Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:135

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
15-01-2020
Datum publicatie
15-01-2020
Zaaknummer
C17/170080 KG-ZA 19-290
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Het door gedaagden uitgebrachte persbericht en de verwijzingen van hen naar dit persbericht zijn onrechtmatig.

Gedaagden worden in conventie veroordeeld tot het verwijderen en rectificeren daarvan en tot het verzenden van een nieuw persbericht.

Alle vorderingen in reconventie worden afgewezen wegens het ontbreken van een (spoedeisend) belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0060
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/170080 / KG ZA 19-290

Vonnis in kort geding van 15 januari 2020

in de zaak van

1. [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in het incident,

2. de vennootschap naar buitenlands recht

MSAR LTD.,

gevestigd te [woonplaats] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaten mr. T.H. Geukes Foppen, kantoorhoudende te Amsterdam en

mr. L. Keukens, kantoorhoudende te Leiden,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 3] BV,

gevestigd te [woonplaats] ,

eisers in reconventie,

4. [gedaagde sub 4],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in het incident,

advocaat mrs. M. Dijkstra en L.L. de Geus, kantoorhoudende te Drachten.

Eisers zullen hierna worden aangeduid als [eiser sub 1] respectievelijk MSAR en tezamen [eisers sub 1 en 2] worden genoemd. Gedaagden zullen hierna worden aangeduid als [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] respectievelijk [gedaagde sub 4] en tezamen [gedaagde 1, 2, 3 en 4] worden genoemd. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zullen tezamen worden aangeduid als [de broers] .

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

De voorzieningenrechter verwijst naar het vonnis in incident van 13 december 2019. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit het faxbericht van mr. De Geus, waarin zij aangeeft dat [eiser sub 1] zekerheid heeft gesteld en dat deze zekerheid door [gedaagde 1, 2, 3 en 4] akkoord is bevonden.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in de hoofdzaak.

2 De feiten

2.1.

[eiser sub 1] is eigenaar van MSAR, de moedervennootschap van een concern.

2.2.

[de broers] waren via hun persoonlijke vennootschappen [G1 beheer BV] (hierna: [G1 beheer BV] ) respectievelijk [G2 beheer BV] (hierna [G2 beheer BV] ) bestuurder en aandeelhouder van [de vastgoed holding] . Deze vennootschap stond aan het hoofd van een concern, waartoe drie dochterondernemingen behoorden, te weten [dochteronderneming 1] (hierna: [dochteronderneming 1] ), [dochteronderneming 2] en [dochteronderneming 3] . [dochteronderneming 1] bouwde jachten in het hogere prijssegment.

2.3.

Bij overeenkomst van 6 juni 2017 hebben [G1 beheer BV] en [G2 beheer BV] hun aandelen in [de vastgoed holding] verkocht aan [XXX] Management en Beheer BV (hierna: [XXX] ). In die overeenkomst is bepaald dat de eigendom van de intellectuele eigendomsrechten bij [G1 beheer BV] en [G2 beheer BV] zou blijven totdat de koopprijs conform de overeenkomst betaald zou zijn en dat [G1 beheer BV] en [G2 beheer BV] de activiteiten van hun dochteronderneming [gedaagde sub 3] mochten voortzetten. Nadat de aandelen waren overgedragen, is er een conflict ontstaan tussen [XXX] enerzijds en [G1 beheer BV] en [G2 beheer BV] anderzijds.

2.4.

[dochteronderneming 1] is bij vonnis van deze rechtbank van 20 mei 2018 in staat van faillissement verklaard.

2.5.

Vervolgens hebben [eisers sub 1 en 2] in 2018 de handelsnaam [dochteronderneming 2] gekocht.

2.6.

Op 31 oktober 2018 heeft [gedaagde sub 3] het woordmerk [XXX] laten registreren in het Benelux Merkenregister.

2.7.

Bij e-mail van 16 november 2018, verzonden aan een e-mailadres van de in Malta gevestigde vennootschap Oxbridge SE (hierna: Oxbridge), heeft [gedaagde sub 3] aan [eiser sub 1] bericht dat zij had vernomen dat [eiser sub 1] bezig was de naam [XXX] als merknaam te registeren en dat zij daar bezwaar tegen had, omdat zij de eigenaar was van dit merk.

2.8.

Daarop heeft overleg plaatsgevonden tussen [de broers] en [eiser sub 1] , wat op

23 november 2018 heeft geleid tot een aanbod van [de broers] aan [eiser sub 1] tot (onder meer) verkoop van de merknaam [XXX] aan [eiser sub 1] . Dit aanbod heeft niet tot een overeenkomst tussen hen geleid.

2.9.

In november 2018 is op de webpagina [hyperlink 1] onder meer de volgende tekst geplaatst:

(…) Oxbridge has acquired a significant

controlling share in [dochteronderneming 2] , as well

as all the tooling, branding and Intellectual

Property to certain product lines under a closed

bidding. ● 2018

[achternaam broers] key management team will remain in place

(…)

[dochteronderneming 2] has been building yachts in steel and aluminium, since 1997, with more than 250 units supplied to the market.

2017 ●

MBO at [dochteronderneming 1]

Oxbridge SE as investor on board

FOTO VERWIJDERD

New ownership for [naam scheepswerf]

● (…) [woonplaats] - The brothers [gedaagde sub 1] and [gedaagde sub 2] have sold their yard, [naam scheepswerf] to director [XXX] . (…). The brothers do noy say goodbye to "their baby" because they remain closely involved with the Sneker worf (…)."

2.10.

Op 28 november 2018 is op de website [website 1] een nieuwsbericht geplaats met onder meer de volgende inhoud:

" [dochteronderneming 2] neemt plaats [dochteronderneming 1] in

(…) In een Engelstalig persbericht meldt [dochteronderneming 2] in [woonplaats] dat de werf zijn activiteiten ‘as usual’ zal voortzetten met hulp van investeringsmaatschappij Oxbridge SE. Als directeur treedt [naam directeur investeringsmaatschappij] op. Volgens curator mr. C. Geffroy betreft het geen doorstart van de op 22 mei 2018 failliet verklaarde [dochteronderneming 1] , maar heeft de investeerder de roerende goederen (gereedschappen, machines, etc.) uit de failliete boedel overgenomen.

Naamsverwarring

De verwarring rond de naam [achternaam broers] is groot omdat de gebroeders [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] medio 2017 hun bedrijf [dochteronderneming 1] , handelend onder de naam [naam scheepswerf] , verkochten aan [XXX] , die de directie ging voeren. De broers hebben daarna een nieuw bedrijf opgezet dat [gedaagde sub 3] heet. Het nu opgestarte bedrijf heet [dochteronderneming 2] en is dus geen voortzetting van het failliete [dochteronderneming 1] , maar in het persbericht wordt wel gesteld dat [dochteronderneming 2] onderdeel was van het merk [naam scheepswerf] , dat sinds 1997 bestaat. Ook de website die thans wordt gevoerd draagt die naam.

Investeerder Oxbridge SE heeft volgens het persbericht een substantieel belang genomen in [dochteronderneming 3] , dat een deelneming is van [de vastgoed holding] , eigendom van eerder genoemde [XXX] , eigenaar van de bedrijfspanden van de werf aan de [straatnaam] in [woonplaats] ."

2.11.

[eiser sub 1] en Oxbridge hebben op 14 december 2018 het woordmerk [dochteronderneming 2] en op 18 december 2018 de woordmerken [dochteronderneming 3] , [woordmerk 2] , [woordmerk 3] en [woordmerk 4] laten registreren in het Benelux Merkenregister.

2.12.

In oktober 2019 hebben [eisers sub 1 en 2] via het PR-bureau Sand People Communication (hierna: Sand People) een nieuwsbericht verspreid, waarin onder meer stond vermeld dat [dochteronderneming 2] shipyard was verkocht aan MSAR.

2.13.

