Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:1295

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-03-2020
Datum publicatie
24-03-2020
Zaaknummer
18/830197-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft de man die op 25 september 2019 op een terras op de Grote Markt in Groningen een willekeurige bezoeker met een mes in zijn nek stak de maatregel van TBS met dwangverpleging opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man zich hiermee schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. De man is ook veroordeeld voor het verwonden van een tweede terrasbezoeker, die in zijn hand werd gestoken toen hij probeerde in te grijpen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 300
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830197-19

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 24 maart 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1952 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats],

thans gedetineerd te P.I. Zwolle, PPC.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 maart 2020.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr I. Djordjevic, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. M. Scharenborg.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1. Primair

hij op of omstreeks 25 september 2019 te Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (met) een mes in de nek/hals(streek) (nabij de halsslagader) van die [slachtoffer 1] heeft gestoken en/of gesneden en/of geduwd en/of gedrukt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 25 september 2019 te Groningen, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door (met) een mes in de nek/hals(streek) van die [slachtoffer 1] te steken en/of te snijden en/of te duwen en/of te drukken;

2.

hij op of omstreeks 25 september 2019 te Groningen, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door met een mes in de hand van die [slachtoffer 2] te steken en/of te snijden.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de feiten 1 primair en 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

Feit 1. primair

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 maart 2020;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 26 september 2019, opgenomen op pagina 11 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019256359, 2019261526, 2019306643 d.d. 10 december 2019, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1];

3. Een geneeskundige verklaring van 27 februari 2020 opgemaakt door T. van Mesdag, forensisch arts, als losse bijlage bij voornoemd dossier gevoegd.

Feit 2

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 maart 2020;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 18 november 2019, opgenomen op pagina 18 e.v. van het voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 2].

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feiten 1 primair en 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. Primair

hij op 25 september 2019 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven met dat opzet met een mes in de hals nabij de halsslagader van die [slachtoffer 1] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 25 september 2019 te Groningen [slachtoffer 2] heeft mishandeld door met een mes in de hand van die [slachtoffer 2] te steken.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Poging tot doodslag

2. Mishandeling

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Motivering van de maatregel

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feiten 1 primair en 2 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en daarnaast oplegging van de maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. De officier van justitie is van mening dat verdachte naast de noodzakelijke behandeling ook een straf verdient, omdat verdachte - blijkens de Pro Justitia rapportages - ondanks dat hij sterk verminderd toerekeningsvatbaar is, wist wat hij deed toen hij het slachtoffer in zijn hals stak en hij op deze wijze probeerde een ander behandeltraject af te dwingen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair verzocht om de zaak aan te houden zodat nader onderzocht kan worden of verdachte alsnog via het traject van de zorgmachtiging in aanmerking komt om binnen de reguliere geestelijke gezondheidszorg behandeld te worden, te meer nu dit traject al werd overwogen voor het huidige incident. De maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging is een uiterste middel dat niet te licht moet worden toegepast. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangegeven dat verdachte, gelet op zijn problematiek, gelijk moet worden behandeld. Zij heeft derhalve verzocht geen langere gevangenisstraf op te leggen dan voor de duur van het voorarrest.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het reclasseringsrapport d.d. 18 februari 2020, het psychologisch onderzoek d.d. 5 februari 2020 en het neuropsychologisch onderzoek d.d. 3 februari 2020 beide opgemaakt door drs. G.J.W. Pol, alsmede het psychiatrisch onderzoek d.d. 5 februari 2020 opgemaakt door J.C. Laheij en het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

Verdachte heeft op een druk terras op de Grote Markt in Groningen een willekeurig slachtoffer met een mes in de hals gestoken. Hij heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Hij heeft bovendien een tweede slachtoffer in zijn hand gestoken toen deze hem na de steekpartij wilde overmeesteren. Dit zijn ernstige feiten. Het steken met een mes in de hals is in potentie dodelijk. Dat het letsel dat verdachte het slachtoffer heeft toegebracht in dit geval beperkt is gebleven, is een toevallige omstandigheid en is geenszins aan verdachte te danken. De ervaring leert dat slachtoffers van dit soort delicten vaak nog lang last hebben van de lichamelijke en psychische gevolgen. Dat dit ook in dit geval zo is, volgt uit de ter zitting afgelegde slachtofferverklaringen en toelichtingen bij de vorderingen tot schadevergoeding van beide slachtoffers. De feiten zijn gepleegd onder de ogen van een groot aantal terrasbezoekers. Ook op velen van hen heeft de steekpartij - zo blijkt uit de diverse getuigenverklaringen - grote indruk gemaakt. Dit soort ernstige feiten veroorzaakt bovendien gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving, vooral als het geweld - zoals in dit geval - gericht is tegen een volstrekt willekeurig gekozen slachtoffer.

