonnummer staan, namelijk [mobielnummer] . Vervolgens zag ik in proces verbaal onder nummer [mobielnummer] —9 dat verdachte [medeverdachte 3] verklaarde dat mobiele

telefoonnummer [mobielnummer] zijn mobiele telefoonnummer betrof.

19. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 11 oktober 2019, opgenomen op pagina 199e.v. van voornoemd het dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant 5] :

Ik zag op 9 september 2019 in de in beslag genomen telefoon van verdachte [medeverdachte 3] de volgende ter zake diende onderwerpen, namelijk:

— Ik zag een afbeelding staan in de telefoon over een nieuwsbericht. Ik zag dat het

nieuwsbericht afkomstig van 112 Groningen. Ik zag een nieuwsbericht over een

straatberoving gepleegd aan de Westerhaven te Groningen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder:

- parketnummer 18/840038-19 feit 1 primair onder b.;

- parketnummer 18/840028-19 primair;

- parketnummer 18/840059-19 primair;

- parketnummer 18/840003-20 feit 1 en 2,

ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

in de zaak met parketnummer 18/840038-19 sub 1 primair onder b. dat:

hij op 19 april 2019 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen een jas, toebehorende aan [slachtoffer 1] en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en te doen vergezellen van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, een mes bij de keel en de buik van die [slachtoffer 1] heeft gehouden en die [slachtoffer 1] tegen het lichaam en naar de grond heeft geduwd en meermalen met kracht met op en tegen het lichaam en in het gezicht heeft geslagen en aan de jas van die [slachtoffer 1] heeft getrokken en aan die [slachtoffer 1] heeft toegevoegd: "Geef mij je jas, geef mij je jas", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en in de zaak met parketnummer 18/840028-19 primair dat:

hij op 25 mei 2019 te Usquert, in de gemeente Het Hogeland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 2] met kracht met een hamer, op het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en in de zaak met parketnummer 18/840059-19 primair dat:

hij op 03 oktober 2019 te Uithuizen, in de gemeente Het Hogeland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, tezamen en in vereniging met een ander, aan een persoon, te weten [slachtoffer 3] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 3] meermalen en met kracht met de vuisten op en tegen het hoofd hebben geslagen en nadat die [slachtoffer 3] naar de grond was gegaan die [slachtoffer 3] meermalen en met kracht tegen het hoofd hebben geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en in de zaak met parketnummer 18/840003-20 dat:

1. hij op 06 april 2019 te Groningen tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] heeft gedwongen tot de afgifte van jassen (een grijze jas van Stone Island en een zwarte jas van Napapijri) en tassen met inhoud waaronder een trainingsbroek (Tommy Hilfiger) en een shirt/trui en schoolspullen (rekenmachines/pennen) en huissleutels en parfum en een JBL box en een drinkfles, toebehorende aan [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en zijn mededaders een mes voor en bij/tegen de keel van die [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] hebben gehouden en daarbij aan hen hebben toegevoegd: "Jassen uit, schoenen uit en tassen af. En geen melding bij de politie maken anders zoeken wij jullie op." En "Trek je schoenen en je jas uit!" en "doe je jas uit en je pet af";

2.
hij op 06 april 2019 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen
wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 6] te dwingen tot de afgifte van een jas en schoenen en een tas, toebehorende aan die [slachtoffer 6] ,
een mes op de borst van die [slachtoffer 6] hebben gezet en daarbij aan hem en zijn vrienden [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] hebben toegevoegd: "Jassen uit, schoenen uit en tassen af. En geen melding bij de politie maken anders zoeken wij jullie op.", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op,

ten aanzien van parketnummer 18/840038-18:

1. primair onder b.: poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;

ten aanzien van parketnummer 18/840028-19:

primair: poging tot zware mishandeling;

ten aanzien van parketnummer 18/840059-19:

primair: poging tot zware mishandeling;

ten aanzien van parketnummer 18/840003-20:

de feiten 1. en 2. in eendaadse samenloop begaan:

1.: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

2: poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder parketnummer 18/840038-19 feit 1 primair onder b., parketnummer 18/840028-19 primair, parketnummer 18/840059-19 primair en parketnummer 18/840003-20 feit 1 en 2, ten laste gelegde wordt veroordeeld tot:

