Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:1222

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
13-03-2020
Datum publicatie
18-03-2020
Zaaknummer
18/750083-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 13 maart 2020 een man veroordeeld tot 3 jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf en tbs voor brandstichtingen, inbraken en diefstallen

De man heeft tweemaal een personenauto van het merk Tesla in brand gestoken. Deze Tesla's stonden geparkeerd in een smalle straat dicht voor een woning in Joure. Door de branden was er gevaar voor deze woning en omringende woningen. De Tesla's behoorden toe aan een curator in faillissementen. Beide keren lag zij, evenals haar twee kinderen, in de woning te slapen en werd ze gewekt door het alarm van haar auto. Ze moest beide keren met haar kinderen haar woning verlaten, omdat de brand zou kunnen overslaan naar de woning. Met name het feit dat door de brandstichtingen gevaar voor het leven van personen te duchten is geweest, rekent de rechtbank de man zwaar aan.

De man heeft geen verantwoordelijkheid voor de delicten genomen en heeft daarom ook geen uitleg gegeven waarom hij tot tweemaal toe de auto’s in brand heeft gestoken. Niet is gebleken dat de man enige connectie heeft met de eigenaar van de auto. Uit de stukken rijst het vermoeden dat de man in opdracht, mogelijk tegen betaling, de branden heeft gesticht. Gelet op de herhaling van de brandstichting, op dezelfde plek en een auto van dezelfde eigenaar, lijkt het er op dat de brandstichtingen een gerichte actie zijn geweest tegen de curator. De man moet minst genomen een vermoeden hebben gehad dat het kennelijk om wraakactie of iets dergelijks ging. De man heeft naast de brandstichtingen ook inbraken en diefstallen gepleegd. Ook voor deze delicten heeft de man geen verantwoordelijkheid genomen.

De man heeft naast de brandstichtingen ook inbraken en diefstallen gepleegd. Ook voor deze delicten heeft de man geen verantwoordelijkheid genomen.

De man is eerder veroordeeld voor brandstichting en vermogensdelicten en de feiten kunnen hem in verminderde mate worden toegerekend. De rechtbank heeft de man de tbs-maatregel met dwangverpleging opgelegd, omdat zij andere minder verstrekkende maatregelen niet haalbaar acht om het recidiverisico duurzaam te verlagen. Daarnaast heeft de rechtbank de man een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaar opgelegd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 157
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/750083-18

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/730062-19

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 13 maart 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] ,

thans gedetineerd in P.I. Leeuwarden, te Leeuwarden, Holstmeerweg 7.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 februari 2020.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P. Bonthuis, advocaat te Joure.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P.M. van der Spek.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging en na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd:

in de zaak met parketnummer 18/750083-18 dat:

1.

hij in of omstreeks de periode omvattende de dagen 4 maart 2018 en 5 maart 2018 te Joure, in elk geval in de gemeente De Fryske Marren, aan de [straatnaam] te Joure, ter hoogte van perceel/ [nummer] , opzettelijk brand heeft gesticht in en/of onder en/of aan een personenauto van het merk Tesla (voorzien van het kenteken [kenteken] ), welke dicht bij de woning [straatnaam] stond, door open vuur in aanraking te brengen met

- ( een) al dan niet met een vluchtige stof overgoten/besprenkelde/doordrenkte brandba(a)r(e) voorwerp(en) en/of stof(fen), welke in en/of onder en/of aan een of meer onderde(e)l(en) van die een personenauto van het merk Tesla was/waren geplaatst en/of

- ( een of meer onderde(e)l(en) van die) een personenauto van het merk Tesla, in elk geval brandbare stoffen,

ten gevolge waarvan die personenauto van het merk Tesla en/of de zich in die personenauto bevindende goederen geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor

- die personenauto van het merk Tesla en/of

- de in die personenauto aanwezige goederen en/of

- die woning gelegen aan de [straatnaam] , perceel/ [nummer] en/of

- de inventaris van die aan de [straatnaam] , [nummer] gelegen woning en/of

- de naastgelegen woningen in die [straatnaam] en/of

- de inventaris van die naastgelegen woningen in die [straatnaam] , in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of

- daarvan levensgevaar voor de zich in die [straatnaam] , [nummer] en/of de naastgelegen woningen bevindende personen,

in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of

- gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in die [straatnaam] , [nummer] en/of de naastgelegen woningen bevindende personen, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

2.

hij in of omstreeks de periode omvattende de dagen 18 april 2018 en 19 april 2018 te Joure, in elk geval in de gemeente De Fryske Marren, aan de [straatnaam] te Joure, ter hoogte van perceel/ [nummer] , opzettelijk brand heeft gesticht in en/of onder en/of aan een personenauto van het merk Tesla (voorzien van het kenteken [kenteken] ), welke dicht bij de woning [straatnaam] stond, door open vuur in aanraking te brengen met

- ( een) al dan niet met een vluchtige stof overgoten/besprenkelde/doordrenkte brandba(a)r(e) voorwerp(en) en/of stof(fen), welke in en/of onder en/of aan een of meer onderde(e)l(en) van die een personenauto van het merk Tesla was/waren geplaatst en/of

- ( een of meer onderde(e)l(en) van die) een personenauto van het merk Tesla, in elk geval brandbare stoffen,

ten gevolge waarvan die personenauto van het merk Tesla en/of de zich in die personenauto bevindende goederen geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor

- die personenauto van het merk Tesla en/of

- de in die personenauto aanwezige goederen en/of

- die woning gelegen aan de [straatnaam] , perceel/ [nummer] en/of

- de inventaris van die aan de [straatnaam] , [nummer] gelegen woning en/of

- de naastgelegen woningen in die [straatnaam] en/of

- de inventaris van die naastgelegen woningen in die [straatnaam] , in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of

- daarvan levensgevaar voor de zich in die [straatnaam] , [nummer] en/of de naastgelegen woningen bevindende personen, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of

- gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in die [straatnaam] , [nummer] en/of de naastgelegen woningen bevindende personen, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

3.

hij in of omstreeks de periode omvattende de dagen 18 september 2018 en 19 september 2018 te Lippenhuizen, in elk geval in de gemeente Opsterland, een zaagtafel van het merk Makita en/of een (cirkel)zaagmachine (van het merk Hitachi) en/of een flexmachine en/of reciprozaag, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen voornoemde goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks 18 september 2018 en 19 september 2018, in elk geval in de maand september 2018, te Lippenhuizen, gemeente Opsterland en/of te Drachten, in elk geval in de gemeente Smallingerland, en/of (elders) in Nederland, een of meer goed(eren) te weten een zaagtafel van het merk Makita en/of een (cirkel)zaagmachine (van het merk Hitachi) en/of een flexmachine en/of reciprozaag heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen,

terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit/die voornoemde goed(eren) wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

4.

hij in of omstreeks de periode omvattende de dagen 6 juni 2018 en 7 juni 2018 te Gorredijk, in elk geval in de gemeente Opsterland, twee acculaders en/of meerdere accu's en/of slagmoersleutels + accu (van het merk Makita) en/of een decoupeerzaag + accu (van het merk Makita) en/of een flex + accu (van het merk Makita) en/of een accu(slag)boormachine + accu (van het merk Makita) en/of een slagschroevendraaier + accu (van het merk Makita) en/of een slagmoersleutel + accu (van het merk (Makita) en/of een stofafzuiger (van het merk Makita), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te

weten aan het bedrijf [benadeelde partij 1] , heeft weggenomen (vanaf een bouwplaats en/of uit een houten kist) met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen voornoemde goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 6 juni 2018 tot en met 1 november 2018, in elk geval in het jaar 2018, te Gorredijk, in elk geval in de gemeente Opsterland, en/of te Noordwolde, in elk geval in de gemeente Weststellingwerf, en/of (elders) in Nederland, een goed te weten een accu(slag)boormachine (van het merk Makita) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

5.

hij in of omstreeks 14 september 2018 en 15 september 2018 te Noordwolde, in elk geval in de gemeente Weststellingwerf, een kentekenbewijs (van een auto van het merk Peugeot, type Boxer) en/of een tankpas (kaartnummer [nummer] ) van de [benadeelde partij 2] en/of een instructieboekje (van een auto van het merk Peugeot, type Boxer), in elk geval

enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan de rechtspersoon [benadeelde partij 3] en/of de [benadeelde partij 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode omvattende de dagen 14 september 2018 en 15 september 2018, in elk geval in de maand september 2018, te Noordwolde en/of te Boijl, in elk geval in de gemeente Weststellingwerf, en/of elders in Nederland, een goed te weten een tankpas (kaartnummer [nummer] ) van de [benadeelde partij 2] heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

