Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:1348

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
04-03-2020
Datum publicatie
24-03-2020
Zaaknummer
170714
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming (1:253a BW) voor ‘geadviseerde behandeling met medicatie die nodig is’ voor ADHD afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2020/42.23
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rekestnummer: C/17/170714 / FA RK 19-1566

beschikking van de enkelvoudige kamer d.d. 4 maart 2020

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna ook te noemen de vrouw,

advocaat mr. M.C. Braak, kantoorhoudende te Groningen,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna ook te noemen de man,

in persoon verschenen.

1 Procesverloop

1.1.

Bij verzoekschrift heeft de vrouw de rechtbank verzocht om haar vervangende toestemming te verlenen om het OCRN, dan wel een andere Jeugd GGZ instantie, opdracht te mogen geven de geadviseerde behandeling met medicatiegebruik, zijnde Ritalin dan wel Lys-Dexamfetamine, uit te gaan voeren ten aanzien van het minderjarige kind van partijen, [naam minderjarige] . Ter zitting heeft de vrouw haar verzoek voor de specifiek genoemde medicatie gewijzigd in 'medicatie die nodig is'.

1.2.

De man heeft geen verweerschrift ingediend. Hij heeft ter zitting mondeling verweer gevoerd.

1.3.

De rechtbank heeft kennis genomen van:

- een brief met een bijlage, ontvangen op 20 januari 2020, van de zijde van de vrouw;

- een F9-formulier, ontvangen op 30 januari 2020, van de zijde van de vrouw.

1.4.

Ter zitting van 11 februari 2020 is de zaak behandeld in aanwezigheid van partijen en de advocaat van de vrouw.

2 Motivering

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. De echtscheiding is op 10 april 2017 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

Uit het huwelijk van partijen is op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] [de minderjarige] geboren. Partijen hebben gezamenlijk gezag over [de minderjarige] .

2.3.

Partijen geven uitvoering aan een zorgregeling.

2.4.

Bij de stukken bevindt zich een brief gericht aan de huisarts afkomstig van OCRN Jeugd GGZ & dyslexiezorg van 8 januari 2020. Orthopedagoog-generalist [naam]
heeft in deze brief aangegeven dat na evaluatie van de proefbehandeling en aanvullende diagnostiek de classificatie van [de minderjarige] is aangepast. Uit de evaluatie op school en de observatie komt naar voren dat [de minderjarige] veel ondersteuning nodig heeft op school om tot werken te komen. Ondanks een doublure blijft er een leerachterstand bestaan. Zijn aandacht op school verslapt snel. Op basis van observaties en de evaluatie op school, gesprekken met de ouders en de evaluatie van de meervoudige dyslexiebehandeling concludeert OCRN dat bij [de minderjarige] sprake is van ADHD in combinatie met dyslexie. OCRN adviseert om oriënterende gesprekken te starten rondom medicatie in de vorm van een medicatieconsult binnen OCRN en psycho-educatie aan de ouders gericht op ADHD mee te nemen in de behandeling. Daarnaast acht OCRN het van belang om regelmatig met school te evalueren hoe de vorderingen gaan op school.

3 Bespreking van de standpunten van partijen en beoordeling daarvan

3.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat bij [de minderjarige] sprake is van problematiek. Op instigatie van de school is behandeling voor [de minderjarige] gezocht. Tussen partijen is ook niet in geschil dat [de minderjarige] hulp nodig heeft. De man heeft zijn bedenkingen bij de diagnose ADHD en partijen zijn het niet eens over de medicamenteuze behandeling. De vrouw heeft het idee dat de man de problematiek van [de minderjarige] bagatelliseert en dat hij haar niet serieus neemt in hun onderlinge communicatie over [de minderjarige] .

3.2.

