Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:1369

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
25-03-2020
Zaaknummer
18/253757-19 Ontneming
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank legt de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van € 2.081,30 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/253757-19

beslissing van de meervoudige kamer d.d. 17 maart 2020 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel

in de zaak tegen

[verordeelde],

geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats],

niet als ingezetene ingeschreven in de basisregistratie personen,

correspondentieadres: [straatnaam], [plaats],

hierna te noemen: veroordeelde.

Procesverloop

De officier van justitie heeft d.d. 13 februari 2020 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat (artikel 36e, lid 5, Wetboek van Strafrecht) en dat de rechtbank aan veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van € 2.081,30 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat voortvloeit uit de zaak met parketnummer 18/253757-19.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 3 maart 2020. De veroordeelde is verschenen, bijgestaan door mr. J.H. Rump, advocaat te Zwolle.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. I. Kluiter.

Bewijsmiddelen

De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:

1. De in het vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 17 maart 2020 in de onderliggende strafzaak opgenomen bewijsmiddelen 2, 4, 5 en 7;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 2 november 2019, opgenomen op pagina 71 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019300878 van 22 november 2019, inhoudende als relaas van verbalisant:

[getuige 1] vertelde dat hij zeker wel 5 keer bij [naam] harddrugs besteld had. [getuige 1] bestelde altijd heroïne. Voor een bolletje heroïne betaalde hij 10 euro en 30 euro voor 1 gram bruin.

[getuige 2] verklaarde 1 keer speed gebruikt te hebben. Hij verklaarde dit gekocht te hebben bij een persoon genaamd [naam]. Voor deze 1 gram speed heeft [getuige 2] 10 euro betaald.

[getuige 3] gaf aan dat hij recreatief gebruiker is en vanaf augustus 2019 tot oktober 2019 vier keer cocaïne had gekocht van een persoon genaamd [naam]. Voor 1 gram cocaïne betaalde hij 50 euro;

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 22 november 2019, opgenomen op pagina 73 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten:

Wij hoorden de persoon die anoniem wilde blijven zeggen dat hij in totaal vier keer een bolletje heroïne van [naam] gekocht had;

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 1 december 2018, opgenomen op pagina 112 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 4]:

Ik heb ongeveer 4 a 5 keer heroïne van [naam] gekocht. De prijs is 10 euro voor 0.2 gram heroïne.

Beoordeling

De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 17 maart 2020 in de zaak met parketnummer 18/253757-19 veroordeeld ter zake het opzettelijk handelen in strijd met het verbod van artikel 2, onder B en C, van de Opiumwet.

Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan dat de veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van dit strafbare feit en andere strafbare feiten, te weten het dealen in speed en heroïne, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.

De rechtbank neemt als uitgangspunt voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van deze strafbare feiten wordt geschat, het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 25 november 2019 (verder: het rapport).

Dit levert de volgende berekening op:

Inkomsten

Ten aanzien van de inkomsten gaat de rechtbank uit van de in het rapport opgenomen tabel op pagina 127 betreffende de 'Totale inkomsten verklaringen afnemers'. In deze tabel is opgenomen hoe vaak een getuige in een bepaalde periode harddrugs heeft afgenomen bij verdachte, alsook de bedragen die hiervoor zijn betaald. Hieruit volgt dat het totaal aan inkomsten van veroordeelde € 6.250,00 is.

Kosten

Bij de berekening van de inkoopkosten is de rechtbank uitgegaan van gemiddelde handelsprijzen van € 26.000,00 per kilogram cocaïne, € 17.000,00 per kilogram heroïne en € 1.500,00 per kilogram speed. In totaal betreffen de inkoopkosten in dit geval dan een bedrag van € 3.332,70.

Gelet op de verklaring van [getuige 5] is er ook sprake van ‘personeelskosten’. Hij werd uitbetaald in bolletjes cocaïne en heroïne. Gelet op de inkoopprijs van het aantal bolletjes dat [getuige 5] heeft ontvangen, komt de rechtbank in totaal op een bedrag van € 810,00.

De totale kosten voor verdachte bedragen dan € 3.332,70 + € 810,00 = € 4.142,70

Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel

Dit levert de volgende berekening op:

Totale opbrengsten: € 6.250,00

Totale kosten: € 4.142,70

Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel: € 2.107,30

De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat de veroordeelde € 2.107,30 voordeel heeft genoten.

De rechtbank komt op grond van de berekening in het rapport tot een andere uitkomst dan de officier van justitie. Nu dit in het nadeel van verdachte is, stelt de rechtbank de betalingsverplichting vast op het door de officier van justitie en het in het rapport genoemde bedrag van € 2.081,30.

Beslissing

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 2.107,30.

Legt [verordeelde] de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van € 2.081,30 (zegge: tweeduizend eenentachtig euro en dertig eurocent) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 30 dagen.

Deze uitspraak is gegeven door mr. N.A. Vlietstra, voorzitter, mr. K. Post en mr. A. Nieuwenhuis, rechters, bijgestaan door mr. C.G. Velvis, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 17 maart 2020.

Mr. Nieuwenhuis is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.