Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:1342

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
04-03-2020
Datum publicatie
24-03-2020
Zaaknummer
162229
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Tussenbeschikking. Een door rechtbank vastgestelde omgangsregeling wordt niet nagekomen door de vrouw. Vrouw komt niet ter zitting voor uitleg. Rechtbank verbindt financiële prikkel aan het nakomen van de omgang door te bepalen dat de man de op te leggen dwangsom mag verrekenen met de door hem te betalen kinderalimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2020/47
FJR 2020/42.31
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rekestnummer: C/17/162229 / FA RK 18-926

beschikking van de enkelvoudige kamer d.d. 4 maart 2020

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna ook te noemen de man,

advocaat mr. A.J. de Boer, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

[de vrouw] ,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

hierna ook te noemen de vrouw,

advocaat mr. F.H. Gart, kantoorhoudende te Leeuwarden.

1 Het procesverloop

1.1.

Bij beschikking van 4 december 2019, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, heeft de rechtbank een voorlopige omgangsregeling tussen de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vastgesteld en is de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de RvdK) verzocht een onderzoek in te stellen naar de meest wenselijke omgangsregeling tussen de man en de kinderen. De zaak is voor het overige aangehouden.

1.2.

Na 4 december 2019 heeft de rechtbank kennis genomen van:

- de brief van de man van 20 januari 2020,

- de brief met bijlage van de man van 3 februari 2020.

1.3.

De zaak is behandeld op de zitting van 10 februari 2020 in aanwezigheid van:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat,

- namens de vrouw: haar advocaat,

- namens de RvdK: [naam medewerker RvdK] .

2 De verdere beoordeling

2.1.

In de beschikking van 4 december 2019 heeft de rechtbank overwogen dat indien de vrouw de vastgestelde voorlopige omgangsregeling niet nakomt (anders dan door ziekte of calamiteiten), de man dit via zijn advocaat aan de rechtbank dient te berichten. Daarnaast is bepaald dat de man de achterstallige kinderalimentatie dient te voldoen en dat de partner van de vrouw zich niet dient te bemoeien met de uitvoering van de omgang, nu dit iets is tussen partijen.

2.2.

In zijn bericht van 20 januari 2020 heeft de man de rechtbank laten weten dat de vrouw de omgang van 18 januari 2020 heeft afgezegd. De man heeft ter zitting toegelicht dat de omgang eenmaal niet door is gegaan wegens ziekte, en de andere keer omdat [minderjarige 1] bij een vriendje zou logeren. De man heeft voorts aangevoerd dat hij eigenlijk alleen contact heeft met de partner van de vrouw, ondanks de overweging van de rechtbank. De man heeft ter zitting zijn aanvullende verzoek van 20 augustus 2019 gehandhaafd, zijnde te bepalen dat verplichting van de man tot kinderalimentatie wordt opgeschort zolang de vrouw zich niet aan de vastgestelde omgangsregeling houdt. De man realiseert zich dat een dwangsom de gebruikelijk weg is bij het niet nakomen van een omgangsregeling, maar feit is dat de vrouw een bijstandsuitkering ontvangt en dat er simpelweg niet veel bij haar te halen valt, terwijl de man in dat geval wel de executiekosten dient te voldoen. Lijfsdwang toepassen acht de man niet in het belang van de kinderen.

2.3.

De advocaat van de vrouw heeft ter zitting aangevoerd dat hij er niet in is geslaagd voorafgaand aan de zitting de vrouw te spreken. De vrouw heeft kort voor de zitting aan zijn kantoor doorgegeven dat zij er niet in slaagt bij de zitting te zijn en dat zij verzoekt de behandeling aan te houden.

2.4.

De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft onbetwist gesteld dat de vrouw de omgangsregeling die is vastgesteld in de beschikking van 4 december 2019 niet langer nakomt. In minstens één geval betreft dit geen ziekte of andere calamiteit, maar zou de vrouw al een logeerpartijtje voor [minderjarige 1] hebben afgesproken op de dag dat hij omgang met zijn vader zou hebben. Daar komt bij dat de man onbetwist heeft gesteld dat hij klaarblijkelijk voornamelijk contact heeft met de partner van de vrouw over de omgangsregeling, dit in strijd met hetgeen in de beschikking van 4 december 2019 is overwogen. Gelet op de voorgeschiedenis van het (moeizame) verloop van de omgang tussen de man en de kinderen en het feit dat de vrouw niet ter zitting is verschenen om uitleg te geven over het niet-plaatsvinden van de omgang, kan de rechtbank thans niet anders dan dit in het nadeel van de vrouw uitleggen. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding een financiële prikkel te verbinden aan het nakomen van de omgangsregeling, nu de rechtbank niet is gebleken van gronden die maken dat de omgang niet langer in het belang van de kinderen zou zijn. De rechtbank is met de man van oordeel dat een reguliere dwangsom niet het gewenste resultaat zal opleveren en dat lijfsdwang een stap te ver is. De rechtbank overweegt daarbij dat deze mogelijkheid expliciet is genoemd door de Hoge Raad in zijn beschikking van 17 januari 2014, (ECLI:NL:HR:2014:91). Conform het subsidiaire verzoek van de man zal de rechtbank daarom bepalen dat de vrouw een dwangsom verschuldigd is van € 50,- per keer dat zij (na betekening van deze beschikking) haar medewerking niet verleent aan de voorlopige omgangsregeling zoals vastgesteld in de beschikking van 4 december 2019, met een maximum van € 600,-, waarbij de man gerechtigd is om - in plaats van dit bedrag via een deurwaarder te innen - de dwangsom van € 50,- per keer gelijk in mindering te brengen op de door hem verschuldigde kinderalimentatie van die maand. De rechtbank verwacht hiermee een prikkel te geven aan de vrouw om de voorlopige omgangsregeling stipt na te komen en om die manier de huidige impasse te doorbreken.

2.5.

De rechtbank zal de zaak voor het overige aanhouden in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek van de RvdK naar de meest wenselijke omgangsregeling tussen de man en de kinderen. In aanvulling op de beschikking van 4 december 2019 zal de rechtbank de RvdK opdragen het onderzoek uit te breiden naar het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] Dit conform het verzoek van de man om samen met de vrouw met het gezag over de kinderen belast te worden. Indien de RvdK, gelet op de uitbreiding van het onderzoek, meer tijd nodig heeft, kan hij de rechtbank daar schriftelijk van op de hoogte brengen.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

bepaalt dat de vrouw een dwangsom verschuldigd is van € 50,- per keer dat zij (na betekening van deze beschikking) haar medewerking niet verleent aan de voorlopige omgangsregeling zoals vastgesteld in de beschikking van 4 december 2019, met een maximum van € 600,-, waarbij de man gerechtigd is om - in plaats van dit bedrag via een deurwaarder te innen - de dwangsom van € 50,- per keer gelijk in mindering te brengen op de door hem verschuldigde kinderalimentatie van die maand;

3.2.

draagt de Raad voor de Kinderbescherming op het onderzoek zoals omschreven in de beschikking van 4 december 2019 uit te breiden met een onderzoek naar het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ;

3.3.

houdt iedere verdere beslissing aan in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming, zoals vermeld in de beschikking van 4 december 2019.

Deze beschikking is gegeven te Leeuwarden door mr. W.P. Claus, lid van de kamer, tevens kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op woensdag 4 maart 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat. worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden

fn: 631