6.

hij op of omstreeks 15 september 2018 te Gorredijk, in elk geval in de gemeente Opsterland, tussen (ongeveer) 04:00 uur en 06:00 uur, in elk geval gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, vanaf een besloten erf, waarop een woning staat, gelegen aan of bij de [straatnaam] ( [straatnaam] ), alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aanhangwagen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 15 september 2018 te Gorredijk, in elk geval gemeente Opsterland, een goed te weten een aanhangwagen heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

7.

hij in of omstreeks de periode omvattende de dagen 15 september 2018 en 16 september 2018, in elk geval in de maand september 2018, te Boijl, in elk geval in de gemeente Weststellingwerf, en/of (elders) in Nederland, (bij een [tankstation] aan of bij de [straatnaam] ) geld, te weten een geldbedrag van 458,64 euro (te weten het aankoopbedrag van 400 liter diesel(olie)), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan de [benadeelde partij 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf (een benzine-/diesel(olie) tankautomaat en/of pinautomaat) heeft verschaft en/of dat weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door middel van het onbevoegd gebruik maken van een (gestolen) tankpas (met kaartnummer [nummer] ) in gebruik bij [benadeelde partij 2] (en de daarbij behorende pincode);

8.

hij op of omstreeks 10 september 2018 te Drachten, in elk geval in de gemeente Smallingerland, een (bedrijfs)auto (van het merk Volkswagen, type Caddy, kleur rood), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan

[slachtoffer 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen (bedrijfs)auto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van (een) valse sleutel(s), te weten (een) autosleutel(s) van de eigenaar die in de auto lagen en waarvan

verdachte onbevoegd/onrechtmatig gebruik heeft gemaakt

en in de zaak met parketnummer 18/730062-19 dat:

hij in of omstreeks de periode omvattende de dagen 6 mei 2018 en 7 mei 2018 te Boelenslaan, vanaf een terrein bij een woning (gelegen aan of bij de [straatnaam] ( [nummer] )) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aanhangwagen (van het merk Atec) en/of twee rijplaten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode omvattende de dagen 6 mei 2018 en 7 mei 2018 te Drachten, in elk geval in de gemeente Smallingerland, en/of (elders) in de provincie Friesland, in elk geval in Nederland, een goed te weten een aanhangwagen (van het merk Atec) en/of twee rijplaten heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het in de zaak met parketnummer 18/750083-18 onder 4. primair ten laste gelegde en hij heeft veroordeling gevorderd voor het in de zaak met parketnummer 18/750083-18 onder 1., 2., 3. primair, 4. subsidiair, 5. primair, 6. primair, 7. en 8. en in de zaak met parketnummer 18/730062-19 primair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/750083-18 onder 1. en 2. ten laste gelegde.

Uit het politieonderzoek blijkt dat er zowel in de nacht van 4 op 5 maart 2018 als in de nacht van 18 op 19 april 2018 sprake was van brandstichting. Beide keren is open vuur in aanraking gebracht met een personenauto van het merk Tesla waardoor de personenauto's zijn uitgebrand. Beide keren stond de personenauto op dezelfde plek voor de woning, te weten op een afstand van 80 tot 100 centimeter tot de woning aan de [straatnaam] in Joure. Beide keren lagen een vrouw en haar twee kinderen in de woning te slapen. Gelet op algemene ervaringsregels is er, wanneer er zo dicht op een woning waarin personen liggen te slapen brand wordt gesticht, levensgevaar te duchten voor deze personen. Tevens was er gevaar voor goederen te duchten. Verdachte heeft ontkend dat hij de branden heeft gesticht. Uit de historische telefoongegevens blijkt echter dat zijn telefoon in de nacht van 4 op 5 maart 2018 in Joure was. Volgens verdachte leent hij zijn telefoon nooit uit. Dat betekent dat verdachte ook in Joure was. In de nacht van 18 op 19 april 2020 is op de camerabeelden van de Rabobank te Joure een personenauto en een persoon te zien. De persoon loopt in de richting van de plek waar even later de brand wordt gesticht. De persoon en de auto zijn niet herkenbaar, maar uit een reconstructie blijkt dat de auto qua type geheel overeenkomt met de personenauto van verdachte. Verdachte leent zijn auto nooit uit. Tevens zijn er twee getuigen die verklaren dat verdachte hen heeft verteld dat hij de branden heeft gesticht. Deze verklaringen zijn betrouwbaar, omdat ze uit een andere bron komen dan de andere bewijsmiddelen en er ook verder geen redenen zijn om aan deze verklaringen te twijfelen. Hierdoor kan worden bewezen dat verdachte beide branden heeft gesticht.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/750083-18 onder 3. primair. ten laste gelegde.

Uit de stukken blijkt dat verdachte zeer korte tijd na de diefstal in het bezit was van de gestolen gereedschappen. Uit de historische telefoongegevens blijkt dat de telefoon van verdachte de nacht van de inbraak telefoonmasten aanstraalde in Beetsterzwaag en Gorredijk. De antennes op deze masten zenden en ontvangen in de richting van het gebied Lippenhuizen, de plaats waar de diefstal plaatsvond. Verdachte heeft hier geen aannemelijke verklaring voor gegeven. Gelet op deze feiten en omstandigheden acht de officier van justitie bewezen dat verdachte de gereedschappen heeft gestolen.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/750083-18 onder 4. subsidiair ten laste gelegde.

Uit de stukken blijkt dat verdachte in het bezit was van de gestolen accuslagboormachine. Volgens verdachte heeft hij deze uit Gorredijk opgehaald en hij heeft erkend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan heling. De diefstal kan niet worden bewezen, maar opzetheling is wel bewijsbaar.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/750083-18 onder 5. primair, 6. primair en 7. ten laste gelegde.

Deze feiten staan met elkaar in een logisch verband. De tankpas werd gestolen en vervolgens heeft verdachte kort daarna met deze tankpas bij een benzinestation getankt. Hij heeft op dat moment een zeer kort daarvoor gestolen aanhanger bij zich. De getuige [getuige 1] , verdachtes ex-vriendin, heeft de beelden van het tanken bekeken en zij heeft verdachte zonder twijfel op de beelden herkend. Gelet op het korte tijdsbestek tussen de feiten kan worden bewezen dat verdachte de onder 5. primair ten laste gelegde diefstal heeft gepleegd, vervolgens de aanhanger heeft gestolen en daarna de onder 7. ten laste gelegde diefstal met behulp van de eerder gestolen tankpas heeft gepleegd.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/750083-18 onder 8. ten laste gelegde.

In de nacht van deze diefstal straalde de telefoon van verdachte meerdere masten in Drachten aan. De antennes van deze masten zenden en ontvangen in de richting van het gebied waar de diefstal plaatsvond. Op 14 september 2018 is de gestolen bedrijfsauto teruggevonden in Marum. De nacht hieraan voorafgaand straalde de telefoon van verdachte een mast in Marum aan. De antenne van deze mast zendt en ontvangt in de richting van het gebied waarin de bedrijfsauto werd teruggevonden. Tevens blijkt uit een voicemail bericht van de getuige [getuige 2] , de ex-vriendin, van verdachte dat verdachte een Caddy heeft gestolen.

Voornoemde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang beschouwd kan worden bewezen dat verdachte de auto heeft gestolen.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/730062-19 primair ten laste gelegde.

Dezelfde nacht dat deze auto werd gestolen is verdachte door een politieagent met de aanhanger gezien. Hij heeft toen verklaard dat hij de aanhanger twee weken daarvoor heeft gekocht. Deze aanhanger was echter dezelfde nacht gestolen. Gelet op de leugenachtige verklaring van verdachte en het korte tijdsbestek tussen de diefstal en het aantreffen van verdachte met de aanhanger kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte de aanhanger heeft gestolen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 18/750083-18 onder 1., 2., 3. primair, 4. primair, 5.primair, 5. subsidiair, 6. primair, 6. subsidiair en 7. en het in de zaak met parketnummer 18/730062-19 primair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/750083-18 onder 1. en 2. ten laste gelegde.

