Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:1586

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
08-04-2020
Datum publicatie
09-04-2020
Zaaknummer
C/19/127153 / HA ZA 19-110
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verkoop fosfaatrechten door opfokker (opfoknemer) aan melkveehouder (opfokgever), nadat opfokker zijn bedrijf had beëindigd. In de koopovereenkomst staat dat als er op 1 mei 2018 duidelijkheid is over de verdeling van fosfaatrechten tussen opfokgever en opfoknemer hiernaar wordt gehandeld en als die duidelijkheid er niet is, de helft van de waarde zal worden betaald. De rechtbank stelt vast dat op 1 mei 2018 in de jurisprudentie nog geen duidelijkheid was in de verdeling, maar nu wel. Zij veroordeelt bij deelvonnis de opfokgever tot betaling van de helft van de marktwaarde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Assen

zaaknummer / rolnummer: C/19/127153 / HA ZA 19-110

Vonnis van 8 april 2020

in de zaak van

1 [eiser] ,

wonende te [plaats 1] ,

2. [eiseres],

wonende te [plaats 1] ,

eisers,

advocaat mr. J.M.M. Kroon te Wageningen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. A.A. Bos te Zwolle.

Partijen zullen hierna [eiser] (in mannelijk enkelvoud) en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 4 september 2019;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 4 februari 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] heeft een agrarische onderneming gevoerd in de vorm van een melkveehouderij en opfokbedrijf. Hij heeft in opdracht en voor rekening van derden vrouwelijk rundvee gefokt tot melkkoe. [gedaagde] heeft een melkveebedrijf.

2.2.

[gedaagde] heeft vanaf 2013 wegens ruimtegebrek op zijn eigen bedrijf een deel van zijn jongvee bij [eiser] gestald tegen een vergoeding van € 1,50 per dier per dag. Het jongvee, dat was geïnsemineerd, verbleef negen maanden bij [eiser] voordat het weer werd opgehaald door [gedaagde] . [gedaagde] bracht daarna weer nieuw jongvee, ook weer voor negen maanden. [eiser] heeft daarnaast jongvee van de heer [naam 1] gestald.
2.3. Op 2 juli 2015 heeft de toenmalige staatssecretaris van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit met het oog op het terugdringen van de fosfaatproductie door de Nederlandse melkveehouderij een stelsel van fosfaatrechten aangekondigd. In de brief van 2 juli 2015 is vermeld dat fosfaatrechten aan bedrijven zullen worden toegekend en dat uitgangspunt bij de toekenning van het aantal fosfaatrechten is het gemiddeld aantal gehouden stuks melkvee in het referentiejaar 2014 en dat de wet daarnaast zal teruggrijpen op de peildatum van 2 juli 2015.

2.4.

Volgens de gegevens van het Identificatie & Registratie systeem (hierna: I&R-rund) van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: de RVO) stonden er op 2 juli 2015 50 kalveren (jonger dan een jaar) en 52 pinken van [gedaagde] op het bedrijf van [eiser] , samen met 50 pinken van [naam 1] . Deze dieren waren op die datum geregistreerd op het unieke bedrijfsnummer (UBN) van [eiser] .

2.5.

[eiser] heeft rond maart 2017 zijn bedrijf beëindigd en zijn boerderij in [plaats 3] verkocht. In het kader van de beëindiging van het bedrijf en de op handen zijnde fosfaatregeling, hebben [eiser] en [gedaagde] in april 2017 afspraken gemaakt over verhuur van landbouwgronden van [eiser] aan [gedaagde] in 2017, over de verkoop van de toegewezen fosfaatrechten over 2017 aan [gedaagde] en over de aanschaf van de fosfaatrechten voor de jaren 2018 en daarna. Bij de bespreking waren ook aanwezig de heer [naam 2] van [naam 2] Makelaardij, de heer [naam 3] van [bedrijf] , een administratie-en adviesbureau voor de agrarische sector en (deels) de heer [naam 1] . De afspraken zijn neergelegd in een overeenkomst waarin, voor zover hier van belang, is vermeld:
"(…) Maatschap [voorletters] en [voorletters] [eiser] (…), verder te noemen verkoper,
De heer [gedaagde] (…), verder te noemen koper,
(…)
Verdere afspraken zijn:
(…)
- De fosfaatrechten voor de jaren 2018 en volgende jaren zullen door de koper worden overgenomen voor de marktwaarde welke geld per 1 mei 2018. Mocht er duidelijkheid bestaan inzake verdeling van de fosfaatrechten tussen de opfokgever en de opfoknemer zal hiernaar worden gehandeld mocht er per 1 mei2018 geen duidelijkheid zijn zal de helft van de waarde worden betaald. (…)"

2.6.