Op 7 november 2019 hebben [de broers] en hun zus [gedaagde sub 4] vanuit hun sociale media en via e-mail een link verspreid naar persberichten op de website van [gedaagde sub 3] met als titels " [achternaam broers] family [woonplaats] of counterfeit yachts and [achternaam broers] brand piracy" en "Waarschuwing namaak [achternaam broers] jachten & [achternaam broers] merk piraterij". Ook zijn deze berichten verspreid naar de pers. In de Nederlandse versie van dit persbericht staat onder meer het volgende vermeld:


"Het familiebedrijf [achternaam broers] is sinds 1997 zeer succesvol in de luxe jachtbouw. Onder haar aansturing werden prestigieuze jachten afgeleverd en werden vele jachtbouw awards gewonnen. De familie waarschuwt iedereen hierbij dus graag voor illegale namaak van hun jachten.

Hierbij wordt haar [achternaam broers] merk onrechtmatig gebruikt door overtreders die absoluut geen enkele rol ooit hebben gespeeld in de gevierde Nederlandse jachtbouw historie van haar bedrijf in [woonplaats] . Namaak is niet alleen onrechtmatig, het gaat ook vaak gepaard met een inferieure bouwkwaliteit en niet acceptabele veiligheidsrisico’s. Namaak beschadigt de jachtbouw markt."

2.14.

Naar aanleiding van dit persbericht hebben Seamagazine, het Sneeker Nieuwsblad en de Leeuwarder Courant nieuwsberichten gepubliceerd. Ook zijn er persberichten verschenen op verschillende websites, zoals BootaanBoot.nl en de website van de Nederlandse Jachtbouw Industrie. In het nieuwsbericht dat op 7 november 2019 op de website van de Leeuwarder Courant is geplaatst, staat onder meer het volgende vermeld:

"De gebroeders [achternaam broers] uit [woonplaats] waarschuwen voor illegaal nagemaakte jachten die onder hun naam te koop worden aangeboden.

De Belgische investeerder [eiser sub 1] kondigde eerder dit jaar aan in Turkije jachten van het merk [achternaam broers] te willen produceren. Volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] wordt daarmee hun merkrecht geschonden. Zij verkochten hun gerenommeerde jachtwerf in 2017, die onder de nieuwe eigenaar failliet ging.

,,Maar de merknaam, het idee en de legacy is nog gewoon van ons", zegt [gedaagde sub 1] . (…)"

2.15.

Mr. Geukes Foppen heeft namens [eisers sub 1 en 2] bij aangetekende brieven van 18 november 2019 [gedaagde 1, 2, 3 en 4] gesommeerd de berichten c.q. publicaties onmiddellijk te verwijderen en verwijderd te houden en over te gaan tot rectificatie via dezelfde kanalen als waaruit de berichten zijn verspreid met een tekst die vooraf door [eiser sub 1] zou worden geredigeerd. Tot slot werden [gedaagde 1, 2, 3 en 4] gesommeerd opgave te doen van de ontvangers van de berichten. [gedaagde 1, 2, 3 en 4] hebben niet aan de sommatie voldaan.

2.16.

Bij e-mail van 7 december 2019 heeft mr. Keukens namens [eisers sub 1 en 2] onder meer het volgende aan mr. Dijkstra bericht:

"Na bestudering van de eis in reconventie hebben cliënten geheel onverplicht de Foto's en het Logo alsook de portretten waarop uw cliënten staan afgebeeld van de websites van cliënte verwijderen en zullen ieder gebruik van deze Foto's, het Logo alsook de portretten staken en gestaakt houden. (…) U kunt deze e-mail op bovengenoemde onderbouwing als onthoudingsverklaring opvatten. Daarmee is aan de vorderingen I. tot en met III. voldaan."

2.17.

Diezelfde dag heeft [eiser sub 1] per e-mail onder meer het volgende aan Sand People bericht:

"In light of the fight with the brothers [achternaam broers] , I request you:

- - To change the logo of [dochteronderneming 2] on your website

- - To remove the video (P448 Beaxch 55..0

- - To remove the picture of the yard (yard aerial view)"

3 Het geschil in conventie

3.1.

[eisers sub 1 en 2] vorderen - na vermeerdering van eis - dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde 1, 2, 3 en 4] ieder voor zich zal veroordelen binnen twee dagen na het in deze zaak te wijzen vonnis over te gaan tot verwijdering en het verwijderd laten van de publicaties zoals genoemd in het lichaam van de dagvaarding onder randnummer 5 e.v., en zich te onthouden van verspreiding van publicaties of uitlatingen van gelijke aard of strekking;

II. [gedaagde 1, 2, 3 en 4] ieder voor zich zal veroordelen binnen twee dagen na het in deze zaak te wijzen vonnis over te gaan tot rectificatie en het laten uitgaan van een nieuw persbericht, naar dezelfde mailinglijst als gebruikt voor het eerder gestuurde persbericht, met de onderstaande volledige tekst, tevens in een beëdigde Engels vertaling, op hun eigen sociale media (Facebook, LinkedIn en Twitter), op de website van [gedaagde sub 3] , Seamagazine, de Leeuwarder Courant en de overige media die hebben gepubliceerd naar aanleiding van het persbericht.

" RECTIFICATIE

Op 7 november 2019 zijn Nederlandstalige en Engelstalige persberichten met onder andere de titels 'Waarschuwing namaak [achternaam broers] jachten & [achternaam broers] merk piraterij' en ‘ [achternaam broers] Yachts warns against counterfeit boats' verschenen op onder andere LinkedIn, Twitter, de website van [gedaagde sub 3] [hyperlink 2] de website van Seamagazine [hyperlink 3] en in De Leeuwarder Courant ( [hyperlink 4] De berichten zijn ook via verschillende mailings verspreid.

Deze berichten vinden hun oorsprong bij en zijn verspreid door [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 1]

, [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 3] , en hierin hebben zij zich

onrechtmatig en onjuist uitgelaten richting de heer [eiser sub 1] en zijn onderneming MSAR Ltd. [eiser sub 1] en MSAR Ltd. hebben in de afgelopen jaren op nationaal en internationaal vlak in de jachtbouw en bouw van SAR (Search And Rescue) vessels een uitstekende track-record opgebouwd, en beschikken daarmee over een goede naam. Door de berichten die op 7 november 2019 door voornoemde partijen zijn verspreid, zijn de goede naam en faam van de heer [eiser sub 1] en de onderneming MSAR Ltd. echter geschaad. Ten onrechte werd in de publicaties gesuggereerd dat de heer [eiser sub 1] en de onderneming MSAR Ltd. namaakjachten zouden bouwen en zich schuldig zouden hebben gemaakt aan piraterij. Deze berichten zijn feitelijk onjuist, diffamerend en schadebrengend, en hadden niet geplaatst mogen worden. Voornoemde partijen nemen daarvoor iedere verantwoordelijkheid op zich.

[gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 3] bieden hiertoe openlijk hun excuses aan in deze rectificatie en zullen zich verder onthouden van het doen van negatieve en onjuiste uitlatingen aan het adres van de heer [eiser sub 1] en MSAR Ltd., omdat zij allen erkennen dat de betreffende berichten onnodig schade hebben aangebracht en niet geplaatst hadden mogen worden.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft bij vonnis in kort geding van [DATUM] 2019 geoordeeld dat door het doen van deze uitlatingen onrechtmatig jegens de heer [eiser sub 1] en de onderneming MSAR Ltd. is gehandeld. De voorzieningenrechter heeft daarbij [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 3] veroordeeld tot het plaatsen van deze rectificatie. Ook zijn voornoemde partijen veroordeeld tot betaling van een voorschot op een schadevergoeding aan de heer [eiser sub 1] en de onderneming MSAR Ltd., en is het hen verboden zich nog negatief uit te laten."