  • -

    60 uren werkstraf subsidiair 30 dagen jeugddetentie;

  • -

    260 dagen jeugddetentie, met aftrek 20 dagen voorarrest, waarvan 240 dagen voorwaardelijk met een proeftijd 2 jaren en als bijzondere voorwaarden:

o een meldplicht bij en toezicht van de Jeugdreclassering van Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen. Houden aan de aanwijzingen;

o meewerken aan aanmelding, en (intake)gesprekken en geïndiceerde behandeling bij Accare FJP of soortgelijke instelling;

o volgens rooster naar school/stage gaan en/of meewerken aan andere adequate dagbesteding;

o geen contact met medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] ;

o contactverbod, middellijk en onmiddellijk, ten aanzien van [slachtoffer 3] ;

o verplichting om mee te werken aan urinecontroles in verband met middelengebruik, zolang de Jeugdreclassering dat nodig acht;

o verbod om evenementen te bezoeken, tenzij na instemming van de Jeugdreclassering, voor zolang die dat nodig acht;

o meewerken aan ITB HK voor maximaal 3 maanden.

Dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft, mede op basis van opgemaakte rapportages, gepleit voor het opleggen van een voorwaardelijke jeugddetentie, onder het stellen van de geadviseerde voorwaarden. De duur daarvan dient lager te zijn dan door de officier van justitie is gevorderd, nu maar enkele feiten kunnen worden bewezen. Tevens dient er rekening worden gehouden met de 20 dagen die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Voor het opleggen van een werkstraf is geen plaats, nu er tevens een vordering tenuitvoerlegging van 60 uren werkstraf aan de orde is.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere ernstige gewelds- en vermogensmisdrijven. Hij heeft zich op 6 april 2019 en 19 april 2019 te Groningen, al dan niet samen met anderen, schuldig gemaakt aan gewelddadige berovingen en pogingen daartoe. Het betroffen telkens minderjarige slachtoffers. Verdachte heeft op 6 april 2019 met medeverdachten onder bedreiging van een mes slachtoffers gedwongen kledingstukken en goederen af te geven en heeft hij een poging daartoe gedaan. Op 19 april 2019 heeft verdachte het slachtoffer onder gebruikmaking van een mes gepoogd te beroven van een jas. Verdachte en de medeverdachten lijken totaal niet hebben stilgestaan bij de gevolgen voor de slachtoffers. Zij hebben zich enkel laten leiden door eigen financieel gewin. Uit de toelichting op de ingediende vorderingen tot schadevergoeding volgt dat deze gebeurtenissen grote impact op de slachtoffers hebben gehad en dat zij veelal nog steeds de nadelige gevolgen hiervan ondervinden.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling op 25 mei 2019 te Usquert door het slachtoffer met een hamer op het hoofd te slaan. Op 3 oktober 2019 heeft verdachte en zijn medeverdachte te Uithuizen gepoogd een slachtoffer zwaar te mishandelen, door hem onder andere meermalen met kracht tegen het hoofd te schoppen. Verdachte heeft door zijn gedrag deze slachtoffers letsel toegebracht en daarmee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Met name de mishandeling op 3 oktober 2019 van [slachtoffer 3] heeft voor dit slachtoffers (en zijn naaste familie), blijkens het ter terechtzitting door zijn moeder uitgeoefende spreekrecht, nog steeds grote impact en beïnvloedt nog steeds het functioneren in hun dagelijkse leven. [slachtoffer 3] is door de mishandeling bang geworden om met de trein te reizen omdat daarbij de mogelijkheid bestaat om in contact te komen met verdachte.

De rechtbank rekent verdachte voorgaande feiten zwaar aan, te meer nu verdachte in een proeftijd liep, hetgeen hem er niet van weerhouden heeft opnieuw geweldsdelicten te plegen. Tevens maakt de rechtbank zich zorgen over de agressiviteit van verdachte en ook over zijn houding, nu hij weinig verantwoordelijkheid voor zijn gedrag lijkt te nemen. Hierin ziet de rechtbank risicofactoren, waarin gevaar schuilt voor recidive. Er is de rechtbank alles aan gelegen bij verdachte (verdere) recidive van geweldsdelicten te voorkomen.

