Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:1402

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
20-03-2020
Datum publicatie
26-03-2020
Zaaknummer
171855
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Geen fysieke zitting vanwege coronavirus. Betrokkenen zijn gelijktijdig telefonisch gehoord, en de minderjarige afzonderlijk. Telefonisch horen is gelet op de uitzonderlijke omstandigheden in deze zaak voldoende om tot een goed oordeel te komen en neemt daarom een beslissing zonder verdere mondelinge behandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2020/78 met annotatie van Vlaardingerbroek, P.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaakgegevens : C/17/171855 / FJ RK 20-223

datum uitspraak: 20 maart 2020

beschikking uithuisplaatsing

in de zaak van

Regiecentrum Bescherming en Veiligheid, hierna te noemen de GI (Gecertificeerde Instelling),

gevestigd te Leeuwarden.

betreffende

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [de minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de moeder] , hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats] .

Het procesverloop

De kinderrechter heeft kennis genomen van het verzoek met bijlagen van de GI van 11 maart 2020, ingekomen bij de griffie op 11 maart 2020.

Vanwege het beleid van de Raad voor de rechtspraak om verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, zoals dat op 16 maart 2020 op www.rechtspraak.nl is gepubliceerd, heeft er geen fysieke zitting plaatsgevonden. De betrokkenen zijn in de gelegenheid gesteld om door de kinderrechter telefonisch gehoord te worden.

De kinderrechter heeft, in aanwezigheid van de griffier, op 20 maart 2020 eerst [de minderjarige] afzonderlijk telefonisch gehoord. Vervolgens zijn [de gezinsvoogd] (namens de GI) en de moeder gelijktijdig telefonisch door de kinderrechter gehoord.

De kinderrechter is van oordeel dat deze manier van horen – gelet op de huidige uitzonderlijke omstandigheden – in deze zaak voldoende is om tot een goed oordeel te komen en zal daarom een beslissing nemen, zonder verdere mondelinge behandeling.

De feiten
Het ouderlijk gezag over [de minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder. [de minderjarige] woont bij de moeder.

Bij beschikking van 29 mei 2019 is de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot
3 juni 2020.

Het verzoek

De GI heeft de uithuisplaatsing van [de minderjarige] verzocht in een residentiële voorziening voor behandelzorg voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de GI, kort gezegd, het volgende aangevoerd. [de minderjarige] heeft een belaste voorgeschiedenis en heeft door zijn internaliserende en externaliserende gedragsproblemen op verschillende plekken gewoond. [de minderjarige] woont op dit moment weer thuis, maar de afgelopen maanden is er een toename van onveiligheid binnen het gezin. Zo is er onder meer sprake van verbale en fysieke agressie, voert [de minderjarige] thuis de regie, heeft [de minderjarige] in verstoord dag- en nacht ritme en gaat [de minderjarige] niet naar school. De GI heeft zorgen over deze onveiligheid en ook over de beschikbaarheid van de moeder en de opvoedsituatie bij haar thuis. De moeder vormt de basis van een éénoudergezin met zes kinderen in verschillende leeftijdsfases. De GI wil voorkomen dat de situatie verder uit de hand loopt en kiest er nu voor in te grijpen middels een verzoek tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] . De GI hoopt hiermee [de minderjarige] en de andere gezinsleden te behoeden voor escalaties die dermate uit de hand lopen dat deze fysiek letsel tot gevolg hebben. De GI is van mening dat een residentiële behandelplek het meest passend is voor [de minderjarige] , nu hem daar duidelijke kaders worden gegeven en hij sturing en ondersteuning ontvangt. Er zal in nauwe samenwerking met SEIN onderzocht moeten worden wat de medische verklaring is voor de klachten van [de minderjarige] en welk vervolgtraject nodig is.

Het standpunt van belanghebbenden

Het standpunt van [de minderjarige]

heeft de kinderrechter telefonisch laten weten dat hij het verzoek wel had verwacht. Hij vindt het niet leuk, maar legt zich er bij neer. [de minderjarige] merkt zelf dat hij vaker boos en agressief is. Dit komt volgens hem omdat hij last heeft van hele heftige epileptische aanvallen. Hierdoor voelt hij zich enorm gefrustreerd. [de minderjarige] heeft nog uitdrukkelijk aangegeven niet naar de Woodbrookers te willen. Liever zou hij naar woonvorm De Balder gaan of teruggaan naar Elker (voorheen de Wilster).

Het standpunt van de moeder

De moeder stemt in met het verzoek. Zij maakt zich grote zorgen over [de minderjarige] . Zij hoopt dat er zo snel mogelijk duidelijkheid komt over zijn medische toestand en er een behandeling kan worden gestart, zodat hij zijn leven weer op kan pakken en weer naar school kan. Ook de moeder ziet een plaatsing het liefst bij Elker, en niet bij Woodbrookers. In de periode november 2018 tot en met maart 2019 verbleef [de minderjarige] ook naar tevredenheid van iedereen bij Elker.

De beoordeling

De kinderrechter van oordeel dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en de opvoeding, zoals genoemd in artikel 1:265b BW, nu er voor [de minderjarige] in de thuissituatie bij de moeder sprake is van een onveilige en instabiele situatie. Ondanks ingezette hulpverlening in de thuissituatie, is er sprake van toenemende fysieke en emotionele onveiligheid door onder meer de escalaties die plaatsvinden. De kinderrechter acht het niet ondenkbaar dat de epileptische aanvallen van [de minderjarige] een van de oorzaken is van de reeds ontstane situatie. Het is daarom van belang dat er zo snel mogelijk duidelijkheid komt over de (medische) oorzaak van deze aanvallen, waarbij opgemerkt wordt dat dit onderzoekstraject al in gang is gezet. Op dit moment lijken de aanvallen [de minderjarige] erg te beperken en raakt hij hierdoor gefrustreerd, waardoor hij (naar eigen zeggen) een kort lontje heeft en zich boos en agressief voelt. De kinderrechter begrijpt uit hetgeen ter telefonische zitting is besproken dat het voor alle betrokkenen voorop staat dat [de minderjarige] zo snel mogelijk weer een wat positiever toekomstperspectief krijgt. Na een medische diagnose en mogelijk behandeling, kan [de minderjarige] hopelijk ook weer starten met school. Het is van belang dat hij de juiste behandeling en ondersteuning krijgt die hij nodig heeft. Dat lukt op dit moment niet in de thuissituatie bij de moeder. De kinderrechter zal daarom de machtiging uithuisplaatsing verlenen zoals verzocht.

De kinderrechter wil de GI meegeven dat zowel [de minderjarige] als de moeder grote weerstand hebben tegen een plaatsing van [de minderjarige] bij de Woodbrookers. De kinderrechter roept de GI dan ook op om eerst te onderzoeken of [de minderjarige] geplaatst kan worden bij Elker, en wanneer dat niet kan of plaatsing elders nog tot de mogelijkheden behoort.

De beslissing

De kinderrechter:

verleent machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een residentiële voorziening voor behandelzorg, met ingang van 20 maart 2020 tot uiterlijk 3 juni 2020;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2020 door mr. G.J. Baken, kinderrechter, in tegenwoordigheid van de griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 25 maart 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden

(441)