Verdachte heeft zijn betrokkenheid bij de brandstichtingen ontkend. Hij weet niet hoe het mogelijk is dat zijn telefoon ten tijde van de eerste brand in Joure was, maar mogelijk heeft hij deze uitgeleend. Verdachte heeft geen opvallende personenauto, daarom brengt een personenauto -die overeenkomsten vertoond met de personenauto van verdachte- hem niet in Joure ten tijde van de tweede brandstichting. De verklaringen van de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] zijn niet betrouwbaar en kunnen niet voor het bewijs worden gebruikt. De getuige [getuige 3] is de persoon die verdachte de gestolen gereedschappen heeft verkocht en door tegen verdachte te verklaren heeft hij de verdenking afgeschoven.

Voorts kan niet worden bewezen dat sprake was van gemeen gevaar voor de woningen, voor personen en voor zwaar lichamelijk letsel. De in brand gestoken personenauto's zijn elektrische auto's. Uit de "Factsheet feitenmateriaal elektrische voertuigen en veiligheid" opgemaakt door TNO blijkt dat de vlammen- en rookontwikkeling bij brandende accu's van elektrische auto's significant minder is dan bij benzine en diesel auto's. Het vuur verspreidt zich ook minder snel, omdat er geen brandbare vloeistoffen uit de lithium-ion accu's lekken. Dit past ook bij de foto's in het dossier. Voor een auto die al een paar minuten brand lijkt de brand niet groot te zijn. Dit maakt dat de jurisprudentie omtrent de algemene ervaringsregels over het gemeen gevaar bij een autobrand hier niet opgaat. Ook stonden in de omgeving van de auto's geen brandbare goederen, zoals schuttingen en heggen. Er was enkel gemeen gevaar voor de in brand gestoken auto's zelf en er was geen gevaar dat de brand zou overslaan op de stenen woning.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/750083-18 onder 3. primair ten laste gelegde.

Verdachte heeft de diefstal van de gereedschappen ontkend. Uit de stukken blijkt ook niet dat verdachte de gereedschappen heeft weggenomen. Verdachte heeft de gereedschappen van de getuige [getuige 3] gekocht. Hij moet daarom van de diefstal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/750083-18 onder 4. primair ten laste gelegde.

Verdachte heeft ontkend betrokken te zijn geweest bij de diefstal van de gereedschappen. Uit de stukken blijkt dat er vier personen het bouwterrein zijn opgegaan. Uit niets blijkt dat verdachte een van deze personen is geweest, zodat hij van de diefstal moet worden vrijgesproken. Dat hij twaalf uren later in het bezit is van een weggenomen accuslagboormachine doet hier niets aan af.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/750083-18 onder 5., 6. en 7. ten laste gelegde.

Verdachte heeft ontkend dat hij deze diefstallen heeft gepleegd. Niemand heeft gezien dat verdachte de tankpas heeft weggenomen en hij heeft ook ontkend dat hij de persoon is die op de beelden is te zien. Op de camerabeelden is niet te zien of de aanhangwagen voldoet aan de kenmerken die aangever [slachtoffer 2] heeft genoemd, zodat niet is vast te stellen dat het de gestolen aanhangwagen betreft.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/730062-19 primair ten laste gelegde.

Verdachte heeft ontkend dat hij de aanhanger heeft gestolen. Hij heeft verklaard dat hij de aanhanger voor € 350,-- heeft gekocht. Uit de stukken blijkt ook niet dat verdachte de aanhanger heeft weggenomen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen1 die de daartoe redengevende feiten en omstandigheden bevatten, het volgende vast.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/750083-18 onder 1. en 2. ten laste gelegde.

Het stichten van branden en het te duchten gevaar

Op 5 maart 2018 omstreeks 2.02 uur kwam er een melding bij de politie binnen van een brand in Joure. Voor de woning aan de [straatnaam] te Joure stond een aldaar geparkeerde personenauto van het merk Tesla, met kenteken [kenteken] , in brand. Door de brandweer is deze brand geblust. Door de hitte van de brand was er een scheur ontstaan in de linker voorruit van de woning aan de [straatnaam] .2 De personenauto is onderzocht en uit dit onderzoek blijkt dat er geen technische gebreken of afwijkingen zijn aangetroffen aan de auto waardoor de oorzaak van de brand verklaard zou kunnen worden.3

Op 19 april 2018 omstreeks 2.33 uur kwam er opnieuw een melding bij de politie binnen van een brand in Joure. Voor de woning aan de [straatnaam] te Joure stond opnieuw een aldaar geparkeerde personenauto van het merk Tesla, met kenteken [kenteken] , in brand. Door de brandweer is deze brand geblust.4 De voorzijde van de personenauto, het motorcompartiment en het personencompartiment waren door de vlammen aangetast. Door de hitte van de brand waren de voorruit en het zonnedak van de personenauto geknapt. De rechter voorband van de personenauto was deels weggebrand. De ramen in de voorgevel van de woning aan de [straatnaam] waren door de hitte gebarsten en de kozijnen en de dakgoot van de woning waren door de brand verkleurd en aangetast door roet.5 Als de brand langer had gewoed was de brand hoogstwaarschijnlijk overgeslagen naar de woning. De ramen waren al gesprongen en het had niet veel langer geduurd voordat de brand was overgeslagen naar de woning. De bovenverdieping van de woning stond vol met blauwe rook, waardoor de bewoners werd afgeraden die nacht in hun woning te verblijven.6 In het rechter voorwiel, tussen de velg en het remblok, werd een stuk textiel aangetroffen. Gelet op de locatie van dit stuk textiel zou dit bij de brandstichting gebruikt kunnen zijn. Het stuk textiel behoorde in ieder geval niet bij de personenauto.7

De [straatnaam] in Joure is een smalle straat waar de woningen dicht op elkaar staan.8 Aan de oneven zijde van de straat zijn parkeerhavens. De personenauto stond in zo'n parkeerhaven. Er was een zeer beperkte ruimte tussen de personenauto en de voorgevel van perceel 11, ongeveer 80 centimeter.9 Beide keren stond de personenauto van het merk Tesla op exact dezelfde plaats geparkeerd en was het eenzelfde soort brand, met hoge vlammen ter hoogte van de voorgevel van de woning. Het verschil was wel dat de brand de eerste keer bij de bestuurderszijde van de personenauto was begonnen en de tweede keer bij de bijrijderszijde van de personenauto.10

De bewoonster van de woning aan de [straatnaam] en tevens gebruikster van de beide personenauto's, werd beide nachten gewekt doordat het autoalarm afging. Beide keren heeft ze haar kinderen wakker gemaakt en heeft ze met hen de woning verlaten. Haar directe buren stonden ook buiten.11

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat sprake is geweest van brandstichting waarbij gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar danwel zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten was, hetgeen ook naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was. De rechtbank neemt daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. Beide keren stond de brandende personenauto zeer dicht bij de woning geparkeerd. Beide keren was de brand zo hevig dat er ramen van de woning aan de [straatnaam] zijn gebarsten en was het nodig dat de brand werd geblust door de brandweer. De rechtbank is van oordeel dat hierdoor erger is voorkomen en dat er beide keren sprake was van gemeen gevaar voor de woning aan de [straatnaam] en de hier dicht naast gelegen woningen. Dat de woningen van steen waren doet hieraan niet af. Doordat de branden in de nacht zijn gesticht, terwijl de bewoners van de [straatnaam] in het huis lagen te slapen, was er voorts levensgevaar danwel zwaar lichamelijk letsel voor deze bewoners te duchten. Niet alleen konden de vlammen overslaan naar de woning, bij de tweede brand is bovendien geconstateerd dat de bovenverdieping vol stond met rook. Rookontwikkeling in de woning kan schadelijk zijn voor de gezondheid en fatale gevolgen hebben.

De betrokkenheid van verdachte

De historische verkeersgegevens van het telefoonnummer in gebruik bij verdachte zijn opgevraagd. Hieruit blijkt dat de telefoon van verdachte op 5 maart 2018 te 1.44 uur gebruik maakte van een mast aan het [straatnaam] te Joure. De plaats van de mast is op twee minuten loopafstand verwijderd van de [straatnaam] te Joure. Daarna vertrok de telefoon uit Joure.