De rechtbank heeft acht geslagen op het psychologisch rapport d.d. 20 november 2019 van drs. J. Hamel, GZ-psycholoog. Uit het rapport blijkt dat bij verdachte sprake is van een periodiek explosieve stoornis. Er is regelmatig sprake van verbale agressie in de vorm van woede-uitbarstingen en tevens laat verdachte fysiek agressief gedrag jegens leeftijdgenoten zien. Ingeschat wordt dat met de juiste hulp en begrenzing de kans op recidive matig is. Er wordt een TOPs-training van Accare (FJP) geadviseerd. Vanuit deze training kan bekeken worden of een vorm van traumabehandeling dan wel individuele therapie nodig is. Voorts wordt geadviseerd dat verdachte stevig wordt begrensd. De reeds ingezette ITB Harde Kern met elektronisch toezicht is daar een geëigend middel. Er wordt door de psycholoog geadviseerd om verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met als voorwaarden zich houden aan reclasseringstoezicht en het volgen van behandeling. Hoewel het opleggen van een vrijheidsstraf zeker niet de voorkeur heeft, lijkt verdachte wel baat te hebben bij duidelijke grenzen en kan een dergelijke straf als stok achter de deur zijn werking hebben.

De rechtbank heeft tevens acht geslagen op het advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna ook: de Raad) van 5 april 2020 en het werkplan van de jeugdreclassering van 17 februari 2020. Het advies van de Raad vermeldt onder meer dat het dynamisch risicoprofiel hoog is, waarbij er op de domeinen agressie en attitude de meeste risicofactoren gezien worden, die mogelijk ten grondslag liggen in zijn geestelijke gezondheid. [verdachte] heeft de afgelopen maanden een (prille) positieve ontwikkeling

doorgemaakt. De Raad is van mening dat het van groot belang is dat zijn school en werk wordt voortgezet, evenals het toezicht vanuit ouders en de jeugdreclassering. Dit zijn beschermende factoren die de kans op herhaling verkleinen. Daarnaast is het belangrijk

om de kern (emotie- en agressieregulatie, onderliggende triggers en zo nodig aandacht voor ingrijpende gebeurtenissen) van het probleem aan te pakken en dat hierop behandeling/ training ingezet moet worden. De Raad is onder andere van mening dat [verdachte] aangemeld moet worden bij Accare FJP waar vervolgens bezien moet worden wat de meest passende training danwel behandeling is voor [verdachte] .

Alles overwegend is de rechtbank van oordeel dat aan de verdachte een grotendeels onvoorwaardelijke jeugddetentie, waarvan de duur van het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest, dient te worden opgelegd. Het moet duidelijk zijn dat de bewezen verklaarde gedragingen volstrekt onacceptabel zijn, en dat dergelijk gedrag ook fors bestraft wordt. Verdachte dient in te zien dat verdere strafbare gedragingen voor hem vergaande strafrechtelijke consequenties kunnen hebben. Het voorwaardelijke strafdeel dient dan ook als waarschuwing aan de verdachte, teneinde te voorkomen dat de verdachte zich nogmaals schuldig maakt aan (soortgelijke) strafbare feiten. Daarnaast zal aan dit strafdeel, ter voorkoming van recidive, de bijzondere voorwaarden worden gesteld zoals door de officier van justitie zijn gevorderd.

De rechtbank zal bevelen dat de op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht (Sr.) gestelde voorwaarden, en het op grond van artikel 77aa Sr. uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Verdachte heeft namelijk repeterend geweldsmisdrijven gepleegd, waarbij hij geen inzicht heeft willen geven omtrent zijn handelen.