De vrouw heeft gesteld dat het wat haar betreft niet de bedoeling is met de zwaarste medicatie te starten, maar zij wil ook niet experimenteren met biologische alternatieven, zoals de man wel graag zou willen. [de minderjarige] is met zijn problematiek niet een licht geval, aldus de vrouw. Zij heeft al van alles geprobeerd voor [de minderjarige] , zoals bijles en een andere school met een kleinere klas. [de minderjarige] heeft op school concentratieproblemen, hij is druk en snel afgeleid, zijn taakgerichtheid is minimaal en hij heeft een leerachterstand. De school heeft aangegeven problemen te ervaren met [de minderjarige] . Nu [de minderjarige] het grootste deel van de tijd bij de vrouw verblijft, heeft zij een goed beeld van zijn gedragingen op het moment dat [de minderjarige] naar school gaat en van school komt. De vrouw stelt dat het niet goed voor het zelfbeeld van [de minderjarige] is dat hij niet goed kan meekomen op school. Dit ligt immers niet aan zijn intelligentie, maar [de minderjarige] lijkt te denken dat dit wel zo is. De vrouw is van mening dat er echt iets moet gebeuren op het gebied van de behandeling van [de minderjarige] , want hij glijdt steeds verder af op school. Omdat de huidige interventies onvoldoende zijn gebleken, heeft het OCRN behandeling met medicatie geadviseerd. De vrouw stelt dat het OCRN heeft uitgelegd dat [de minderjarige] dan met een opbouwschema ingesteld zal worden op medicatie, dat zal dan mogelijk Ritalin of Lys-Dexamfetamine zijn. Partijen hebben informatie ontvangen over deze medicatie. De vrouw wil graag met de man een traject volgen bij het OCRN. Zij kunnen dan voorgelicht worden over de gevolgen van medicatie. Een medicatieconsult komt er echter niet als de man geen toestemming geeft. Zij wil bij het OCRN met de man in gesprek en dan is zij ermee akkoord dat de man uiteindelijk beslist welke medicatie aan [de minderjarige] moet worden gegeven.

De advocaat van de vrouw heeft ter zitting gesteld dat bij het OCRN ook de biologische alternatieven meegewogen zullen worden, maar het kan zijn dat de aandoening van [de minderjarige] dusdanig ernstig is dat het OCRN zich op het standpunt stelt dat biologische alternatieven niet afdoende zijn. Zij heeft duidelijk gemaakt dat een medicatieconsult, zoals geadviseerd in de brief van 8 januari 2020, pas kan plaatsvinden als beide ouders daarvoor hun toestemming hebben gegeven en dat pas in het medicatieconsult uitgebreid kan worden gesproken over welke medicatie helpend zou kunnen zijn voor [de minderjarige] .

3.3.

De man heeft ter zitting verklaard dat hij niet tegen een medicamenteuze behandeling in het algemeen is, maar dat hij een goede afweging wil kunnen maken of en welke medicatie nodig is. Hij voert aan dat de diagnose eerst ADD was en tijdens een gesprek van 10 minuten in november 2019 ineens is gewijzigd in ADHD. Vervolgens kreeg hij een, naar zijn mening, veel te korte bedenktijd ten aanzien van de medicatie. Hij vindt medicatie als Ritalin en Lys-Dexamfetamine veel te zwaar om mee te beginnen. De gevolgen van deze medicatie op (langere) termijn zijn onbekend. [de minderjarige] is geen proefkonijn. Er zijn allerlei minder ingrijpende alternatieven die volgens hem eerst onderzocht en geprobeerd moeten worden. De man is van mening dat partijen als ouders met elkaar in gesprek moeten over de behandeling, bijvoorbeeld bij een mediator. De man wil dat zij samen een beslissing nemen over de medicatie. Hij staat open voor het medicatieconsult bij het OCRN, maar alleen als ook de alternatieven met biologische middelen worden besproken. Ten slotte heeft de man gesteld dat als er echt geen alternatief is voor de zware middelen, hij zijn visie misschien moet bijstellen en moet instemmen met die medicatie.

3.4.

De rechtbank stelt vast dat partijen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] hebben. Dat betekent dat voor de medische behandeling van de ADHD-problematiek van [de minderjarige] de toestemming van beide ouders nodig is. Nu de man zijn toestemming vooralsnog niet geeft, heeft de vrouw op grond van artikel 1:253a, eerste lid, BW de rechtbank verzocht om aan haar vervangende toestemming te verlenen voor medicamenteuze behandeling.

3.5.

De rechtbank overweegt dat zij moet beslissen over de vraag of het verlenen van de vervangende toestemming voor het verlenen van een medicamenteuze behandeling haar in het belang van [de minderjarige] voorkomt.

