Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:1281

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
20-03-2020
Datum publicatie
20-03-2020
Zaaknummer
18/830195-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Opiumwet. Handel in cocaïne gedurende een periode van meer dan 2 jaar tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met oplegging van bijzondere voorwaarden. Bekennende verdachte.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 63
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830195-19

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 20 maart 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd in de P.I. Leeuwarden te Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 maart 2020.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P. Bonthuis, advocaat te Joure.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T.H. Pitstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 25 augustus 2016 tot en met 22 september 2019 te Musselkanaal en/of Beetsterzwaag en/of (elders) in het arrondissement Noord-Nederland en/of in Alkmaar en/of Heerhugowaard en/of (elders) in de provincie Noord-Holland, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, althans (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 23 september 2019 te Beetsterzwaag en/of (elders) in de provincie Friesland en/of in de provincie Noord-Holland, althans in Nederland, opzettelijk heeft

afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 72,73 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de feiten 1 en 2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten 1 en 2 kunnen worden bewezen. Hierbij heeft hij de kanttekening gemaakt dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat gedurende de gehele ten laste gelegde periode bij feit 1 sprake is geweest van- zo begrijpt de rechtbank de raadsman - meer dan het incidenteel verstrekken van cocaïne.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Hieraan doet naar het oordeel van de rechtbank niet af dat verdachte heeft ontkend in de gehele onder feit 1 tenlastegelegde periode op grote schaal in cocaïne te hebben gehandeld, nu ook het (incidenteel) verstrekken van cocaïne onder het tenlastegelegde valt.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 maart 2020;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van 28 januari 2020, opgenomen op pagina 8 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2020025879 d.d. 28 januari 2020, inhoudend het relaas van verbalisant;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 13 februari 2019, opgenomen op pagina 30 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [getuige].

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 25 augustus 2016 tot en met 22 september 2019 te Musselkanaal en/of Beetsterzwaag en/of elders in het arrondissement Noord-Nederland en/of in Alkmaar en/of Heerhugowaard en/of elders in de provincie Noord-Holland meermalen opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij op 23 september 2019 te Beetsterzwaag en elders in de provincie Friesland en in de provincie Noord-Holland opzettelijk heeft vervoerd 72,73 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

2. Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de feiten 1 en 2 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 28 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden, bestaande uit het meewerken aan reclasseringstoezicht door Verslavingszorg Noord Nederland (VNN), het volgen van een ambulante behandeling bij de Forensische Polikliniek van VNN of een soortgelijke instelling, een drugsverbod en het meewerken aan controles op de naleving van dat verbod.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naar voren gebracht dat een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf grote financiële consequenties voor verdachte heeft. Daarom heeft hij bepleit dat aan verdachte een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met oplegging van bijzondere voorwaarden, wordt opgelegd. Hij heeft voorts bepleit dat een gedeelte van de onvoorwaardelijk op te leggen gevangenisstraf wordt omgezet in een werkstraf, zodat verdachte na aftrek van voorarrest nog ongeveer 2 maanden in detentie moet blijven.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van Verslavingszorg Noord Nederland, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne gedurende een periode van meer dan 2 jaren. Hij kocht deze harddrugs in voor onder meer eigen gebruik en verkocht het resterende gedeelte..

Het gebruik van harddrugs, en daarmee ook de handel in harddrugs, zorgt voor veel onrust in de maatschappij en is zeer nadelig voor de gezondheid van de gebruikers. Bovendien gaat de handel in en het gebruik van verdovende middelen gepaard met verschillende vormen van (ernstige) criminaliteit, waardoor de samenleving ernstige schade wordt berokkend. De rechtbank rekent verdachte aan dat hij aan deze drugscriminaliteit een bijdrage heeft geleverd door cocaïne te verkopen. De rechtbank rekent verdachte ook aan dat hij zelfs vanuit detentie nog kopers onder druk heeft laten zetten om hun drugs schulden te voldoen.

Uit het verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

In het reclasseringsrapport wordt onder meer beschreven dat verdachte heeft aangegeven dat hij in toenemende mate cocaïne begon te gebruiken als vlucht voor een door hem opgelopen trauma. Om dit gebruik te kunnen bekostigen is hij in deze drugs gaan handelen. Naast het problematisch gebruik van cocaïne had verdachte zijn leven nog redelijk op orde; hij had vast werk met een vast inkomen, en een stabiele huisvesting en een partner. Verdachte is sinds zijn aanhouding gestopt met het gebruiken van drugs en wil dit continueren. Geadviseerd wordt om een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarden - voor zover in deze zaak van belang - een meldplicht bij de reclassering, het volgen van een ambulante behandeling bij de Forensische Polikliniek van VNN gericht op terugvalpreventie in cocaïnegebruik en traumabehandeling en een drugsverbod.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank ook rekening met de beslissingen omtrent het beslag.

Alles afwegend en met name gelet op de ernst van de feiten, waaronder de lange periode van de handel, acht de rechtbank de oplegging van gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend en geboden. De oplegging van een werkstraf is gelet op de ernst van de feiten, maar ook gelet op de houding van verdachte, niet aan de orde. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte er weinig blijk van heeft gegeven dat hij inzicht heeft in het strafwaardige karakter van zijn handelen. Wel ziet de rechtbank ter voorkoming van recidive aanleiding een deel van deze gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen, te weten een gedeelte van 6 maanden, en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden te verbinden.

Inbeslaggenomen goederen

De officier van justitie heeft de verbeurdverklaring gevorderd van het inbeslaggenomen geldbedrag, de personenauto, de telefoon en het geldkistje met toebehoren, aangezien deze goederen ofwel afkomstig zijn uit de baten van de drugshandel ofwel gebruikt zijn voor het plegen van de strafbare feiten.

De raadsman heeft bepleit dat de auto en de telefoon aan verdachte worden teruggeven, nu verdachte deze goederen nodig heeft.

De rechtbank acht de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten het voertuig, het geldkistje met toebehoren en de telefoon vatbaar voor verbeurdverklaring nu de feiten met deze goederen zijn begaan en deze toebehoren aan verdachte.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat het inbeslaggenomen geldbedrag van € 265,00 euro, moet worden teruggegeven aan verdachte, nu onvoldoende vaststaat dat het geldbedrag afkomstig is uit de baten van drugshandel.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich laat behandelen door de Forensische Polikliniek van Verslavingszorg Noord Nederland (VNN) te Groningen of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering dit nodig acht. Deze behandeling is gericht op terugvalpreventie met betrekking van het gebruik van cocaïne en op traumabehandeling. De veroordeelde moet zich houden aan de huisregels en aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.

2. dat de veroordeelde geen drugs gebruikt en meewerkt aan controle door middel van urineonderzoek op dit verbod door de reclassering.

Geeft aan reclasseringsinstelling Verslavingszorg Noord Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen personenauto, merk BMW (goednummer 1154825) en de in beslag genomen geldkist met toebehoren (goednummer 1187136) en de in beslag genomen telefoon, merk iPhone, (goednummer 1186766).

Gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van € 265,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.V. Nolta, voorzitter, mr. T.M.L. Veen en mr. H.R. Bracht, rechters, bijgestaan door mr. A. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 maart 2020.

Mr. Nolta, mr. Veen en mr. Dijkstra zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.