Tevens zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf opleggen. De rechtbank acht gelet op voormelde ernst van de feiten en in het bijzonder het door verdachte gepleegde geweld ten aanzien van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] een werkstraf van een langere duur dan door de officier van justitie is gevorderd op zijn plaats. De rechtbank acht een werkstraf voor de duur van 80 uren aangewezen.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

1. [slachtoffer 4] , tot een bedrag van € 20,00 ter zake van materiële schade en € 1250,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
2. [slachtoffer 5] , tot een bedrag van € 968,18 ter zake van materiële schade en € 1250,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;

3. [slachtoffer 6] , tot een bedrag van € 1250,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
4. [slachtoffer 2] , tot een bedrag van € 243,15 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;

5. [slachtoffer 3] , tot een bedrag van € 1.650,27 ter zake van materiële schade en € 1.400,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan. Tevens is er oplegging van een contactverbod gevorderd tussen verdachte en de benadeelde partij.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht telkens de navolgende onderbouwde vorderingen van de benadeelde partijen toewijsbaar en acht iedere verdachte voor een gelijk deel aansprakelijk en enkel voor dat deel. Gelet op de minderjarigheid van de verdachte(n) wordt er geen hoofdelijke aansprakelijkheid gevorderd.

De officier van justitie vordert toewijzing ten aanzien de benadeelde partij:

1. [slachtoffer 4] , van een bedrag € 423,33, ter zake van materiële en immateriële schade;

2. [slachtoffer 5] , van een bedrag € 739,39, ter zake van materiële en immateriële schade;

3. [slachtoffer 6] , van een bedrag € 416,67, ter zake van immateriële schade;

4. [slachtoffer 2] , tot een bedrag van € 147,19 ter vergoeding van materiële schade (waarbij 50% afschrijving op de nieuwwaarde van de kledingstukken is toegepast);

5. [slachtoffer 3] , tot een bedrag van € 1.525,39 ter zake van materiële en immateriële schade;

Voor het overige dienen de vorderingen niet ontvankelijk te worden verklaard.

Daarnaast vordert de officier van justitie oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, waarbij de vervangende gijzeling telkens op nihil dient te worden gesteld.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 3] , afgewezen dienen te worden, nu de feiten die aan de vorderingen ten grondslag liggen niet bewezen kunnen worden verklaard.

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde [slachtoffer 2] heeft de raadsman aangevoerd dat, rekening houdend met 50% afschrijving op de nieuwwaarde van de kleding, een bedrag van € 147,19 kan dan ook worden toegewezen.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is telkens voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij:

1. [slachtoffer 4] ;
2. [slachtoffer 5] ;

3. [slachtoffer 6] ;
5. [slachtoffer 3] ;

de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het daarop betrekking hebbende bewezen verklaarde feit.

De rechtbank acht ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] een bedrag van € 147,19, waarbij 50% afschrijving op de nieuwwaarde van de kleding is toepast, en welk bedrag niet is betwist, voor toewijzing vatbaar.

De vorderingen van de benadeelde partijen zullen daarom, met in achtneming van vorenstaande overwegingen, worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van het ontstaan van de schade en met niet ontvankelijk verklaring van het meer of anders gevorderde.

De rechtbank stelt vast dat waar verdachte het strafbare feit samen met een ander of anderen heeft gepleegd, zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door een of meer medeverdachten is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom. De rechtbank ziet geen aanleiding om van dit beginsel af te wijken nu sprake is van een ernstig strafbaar feit, verdachte en zijn medeverdachten hebben volhard in ontkenning dan wel geen herinnering meer hebben aan die bewuste avond en aldus ook niet kan worden vastgesteld of ieder een (ongeveer) evenredig aandeel heeft gehad.

Nu vast staat dat verdachte tot de hiervoor genoemde bedragen aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 20 december 2018, gewezen door de meervoudige strafkamer in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, is verdachte veroordeeld tot

-voor zover hier van belang- een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen jeugddetentie, waarvan van 60 uren subsidiair 30 dagen jeugddetentie voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 4 januari 2019.

De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 27 februari 2020 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.

Het hiervoor onder parketnummer 18/840029-19 bewezen verklaarde feit is door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd.

Nu veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van de hem bij voornoemd vonnis van 20 december 2018 voorwaardelijk opgelegde werkstraf.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 47, 55, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77za, 77aa, 77gg, 302, 312 en 317 van het Wetboek van. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder parketnummer 18/840038-19 feit 1 primair onder a. en 2 primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder parketnummer 18/840038-19 feit 1 primair onder b., onder parketnummer 18/840028-19 primair, onder parketnummer 18/840059-19 primair en onder parketnummer 18/840003-20 feit 1 en 2, ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 260 dagen.

Bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 240 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat veroordeelde zich op uitnodiging meldt bij de jeugdreclassering van Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen te Groningen, en dat hij zich daarna zal blijven melden zo lang en zo frequent als deze instelling dat noodzakelijk acht. Hij dient zich daarbij aan de gegeven aanwijzingen te houden;

2. dat veroordeelde zal meewerken aan aanmelding, (intake)gesprekken en indien geïndiceerd aan ambulante begeleiding bij Accare FJP of een soortgelijke instelling;

3. dat veroordeelde volgens rooster naar school en/of stage zal gaan en/ of zal meewerken aan een andere adequate dagbesteding;

4. dat veroordeelde op geen enkele wijze -direct of indirect- contact zal opnemen, zoeken of hebben met (medeverdachten) [medeverdachte 3] (geboren op [geboortedatum] 2004) , [medeverdachte 1] (geboren op [geboortedatum] 2003) en [medeverdachte 2] (geboren op [geboortedatum] 2002), zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

5. dat veroordeelde op geen enkele wijze -direct of indirect- contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum] 2001);

6. dat veroordeelde zal meewerken aan urinecontroles in verband met middelengebruik, zolang de Jeugdreclassering dat nodig acht;

7. dat het veroordeelde verboden wordt evenementen te bezoeken, tenzij na verkregen toestemming van de Jeugdreclassering, zolang de Jeugdreclassering dat nodig acht.

Geeft aan de jeugdreclassering van Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen te Groningen, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

De rechter beveelt dat de op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht (Sr.) gestelde voorwaarden, en het op grond van artikel 77aa Sr. uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op de geschorste bevelen tot voorlopige hechtenis.

een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 80 uren. De werkstraf moet binnen 9 maanden zijn verricht.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 40 dagen zal worden toegepast.

Ten aanzien van 18/840028-19 primair:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 147,19 (zegge: honderdzevenenveertig euro en negentien eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 mei 2019.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] te betalen een bedrag van € 147,19 (zegge: honderdzevenenveertig euro en negentien eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 mei 2019. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Ten aanzien van 18/840003-20 feit 1

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1270,00 (zegge: twaalfhonderdzeventig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 april 2019, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] , te betalen een bedrag van € 1270,00 (zegge: twaalfhonderdzeventig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 april 2019, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit € 20,00 aan materiële schade en € 1250,00 aan immateriële schade.

Ten aanzien van 18/840003-20, feit 1

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 2218,18 (zegge: tweeëntwintighonderdachttien euro en achttien eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 april 2019, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5] , te betalen een bedrag van € 2218,18 (zegge: tweeëntwintighonderdachttien euro en achttien eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 april 2019, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit € 968,18 aan materiële schade en € 1250,00 aan immateriële schade.

Ten aanzien van 18/840003-20 feit 2

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1250,00 (zegge: twaalfhonderdvijftig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 april 2019, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6] , te betalen een bedrag van € 1250,00 (zegge: twaalfhonderdvijftig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 april 2019, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Ten aanzien van 18/840059-19 primair

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 3050,27 (zegge: drieduizendvijftig euro en zevenentwintig eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 oktober 2019, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] , te betalen een bedrag van € 3050,27 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 oktober 2019, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit € 1650,27 aan materiële schade en € 1400,00 aan immateriële schade.

Bepaalt dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormelde bedragen ten behoeve van de slachtoffers de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partijen doet vervallen, alsmede dat betaling van voormelde bedragen aan de benadeelde partijen de verplichting tot betaling aan de Staat van deze bedragen doet vervallen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/840042-18:

Gelast de tenuitvoerlegging van de werkstraf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer in deze rechtbank, locatie Groningen, d.d. 20 december 2018, te weten: 60 uren werkstraf, met toepassing van 30 dagen vervangende jeugddetentie.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Eelsing, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. T.M.L. Veen en mr. M.A.M. Wolters, rechters, bijgestaan door J. Hoogeveen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 april 2020.

Zijnde mr. Veen buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.