III. [gedaagde 1, 2, 3 en 4] zal veroordelen binnen vijf dagen na het in deze zaak te wijzen vonnis aan [eisers sub 1 en 2] opgave te doen van de ontvangers (mailinglist) van de onder randnummer 6 e.v. van de dagvaarding genoemde persberichten;

IV. [gedaagde 1, 2, 3 en 4] hoofdelijk zal veroordelen, des dat de één betalend de ander zal zijn bevrijd, tot het betalen van een voorschot op de in een bodemprocedure te verwachten toe te wijzen schadevergoeding ten bedrage van € 25.000,-, althans een zodanig bedrag als de voorzieningenrechter in goede justitie zal bepalen;

V. [gedaagde 1, 2, 3 en 4] hoofdelijk zal veroordelen om binnen twee dagen na het in deze zaak te wijzen vonnis

(1) de fysieke versies van de Letter of Interest (LOI) naar [eiser sub 1] terug te sturen;

(2) de LOI in zijn geheel te vernietigen, zowel digitaal als fysiek;

VI. [gedaagde 1, 2, 3 en 4] hoofdelijk zal veroordelen om binnen vijf dagen na het in deze zaak te wijzen vonnis een overzicht en bewijs te verstrekken van het feit dat de LOI ook digitaal is vernietigd c.q. verwijderd van alle gegevensdragers van [gedaagde 1, 2, 3 en 4] ;

VII. [gedaagde 1, 2, 3 en 4] hoofdelijk zal veroordelen binnen vijf dagen na het in deze zaak te wijzen vonnis een overzicht en inzage te verstrekken ten aanzien van overige documentatie die [gedaagde 1, 2, 3 en 4] onder zich hebben, die betrekking heeft op [eisers sub 1 en 2] , zonder dat daarvoor

toestemming is gegeven door [gedaagde 1, 2, 3 en 4] ;

VIII. wat betreft de onder I, II, III, V., VI. en VII uit te spreken veroordeling zal bepalen dat bij niet nakoming hiervan [gedaagde 1, 2, 3 en 4] ieder voor zich een dwangsom zullen verbeuren van € 10.000,-, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom, voor iedere dag of gedeelte hiervan dat [gedaagde 1, 2, 3 en 4] in gebreke mochten blijven aan de veroordelingen te voldoen;

IV. [gedaagde 1, 2, 3 en 4] hoofdelijk zal veroordelen, des dat de één betalend de anderen zullen zijn bevrijd, in de kosten van deze procedure en de nakosten, onder de bepaling dat indien betekening van het vonnis nodig is, het bedrag aan nakosten met € 68,- wordt verhoogd.

3.2.

[eisers sub 1 en 2] hebben hoofdzakelijk het volgende aan hun vorderingen ten grondslag

gelegd. [gedaagde 1, 2, 3 en 4] handelen onrechtmatig door de uitlatingen die zij hebben gedaan en

publicaties die zij hebben verspreid, als bedoeld in 2.13 en 2.14. De inhoud van de berichtgeving is namelijk feitelijk onjuist; er worden door [eisers sub 1 en 2] geen "namaak" [achternaam broers] - jachten gebouwd en van "piraterij" is ook geen sprake. Door de diffamerende berichtgeving wordt de goede naam van [eiser sub 1] ernstig geschaad en deze berichtgeving straalt ook negatief af op MSAR, waarmee [eiser sub 1] internationaal opereert. [gedaagde 1, 2, 3 en 4] dienen daarom de berichtgeving te rectificeren en de schade die [eisers sub 1 en 2] als gevolg van hun onrechtmatig handelen hebben geleden te vergoeden. Voorts hebben [gedaagde 1, 2, 3 en 4] stukken in het geding gebracht, zoals een LOI, die confidentieel zijn, althans die onrechtmatig in het bezit van [gedaagde 1, 2, 3 en 4] zijn gekomen. [gedaagde 1, 2, 3 en 4] dienen deze stukken te vernietigen.

3.3.

[gedaagde 1, 2, 3 en 4] voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring van

[eisers sub 1 en 2] in hun vorderingen althans afwijzing van deze vorderingen, met primair

veroordeling in de daadwerkelijke proceskosten, althans subsidiair veroordeling in de reguliere proceskosten, een en ander te vermeerderen met nakosten en met wettelijke rente over de (na)kosten bij niet tijdige betaling.

3.4.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

[gedaagde sub 3] en [de broers] vorderen - na vermeerdering van eis - dat de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

I. [eisers sub 1 en 2] ieder voor zich zal verbieden om binnen een dag na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis direct of indirect inbreuk te (doen) maken op de auteursrechten van [gedaagde sub 3] , in het bijzonder door ieder direct en indirect gebruik van de foto’s (productie 14 a t/m. e) te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden;

II. [eisers sub 1 en 2] ieder voor zich zal verbieden om binnen een dag na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis direct of indirect inbreuk te (doen) maken op de auteursrechten van [gedaagde sub 1] , in het bijzonder door ieder direct en indirect gebruik van het logo (productie 15 a t/m. b) te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden;

III. [eisers sub 1 en 2] ieder voor zich zal verbieden om binnen een dag na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis direct of indirect inbreuk te (doen) maken op de portretrechten van [de broers] , in het bijzonder door ieder direct en indirect gebruik van het portret (productie 16) te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden;

IV. [eisers sub 1 en 2] ieder voor zich zal gebieden om binnen twee weken na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis rekening en verantwoording af te leggen aan [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 1] ter zake van de met de inbreuken sub I. en II. genoten winst, een en ander overeenkomstig 27a lid 1 Auteurswet, zulks vergezeld van een ondertekende verklaring van een onafhankelijke registeraccountant, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie aan te wijzen onafhankelijk deskundige, dat de opgave juist en volledig is;

V. [eisers sub 1 en 2] ieder voor zich zal gebieden om binnen een dag na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis iedere oneerlijke handelspraktijk en/of misleidende handelspraktijk en/of onrechtmatige handeling jegens [gedaagde sub 3] en/of [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden, in het bijzonder door het (doen) staken en gestaakt (doen) houden van handelingen waardoor de suggestie wordt gewekt dat er een (commerciële) relatie bestaat tussen [gedaagde sub 3] en/of [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] enerzijds en [eiser sub 1] en/of MSAR anderzijds;

VI. [eisers sub 1 en 2] ieder voor zich zal bevelen om binnen vijf dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis gedurende twee kalendermaanden te plaatsen op de landingspagina van www.msar.eu en [website 2] en de daaraan gelieerde sociale media (LinkedIn, Twitter en Facebook), en met de tekst in een duidelijk ingekaderd frame van tenminste een kwart van de schermhoogte en met tenminste een 16 punts lettertype, duidelijk zichtbaar en leesbaar, op een neutrale witte achtergrond, dat zij inbreuk hebben gemaakt op auteursrechten, inbreuk hebben gemaakt op portretrechten en een oneerlijke en misleidende handelspraktijk voeren door plaatsing van de volgende, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen, tekst, zowel in de Nederlandse taal als in de Engelse taal:

"KENNISGEVING VAN VONNIS

Geachte klanten,

Wij zijn verplicht u te informeren dat de rechtbank Noord-Nederland bij vonnis van

[datum vonnis] heeft geoordeeld dat wij inbreuk maken op de auteursrechten van [gedaagde sub 3]

en van de heer [gedaagde sub 1] en dat wij daarmee moeten ophouden.

Door het plaatsen van een foto met daarop het gelaat van de heer [gedaagde sub 1] en het

gelaat van de heer [gedaagde sub 2] hebben wij inbreuk gemaakt op het portretrecht van de heer [gedaagde sub 1] en de heer [gedaagde sub 2] . Wij hebben bovendien ten onrechte de suggestie gewekt dat er een economische of commerciële relatie bestaat tussen ons en de heer [gedaagde sub 1] , de heer [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] .