Op 18 april 2018 om 23.54 uur straalde de telefoon van verdachte een mast aan op parkeerplaats De Walden aan de A7 in Tijnje. Het volgende moment dat de telefoon een mast aanstraalde was op 19 april 2018 te 2.47 uur. Dit was ook met een mast aan de parkeerplaats De Walden aan de A7 in Tijnje.12 In voornoemde periode zijn er geen registraties geweest van telecommunicatie van de telefoon. Hierdoor kan niet worden vastgesteld dat de telefoon zich tijdens deze periode heeft bevonden in de omgeving van Tijnje. Het is mogelijk dat de telefoon zich heeft verplaatst, waarbij de omgeving Tijnje zowel vertrekpunt als eindpunt is geweest. Gezien de periode van ongeveer 2 uren en 42 minuten is het potentieel mogelijk geweest dat de telefoon zich heeft verplaatst tussen Tijnje en Joure.13

Uit de historische verkeersgegevens blijkt verder dat middels de telefoon van verdachte in de nacht van 4 op 5 maart 2018 en de nacht van 18 op 19 april 2018 werd gecommuniceerd.14 Volgens verdachte is hij de enige die van zijn telefoon gebruikmaakt.15

Door de politie zijn camerabeelden opgevraagd van de Rabobank te Joure van 19 april 2018. Op de beelden is te zien dat een personenauto aan komt rijden. Om ongeveer 1.47 uur staat deze auto stil voor de afslag met het [straatnaam] . Om 1.49 uur loopt een persoon vanaf de bestuurderszijde van de personenauto richting het [straatnaam] . Het lijkt of deze persoon een tas draagt. Gezien het looppatroon, postuur en grootte is het aannemelijk dat dit een manspersoon betreft. De persoon verdwijnt uit beeld in de richting van [straatnaam] . Om 1.52 uur komt de persoon terug in beeld vanuit de richting van het [straatnaam] . Hij loopt ook weer terug naar het [straatnaam] , daarna naar de personenauto en vervolgens loopt hij uit beeld. Om 2.27 uur komt de persoon weer in beeld. Hij loopt met versnelde pas vanuit de richting [straatnaam] richting de personenauto. Hij stapt in en rijdt weg. De afstand tussen de [straatnaam] en de plaats waar de personenauto stond is binnen enkele minuten te lopen.16

Verdachte maakte gebruik van een personenauto van het merk en type Renault Megane. Hij leende deze auto nooit uit.17 De personenauto van verdachte is onderzocht. De politie heeft vastgesteld dat de alarminstallatie van deze personenauto bij het sluiten en ontsluiten op identieke wijze een signaal afgeeft als de personenauto die te zien is op de beelden van de Rabobank te Joure. Vervolgens is met de personenauto op nagenoeg identieke wijze langs de beveiligingscamera van de Rabobank te Joure gereden, geparkeerd en vervolgens weggereden. Uit de beelden van deze reconstructie blijkt dat de personenauto's grote gelijkenis vertonen ten opzichte van de vormgeving, de carrosserie en de verlichting.18

Op 15 november 2018 hebben twee anonieme getuigen bij de politie verklaard dat verdachte hen heeft verteld dat hij in Joure twee personenauto's van het merk Tesla in brand heeft gestoken.19 De twee anonieme getuigen zijn vervolgens bij de rechter-commissaris gehoord onder hun eigen naam. Het bleek te gaan om de getuige [getuige 3] en zijn vriendin [getuige 4] . Ten overstaan van de rechter-commissaris hebben de getuigen hun eerdere verklaringen bevestigd.20

Volgens verdachte heeft de getuige [getuige 3] in het kader van een wraakactie in strijd met de waarheid verklaard, omdat verdachte van misdrijf afkomstig gereedschap van de getuige [getuige 3] heeft gekocht. Dat gereedschap is inbeslaggenomen door de politie waardoor verdachte de getuige hiervoor niet heeft betaald.

Verdachte heeft zijn stelling dat de verklaringen een wraakactie zouden zijn vanwege het in beslaggenomen gereedschap niet onderbouwd. Ook het dossier bevat hiervoor geen enkel aanknopingspunt. De rechtbank stelt echter vast dat de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] onafhankelijk van elkaar consistent en gedetailleerd hebben verklaard dat verdachte aan hen heeft verteld in Joure Tesla’s in brand te hebben gestoken. Deze verklaringen komen op belangrijke details overeen. De rechtbank acht deze verklaringen authentiek en betrouwbaar en zal de verklaringen voor het bewijs gebruiken.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte verantwoordelijk is voor beide brandstichtingen. Verdachte heeft weliswaar ontkend de brandstichtingen te hebben gepleegd, maar laat na een alibi of een aannemelijke verklaring te geven omtrent zijn telefoongegevens in de nacht van 5 maart 2018, of zijn activiteiten in de beide nachten waarin de branden hebben plaatsgevonden. De rechtbank neemt deze omstandigheid mee en acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen bewezen dat de beide personenauto's opzettelijk door verdachte in brand zijn gestoken.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/750083-18 onder 3. primair ten laste gelegde.

In de nacht van 18 op 19 september 2018 werden uit een schuur gelegen achter een woning in Lippenhuizen gereedschappen gestolen. De eigenaar van de goederen, [slachtoffer 1] , ontdekte op 19 september 2018 om 8.20 uur dat een hokje in zijn schuur was opengebroken. Het hokje was afgesloten geweest met een slot en hij zag dat er in de deur van het hokje indrukken zaten die overeenkwamen met de koevoet die er naast lag. [slachtoffer 1] miste een cirkelzaag met geleider van het merk Hitachi en een zaagtafel van het merk Makita.21 Omstreeks 14.30 uur nam [slachtoffer 1] telefonisch contact op met de politie en vertelde dat [naam 1] contact met hem had opgenomen en hem had verteld dat een persoon aan [naam 1] foto's van elektrisch gereedschap had gezonden. [verdachte] zou deze goederen te koop aanbieden. [slachtoffer 1] herkende op de foto's zijn cirkelzaag. Ook zag hij op de foto's zijn flexmachine en zijn reciprozaag. [slachtoffer 1] heeft de foto's aan de politie overhandigd.22 [getuige 2] is de ex-vriendin van verdachte. Ten tijde van het feit had verdachte een relatie met [getuige 2] en verbleef hij wel eens bij haar thuis.23 De politie heeft de foto's, waarop de gereedschappen staan afgebeeld, aan [getuige 2] getoond. [getuige 2] herkent op de foto's haar berghok behorende bij haar woning in Drachten. Verdachte maakte gebruik van haar hok en nam wel gereedschappen mee.24

Uit de historische telefoongegevens van de telefoon van verdachte blijkt dat zijn telefoon op 19 september 2018 tussen 1.52 uur en 2.28 uur masten aanstraalde in Beetsterzwaag en Gorredijk. De antennes op deze masten zenden en ontvangen in de richting van het gebied Lippenhuizen. De uren daarvoor en daarna straalt de telefoon van verdachte een mast in Drachten aan.25 Volgens verdachte is hij de enige die zijn telefoon gebruikt.26 Ter terechtzitting heeft hij verklaard dat hij foto's van de gereedschappen in het hok van getuige [getuige 2] heeft gemaakt en dat hij de gereedschappen te koop heeft aangeboden.27

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte zeer kort na de diefstal in het bezit was van de gestolen gereedschappen en dat hij ze te koop heeft aangeboden. Tevens was verdachte in de nacht van de diefstal in het gebied waar de diefstal heeft plaatsgevonden. Dit zijn omstandigheden die op de betrokkenheid van verdachte bij de diefstal duiden.

Volgens verdachte heeft hij de goederen de avond voor hij ze te koop aanbood bij [getuige 3] opgehaald. [getuige 3] is als anonieme getuige gehoord en verklaart dat verdachte aan hem gereedschappen te koop aanbood. Uit de Whatsappberichten, aangetroffen op de telefoon van verdachte, blijkt dat verdachte gereedschappen aan [getuige 3] te koop aanbood. Uit de Whatsappberichten blijkt niet dat [getuige 3] goederen aan verdachte heeft aangeboden. De verklaring van verdachte vindt derhalve geen steun in andere bewijsmiddelen en de rechtbank acht deze verklaring niet geloofwaardig. Verdachte geeft hiermee geen aannemelijke verklaring omtrent de omstandigheden die op zijn betrokkenheid bij de diefstal duiden. De rechtbank neemt deze omstandigheid mee bij de vraag of het ten laste gelegde kan worden bewezen. In samenhang met de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte de gereedschappen heeft gestolen.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/750083-18 onder 4. primair ten laste gelegde.