3.6.

De rechtbank overweegt dat uit het overgelegde onderzoeksverslag van de afdeling kinder- en jeugdpsychiater van OCRN van 18 februari 2019 blijkt dat destijds is geconcludeerd dat sprake is van een ongespecificeerde aandachtstekortstoornis bij [de minderjarige] . Op dat moment werd niet volledig voldaan aan de criteria voor de diagnose ADHD, maar er was wel sprake van klinisch significante beperkingen in het functioneren. Uit voornoemde brief van 8 januari 2020 van het OCRN blijkt dat de diagnose is aangepast in ADHD in combinatie met dyslexie. Uit die brief volgt dat, anders dan de man meent, een evaluatie, onderzoek en aanvullende diagnostiek aan de gewijzigde diagnose is voorafgegaan.

3.7.

In de hiervoor genoemde brief van 8 januari 2020 heeft het OCRN meegedeeld dat het voorgestelde vervolg is om oriënterende gesprekken op te starten rondom medicatie in de vorm van een medicatieconsult binnen OCRN.

3.8.

De rechtbank overweegt dat op basis van de observaties en onderzoeken door OCRN duidelijk is dat de behandeling, zoals die nu plaatsvindt, niet voldoende is. Hierover verschillen partijen overigens ook niet van mening. De vrouw wil, anders dan de man, dat gestart wordt met medicatie. De rechtbank overweegt dat zij noch op basis van hetgeen is besproken ter zitting, noch op basis van de gedingstukken kan bepalen of en zo ja, welke medicatie in het belang van [de minderjarige] is. De vrouw heeft de noodzaak om op dit moment te starten met medicatie niet met stukken onderbouwd. In de brief van OCRN van 8 januari 2020 wordt gesproken over oriënterende gesprekken rondom medicatie in de vorm van een medicatieconsult. Zulke oriënterende gesprekken acht de rechtbank wel in het belang van [de minderjarige] . Partijen moeten samen met artsen bespreken wat de mogelijkheden zijn. Daarbij moeten ook de bezwaren van de man en zijn ideeën over alternatieven voor de zware medicatie als Ritalin en Lys-Dexamfetamine worden besproken. De man (en de vrouw ook) moet op grond van wat besproken wordt een afweging kunnen maken wat het meest in het belang van [de minderjarige] is en partijen moeten samen bespreken welke route zij voor [de minderjarige] willen volgen. De rechtbank ziet niet waarom, zoals door de vrouw gesteld, voor oriënterende gesprekken over medicatie toestemming van de man nodig is. Bovendien heeft de man ter zitting laten weten bereid te zijn in gesprek te gaan over de medicatie, zodat daarvoor ook geen vervangende toestemming hoeft te worden verleend. Voor het daadwerkelijk overgaan tot het toedienen van en instellen op concrete medicatie is dat anders, maar de rechtbank begrijpt uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken dat daarover eerst moet worden gesproken, zodat het verzoek van de vrouw prematuur is. Daar komt bij dat de man ter zitting heeft laten weten ervoor open te staan dat hij zijn mening over de medicatie op basis van de daarover te voeren gesprekken zal moeten bijstellen, waarna hij toch zijn toestemming voor de medicatie zal geven.

3.9.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om het verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming voor het geven van opdracht om de geadviseerde behandeling met medicatiegebruik uit te voeren toe te wijzen. Er ligt geen concreet advies anders dan het advies om oriënterende gesprekken te gaan voeren rondom medicatie in de vorm van een medicatieconsult.

3.10.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat partijen in het belang van [de minderjarige] met elkaar in gesprek moeten blijven. De rechtbank heeft ter zitting geconstateerd dat partijen over en weer heel redelijke argumenten hebben aangevoerd en dat zij in staat zijn naar elkaar te luisteren en ervoor open staan hun mening bij te stellen. Zij kunnen zich - indien gewenst - wenden tot het Gebiedsteam van hun gemeente om onder begeleiding met elkaar in gesprek te gaan.

4 Beslissing

De rechtbank:

4.1.

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven te Leeuwarden door mr. C. Coster, lid van de kamer, tevens kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op woensdag 4 maart 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet door tussenkomst van een advocaat worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden.

fn: 679