Verder zijn wij verplicht u te informeren over het feit dat wij ons schuldig hebben gemaakt aan het voeren van een oneerlijke en misleidende handelspraktijk, door ten onrechte te beweren dat wij direct of indirect aandelen hebben in het bedrijf [dochteronderneming 2] , dat wij enige relatie hebben met de heer [gedaagde sub 1] , de heer [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] , dat wij intellectuele eigendomsrechten van ' [gedaagde sub 2] ' hebben, dat wij in [woonplaats] zijn gevestigd en dat wij sinds 1997 jachten bouwen.

Was getekend,

De heer. [eiser sub 1] en MSAR Ltd.

en:

" NOTIFICATION OF JUDGEMENT

Dear customers,

We are obliged to inform you that the Dutch Court of Noord-Nederland (Rechtbank Noord Nederland) has ruled by judgement [date judgement] that we infringe the copyrights of [gedaagde sub 3] and the copyrights of mr. [gedaagde sub 1] and that we are obliged to cease these infringements.

By posting a photo with the faces of mr. [gedaagde sub 1] and of mr. [gedaagde sub 2] , we have also infringed the portrait rights of mr. [gedaagde sub 1] and of mr. [gedaagde sub 2] . We also wrongly made the suggestion and impression that there would be any economic or any commercial relation between us and mr. [gedaagde sub 1] , mr. [gedaagde sub 2] and [gedaagde sub 3] .

Furthermore we are obliged to inform you that we conduct an unfair and misleading

commercial practice, by wrongly claiming that we directly or indirectly have shares in the company [dochteronderneming 2] , that there is any relationship between us and mr. [gedaagde sub 1] , mr. [gedaagde sub 2] and [achternaam broers] Yacht Support B.V, that we own the intellectual property rights of ' [achternaam broers] ', that we are based in [woonplaats] (Netherlands) and that we build yachts since 1997.

Was signed,

Mr. [eiser sub 1] and MSAR Ltd."

VII. [eisers sub 1 en 2] hoofdelijk, des dat de een betaalt de anderen zullen zijn gekweten, zal veroordelen tot betaling aan [gedaagde sub 3] van een onmiddellijk opeisbare en niet voor compensatie vatbare dwangsom van € 10.000,- voor iedere gehele of gedeeltelijke overtreding van de verboden en geboden, zoals genoemd onder I. IV., V. en VI., te vermeerderen met een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat deze overtreding voortduurt met een maximum tot € 500.000,-;

VIII. [eisers sub 1 en 2] hoofdelijk, des dat de een betaalt de anderen zullen zijn gekweten, zal veroordelen tot betaling aan [gedaagde sub 1] van een onmiddellijk opeisbare en niet voor compensatie vatbare dwangsom van € 10.000,- voor iedere gehele of gedeeltelijke overtreding van de verboden en geboden, zoals genoemd onder II. tot en met VI., te vermeerderen met een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat deze overtreding voortduurt met een maximum tot € 500.000,-;

IX. [eisers sub 1 en 2] hoofdelijk, des dat de een betaalt de anderen zullen zijn gekweten, zal veroordelen tot betaling aan [gedaagde sub 2] van een onmiddellijk opeisbare en niet voor compensatie vatbare dwangsom van € 10.000,- voor iedere gehele of gedeeltelijke overtreding van de verboden en geboden, zoals genoemd onder III., V. en VI., te vermeerderen met een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat deze overtreding voortduurt met een maximum tot € 500.000,-;

X. [eisers sub 1 en 2] hoofdelijk, des dat de een betaalt de anderen zullen zijn gekweten, zal veroordelen tot betaling aan [gedaagde sub 3] en [de broers] van een voorschot op de in een bodemprocedure te verwachten toe te wijzen schadevergoeding ad € 25.000,-, althans een zodanig bedrag als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren;

XI. [eisers sub 1 en 2] hoofdelijk, des dat de een betaalt de anderen zullen zijn gekweten, zal veroordelen tot betaling aan [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 1] van de proceskosten ex artikel 1019h van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) (productie 19), voor zover het geschil betrekking heeft op intellectuele eigendomsrechten, en [eisers sub 1 en 2] ten aanzien van de overige geschillen hoofdelijk, des dat de een betaalt de anderen zullen zijn gekweten, zal veroordelen tot betaling aan [gedaagde sub 3] en [de broers] van de reguliere proceskosten, een en ander te voldoen binnen twee weken na dagtekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, te vermeerderen met eventuele nakosten en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na-)kosten vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

4.2.

[gedaagde sub 3] en [de broers] hebben hoofdzakelijk het volgende aan hun vorderingen ten grondslag gelegd. [gedaagde sub 3] is auteursrechthebbende van foto's, ontwerpen en logo's, die MSAR zonder toestemming op allerlei wijzen heeft gebruikt, onder andere op de website

[website 2] [gedaagde sub 1] is auteursrechthebbende ter zake van een logo, dat MSAR ook zonder toestemming op allerlei wijzen heeft gebruikt, onder andere op de website [website 2] Voorts heeft MSAR inbreuk gemaakt op het portretrecht van [de broers] door zonder hun toestemming een foto, waarop zij zijn afgebeeld, te

gebruiken op de website [website 2] [eiser sub 1] kan een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt van dit onrechtmatige handelen van zijn vennootschap, zodat hij mede aansprakelijk is voor het handelen van MSAR. [eisers sub 1 en 2] maken zich bovendien schuldig aan een oneerlijke en misleidende handelspraktijk, als bedoeld in artikel 6:193a e.v. van het Burgerlijk Wetboek (BW) door onjuiste informatie op de website [website 2] te zetten, waarmee de suggestie wordt gewekt dat er enige (commerciële) relatie bestaat tussen [eisers sub 1 en 2] enerzijds en [de broers] en [gedaagde sub 3] anderzijds. Zo wordt overal op die website de naam [gedaagde sub 2] vermeld en wordt aangegeven dat de [de broers] betrokken blijven bij de onderneming. [eisers sub 1 en 2] dienen dit onrechtmatig handelen te staken, de schade die [gedaagde sub 3] en [de broers] ten gevolge van dit handelen hebben geleden te vergoeden, de winst die zij ten gevolgen van de auteursrechtinbreuk hebben genoten af te dragen en een rectificatie te plaatsen.

4.3.

[eisers sub 1 en 2] voeren verweer met conclusie tot niet-ontvankelijkverklaring van [gedaagde 1, 2, 3 en 4] in hun vorderingen althans afwijzing van deze vorderingen, een en ander met primair veroordeling van [gedaagde 1, 2, 3 en 4] in de volledige proceskosten op grond van artikel 1019h Rv, althans subsidiair veroordeling van [gedaagde 1, 2, 3 en 4] in de proceskosten conform het liquidatietarief.

4.4.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie

Zekerheidsstelling

5.1.

[eiser sub 1] heeft zekerheid gesteld voor de proceskosten, zoals bij vonnis in het incident is bepaald. [eiser sub 1] is aldus in zoverre ontvankelijk in zijn vorderingen.

Vermeerdering van eis

5.2.

[gedaagde 1, 2, 3 en 4] hebben zich verzet tegen de vermeerdering van eis in conventie, omdat [eisers sub 1 en 2] daarmee buiten de grenzen van de rechtsstrijd in het kader van het kort geding zouden zijn getreden. Dit verzet is ongegrond. Artikel 130 lid 1 Rv, dat in beginsel ook op de kortgedingprocedure van toepassing is, bepaalt onder meer dat [eisers sub 1 en 2] , zolang geen vonnis is gewezen, bevoegd zijn hun eis schriftelijk te vermeerderen. Aan deze voorwaarden voor een eisvermeerdering hebben [eisers sub 1 en 2] voldaan. Door de eisvermeerdering maken [eisers sub 1 en 2] datgene dat zij bij het vermeerderen van hun eis hebben gevorderd, tot onderdeel van de rechtsstrijd. Van het "buiten de rechtsstrijd" treden is derhalve geen sprake. Voor zover [gedaagde 1, 2, 3 en 4] hebben bedoeld aan te voeren dat hetgeen [eisers sub 1 en 2] bij eisvermeerdering hebben gevorderd in kort geding niet toewijsbaar is, omdat de aard van een kort geding zich daartegen verzet, hebben zij dat onvoldoende onderbouwd. De voorzieningenrechter zal daarom recht doen op de vermeerderde eis.