In de nacht van 6 op 7 juni 2018 werden vanaf een bouwplaats te Gorredijk gereedschappen gestolen. Om de bouwplaats stonden hekken en deze waren afgesloten met een hangslot. Op 7 juni 2018 omstreeks 6.30 uur ontdekten de bouwvakkers dat een houten kist waarin gereedschap van [benadeelde partij 1] werd bewaard was opgebroken. Het deksel van de kist was vernield. Uit de kist misten de volgende gereedschappen: twee acculaders, merk Makita, zes accu's merk Makita, een slagmoersleutel met accu merk Makita, een decoupeerzaag met accu merk Makita, een flex met accu merk Makita, een accuboormachine met accu merk Makita, een slagschroevendraaier met accu merk Makita, een slagmoersleutel met accu merk Makita en een stofafzuiging behorende bij een boormachine merk Makita. In alle gereedschappen stond de tekst "[tekst]" gegraveerd.28 De getuige [getuige 5] woont bij de bouwlocatie en heeft die nacht gezien dat na 00.30 uur vier personen over het hek van de bouwplaats zijn geklommen. Ze heeft ze niet zien vertrekken, maar hoorde om 3.00 uur nog wel een geluid vanaf de bouwplaats komen.29

De telefoon van verdachte is onderzocht. Hieruit blijkt dat hij op 7 juni 2018 om 5.35 uur een Whatsappbericht naar [naam 2] heeft gezonden waarbij hij een foto heeft gevoegd van een accuslagboormachine.30 De foto's afkomstig van de telefoon van verdachte zijn naar de aangever gemaild en hij herkende de slagboormachine als een stuk gereedschap dat in de nacht van 6 op 7 juni 2018 was gestolen van de bouwplaats.31

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte zeer kort na de diefstal in het bezit was één van de gestolen gereedschappen en dat hij het goed te koop heeft aangeboden. Dit zijn omstandigheden die op de betrokkenheid van verdachte bij de diefstal duiden.

Verdachte heeft ontkend dat hij de accuslagboormachine heeft gestolen en heeft verklaard dat hij de accuslagboormachine van [getuige 3] heeft gekocht. Zoals de rechtbank hiervoor ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde reeds heeft overwogen is [getuige 3] als anonieme getuige gehoord en uit zijn verklaring blijkt juist dat verdachte hem gereedschappen te koop heeft aangeboden. Dit blijkt ook uit de Whatsappberichten aangetroffen op de telefoon van verdachte. Er blijkt niet van Whatsappberichten dat [getuige 3] goederen aan verdachte heeft aangeboden. De verklaring van verdachte vindt dus geen steun in andere bewijsmiddelen en de rechtbank acht deze verklaring niet geloofwaardig. Verdachte geeft hierdoor geen aannemelijke verklaring omtrent de omstandigheden die op zijn betrokkenheid bij de diefstal duiden. De rechtbank neemt deze omstandigheid mee bij de vraag of het ten laste gelegde kan worden bewezen. In samenhang met de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte de gereedschappen van de bouwplaats heeft gestolen.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/750083-18 onder 5. primair, 6. primair, 6. subsidiair en 7. ten laste gelegde.

Tussen 14 september 2018 te 23.00 uur en 15 september 2018 te 11.00 uur te Noordwolde werden uit een personenbusje van het merk en type Peugeot Boxer van [benadeelde partij 2] een onderhoudsboekje, een tankpas en een kentekenbewijs gestolen. Hierbij werd het linker voorportier van het personenbusje vernield.32 Vervolgens werd op 15 september 2018 om 5.05 uur bij een [tankstation] in Boijl 400 liter dieselolie getankt.33 Deze dieselolie ter waarde van € 458,64 werd weggenomen met behulp van de eerder weggenomen tankpas, met kaartnummer [nummer] , in gebruik bij [benadeelde partij 2] .34

Naar aanleiding van deze diefstal heeft een verbalisant de camerabeelden bekeken van het [tankstation] aan de [straatnaam] in Boijl. Op de camerabeelden is te zien dat vroeg in de ochtend van 15 september 2018 een lichtkleurige bestelauto met aanhanger aan komt rijden. Op de aanhanger staat een vierkant kunststof vat in een metalen krat. Een manspersoon met een capuchon over zijn hoofd stapt uit de bestelauto. Hij pakt de slang van de pomp en vult het krat met brandstof. De linker achterdeur van de bestelauto is breder dan de rechter achterdeur. Op het linker achterspatbord is een onregelmatigheid te zien en op het raam in de linker achterdeur zit aan de rechter bovenzijde een donkerkleurige strip. Op 18 september 2018 -kort na het bekijken van de beelden- zag de verbalisant in Noordwolde een bestelauto staan. Hem vielen een aantal details op aan deze bestelauto, zoals de bredere linker achterdeur, de strip op het linker achterraam en de onregelmatigheid op het linker achterspatbord. Deze onregelmatigheid betrof ernstige roestvorming. De afstand tussen het [tankstation] in Boijl en de plaats waar de bestelauto stond is ongeveer vijf kilometer. De ten naam gestelde van de bestelauto was verdachte.35

Op 1 oktober 2018 zag een andere verbalisant de bestelauto van verdachte op een erf in Tolbert staan. Hij had een dag ervoor de beelden van het [tankstation] in Boijl gezien. Hij heeft foto's gemaakt van de bestelauto van verdachte en vervolgens de bestelauto van verdachte aan de hand van deze foto's vergeleken met de bestelauto op de beelden. Hij zag dat de linker- en achterzijde van de bestelauto's overeenkomen, dat beide bestelauto's twee getinte achterruiten hebben en dat ze in de ruit van de linker achterdeur een horizontaal remlicht en een ruitenwisser hebben. Ook zag hij dat beide bestelauto's tiengaats wielen hebben en dat beide bestelauto's een beschadiging hebben aan de linkerzijde ter hoogte van de bumper met de wielkast.36

De camerabeelden van het [tankstation] in Boijl zijn getoond aan de getuige [getuige 1] , de ex-vriendin van verdachte. Zij herkende op de camerabeelden de bestelauto als zijnde de bestelauto van verdachte. De persoon die aan het tanken is herkende zij als verdachte. Zij herkende hem met 100 procent zekerheid. Zij herkende hem aan zijn loopje, houding, jas en zwarte Nike schoenen.37 Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de bestelauto, die op 1 oktober 2018 door een verbalisant is gezien, van hem was.38

Gelet op de verklaring van de getuige [getuige 1] , die specifiek heeft verklaard waaraan ze verdachte op de camerabeelden heeft herkend, in combinatie met de herkenning van de bestelauto, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de persoon is die op 15 september 2018 met de weggenomen tankpas heeft getankt. Verdachte is derhalve kort na de diefstal, die tijdens de nachtelijke uren heeft plaatsgevonden, in het bezit van de gestolen tankpas. Dit zijn omstandigheden die op de betrokkenheid van verdachte bij de inbraak in bestelauto duiden.

Verdachte heeft ontkend dat hij deze inbraak heeft gepleegd en dat hij met de weggenomen tankpas heeft getankt. Verdachte heeft deze ontkennende verklaring niet toegelicht. Verdachte geeft hierdoor geen aannemelijke verklaring omtrent de omstandigheden die op zijn betrokkenheid bij de inbraak duiden. De rechtbank neemt deze omstandigheid mee bij de vraag of het ten laste gelegde kan worden bewezen. In samenhang met de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte de inbraak in de bus heeft gepleegd en de ten laste gelegde goederen heeft weggenomen.

Op de camerabeelden is ook een aanhangwagen te zien. Op 15 september 2018 tussen 5.00 uur en 6.00 uur is een aanhangwagen in Gorredijk gestolen. Gelet op het uiterlijk van de aanhangwagen is het mogelijk dat dit de aanhangwagen is die is gebruikt bij het tanken van de diesolie. De foto's van de camerabeelden van het [tankstation] in Boijl zijn daarom aan de eigenaar van de aanhangwagen getoond. Deze kon niet met zekerheid vaststellen dat die zijn aanhangwagen betrof. Verdachte heeft ontkend dat hij de aanhangwagen heeft gestolen. De rechtbank acht daarom niet bewijsbaar dat verdachte de aanhangwagen uit Gorredijk heeft gestolen dan wel voorhanden heeft gehad. De rechtbank zal verdachte daarom van het in de zaak met parketnummer 18/750083-18 onder 6. primair en 6. subsidiair ten laste gelegde vrijspreken.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/750083-18 onder 8. ten laste gelegde.