[eiser] heeft voor 1 januari 2018 bij de RVO zijn fosfaatreferentie overgeschreven op naam van [gedaagde] .

2.7.

Op 1 januari 2018 is de Meststoffenwet gewijzigd en is met de Regeling Fosfaatreductieplan 2017 het zogeheten fosfaatrechtstelsel ingevoerd. Dit stelsel houdt, kort gezegd, in dat melkveehouders per 1 januari 2018 fosfaatrechten krijgen toebedeeld, berekend in kilogram fosfaat, op basis van het aantal stuks melkvee dat zij op 2 juli 2015 hielden en dat op hun naam stond geregistreerd in het I&R-rund van de RVO. Een melkveehouder mag met zijn melkvee niet meer mest (uitgedrukt in kilogram fosfaat) produceren dan het aantal fosfaatrechten dat hij heeft.

2.8.

Op 2 juli 2018 heeft [eiser] aan [gedaagde] een factuur verzonden. Daarin is 1.138,8 kilogram fosfaat berekend voor 52 pinken (21,90 kg rundveefosfaat per pink) en 480 kilogram fosfaat voor 50 kalveren (9,6 kg rundveefosfaat per kalf). Het totale aantal kilogram van 1.618,80 is in de factuur vermenigvuldigd met € 184,00 per kilogram zodat het eindbedrag inclusief btw € 360.409,63 bedraagt.

2.9.

[gedaagde] heeft dezelfde dag per e-mail laten weten dat hij zich niet in de factuur kan vinden omdat volgens hem van een marktwaarde van € 182,00 per kg moet worden uitgegaan en omdat hij meent slechts de helft van de waarde te hoeven betalen.

2.10.

Bij brief van 24 oktober 2018 heeft [eiser] [gedaagde] gesommeerd de koopsom binnen 10 dagen over te maken. Dit verzoek heeft hij herhaald op 21 maart 2019. [gedaagde] heeft daarop niet gereageerd en heeft de factuur niet betaald.

2.11.

Bij beschikking op bezwaar van 27 november 2018 heeft de RVO voor de door [gedaagde] van [eiser] overgenomen fosfaatrechten, een lager aantal kilogram toegekend, namelijk in totaal 1.590 kilogram.

3 De vordering en het verweer

3.1.

[eiser] vordert, verkort weergegeven, veroordeling van [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 360.409,63 aan hoofdsom en € 3.577,08 aan buitengerechtelijke kosten, beide vermeerderd met de wettelijke handelsrente en met de proces- en nakosten.

[eiser] stelt hiertoe, samengevat, dat hij met [gedaagde] in 2017 een koopovereenkomst heeft gesloten op grond waarvan [gedaagde] aan [eiser] een koopsom van € 360.409,63 inclusief btw is verschuldigd, maar dat [gedaagde] nalaat dit bedrag te voldoen.

3.2.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , althans afwijzing van zijn vordering, met hoofdelijke veroordeling van [eiser] tot betaling van de proces- en nakosten. [gedaagde] voert daartoe in de eerste plaats aan dat hij eigenaar, althans rechthebbende is van de fosfaatrechten gerelateerd aan het jongvee dat bij [eiser] was gestald. Verder voert hij aan dat het in de rechtspraak tot 1 mei 2018 niet klip en klaar was dat de fosfaatrechten toekomen aan de opfokker of inschaarder en dat hij daarom maar de helft van de martkwaarde van de fosfaatrechten dient te betalen. Ten slotte voert hij aan dat de berekening door [eiser] van de kilo's fosfaatrechten en de waarde daarvan per kilo, onjuist is.