Rechtmatigheid van de uitingen van [gedaagde 1, 2, 3 en 4]

5.3.

[gedaagde 1, 2, 3 en 4] hebben als verweer aangevoerd dat de inhoud van hun berichtgeving, als bedoeld in 2.13., niet onjuist, niet onrechtmatig en niet diffamerend is. Bovendien mogen zij volgens hen dergelijke berichten verspreiden op grond van hun recht op vrijheid van meningsuiting. De voorzieningenrechter volgt [gedaagde 1, 2, 3 en 4] hierin niet en overweegt daartoe als volgt.

5.4.

De voorzieningenrechter verwerpt het verweer van [gedaagde 1, 2, 3 en 4] dat [eisers sub 1 en 2] in de berichtgeving niet worden genoemd en daarom door de berichtgeving niet in een kwaad daglicht kunnen zijn gesteld. Weliswaar worden de namen van [eisers sub 1 en 2] niet expliciet genoemd in de berichtgeving, maar voor een ieder binnen de branche moet duidelijk zijn geweest dat in de berichtgeving op [eisers sub 1 en 2] werd gedoeld. Als dit anders was, zou het voor [gedaagde 1, 2, 3 en 4] geen zin hebben gehad om de berichten te plaatsen/verspreiden. Ze wilden immers met de berichten nu juist het volgens hen onrechtmatige gebruik van de naam ' [achternaam broers] ' door [eisers sub 1 en 2] aan de kaak stellen. Daar komt nog bij dat [gedaagde sub 1] blijkens het nieuwsbericht op de website van de Leeuwarder Courant, geciteerd in 2.14, aan de redactie van de Leeuwarder Courant een toelichting heeft gegeven op de berichtgeving, wat ertoe heeft geleid dat de naam van [eiser sub 1] expliciet wordt genoemd in het nieuwsbericht. Verschillende andere nieuwsbladen en botenwebsites hebben vervolgens dit nieuwsbericht overgenomen dan wel een hyperlink naar dit nieuwsbericht op hun website geplaatst. Voor zover er al nog enige onduidelijkheid bestond over de vraag op wie in de berichtgeving werd gedoeld, is die onduidelijkheid hierdoor weggenomen.

5.5.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben [gedaagde 1, 2, 3 en 4] in hun berichtgeving onnodig grievende termen gebruikt, zoals "illegale namaak" en "piraterij", om hun bezwaar tegen het gebruik van de naam [achternaam broers] door [eisers sub 1 en 2] kenbaar te maken, met als voorzienbaar (mogelijk) gevolg dat de reputatie van [eisers sub 1 en 2] ernstig werd aangetast.

Bovendien is de berichtingeving misleidend en daarmee extra diffamerend. Uit het feit dat de persoonlijke vennootschappen van [de broers] de aandelen in [de vastgoed holding] en de intellectuele eigendomsrechten ter zake van de naam [achternaam broers] hebben verkocht aan [XXX] , blijkt immers dat [gedaagde 1, 2, 3 en 4] geen bezwaar hebben tegen verkoop door een ander van jachten onder de naam [achternaam broers] , zij het dat zij hiervoor betaald willen worden. Dit volgt ook uit het aanbod van [de broers] op 23 november 2018 aan [eiser sub 1] tot (onder meer) verkoop van de merknaam [achternaam broers] . Het pijnpunt voor [gedaagde 1, 2, 3 en 4] is derhalve niet dat [eisers sub 1 en 2] jachten verkopen onder de naam [achternaam broers] en ook anderszins gebruik maken van de naam [achternaam broers] , maar dat zij dit doen zonder [gedaagde 1, 2, 3 en 4] hiervoor te betalen. [gedaagde 1, 2, 3 en 4] stellen in hun berichtgeving echter niet dit werkelijke pijnpunt aan de orde. maar doen het voorkomen alsof er iets veel ernstigers aan de hand is. Zij suggereren namelijk ten onrechte dat sprake is van het namaken/nabootsen van [achternaam broers] -jachten door [eisers sub 1 en 2] en dat er een grote kans zou bestaan dat deze 'nagemaakte/nagebootste' jachten van inferieure kwaliteit zijn en niet-acceptabele veiligheidsrisico’s meebrengen. Gelet op het diffamerende en misleidende karakter van de berichtgeving levert de berichtgeving een onrechtmatige daad jegens [eisers sub 1 en 2] op.

5.6.

Het toewijzen van de vorderingen tot het verwijderen van de berichten en tot rectificatie houdt een beperking in van het in artikel 10 lid 1 van het Europese verdrag voor de rechten van de Mens (EVRM) neergelegde grondrecht van [gedaagde 1, 2, 3 en 4] op de vrijheid van meningsuiting. Ingevolge artikel 10 lid 2 EVRM kan dit recht worden beperkt, indien dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen. Van een beperking die bij de wet is voorzien, is in dit geval sprake omdat de uitlatingen onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 BW. [eisers sub 1 en 2] hebben er belang bij hebben dat aan de onrechtmatige situatie zo spoedig mogelijk een einde wordt gemaakt, zodat daarmee het spoedeisend belang bij deze voorzieningen is gegeven.

5.7.

De conclusie op grond van het voorgaande is dat de vorderingen tot verwijdering van de berichten en rectificatie van de berichten toewijsbaar zijn. [gedaagde 1, 2, 3 en 4] kunnen niet gevolgd worden in hun verweer dat een rectificatie in de media niet mogelijk zou zijn gezien de persvrijheid. Zoals [eisers sub 1 en 2] terecht en onweersproken hebben gesteld, kunnen [gedaagde 1, 2, 3 en 4] indien nodig advertentieruimte kopen in de betreffende media en daarin een rectificatie plaatsen. De vorderingen tot verwijdering van de berichten en rectificatie van de berichten zullen daarom worden toegewezen met inachtneming van het navolgende.

Verwijderen van publicaties

5.8.

[eisers sub 1 en 2] hebben verwijdering gevorderd van de publicaties, "zoals genoemd in het lichaam van de dagvaarding onder randnummer 5 en volgende". In randnummers 5 en volgende van de dagvaarding is, gelet op de daarin gebruikte bewoordingen "waaronder in ieder geval", geen limitatieve opsomming gegeven van de websites waarop de publicaties zijn geplaatst. In randnummer 6 zijn ook publicaties in de media genoemd die niet door [gedaagde 1, 2, 3 en 4] verwijderd kunnen worden. Dit brengt mee dat de vordering tot verwijdering niet integraal toewijsbaar is. Het toewijzen zou namelijk voorzienbaar tot executieproblemen leiden.

In plaats daarvan zal de voorzieningenrechter het mindere toewijzen, in die zin dat [gedaagde 1, 2, 3 en 4] ieder voor zich zullen worden veroordeeld tot het verwijderen van de publicaties als bedoeld in 2.13 en verwijzingen daarnaar via hun Facebook-, LinkedIn- en Twitter-account, alsmede de website [website 3] Anders dan gevorderd zal de termijn voor het verwijderen van de publicaties worden gesteld op twee dagen na betekening van dit vonnis.

Rectificatie

5.9.

Wat betreft de rectificatie geldt het volgende.

5.9.1.

De voorzieningenrechter zal voor de rectificatie en het versturen van het nieuwe persbericht een termijn geven van tien dagen na betekening van het vonnis.

5.9.2.

De vordering om [gedaagde 1, 2, 3 en 4] te veroordelen tot het plaatsen van een rectificatie is niet toewijsbaar voor zover deze ziet op "de overige media die hebben gepubliceerd naar aanleiding van het persbericht". De media waarin de rectificatie geplaatst moet worden is daarmee zo weinig specifiek, dat toewijzing welhaast onvermijdbaar tot executieproblemen moet leiden. De voorzieningenrechter zal in plaats daarvan het mindere toewijzen, in die zin dat de rectificatie enkel geplaatst dient te worden op de eigen social media van [gedaagde 1, 2, 3 en 4] (Facebook, LinkedIn en Twitter), op de website [website 3] , in de Leeuwarder Courant, het Bolswards Nieuwsblad, het Sneeker Nieuwsblad, zowel in de digitale als de papieren versies, en op de websites www.bootaanboot.nl, www.seamagazine.com, wwww.jachtbouw.nl en www.bootonline.be.

5.9.3.

De rectificatie dient in dezelfde opmaak en lettergrootte als in de oorspronkelijke publicatie geplaatst te worden. Voorts dient de rectificatie als persbericht verstuurd te worden naar de adressen op dezelfde mailinglijst die is gebruikt voor het eerder gestuurde persbericht. Indien op voormelde websites, sociale media of in het verzonden persbericht de onrechtmatige publicatie (mede) in de Engelse taal is gedaan of (mede) verwezen is naar een onrechtmatige publicatie in de Engelse taal dient de rectificatie op die betreffende websites, sociale media en aan de ontvangers van dat persbericht niet alleen in de Nederlandse taal te worden gedaan, maar ook in een deugdelijke Engelse vertaling.

5.9.4.

Voor een veroordeling van [gedaagde 1, 2, 3 en 4] "ieder voor zich" tot rectificatie is geen plaats. Toewijzing van dit deel van de vordering zou namelijk meebrengen dat bijvoorbeeld in de Leeuwarder Courant vier keer dezelfde rectificatie zou moeten worden geplaatst. Daar hebben [eisers sub 1 en 2] onvoldoende belang bij.

5.9.5.

De voorzieningenrechter ziet verder aanleiding af te wijken van de door [eisers sub 1 en 2] voorgestelde tekst van de rectificatie. [gedaagde 1, 2, 3 en 4] dienen de navolgende tekst ter rectificatie te plaatsen:

" RECTIFICATIE

Wij, [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 3] ,

hebben een geschil met de heer [eiser sub 1] en zijn onderneming MSAR Ltd over het gebruik door hen van de naam ' [achternaam broers] '. Vanwege dit geschil hebben wij op 7 november 2019 Nederlandstalige en Engelstalige persberichten met onder andere de titels 'Waarschuwing namaak [achternaam broers] jachten & [achternaam broers] piraterij' en ‘ [achternaam broers] family warns of counterfeit yachts and [achternaam broers] brand piracy' verspreid op onder andere LinkedIn, Twitter en de website van [gedaagde sub 3] . Naar aanleiding van deze persberichten zijn nieuwsberichten verschenen onder meer op de website van Seamagazine en in De Leeuwarder Courant. De persberichten zijn ook via verschillende mailings door ons verspreid.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft bij vonnis in kort geding van 15 januari 2020 geoordeeld dat deze berichtgeving van ons onrechtmatig is jegens de heer [eiser sub 1] en MSAR Ltd, omdat de berichtgeving misleidend is en hun onnodig een slechte naam bezorgt. Volgens de voorzieningenrechter hebben wij daarin namelijk ten onrechte gesuggereerd dat de heer [eiser sub 1] en MSAR Ltd. namaakjachten zouden bouwen en zich schuldig zouden hebben gemaakt aan piraterij. Derhalve zijn wij, [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 3] , veroordeeld om dit te rectificeren."

5.10.

Ook de vordering om [gedaagde 1, 2, 3 en 4] te veroordelen aan [eisers sub 1 en 2] opgave te doen van de ontvangers (mailinglist) van de onder randnummer 6 e.v. van de dagvaarding genoemde persberichten is toewijsbaar, nu dit [eisers sub 1 en 2] in staat stelt te controleren of de rectificatie aan alle (rechts) personen op de mailinglijst op juiste wijze heeft plaatsgevonden. Aan de veroordeling zal een termijn worden verbonden van vijf dagen na betekening van dit vonnis.

Vertrouwelijke documentatie

5.11.

De vorderingen om [gedaagde 1, 2, 3 en 4] te veroordelen tot het terugsturen van de fysieke versies van de LOI, het vernietigen/verwijderen van de digitale versies en het verstrekken van een overzicht en bewijs van deze vernietiging c.q. verwijdering zullen worden afgewezen. [eisers sub 1 en 2] hebben namelijk niet aannemelijk gemaakt dat [gedaagde 1, 2, 3 en 4] hiertoe gehouden zijn. Het feit dat in de LOI staat vermeld dat "de ondergetekende lezer" erkent dat de informatie die in de LOI door [eiser sub 1] wordt verstrekt, confidentieel is en dat de LOI desgevraagd onmiddellijk moet worden teruggestuurd naar [eiser sub 1] of moet worden vernietigd, rechtvaardigt die conclusie niet, alleen al omdat [gedaagde 1, 2, 3 en 4] geen partij zijn bij die afspraak. Ook hebben [eisers sub 1 en 2] onvoldoende gesteld voor de conclusie dat het bezit van de LOI wegens strijd met de Wet op de bescherming bedrijfsgegevens of anderszins onrechtmatig is jegens hen.

5.12.

De voorzieningenrechter zal ook de vordering afwijzen om [gedaagde 1, 2, 3 en 4] te veroordelen een overzicht en inzage te verstrekken ten aanzien van overige documentatie die [gedaagde 1, 2, 3 en 4] zonder toestemming van [eisers sub 1 en 2] onder zich hebben en die betrekking heeft op [eisers sub 1 en 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat [gedaagde 1, 2, 3 en 4] beschikken over dergelijke documentatie.

Schadevergoeding

5.13.

Het gevorderde voorschot op de in een bodemprocedure te verwachten toe te wijzen schadevergoeding zal ook worden afgewezen. [eisers sub 1 en 2] hebben onvoldoende gesteld dat zij een spoedeisend belang hebben bij betaling van dit voorschot vooruitlopend op die bodemprocedure.

Overig

5.14.

De dwangsommen zal de voorzieningenrechter matigen en maximeren op de wijze als in het dictum is vermeld. Deze dwangsommen en maxima staan op deze wijze in een redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsommen. Wat betreft de veroordeling tot het zich onthouden van het uitbrengen van onrechtmatige publicaties in de toekomst zal de voorzieningenrechter bepalen dat alleen degene die een dergelijke publicatie uitbrengt een dwangsom verbeurt.

5.15.

[gedaagde 1, 2, 3 en 4] zullen hoofdelijk worden veroordeeld in de proceskosten, omdat zij in het ongelijk worden gesteld en [eisers sub 1 en 2] hoofdelijke veroordeling hebben gevorderd. De kosten aan de zijde van [eisers sub 1 en 2] worden vastgesteld op:

- dagvaarding € 99,01

- griffierecht € 639,-

- salaris advocaat € 980,-

Totaal € 1.718,01

5.16.

De gevorderde nakosten worden begroot en zijn toewijsbaar op de wijze als in het dictum vermeld.

6 De beoordeling in reconventie

Toelaatbaarheid eis in reconventie

6.1.

Ten aanzien van de toelaatbaarheid van de eis in reconventie overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Krachtens artikel 7.2. van het Procesreglement kort gedingen handel/familie dient een partij die een eis in reconventie wenst in te stellen de eis en de gronden daarvan zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk een dag vóór de zitting schriftelijk mee te delen aan de wederpartij en de voorzieningenrechter. De eisen van een goede procesorde en het beginsel van hoor en wederhoor vormen de achtergrond van deze verplichting. Niet in geschil is dat de eis in reconventie tijdig vóór de zitting is meegedeeld aan de voorzieningenrechter en [eisers sub 1 en 2] . Ook hebben [eisers sub 1 en 2] ter zitting uitgebreid inhoudelijk verweer gevoerd tegen de eis in reconventie. Uit niets blijkt dat [eisers sub 1 en 2] op onredelijke wijze zijn bemoeilijkt in hun mogelijkheid om verweer te voeren tegen de eis in reconventie. De voorzieningenrechter acht de eis in reconventie daarom toelaatbaar.

Belang bij vorderingen I t/m III

6.2.

Uitgangspunt is dat een houder van een exclusief recht, zoals een auteursrecht of portretrecht, belang heeft bij toewijzing van een verbod met nevenvorderingen, indien inbreuk op zijn rechten wordt gemaakt of dreigt te worden gemaakt. Dit kan onder meer anders zijn wanneer de betreffende inbreuk is gestaakt en er geen (verdere) inbreuk dreigt. Dat is in deze zaak naar het oordeel van de voorzieningenrechter het geval. In zijn e-mail van 7 december 2019, geciteerd in 2.16, heeft mr. Keukens aan mr. Dijkstra bericht dat [eisers sub 1 en 2] de foto's, het logo en de portretten waarop [de broers] staan afgebeeld, als bedoeld in de vorderingen I t/m III, van de websites van [eisers sub 1 en 2] hebben verwijderd en ieder gebruik van deze foto's, het logo en de portretten zullen staken en gestaakt zullen houden. Voorts heeft hij in die

e-mail aan mr. Dijkstra bericht dat de e-mail als onthoudingsverklaring opgevat mag worden. [de broers] en [gedaagde sub 3] hebben geen feiten of omstandigheden gesteld die eraan doen twijfelen dat [eisers sub 1 en 2] deze onthoudingsverklaring gestand zullen doen. [eisers sub 1 en 2] hebben bovendien printscreens van de betreffende websites overgelegd ter onderbouwing van hun verweer dat de foto's, het logo en de portretten waarop [de broers] staan afgebeeld inmiddels zijn verwijderd. Voor zover [de broers] en [gedaagde sub 3] stellen dat desalniettemin nog een (spoedeisend) belang hebben bij hun vorderingen, is dit onvoldoende toegelicht.

De slotsom is dat [eisers sub 1 en 2] geen belang hebben bij de vorderingen onder I t/m III.

Spoedeisend belang bij vorderingen IV t/m VI en X

6.3.

De vordering onder IV. betreft het afleggen van rekening en verantwoording aan [gedaagde sub 3] en de heer [gedaagde sub 1] ter zake van de winst die is genoten door de inbreuken sub I. en II. Ook deze vordering zal worden afgewezen. Indien [de broers] en [gedaagde sub 3] willen nagaan hoeveel winst [eisers sub 1 en 2] hebben gemaakt met de gestelde auteursrechtinbreuken dan dienen zij zich daarvoor te wenden tot de bodemrechter. Een spoedeisend belang om die informatie bij wijze van kort geding af te dwingen, ontbreekt in dit geval.

6.4.

Daar komt nog bij dat het de vraag is of [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 1] überhaupt belang hebben bij deze vordering. Zij zijn namelijk volgens hun eigen stellingen pas in de periode 2 t/m 5 december 2019 auteursrechthebbenden geworden van de foto's, de ontwerpen respectievelijk de logo's, waar de gestelde inbreuk op ziet. [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 1] hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij ter zake van inbreuken vóór de overdracht gerechtigd zouden zijn een vordering jegens [eisers sub 1 en 2] in te stellen. Uit voormelde e-mail van mr. Keukens van 7 december 2019 blijkt dat de gestelde inbreuk op deze auteursrechten op 7 december 2019 is gestaakt. De gestelde inbreuk heeft dus maar enkele dagen geduurd. Het is weinig aannemelijk dat [eisers sub 1 en 2] in deze korte periode winst van betekenis hebben genoten als gevolg van de auteursrechtinbreuken.

6.5.

De vordering onder V. betreft een gebod iedere oneerlijke handelspraktijk en/of misleidende handelspraktijk en/of onrechtmatige handeling jegens [gedaagde sub 3] en/of [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden. Ook deze vordering strandt op het ontbreken van spoedeisend belang.

6.6.

De vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening dient beantwoord te worden aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. Daarbij is dat het spoedeisend belang in beginsel is gegeven zolang het gestelde onrechtmatig handelen voortduurt. Indien daartegen echter onvoldoende voortvarend is opgetreden, kan dit een aanwijzing zijn dat het belang van de eisende partij kennelijk geen voorlopige maatregel vergt. Dit hangt af van de omstandigheden van het geval.

6.7.

In dit verband acht de voorzieningenrechter van doorslaggevend belang dat de vordering hoofdzakelijk is gegrond op berichten die op de webpagina [hyperlink 1] zijn geplaatst en dat [eisers sub 1 en 2] onbestreden hebben aangevoerd dat deze berichten reeds sinds november 2018 op de website staan. Voorts is er in november 2018 een persbericht uitgegaan waarin al de suggestie werd gewekt dat [dochteronderneming 2] een voortzetting is van [naam scheepswerf] , welk bedrijf sinds 1997 bestaat. Aan dit persbericht wordt gerefereerd in het nieuwsbericht geciteerd in 2.10. Pas ruim een jaar later hebben [de broers] en [gedaagde sub 3] in reconventie onderhavige vordering ingesteld om dit volgens hen onrechtmatige handelen te staken, terwijl gesteld noch gebleken is dat [de broers] en [gedaagde sub 3] niet vanaf het begin op de hoogte waren van dit handelen. Uit de e-mail van [gedaagde sub 3] aan [eiser sub 1] van 16 november 2018 blijkt dat [de broers] en [gedaagde sub 3] toen al [eiser sub 1] en de aan hem gelieerde ondernemingen in het vizier hadden. Kennelijk was het gestelde onrechtmatig handelen niet van zodanig belang dat zij directe juridische maatregelen nodig vonden. [de broers] en [gedaagde sub 3] hebben niet onderbouwd waarom zij, ondanks hun langdurig stilzitten, nu wel een spoedeisend belang bij hun vordering zouden hebben. Daar komt nog bij dat [eisers sub 1 en 2] onbestreden hebben gesteld dat de gewraakte berichtgeving op de website [website 2] is verwijderd en dat de gewraakte berichten op www.funda.nl en sociale media zijn aangepast. Dit alles brengt mee dat [de broers] en [gedaagde sub 3] niet aannemelijk hebben gemaakt dat er een spoedeisend belang bestaat bij deze vordering.

6.8.

Ditzelfde geldt voor de vordering onder VI tot rectificatie. De gestelde inbreuken en het onrechtmatig handelen waarop deze rectificatie ziet, zijn al begonnen in november 2018. Zoals hiervoor overwogen stonden de berichten toen al op de website www.jachtbouw.eu. [eisers sub 1 en 2] hebben onbestreden gesteld dat toen ook foto's en logo's reeds op deze website stonden. [de broers] en [gedaagde sub 3] hebben niet toegelicht waarom zij nu, ruim een jaar later, een spoedeisend belang hebben bij een rectificatie die betrekking heeft op deze inbreuken en dit onrechtmatig handelen.

6.9.

Tot slot is evenmin gebleken van een spoedeisend belang bij een voorschot, zoals bedoeld onder X. Ook deze vordering zal daarom worden afgewezen.

Proceskosten

6.10.

Nu de vorderingen van [de broers] en [gedaagde sub 3] reeds op het voorgaande afstuiten, behoeven de overige door [eisers sub 1 en 2] opgeworpen verweren geen bespreking meer. [de broers] en [gedaagde sub 3] zullen in de proceskosten worden veroordeeld, omdat zij in het ongelijk worden gesteld.

6.11.