In de nacht van 9 op 10 september 2018 is in Drachten een rode bestelauto gestolen. Op de bestelauto lagen ladders die met een touw waren bevestigd. Dit touw is op een andere plek in Drachten teruggevonden. Op 14 september 2018 werd de gestolen bestelauto teruggevonden in Marum. Uit onderzoek blijkt dat de telefoon van verdachte de nacht van de diefstal meerdere masten in Drachten heeft aangestraald. Dit waren ook masten die zenden en ontvangen in de richting van het gebied waar de diefstal plaatsvond en waar het touw van de ladders werd teruggevonden. Op 14 september 2018 rond middennacht heeft de telefoon van verdachte een mast in Marum aangestraald. Deze mast zendt en ontvangt in de richting van het gebied waar de bestelauto is teruggevonden.

Verdachte heeft ontkend dat hij de bestelauto heeft gestolen. Uit de stukken blijkt dat verdachte ten tijde van de diefstal vaak bij zijn toenmalige vriendin [getuige 2] in Drachten verbleef. Dat de telefoon van verdachte masten in Drachten aanstraalde is daarom niet opmerkelijk. Verder blijkt enkel dat verdachte de nacht van de diefstal op verschillende plekken in Drachten is geweest. Vaststaat dat verdachte kort voordat de bestelauto is teruggevonden in de buurt van diezelfde plek is geweest. De bestelauto is echter op geen enkel moment bij verdachte aangetroffen. Uit een voicemailbericht aan verdachte van [getuige 2] zou kunnen blijken dat verdachte een "Caddy" heeft gestolen. Dit bericht, dat ruim een maand na de diefstal is ingesproken, is onvoldoende concreet om voor het bewijs te gebruiken. Uit het bericht blijkt immers niet om welke Caddy het gaat en wanneer deze is gestolen. De rechtbank is daarom van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte de bestelauto heeft gestolen en zal hem daarom van de diefstal vrijspreken.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/730062-19 primair ten laste gelegde 39 .

In de nacht van 6 op 7 mei 2018 werd een aanhangwagen van het merk Atac met daarop twee rijplaten gestolen. De aanhanger is eigendom van [slachtoffer 4] . De aanhanger stond in Boelenslaan op het terrein van zijn woning aan de [straatnaam] geparkeerd. Op 7 mei 2018 zag [slachtoffer 4] op Facebook een foto van een aanhanger die door de politie in beslag was genomen. Hij herkende zijn aanhanger.40 [slachtoffer 4] heeft de pakbon en de aankoopnota van de aanhanger bijgevoegd en hieruit blijkt dat hij de aanhanger in oktober 2007 van [naam 3] in Hurdegaryp heeft gekocht.41 Op 7 mei 2018 omstreeks 1.35 uur zag een politieagent verdachte in Drachten rijden. Verdachte had een aanhanger achter zijn personenauto gekoppeld. De aanhanger was niet voorzien van een kenteken. Op de aanhanger lagen twee rijplaten. Verdachte vertelde de politieagent dat hij de aanhanger die week ervoor op een zaterdag in een kroeg had gekocht. Verdachte moest merkbaar nadenken voor hij vragen beantwoordde. De aanhangwagen van het merk Atac werd inbeslaggenomen. Op de dissel stond een vinnummer, te weten [nummer] .42 Volgens de fabrikant is de aanhanger met dit vinnummer in juli 2007 geleverd aan [naam 3] in Hurdegaryp.43

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte 's nachts zeer kort na de diefstal in het bezit was van de gestolen aanhangwagen en de twee rijplaten. Dit zijn omstandigheden die op de betrokkenheid van verdachte bij de diefstal duiden.

Verdachte heeft ontkend de diefstal van de aanhangwagen te hebben gepleegd en heeft bij de politie verklaard dat hij deze al enige tijd in zijn bezit had. Ook ter terechtzitting heeft hij verklaard dat hij de aanhanger al enige tijd voor zijn staande houding in een kroeg had gekocht. Hij kan geen gegevens van de verkoper geven. De rechtbank stelt vast dat dit een kennelijk leugenachtige verklaring is. De verklaring van verdachte volgend zou hij de aanhanger immers al in zijn bezit hebben gehad voordat de diefstal had plaatsgevonden. Over de rijplaten, die ook nog op de aanhanger lagen, heeft hij niets verklaard.

De rechtbank neemt de kennelijk leugenachtige verklaring mee bij de vraag of het ten laste gelegde kan worden bewezen. In samenhang met de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat verdachte de aanhanger en de twee rijplaten heeft gestolen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 18/750083-18 onder 1., 2., 3. primair, 4. primair, 5. primair, 7. en het in de zaak met parketnummer 18/730062-19 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

in de zaak met parketnummer 18/750083-18:

1.

hij in de periode omvattende de dagen 4 maart 2018 en 5 maart 2018 te Joure, aan de [straatnaam] te Joure, ter hoogte van [nummer] , opzettelijk brand heeft gesticht aan een personenauto van het merk Tesla voorzien van het kenteken [kenteken] , welke dicht bij de woning [straatnaam] stond, door open vuur in aanraking te brengen met een of meer onderdelen van die personenauto van het merk Tesla, ten gevolge waarvan die personenauto van het merk Tesla en de zich in die personenauto bevindende goederen geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor

- die woning gelegen aan de [straatnaam] en

- de inventaris van die aan de [straatnaam] gelegen woning en

- de naastgelegen woningen in die [straatnaam] en

- de inventaris van die naastgelegen woningen in die [straatnaam] en

- daarvan levensgevaar voor de zich in die [straatnaam] bevindende personen en

- gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in die [straatnaam] bevindende personen,

te duchten was;

2.

hij in de periode omvattende de dagen 18 april 2018 en 19 april 2018 te Joure, aan de [straatnaam] te Joure, ter hoogte van [nummer] , opzettelijk brand heeft gesticht aan een personenauto van het merk Tesla voorzien van het kenteken [kenteken] , welke dicht bij de woning [straatnaam] stond, door open vuur in aanraking te brengen met een of meer onderdelen van die personenauto van het merk Tesla, ten gevolge waarvan die personenauto van het merk Tesla en de zich in die personenauto bevindende goederen geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor

- die woning gelegen aan de [straatnaam] en

- de inventaris van die aan de [straatnaam] gelegen woning en

- de naastgelegen woningen in die [straatnaam] en

- de inventaris van die naastgelegen woningen in die [straatnaam] en

- daarvan levensgevaar voor de zich in die [straatnaam] bevindende personen en

- gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in die [straatnaam] bevindende personen,

te duchten was;

3. primair

hij in de periode omvattende de dagen 18 september 2018 en 19 september 2018 te Lippenhuizen, een zaagtafel van het merk Makita en een cirkelzaagmachine van het merk Hitachi en een flexmachine en reciprozaag, toebehoord aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot die weg te nemen voornoemde goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

4. primair

hij in de periode omvattende de dagen 6 juni 2018 en 7 juni 2018 te Gorredijk, twee acculaders en meerdere accu's en slagmoersleutels met accu van het merk Makita en een decoupeerzaag met accu van het merk Makita en een flex met accu van het merk Makita en een accuslagboormachine met accu van het merk Makita en een slagschroevendraaier met accu van het merk Makita en een slagmoersleutel met accu van het merk Makita en een stofafzuiger van het merk Makita, toebehorende aan het bedrijf [benadeelde partij 1] , heeft weggenomen vanaf een bouwplaats en uit een houten kist met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming en die weg te nemen voornoemde goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

5. primair

hij in de periode van 14 september 2018 en 15 september 2018 te Noordwolde, een kentekenbewijs van een voertuig van het merk Peugeot, type Boxer en een tankpas met kaartnummer [nummer] van de [benadeelde partij 2] en een onderhoudsboekje van een voertuig van het merk Peugeot, type Boxer, toebehorende aan de [benadeelde partij 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

7.

hij in de periode omvattende de dagen 15 september 2018 en 16 september 2018, te Boijl bij een [tankstation] aan of bij de [straatnaam] , een geldbedrag van 458,64 euro, te weten het aankoopbedrag van 400 liter dieselolie, toebehorende aan de [benadeelde partij 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door middel van het onbevoegd gebruik maken van een gestolen tankpas met kaartnummer [nummer] in gebruik bij [benadeelde partij 2] ;

en in de zaak met parketnummer 18/730062-19:

primair

hij in de periode omvattende de dagen 6 mei 2018 en 7 mei 2018 te Boelenslaan, vanaf een terrein bij een woning, gelegen aan de [straatnaam] [nummer] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aanhangwagen van het merk Atec en twee rijplaten, toebehorende aan [slachtoffer 4] .