4
4. De beoordeling

Rechthebbende

4.1.

De rechtbank zal eerst ingaan op het verweer van [gedaagde] dat hij rechthebbende is van de fosfaatrechten. [gedaagde] voert daartoe aan dat de fosfaatrechten alleen administratief geregistreerd zouden worden op naam van het bedrijf van [eiser] en dat aan [eiser] die rechten nooit zouden worden toegekend omdat hij het bedrijf voor de inwerkingtreding van het fosfaatrechtenstelsel heeft beëindigd. Daarnaast moet [gedaagde] op basis van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid rechthebbende zijn omdat [eiser] hem voor het blok heeft gezet door zijn bedrijf ineens en onaangekondigd te beëindigen en omdat [eiser] - anders dan [gedaagde] - de rechten niet meer nodig heeft. Ook voert [gedaagde] aan dat [eiser] ongerechtvaardigd wordt verrijkt door de louter administratieve toekenning van de rechten.

4.2.

Uit de (gewijzigde) Meststoffenwet, in het bijzonder artikel 23, de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, vergaderjaar 2016/2017, 34 532, nr. 3) volgt dat voor de toekenning van fosfaatrechten het houderschap van het jongvee op 2 juli 2015 bepalend is en dat van ondergeschikt belang is of de houder ook de eigenaar van de dieren is. Dit is in de brief van de Staatssecretaris van 2 juli 2015 ook al aangekondigd. Dit betekent dat de fosfaatrechten in beginsel toekomen aan [eiser] als houder van het jongvee op de peildatum. Partijen zijn daarvan, gelet op de koopovereenkomst die zij hebben gesloten, ook uitgegaan. Dat betekent dat het verweer dat [gedaagde] als eigenaar rechthebbende is van de fosfaatrechten, faalt. Gelet op dit systeem valt ook niet in te zien dat [gedaagde] op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid als rechthebbende moet worden aangemerkt. Dat [eiser] zijn bedrijf voor de inwerkingtreding van de gewijzigde Meststoffenwet op 1 januari 2018 heeft beëindigd, laat onverlet dat hij op 2 juli 2015 houder was van het jongvee van [gedaagde] en dat daarom in beginsel de fosfaatrechten aan [eiser] toekomen. Dit maakte het ook mogelijk om de fosfaatrechten aan [gedaagde] te verkopen. Het beroep van [gedaagde] op ongerechtvaardigde verrijking, slaagt ook niet. Omdat de met het fokvee samenhangende fosfaatrechten op grond van het wettelijke systeem van de Meststoffenwet zijn toegevallen aan het bedrijf van [eiser] , is [gedaagde] nooit eigenaar geweest van de fosfaatrechten en is hij in zoverre niet verarmd. Daarnaast is de verkrijging door [eiser] niet ongerechtvaardigd. [eiser] heeft de fosfaatrechten op grond van de gewijzigde Meststoffenwet toegewezen gekregen.

De koopovereenkomst

4.3.

Het voorgaande neemt niet weg dat de vraag is hoe de aanspraken op de fosfaatrechten (en daarmee de waarde) in de civielrechtelijke verhouding tussen partijen beoordeeld moet worden. Partijen hebben over de waarde van de fosfaatrechten afspraken gemaakt in de overeenkomst van april 2017. Niet in geschil is dat [eiser] in die overeenkomst de fosfaatrechten voor de jaren 2018 en volgende heeft verkocht aan [gedaagde] . Partijen verschillen wat betreft de waarde die aan de fosfaatrechten moet worden toegekend van mening over de uitleg van de overeenkomst.

4.4.