[eisers sub 1 en 2] vorderen op grond van 1019h Rv een veroordeling in de werkelijke proceskosten ten bedrage van € 5.916,-. In procedures waarin aan het gevorderde de in artikel 1019 Rv genoemde regelgeving ten grondslag is gelegd (de IE-grondslag) gelden de indicatietarieven in IE-zaken. In de onderhavige zaak is in de vorderingen en het verweer sprake van een gemengde grondslag (inbreuk auteursrecht (IE) en onrechtmatige daad en inbreuk portretrecht (niet-IE)). De proceskosten die aan het op de IE-grondslag gebaseerde deel van de procedure moeten worden toegerekend, zullen worden becijferd op grond van de indicatietarieven. Voor de overige kosten wordt een evenredig deel van het liquidatietarief toegepast. Nu [eisers sub 1 en 2] hebben nagelaten opgave te doen van welk deel van de proceskosten ziet op de IE-grondslag en welk deel niet, en partijen hierover ook geen (gezamenlijk) standpunt hebben ingenomen, zal de voorzieningenrechter ambtshalve een schatting maken. Gelet op de processtukken en hetgeen ter zitting aan de orde is gekomen, zal de voorzieningenrechter beide delen bepalen op 50%. Voor het IE-deel van 50% geldt dat sprake is van een eenvoudig kort geding waarvoor het indicatietarief van maximaal € 6.000,- geldt. De door [eisers sub 1 en 2] gevorderde kosten overstijgen dat maximum niet.

6.12.

Het voorgaande leidt tot de volgende kostenvaststelling aan de zijde van [eisers sub 1 en 2] in reconventie:

- salaris advocaat IE-deel € 2.958,- (50% van € 5.916,-)

- salaris advocaat niet-IE-deel € 490,-van € 980,-).

Totaal: € 3.448,-

7 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1.

veroordeelt [gedaagde 1, 2, 3 en 4] ieder voor zich om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis over te gaan tot verwijdering en het verwijderd laten van de publicaties als bedoeld in 2.13 of een verwijzing naar deze publicaties via hun Facebook-, LinkedIn- en Twitter-accounts alsmede via de website [website 3]

7.2.

veroordeelt [gedaagde 1, 2, 3 en 4] ieder voor zich om zich binnen twee dagen na betekening van dit vonnis te onthouden van het verspreiden van publicaties of uitlatingen van gelijke aard of strekking als de publicaties bedoelt in 2.13, op straffe van verbeurte door degene die deze veroordeling overtreedt van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere keer dat de overtreder niet aan deze veroordeling voldoet, zulks tot een maximum van € 20.000,- per (rechts)persoon is bereikt;

7.3.

veroordeelt [gedaagde 1, 2, 3 en 4] om binnen tien dagen na betekening van dit vonnis de navolgende rectificatie te (doen) plaatsen, zonder enig commentaar of enige toevoeging in welke vorm dan ook, in dezelfde opmaak en lettergrootte als in de oorspronkelijke publicatie in datzelfde medium, en op eigen kosten indien hiervoor advertentieruimte dient te worden ingekocht, in de papieren versie van het Bolswards Nieuwsblad, het Sneeker Nieuwsblad en de Leeuwarder Courant:

" RECTIFICATIE

Wij, [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 3] ,

hebben een geschil met de heer [eiser sub 1] en zijn onderneming MSAR Ltd over het gebruik door hen van de naam ' [achternaam broers] '. Vanwege dit geschil hebben wij op 7 november 2019 Nederlandstalige en Engelstalige persberichten met onder andere de titels 'Waarschuwing namaak [achternaam broers] jachten & [achternaam broers] piraterij' en ‘ [achternaam broers] family warns of counterfeit yachts and [achternaam broers] brand piracy' verspreid op onder andere LinkedIn, Twitter en de website van [gedaagde sub 3] . Naar aanleiding van deze persberichten zijn nieuwsberichten verschenen onder meer op de website van Seamagazine en in De Leeuwarder Courant. De persberichten zijn ook via verschillende mailings door ons verspreid.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft bij vonnis in kort geding van 15 januari 2020 geoordeeld dat deze berichtgeving van ons onrechtmatig is jegens de heer [eiser sub 1] en MSAR Ltd, omdat de berichtgeving misleidend is en hun onnodig een slechte naam bezorgt. Volgens de voorzieningenrechter hebben wij daarin namelijk ten onrechte gesuggereerd dat de heer [eiser sub 1] en MSAR Ltd. namaakjachten zouden bouwen en zich schuldig zouden hebben gemaakt aan piraterij. Derhalve zijn wij, [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 3] , veroordeeld om dit te rectificeren."

7.4.

veroordeelt [gedaagde 1, 2, 3 en 4] om binnen tien dagen na betekening van dit vonnis de onder 7.3 vermelde rectificatie te (doen) plaatsen gedurende een periode van twee weken, zonder enig commentaar of enige toevoeging in welke vorm dan ook, in dezelfde opmaak en lettergrootte als in de oorspronkelijke publicatie in datzelfde medium, en op eigen kosten indien hiervoor advertentieruimte dient te worden ingekocht,

 op [website 3] ;

 op de eigen sociale media van [gedaagde 1, 2, 3 en 4] (Facebook, LinkedIn en Twitter);

 in de online versies van de Leeuwarder Courant, het Bolswards Nieuwsblad en het Sneeker Nieuwsblad;

 op de websites www.bootaanboot.nl, www.seamagazine.com, wwww.jachtbouw.nl en www.bootonline.be;

7.5.

veroordeelt [gedaagde 1, 2, 3 en 4] om binnen tien dagen na betekening van dit vonnis de onder 7.3 vermelde rectificatie te versturen naar de adressen op de mailinglijst die is gebruikt voor het eerder gestuurde persbericht als bedoeld in 2.13;

7.6.

bepaalt dat, indien op de in 7.4 bedoelde websites en sociale media en/of in het in 7.5 bedoeld persbericht de onrechtmatige publicaties (mede) in de Engelse taal zijn gedaan of (mede) is verwezen naar een onrechtmatige publicatie in de Engelse taal, de rectificatie op die betreffende websites, sociale media en aan de ontvangers van dat persbericht niet alleen in de Nederlandse taal, maar ook in een deugdelijke Engelse vertaling gedaan dient te worden;

7.7.

veroordeelt [gedaagde 1, 2, 3 en 4] om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis aan [eisers sub 1 en 2] opgave te doen van de ontvangers (mailinglist) van de onder 2.13 bedoelde persberichten;

7.8.

bepaalt dat [gedaagde 1, 2, 3 en 4] ieder voor zich een dwangsom zullen verbeuren van € 1.000,- voor iedere dag of gedeelte hiervan dat zij in gebreke mochten blijven aan een van de veroordelingen onder 7.1, 7.3, 7.4, 7.5, 7.6 en 7.7 te voldoen tot een maximum van € 20.000,- per veroordeling is bereikt;

7.9.

veroordeelt [gedaagde 1, 2, 3 en 4] hoofdelijk, in die zin dat indien de een betaalt de anderen tot het bedrag van die betaling zullen zijn bevrijd, in de proceskosten aan de zijde van [eisers sub 1 en 2] , tot op heden vastgesteld op € 1.718,01;

7.10.

veroordeelt [gedaagde 1, 2, 3 en 4] hoofdelijk, in die zin dat indien de een betaalt de anderen tot het bedrag van die betaling zullen zijn bevrijd, in de kosten die na dit vonnis ontstaan, begroot op € 157,- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde 1, 2, 3 en 4] niet binnen twee weken na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,- aan salaris advocaat;

7.11.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7.12.

wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie

7.13.

wijst de vorderingen af;

7.14.

veroordeelt [de broers] en [gedaagde sub 3] in de proceskosten aan de zijde van [eisers sub 1 en 2] , tot op heden vastgesteld op € 3.448,-;

7.15.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, wat betreft de onder 7.14 uitgesproken veroordeling.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Los en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.

fn: 445