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

in de zaak met parketnummer 18/750083-18:

1. opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

2. opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

3. primair diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

4. primair diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

5. primair diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

7. diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels

en in de zaak met parketnummer 18/730062-19:

primair diefstal.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Straf- en maatregelmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het in de zaak met parketnummer 18/750083-18 onder 1., 2., 3. primair, 4. subsidiair, 5. primair, 6. primair, 7. en 8. en in de zaak met parketnummer 18/730062-19 primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van het voorarrest, alsmede oplegging van de ongemaximeerde maatregel van ter beschikkingstelling met verpleging van overheidswege (hierna: tbs-maatregel). De officier van justitie heeft hierbij rekening gehouden de ernst van de strafbare feiten en de omstandigheden dat het ten laste gelegde verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend, de recidive op het gebied van brandstichting, de recente recidive op het gebied van vermogensdelicten, het ad informandum gevoegd feit en de omstandigheid dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor algehele vrijspraak. Indien de rechtbank echter tot een bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten komt acht hij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee en een half tot drie jaren passend. De raadsman heeft zich verzet tegen oplegging van de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege. Hij heeft hiertoe het volgende aangevoerd. Verdachte is in het verleden geplaatst in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel). Deze maatregel heeft niet geholpen en het is daarom de verwachting dat een tbs-maatregel ook geen oplossing zal bieden. Desondanks zal deze maatregel jaren duren en dat staat niet in verhouding tot hetgeen het oplevert. Verdachte staat niet afwijzend ten opzichte van een opname van maximaal een jaar in een kliniek in het kader van een bijzondere voorwaarde, want hij ziet wel dat hij hulp nodig heeft in verband met zijn verslavingsproblematiek. Indien de rechtbank desondanks toch mocht besluiten dat het opleggen van de tbs-maatregel nodig is dan moet dat een gemaximeerde tbs-maatregel zijn, omdat bij de brandstichtingen geen levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel bij een ander te duchten was.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het trajectconsult door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (hierna: NIFP) van 20 november 2018, het psychologische onderzoek opgemaakt door drs. B.Y. van Toorn op 22 januari 2019, de aanvulling van deze psycholoog op dit onderzoek op 23 april 2019, het NIFP-rapport, locatie Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) van 28 januari 2020, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zevental delicten.

Verdachte heeft tweemaal een personenauto van het merk Tesla in brand gestoken. Deze Tesla's stonden geparkeerd in een smalle straat dicht voor een woning in Joure. Door de branden was er gevaar voor deze woning en omringende woningen. De Tesla's behoorden toe aan een curator in faillissementen. Beide keren lag zij, evenals haar twee kinderen, in de woning te slapen en werd ze gewekt door het alarm van haar auto. Ze moest beide keren met haar kinderen haar woning verlaten, omdat de brand zou kunnen overslaan naar de woning.

Brandstichting is een ernstig delict, dat bijdraagt aan gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. Dat geldt in dit geval des te meer nu twee maal op dezelfde plek gedurende de nachtelijke uren een brand is gesticht. Met name het feit dat door de brandstichtingen gevaar voor het leven van personen te duchten is geweest, rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Verdachte heeft geen verantwoordelijkheid voor de delicten genomen en heeft daarom ook geen uitleg gegeven waarom hij tot twee maal toe de auto’s in brand heeft gestoken. Niet is gebleken dat verdachte enige connectie heeft met de eigenaar van de auto. Uit de stukken rijst het vermoeden dat verdachte in opdracht, mogelijk tegen betaling, de branden heeft gesticht. Gelet op de herhaling van de brandstichting, op dezelfde plek en een auto van dezelfde eigenaar, lijkt het er op dat de brandstichtingen een gerichte actie zijn geweest tegen de curator. Verdachte moet minst genomen een vermoeden hebben gehad dat het kennelijk om wraakactie of iets dergelijks ging.

Verdachte heeft naast de brandstichtingen ook inbraken en diefstallen gepleegd. Ook voor deze delicten heeft verdachte geen verantwoordelijkheid genomen.

Gezien de ernst en hoeveelheid van de delicten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank verder rekening met het door verdachte erkende ad informandum gevoegde feit, een diefstal van goederen vanaf een boot. Verdachte is na het plegen van de onderhavige delicten meerdere malen veroordeeld voor strafbare feiten. De rechtbank zal ook met deze veroordelingen, die in theorie gezamenlijk met de onderhavige delicten hadden kunnen worden behandeld, rekening houden in de strafmaat.

Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat verdachte in 2006 de PIJ-maatregel is opgelegd voor brandstichting. Tevens is verdachte meerdere malen onherroepelijk veroordeeld voor vermogensdelicten.

In eerste instantie is alleen door een psycholoog onderzoek omtrent de persoon van verdachte gedaan. Doordat verdachte de delicten ontkent kon de psycholoog niet beoordelen of er een verband bestond tussen de delicten en verdachtes persoonsproblematiek. Verdachte is daarom ter observatie in het PBC opgenomen. Verdachte heeft beperkt aan dit onderzoek meegewerkt. Door de gedragsdeskundigen, waaronder een psychiater, H.S. Roelfsema, onder supervisie van T.A. Wouters en een psycholoog, M.G.H. van Willigenburg, is een rapport opgemaakt. De rechtbank heeft kennis genomen van dit rapport. Dit rapport houdt, zakelijk weergegeven, onder meer in als conclusie:

Bij verdachte is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een licht verstandelijke beperking en een ongespecificeerde neurobiologische ontwikkelingsstoornis. Tevens is sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een stoornis in het gebruik van amfetamine en alcohol. Ten tijde van het plegen van de delicten waren deze gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornissen

ook aanwezig. Gezien de financiële motivatie wordt daarom geadviseerd betrokkene de delicten in verminderde mate toe te rekenen. Overwogen is dat dit mogelijk voor de tweede brandstichting, die twee weken na de eerste brandstichting plaatsvond, mogelijk anders zou kunnen liggen. Dit aangezien verdachte mogelijk kennis had van het gevaar dat na de eerste brandstichting voor personen was ontstaan. Gezien de ernst van de verstandelijke beperking, het gebrekkige overzicht, het gebrekkige leervermogen en het gebrek aan inzicht in oorzaak/gevolg van het eigen gedrag, wordt echter ook geadviseerd verdachte de tweede brandstichting in een verminderde mate toe te rekenen. Voor alle delicten zijn geen aanwijzingen dat de realiteitstoetsing was aangedaan en dat in het verlengde hiervan de handelingen keuzevrijheid in sterk verminderde mate of geheel zou zijn ingeperkt.

De rechtbank verenigt zich, mede gelet op de toedracht van de delicten en de persoon van verdachte, met voormelde conclusie en maakt die tot de hare. De rechtbank rekent verdachte daarom de bewezenverklaarde delicten in verminderde mate toe. De rechtbank zal hiermee onder meer bij de hoogte van de straf rekening houden.

De rechtbank zal aan verdachte naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de maatregel van terbeschikkingstelling opleggen.

Blijkens het hiervoor genoemde rapport bestond bij verdachte tijdens het begaan van de delicten een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornissen van zijn geestvermogens. De door verdachte begane brandstichtingen en inbraken zijn misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. De brandstichtingen betreffen bovendien misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Verder eist de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de oplegging van die maatregel.

De rechtbank heeft haar oordeel gegrond op het advies van voornoemde gedragsdeskundigen van het PBC. Dit advies houdt onder meer in:

Indien verdachte op dit moment zonder behandeling zou terugkeren in de maatschappij,

dan heeft hij niets om op terug te vallen in de vorm van familie, netwerk of (professionele) hulpverlening. Verdachte is niet in staat zichzelf sociaal en maatschappelijk staande te houden, maar zal als gevolg van zijn beperkte ziektebesef en -inzicht zal hij ook niet snel om hulp vragen. De kans is groot dat hij snel afglijdt in alcohol- en middelengebruik, het opzoeken van verkeerde vrienden en pro-crimineelgedrag. Het is niet ondenkbaar dat hij hierdoor opnieuw in gewelddadig gedrag zal terugvallen. De kans dat verdachte in de komende periode tot gewelddadig handelen zal komen wordt op korte termijn ingeschat als matig en op langere termijn als hoog. Gezien de ernst en duurzaamheid van de stoornissen en beperkingen en de gebleken moeizame beïnvloedbaarheid van deze problematiek tot dusver, de ernst van de delicten en het advies verdachte de delicten in een verminderde mate toe te rekenen, wordt door de onderzoekers geadviseerd verdachte de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege op te leggen. Vanwege de beschreven problematiek achten de gedragsdeskundigen een tbs-maatregel met voorwaarden niet haalbaar, want verdachte is wegens zijn beperkingen niet in staat zich aan dergelijke voorwaarden te houden. Naar

mening van onderzoekers is slechts de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege afdoende om het recidiverisico langdurig te verminderen. Andere, minder verstrekkende maatregelen worden door onderzoekers niet haalbaar geacht teneinde het recidiverisico duurzaam te verlagen.

De rechtbank kan zich met de inhoud en deze conclusie van het advies verenigen en neemt deze over.

Door de verdediging is een bepleit een klinische behandeling van maximaal een jaar als voorwaarde op te leggen in plaats van de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege. Echter gelet op het strafblad, het gevaarsrisico en de inhoud van het rapport van de gedragsdeskundigen wordt het bijsturen en behandelen van de verdachte in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke straf of maatregel niet haalbaar en verantwoord geacht. De rechtbank zal daarom ook bepalen dat verdachte van overheidswege moet worden verpleegd, omdat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verpleging eist. De rechtbank zal de tbs-maatregel ongemaximeerd opleggen.

De rechtbank zal bij de duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf -naast hetgeen hiervoor is opgenomen- uitdrukkelijk meewegen dat verdachte een ongemaximeerde tbs-maatregel zal worden opgelegd. Alles afwegend acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaren passend en geboden en zal deze straf opleggen.

Benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer 1] , tot een bedrag van € 2.255,97 ter zake van materiële schade en € 2.000,-- ter vergoeding van immateriële schade, beide bedragen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
2. [slachtoffer 2] , tot een bedrag van € 250,-- ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
3. [benadeelde partij 4] , tot een bedrag van € 1.700,-- ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [benadeelde partij 4] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, omdat de gevorderde bedragen niet zijn onderbouwd.

De officier van justitie heeft toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot een bedrag van € 250,-- gevorderd met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze benadeelde partij heeft de vordering ook niet onderbouwd, maar er wordt een redelijk gedrag voor een oude aanhanger gevorderd. De waarde van de aanhanger kan, volgens de officier van justitie, op dit bedrag worden geschat.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, omdat verdachte moet worden vrijgesproken.

Subsidiair heeft de raadsman het volgende aangevoerd.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] moet niet-ontvankelijk verklaard worden want de hoogte van de gevorderde schade is niet onderbouwd en de schade door het aanschaffen van een beveiligingscamera betreft geen rechtstreekse schade.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] kan -wanneer de diefstal bewezen wordt verklaard- worden toegewezen. Het gevorderde bedrag is niet onderbouwd, maar wel redelijk.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] moet niet-ontvankelijk worden verklaard. Er is geen uittreksel van de Kamer van Koophandel bijgevoegd, zodat onduidelijk is of [slachtoffer 3] bevoegd is namens de benadeelde partij de vordering in te dienen. Tevens is de hoogte van de gevorderde schade niet onderbouwd.

Oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft vergoeding van materiële schade gevorderd in verband met de gestolen gereedschappen. Hoewel voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] materiële schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het in de zaak met parketnummer 18/750083-18 onder 3. primair bewezen verklaarde, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte daarvan te kunnen beoordelen. De hoogte van de bedragen die worden gevorderd zijn niet onderbouwd. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering in zoverre daarom niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan voor dit deel slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft daarnaast vergoeding van immateriële schade gevorderd. Deze schade is gebaseerd op de overweging om een beveiligingscamera aan te schaffen.

Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Hiervan is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank zal daarom de vordering voor wat betreft de gevorderde immateriële schade afwijzen.

De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 18/750083-18 onder 6. primair en 6. subsidiair ten laste gelegde niet bewezen. Hierdoor is het feit niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partij [slachtoffer 2] zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 18/750083-18 onder 8. ten laste gelegde niet bewezen. Hierdoor is het feit niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partij [benadeelde partij 4] daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 37a, 37b, 57, 63, 157, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte in de zaak met parketnummer 18/750083-18 onder 6. primair, 6. subsidiair en 8. is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 18/750083-18 onder 1., 2., 3. primair, 4. primair, 5. primair, 7. en het in de zaak met parketnummer 18/730062-19 primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Benadeelde partijen

in de zaak met parketnummer 18/750083-18, feit 3.:

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor wat betreft de gevorderde materiële schade van € 4.255,97 niet-ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor wat betreft de immateriële schade van € 2.255,90 af.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

in de zaak met parketnummer 18/750083-18, feit 6.:

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] in de vordering niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

in de zaak met parketnummer 18/750083-18, feit 8:

Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij 4] in de vordering niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B. de Wit, voorzitter, mr. M. Brinksma en

mr. A. Nieuwenhuis, rechters, bijgestaan door G.T. Zandstra-Alkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 maart 2020.

Mr. A. Nieuwenhuis is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed en door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt; de genoemde pagina's bevinden zich in het doorgenummerde proces-verbaal met OPS-dossiernummer 2018094872, gesloten op 28 februari 2019.

2 proces-verbaal van bevindingen, pagina 66;

3 een schriftelijk stuk, te weten een rapport van expertise opgemaakt door [bedrijf 1] , pagina's 126 en 135;

4 proces-verbaal van bevindingen, pagina 69;

5 proces-verbaal van sporenonderzoek, pagina's 117, 118, 119, 120;;

6 proces-verbaal van verhoor getuige, pagina's 81 en 82;

7 proces-verbaal van sporenonderzoek, pagina's 118, 122;

8 proces-verbaal van verhoor aangever, pagina 93;

9 proces-verbaal van sporenonderzoek, pagina 119;

10 proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 81;

11 proces-verbaal van aangifte, pagina 84 en proces-verbaal van verhoor aangever, pagina 92;

12 proces-verbaal van bevindingen, pagina's 196, 198 en 201;

13 proces-verbaal bevindingen verwerking verkeersgegevens, pagina 218;

14 proces-verbaal van bevindingen, pagina's 198 t/m 200;

15 proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 621:

16 proces-verbaal van bevindingen, pagina's 176, 178 t/m 180;

17 proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 622:

18 proces-verbaal van bevindingen, pagina's 186 en 187;

19 processenverbaal van verhoor getuige, pagina's 238, 239 en 244;

20 processen-verbaal van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken d.d. 25 april 2019 met RC-nummer 18/3083;

21 proces-verbaal aangifte, pagina's 390 en 391;

22 proces-verbaal van verhoor aangever, pagina 394;

23 verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 februari 2020;

24 proces-verbaal van verhoor getuige, pagina 270;

25 proces-verbaal van bevindingen, pagina 406;

26 proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 621:

27 verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 februari 2020;

28 proces-verbaal aangifte, pagina's 444 en 445;

29 proces-verbaal van verhoor getuige, pagina's 449 en 450;

30 proces-verbaal van bevindingen telefoon [verdachte] , pagina 457 en Whatsappbericht, pagina 650;

31 proces-verbaal van bevindingen, pagina 451;

32 proces-verbaal van aangifte, pagina 477;

33 proces-verbaal van aangifte, pagina 484;

34 een schriftelijk stuk, te weten een nota van [bedrijf 2] , pagina 487;

35 proces-verbaal van bevindingen, pagina 499;

36 proces-verbaal van bevindingen, pagina 507;

37 proces-verbaal van bevindingen, pagina 534;

38 verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 februari 2020.

39 De hierna genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed en door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt; de genoemde pagina's bevinden zich in het doorgenummerde proces-verbaal met OPS-dossiernummer 2018111647, gesloten op 5 maart 2019.

40 proces-verbaal van aangifte, pagina's 11 en 12;

41 schriftelijke stukken, te weten een pakbon en een aankoopnota, pagina's 15 en 16;

42 proces-verbaal van bevindingen, pagina 18;

43 proces-verbaal van bevindingen, pagina 20.