Volgens [eiser] moet de overeenkomst zo worden uitgelegd dat [gedaagde] de volle prijs zou betalen per kilogram fosfaatrecht, onafhankelijk van een rechterlijk oordeel over verdeling. De bedoeling was volgens [eiser] om de algemene jurisprudentie over de verdeling van fosfaatrechten tussen opfokker en melkveehouder te volgen, waarbij partijen het voorbeeld van het melkquotum en de toeslagrechten in hun hoofd hadden. Bij de melkquotering maakte de verpachter aanspraak op het melkquotum dat de pachter met behulp van de gepachte grond had verkregen, waarbij de pachter de helft van de waarde kreeg. Omdat bij het opstellen van de overeenkomst de verdeling tussen opfokker en melkveehouder nog niet duidelijk was, is, op advies van [naam 2] en [naam 3] , afgesproken dat als daar op 1 mei 2018 nog onduidelijkheid over zou bestaan, [gedaagde] eerst de helft als voorschot zou betalen en zo mogelijk later het aanvullend deel. Omdat een zakelijke transactie is gesloten, is het volgens [eiser] niet aannemelijk dat wanneer de rechter op 1 mei 2018 nog geen duidelijkheid had gegeven over de verdeling van de aanspraak op de fosfaatrechten, hij per definitie afstand zou doen van de helft van de waarde. [eiser] stelt dat op 1 mei 2018 in de jurisprudentie voldoende duidelijk was dat de fosfaatrechten in een verhouding tussen opfokker en melkveehouder volledig toekomen aan de opfokker, zodat die verdeling gevolgd kan worden.

4.5.

Volgens [gedaagde] moet de overeenkomst zo worden uitgelegd dat als op 1 mei 2018 in de jurisprudentie duidelijk zou zijn dat de rechten aan [eiser] zouden toekomen, [gedaagde] de volledige marktwaarde zou betalen en dat als er geen duidelijkheid zou zijn, de helft. Volgens [gedaagde] was de jurisprudentie op 1 mei 2018 niet duidelijk en hoeft hij daarom niet meer dan de helft van de waarde te vergoeden, waartoe hij ook bereid en in staat is. Hij betwist dat hij de helft bij wijze van voorschot alvast zou voldoen in afwachting van het restant en merkt op dat, als dit zo was geweest, voor de hand had gelegen dat dit in de overeenkomst was opgenomen.

4.6.

De rechtbank constateert dat partijen het erover eens zijn dat in de overeenkomst is bedoeld dat als er in de rechtspraak duidelijkheid is op 1 mei 2018 naar aanleiding van lopende rechtszaken, de lijn uit de jurisprudentie gevolgd zou worden en dat in het verlengde daarvan, de prijs aan de hand daarvan zou worden vastgesteld. Die duidelijkheid bestond op 1 mei 2018 naar het oordeel van de rechtbank niet. De door [eiser] in zijn brief van 24 oktober 2018 aangehaalde uitspraken zijn alle drie in kort geding gegeven voorlopige oordelen. Bovendien gaat het in die zaken om een ander feitencomplex en/of een andere rechtsvraag. Zo is in de uitspraak van deze rechtbank van 14 maart 2018 sprake van een tijdelijke en eenmalige inscharing, terwijl het in de onderhavige zaak gaat om continue opfok van vee. In de zaak die leidde tot het vonnis van 29 maart 2018 van deze rechtbank hadden partijen een specifieke bepaling opgenomen over overdracht van rechten en in de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 20 april 2018 was de vraag aan de orde of een uitschaarverklaring moest worden afgegeven. De ter zitting aangehaalde uitspraken dateren van na 1 mei 2018. Een algemeen oordeel over de verdeling van de fosfaatrechten tussen een opfokgever en een opfoknemer op 1 mei 2018 is uit de jurisprudentie niet op te maken.

4.7.

De rechtbank begrijpt het standpunt van [eiser] aldus dat [gedaagde] in deze situatie ieder geval de helft van de waarde moet betalen en dat de tweede helft daarover pas verschuldigd is als en voor zover uit de jurisprudentie duidelijk wordt dat de waarde van de fosfaatrechten in zijn geheel aan de opfokker toekomt. De term 'voorschot' die [eiser] ter zitting in de mond heeft genomen, is wat dat betreft verwarrend. Uit zijn uitlatingen moet worden afgeleid dat de betaling van de eerste helft een onvoorwaardelijk karakter heeft en dus een aanbetaling is. Ook [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat hij in elk geval de helft van de waarde (onvoorwaardelijk) moet betalen. In zoverre zal de vordering worden toegewezen.