Verdachte is een 67-jarige man met een chronische psychotische stoornis (schizofrenie) en een uitgebreide neurocognitieve stoornis. Volgens de psycholoog en psychiater die hem hebben onderzocht is hij voor een belangrijk deel vanuit paranoïde waangedachten tot de delicten gekomen. Afgaande op het verhaal van verdachte is hij bewust en volgens planning te werk gegaan, grotendeels vanuit rancune en uit boosheid op de hulpverlening, die hij verweet onvoldoende naar hem te luisteren. De directe aanleiding voor het steekincident lijkt te zijn gelegen in de aangevraagde rechterlijke machtiging, waarvoor hij een dag later zou worden bezocht door een rechter. Voor zover de rechtbank de verklaringen van verdachte goed heeft kunnen volgen, vreesde hij vooral het vooruitzicht van een gedwongen opname die in zijn beleving door derden, met name zijn broer, werd afgedwongen. Verdachte heeft er, zo begrijpt de rechtbank, vervolgens voor gekozen om een willekeurig persoon neer te steken, om zo de hulp te kunnen krijgen die hij wilde, maar dan op zijn eigen voorwaarden.

De gedragsdeskundigen zijn van mening dat, hoewel verdachte volgens hen wel enige overwegingen en planning kon maken, hij door (de combinatie van) zijn ziekelijke stoornissen zodanig was beperkt in zijn waarneming, denken, willen en handelen dat de delicten hem slechts in (sterk) verminderde mate kunnen worden toegerekend. De rechtbank neemt deze conclusie, die wordt gedragen door de overige inhoud van de rapporten, over. De “vrije keuze” die verdachte heeft willen maken lijkt immers in hoge mate te zijn beïnvloed en bepaald door zijn geestesgesteldheid; van een daadwerkelijke rationele afweging en beslissingsvrijheid is niet of nauwelijks sprake geweest.

Beide gedragsdeskundigen zijn van mening dat het gevaar voor herhaling groot is en dat, om dit risico in te dammen, een langdurige behandeling noodzakelijk is. Zij wijzen er daarbij op dat verdachte nauwelijks ziektebesef en -inzicht heeft en erg wantrouwend is ten opzichte van hulpverlening. De kans op doorbraken met agressie is bovendien aanzienlijk. Een behandeling in een voorwaardelijk kader is om die redenen geen optie. De enige passende interventie is, aldus de deskundigen, de maatregel ter beschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

De rechtbank is, gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de inhoud van de pro justitia-rapportages van oordeel dat verdachte een gevaar vormt voor de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, en dat behandeling van zijn stoornissen vereist is om herhaling te voorkomen. Een behandeling in een voorwaardelijk kader lijkt gedoemd te mislukken, nu het verdachte ontbreekt aan ziektebesef en intrinsieke motivatie voor behandeling, terwijl het gevaar voor herhaling groot is. De rechtbank zal derhalve aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege opleggen. Aan de formele wettelijke vereisten voor het opleggen van deze maatregel is, zoals ook uit het voorgaande mag blijken, voldaan.

Dit betekent dat zij het verzoek van de raadsvrouw om de mogelijkheden van een zorgmachtiging te onderzoeken, naast zich neer zal leggen. De rechtbank acht dit alleen al gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit en het hoge recidiverisico niet aan de orde.

Hoewel de rechtbank van oordeel is dat voor het feit als onder 1 bewezenverklaard een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur in beginsel aangewezen is, zal de rechtbank in dit geval naast de maatregel niet ook nog een vrijheidsstraf opleggen, zoals geëist door de officier van justitie. Zoals hiervoor al uiteen is gezet, moet verdachte als gevolg van zijn complexe stoornissen als vrijwel volledig ontoerekeningsvatbaar worden beschouwd. Verdachte zal voor deze stoornissen (naar verwachting langdurig) worden behandeld in het zwaarst mogelijke kader. Mede gelet op zijn gevorderde leeftijd is de rechtbank van oordeel dat die behandeling voorop moet staan en ook zo snel mogelijk moet aanvangen.

De rechtbank merkt voor de volledigheid op dat de maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en dat aan de duur van deze maatregel derhalve ingevolge artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht geen maximum is verbonden.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
- [slachtoffer 1], tot een bedrag van € 14,20 ter zake van materiële schade en € 2.500,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
- [slachtoffer 2], tot een bedrag van € 135,84 ter vergoeding van materiële schade en € 850,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn voldoende onderbouwd en kunnen worden toegewezen.

Standpunt van de verdediging

De vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn redelijk, zodat dat raadsvrouw zich refereert aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 25 september 2019.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 25 september 2019.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b, 45, 57, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat geen straf zal worden opgelegd.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Ten aanzien van 18/830197-19, feit 1 primair:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 2.514,20 (zegge: tweeduizendvijfhonderdveertien euro en twintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 september 2019.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] te betalen een bedrag van € 2.514,20 (zegge: tweeduizendvijfhonderdveertien euro en twintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 september 2019, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door gijzeling voor de duur van 35 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 14,20 aan materiële schade en € 2.500,- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van 18/830197-19, feit 2:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 985,84 (zegge: negenhonderdvijfentachtig euro en vierentachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 september 2019.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] te betalen een bedrag van € 985,84 (zegge: negenhonderdvijfentachtig euro en vierentachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 september 2019, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door gijzeling voor de duur van 19 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 185,84 aan materiële schade en € 850,- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. M.B.W. Venema en mr. S. Zwarts, rechters, bijgestaan door mr. L.S. Gosselaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 maart 2020.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.