Waarde van de fosfaatrechten

4.8.

Partijen zijn het niet eens over het aantal kilogram fosfaatrechten en niet over de prijs per kilo. [eiser] is in de factuur uitgegaan van 1.680,80 kilogram fosfaatrechten terwijl [gedaagde] wijst op de beslissing op bezwaar waarbij1.590 kilogram is toegekend. Volgens [eiser] is de beslissing op bezwaar onjuist en had [gedaagde] de korting die de RVO had toegepast, moeten aanvechten. Bovendien moet het risico van de korting voor rekening van [gedaagde] komen nu hij alle rechten heeft gekocht voor een schappelijke prijs. [gedaagde] heeft ter zitting toegelicht dat de RVO een korting heeft toegepast omdat [eiser] twee bedrijven had met verschillende bedrijfsnummers, maar de grond van [eiser] slechts op één van deze bedrijven was geregistreerd waardoor één bedrijf grondgebonden was en de ander niet. De rechtbank sluit aan bij het aantal kilogram volgens de beslissing op bezwaar, nu dit het aantal kilogram aan fosfaatrechten is dat uiteindelijk aan [gedaagde] toekomt. Het is niet aan [gedaagde] te wijten dat de RVO een korting heeft toegepast, terwijl [gedaagde] voldoende heeft toegelicht waarom de RVO dit heeft gedaan. [eiser] heeft naar het oordeel van de rechtbank in het licht van deze uitleg onvoldoende onderbouwd dat een beroep tegen de beslissing op bezwaar zeker gegrond zou zijn verklaard. De stelling van [eiser] dat [gedaagde] de rechten heeft gekocht voor een schappelijke prijs en daarom geen rekening mag worden gehouden met de korting die de RVO heeft toegepast, kan de rechtbank niet volgen. Het verband tussen de koopprijs en de korting is niet toegelicht door [eiser] . Bovendien hebben partijen afgesproken dat de marktwaarde moet worden betaald. Dat er sprake is van een schappelijke prijs in de zin van een prijs die onder de marktwaarde ligt, is geen sprake.

4.9.

Wat de prijs betreft, stelt de rechtbank vast dat [eiser] zijn stelling dat de marktwaarde op 1 mei 2018 € 184,00 per kilogram bedroeg, niet met nadere gegevens heeft onderbouwd terwijl [gedaagde] zijn stelling dat het € 182,00 was wel heeft onderbouwd met productie 8 bij conclusie van antwoord. [eiser] heeft de juistheid van deze onderbouwing niet betwist. De rechtbank zal daarom uitgaan van 795 kilogram fosfaatrechten voor een bedrag van € 182,00 per kilogram, vermeerderd met 21% btw en zal [gedaagde] veroordelen tot betaling van de helft van de marktwaarde, dat is € 175.074,90.

Opschorting

4.10.

[gedaagde] heeft zich beroepen op een recht op opschorting. Dit beroep gaat niet op nu gesteld noch gebleken is dat [eiser] zijn verplichtingen niet na is gekomen (artikel 6:262 BW) en evenmin dat [gedaagde] een opeisbare vordering heeft op [eiser] (artikel 6:52 BW).

Aanspraak op restantbedrag

4.11.

Partijen zijn het niet eens over de vraag of is overeengekomen dat [eiser] behalve de helft van dat bedrag ook aanspraak heeft op het restantbedrag van de koopsom als en voor zover uit de jurisprudentie duidelijk wordt dat de waarde van de fosfaatrechten in zijn geheel aan de opfokker toekomt. [eiser] stelt dat de achtergrond van die afspraak was dat hij alvast wat geld zou krijgen en dat niet de bedoeling was dat hij dan definitief afstand zou doen van de andere helft. Dit wordt door [gedaagde] gemotiveerd betwist. [gedaagde] stelt dat niet over een voorschotbedrag is gesproken en dat de bedoeling was dat als er op 1 mei 2018 geen duidelijkheid was in de jurisprudentie, het bij de helft van de waarde zou blijven.

4.12.

De Hoge Raad heeft in het Haviltexarrest van 13 maart 1981 (ECLI:NL:HR:1981:AG4158) de maatstaf gegeven die de rechter moet hanteren bij beantwoording van de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld. In dit arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract, maar dat het voor de beantwoording van die vraag aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (hierna ook: de Haviltexnorm).

4.13.

Dat uit de letterlijke tekst van de overeenkomst niet is op te maken dat er een aanbetaling zou worden gedaan, is dus niet doorslaggevend. De uitleg van een contract zoals hiervoor genoemd is een juridisch oordeel van de rechter. Bewijslevering is alleen dan aan de orde zal als de feiten en omstandigheden die de door partijen voorgestane uitleg en aanvulling ondersteunen, zijn betwist. Omdat [gedaagde] de door [eiser] gestelde feiten en omstandigheden gemotiveerd heeft betwist, zal [eiser] feiten en of omstandigheden moeten bewijzen waaruit valt af te leiden dat bij de koopovereenkomst in 2017 tussen [eiser] en [gedaagde] is overeengekomen dat het restantbedrag verschuldigd is als en voor zover uit de jurisprudentie duidelijk wordt dat de waarde van de fosfaatrechten in zijn geheel aan de opfokker toekomt.

4.14.

De rechtbank overweegt [eiser] een bewijsopdracht als hiervoor genoemd te verstrekken. Dit heeft echter alleen zin voor het geval er thans wel duidelijkheid is in de jurisprudentie over de verdeling van fosfaatrechten tussen opfokker (opfoknemer) en melkveehouder (opfokgever) en uit deze jurisprudentie volgt dat de fosfaatrechten geheel aan de opfoknemer toekomen. Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank is deze duidelijkheid er thans wel. Inmiddels zijn diverse uitspraken gedaan in bodemzaken waarin een vordering tot overschrijving van fosfaatrechten om niet van de opfoknemer naar de opfokgever op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid dan wel ongerechtvaardigde verrijking is afgewezen. Hieruit kan worden afgeleid dat de waarde van de fosfaatrechten aan de opfoknemer toekomt. De rechtbank wijst daarbij onder meer op de uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant van 22 mei 2019 (ECLI:N:RBOBR:2019:2914), de rechtbank Den Haag van 14 augustus 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:8409), de rechtbank Overijssel van 9 januari 2019 (ECLI:NL:RBOVE:2019:565) en de rechtbank Gelderland van 1 oktober 2018 (ECLI:RBGEL:2018:4154). Uitspraken waarin anders is geoordeeld, betroffen geen opfok maar (tijdelijke) inscharing (zoals de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 15 januari 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:138). Voordat de rechtbank een bewijsopdracht aan [eiser] zal verstrekken, zal zij partijen eerst in de gelegenheid stellen zich uit te laten over dit voorlopig oordeel van de rechtbank.

Conclusie

4.15.

[gedaagde] zal aan [eiser] in ieder geval de helft van de waarde van de fosfaatrechten moeten betalen, te weten een bedrag van € 175.074,90. De rechtbank ziet aanleiding om [gedaagde] bij deelvonnis te veroordelen tot betaling van dit bedrag. Zij zal dit vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaren en wijst partijen erop dat tegen dit deel van het vonnis vanaf dit moment hoger beroep openstaat.

4.16.

Ten aanzien van de vraag of [gedaagde] ook de andere helft van de waarde moet betalen, stelt de rechtbank partijen eerst in de gelegenheid zich uit te laten over haar voorlopig oordeel dat er inmiddels wel duidelijkheid is in de jurisprudentie in die zin dat de gehele waarde aan de opfokker toekomt. Vervolgens zal beoordeeld worden of het zinvol is de bewijsopdracht als vermeld onder 4.13 aan [eiser] te verstrekken.

4.17.

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 175.074,90,

5.2.

verklaart dit vonnis tot zo ver uitvoerbaar bij voorraad,

5.3.

verwijst de zaak naar de rolziting van 6 mei 2020 voor akte uitlating door beide partijen als bedoeld in 4.15,

5.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Schothorst en in het openbaar uitgesproken door mr. J. de Vroome op 8 april 2020.1

1 type: CvdD coll: