Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:1206

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
17-03-2020
Zaaknummer
18/930068-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde opzet op de dood

De rechtbank overweegt met betrekking tot de primair tenlastegelegde poging tot doodslag dat niet is gebleken dat verdachte het opzet heeft gehad op de dood van aangever, ook niet in de vorm van voorwaardelijk opzet. Niet duidelijk is geworden met welke kracht en intensiteit het vastpakken en dichtdrukken van de keel heeft plaatsgevonden en hoe lang het dichtgedrukt houden van de keel heeft geduurd. Er was bij aangever in elk geval geen sprake van bewustzijnsverlies. Voorts is niet duidelijk in hoeverre dit vastpakken en dichtdrukken van de keel onder de gegeven omstandigheden zou hebben kunnen leiden tot zodanig letsel dat aangever daaraan had kunnen overlijden. Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat in het onderhavige geval niet kan worden gesproken van het aanvaarden door verdachte van de aanmerkelijke kans dat aangever door zijn handelen zou komen te overlijden.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde opzet op toebrengen van zwaar lichamelijk letsel

Verdachte ontkent te hebben gehandeld met de intentie om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De rechtbank stelt vast dat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet bewezen kan worden dat verdachte zogenoemd ‘vol’ opzet heeft gehad op zwaar lichamelijk letsel bij aangever.

Naar het oordeel van de rechtbank staat wel vast dat verdachte het voorwaardelijk opzet had om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De rechtbank overweegt in dit verband dat op grond van de bewijsmiddelen vast staat dat verdachte aangever bij diens keel/hals heeft vastgepakt en vervolgens met zijn beide handen heeft dichtgedrukt en enige tijd heeft dichtgedrukt gehouden en daardoor aangever enige tijd de ademhaling heeft belet, terwijl aangever en verdachte zich in een kleine ruimte, namelijk een auto, bevonden. Daarbij bevond verdachte zich bovendien bovenop de aangever die geen kant op kon. Het is een feit van algemene bekendheid dat de halsstreek een zeer kwetsbaar gebied van het lichaam is, waar zich onder meer de luchtpijp en (slag)aders bevinden. De halsstreek is zeer gevoelig voor samendrukking waardoor als gevolg van zuurstoftekort en/of verminderde doorbloeding grote schade aan het lichaam, waaronder met name ook de hersenen, kan worden toegebracht. Verdachte moet dit ook hebben geweten.

Verdachtes gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm bovendien worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij aangever heeft aanvaard. Van contra-indicaties is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

De rechtbank komt op grond van voorgaande tot een bewezenverklaring van de onder 1. subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/930068-19

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

17 maart 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] ,

wonende aan [straatnaam] te [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 3 maart 2020.

Verdachte is ter terechtzitting verschenen, bijgestaan door mr. J. Luiten, advocaat te Maastricht.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting van 3 maart 2020 vertegenwoordigd door mr. A.J. Kemkers.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

verdachte op of omstreeks 12 augustus 2018, te Emmer-Compascuum, (althans) in de gemeente Emmen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven,

met dat opzet die [slachtoffer] bij diens keel/hals heeft vast gepakt of vast gegrepen en/of (vervolgens) met een arm en/of met zijn (beide) hand(en) (met kracht) diens keel heeft dichtgedrukt/dichtgeknepen en/of (enig tijd) dichtgedrukt/dichtgeknepen heeft gehouden en/of (aldus) (gedurende enige tijd) voornoemde [slachtoffer] de ademhaling heeft belet en/of belemmerd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

verdachte op of omstreeks 12 augustus 2018, te Emmer-Compascuum, (althans) in de gemeente Emmen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, (te weten [slachtoffer] ), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet die [slachtoffer] bij diens keel/hals heeft vast gepakt of vast gegrepen en/of (vervolgens) met een arm en/of met zijn (beide) hand(en) (met kracht) diens keel/hals heeft dichtgedrukt/dichtgeknepen en/of (enig tijd) dichtgedrukt/dichtgeknepen heeft gehouden en/of (aldus) (gedurende enige tijd) voornoemde [slachtoffer] de ademhaling heeft belet en/of belemmerd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

verdachte op of omstreeks 12 augustus 2018, te Emmer-Compascuum, (althans) in de gemeente Emmen,

[slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] bij diens keel/hals vast te pakken of vast te grijpen en/of (vervolgens) met een arm en/of met zijn (beide) hand(en) (met kracht) diens

keel/hals dicht te drukken/dicht te knijpen en/of (enig tijd) dichtgedrukt/dichtgeknepen te houden en/of (aldus) (gedurende enige tijd) voornoemde [slachtoffer] de ademhaling te beletten en/of te belemmeren;

2.

verdachte op of omstreeks 12 augustus 2018, te Emmer-Compascuum, (althans) in de gemeente Emmen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door die [slachtoffer] dreigend toe te voegen dat hij, verdachte, hem ging vermoorden, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1. primair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe, kort en zakelijk weergegeven, aangegeven dat zij uitgaat van de aangifte van [slachtoffer] dat hij door verdachte [verdachte] bij de keel is gegrepen, dat aangever weinig lucht kreeg en het gevoel had te stikken, dat hij doodsbang was, dat hij geprobeerd heeft om verdachte weg te duwen maar dat dit niet lukte en dat verdachte heel erg boos was. De aangifte wordt ondersteund door de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , door de letselrapportage van GGD Drenthe inzake het bij [slachtoffer] geconstateerde letsel en door het rapport aanvullend DNA onderzoek van het NFI waaruit blijkt dat de bemonstering van de hals van [slachtoffer] DNA bevat van -onder meer- verdachte. Uit voornoemde omstandigheden volgt volgens de officier van justitie echter niet het opzet van verdachte op de dood van aangever, nu er bij aangever geen sprake was van dreigend bewustzijnsverlies en voorts niet kan worden vastgesteld hoe lang het vastpakken en dichtknijpen van de keel heeft geduurd.

De officier van justitie acht het onder 1. subsidiair ten laste gelegde, poging tot het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, wel wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft aangever met beide handen bij de keel gepakt en vervolgens de keel dichtgedrukt en enige tijd dichtgedrukt gehouden. De hals/keel is een kwetsbaar lichaamsdeel met vitale weke delen. Uit de letselrapportage blijkt dat bij [slachtoffer] letsels, in de halsstreek, zijn geconstateerd, te weten onderhuidse bloeduitstortingen en/of erytheem en een enkele ontvelling en snijletsel. De forensisch arts heeft geconcludeerd dat -met name aan de linkerzijde van de hals- de kracht behoorlijk moet zijn geweest. Verdachte heeft door aldus te handelen, naar de mening van de officier van justitie, het risico aanvaard dat hij aangever zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen en de aanmerkelijke kans op dat gevolg op de koop toe genomen. Dat dit risico niet is verwezenlijkt is niet aan verdachte te danken maar aan een andere aanwezige die verdachte bij aangever vandaan heeft getrokken.

De officier van justitie acht ook het onder 2. ten laste gelegde, de bedreiging van [slachtoffer] , wettig en overtuigend bewezen. Zij heeft daartoe verwezen naar de aangifte van [slachtoffer] , de verklaringen van de getuigen en de verklaring van verdachte zelf, inhoudende dat hij heel boos was.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair betoogd dat verdachte van al hetgeen onder 1 is ten laste gelegd moet worden vrijgesproken aangezien de aan verdachte verweten handelingen niet wettig en

overtuigend kunnen worden bewezen. Subsidiair, indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat verdachte die handelingen van feit 1 wel (in welke vorm dan ook) heeft verricht, dan meent de verdediging dat daaruit -onder de gegeven omstandigheden- niet het opzet op het overlijden en/of zwaar lichamelijk letsel van aangever kan worden afgeleid. De raadsman heeft daartoe, kort en zakelijk weergegeven, aangevoerd dat aangever de facto de enige is die over het wurgen verklaart, dat de getuigen en de verdachte hebben weersproken dat verdachte aangever bij zijn keel zou hebben gegrepen en dat ook uit de overige opsporingsresultaten onvoldoende blijkt dat verdachte aangever zou hebben gewurgd. De raadsman heeft daarbij ook gewezen op het feit dat aangever in eerste instantie bij het politieverhoor heeft gelogen over de aanwezigheid van het mes in de auto, hetgeen afbreuk doet aan de (verdere) verklaringen van aangever.

Met betrekking tot het letsel in de hals van aangever stelt de verdediging zich op het standpunt dat niet kan worden uitgesloten dat een ander dan verdachte dit letsel aan aangever heeft toegebracht of dat dit letsel door andere handelingen dan het dichtknijpen van de keel is

ontstaan. De raadsman verwijst in dit verband naar de getuigenverklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en naar de uitkomsten van het aanvullend DNA-onderzoek van de bemonstering van de linker- en rechterzijde van de hals van aangever. Dit onderzoek heeft uitgewezen dat het onderzochte DNA hoofdprofiel afkomstig kan zijn van aangever en de nevenkenmerken afkomstig kunnen zijn van verdachte en een onbekende persoon. De deskundige Lethmaat rapporteert in het letselonderzoek weliswaar dat het letsel te verklaren kan zijn ‘door de druk op de hals en nek zoals door de heer [slachtoffer] is aangegeven’ en dat 'aanwijzingen voor andere vormen van krachtsinwerking op de hals en de nek zijn niet gevonden', echter voornoemde deskundige heeft geen informatie van de politie gekregen over andere geweldshandelingen en kon zich daarom slechts beperken tot de vraag of het letsel door een verwurging kan zijn ontstaan. Voorgaande dient te leiden tot de conclusie dat verdachte van de tenlastegelegde gedragingen moet worden vrijgesproken.

Indien de rechtbank van oordeel is dat verdachte wel de keel/hals van aangever heeft vastgepakt en die heeft dichtgeknepen, dan heeft de verdediging de overtuiging dat het bewijs ontbreekt dat verdachte opzet had -ook in voorwaardelijke zin- op het overlijden of toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever.

Uit de verklaring van verdachte blijkt niet van boos opzet en de uiterlijke verschijningsvormen weerspreken de verklaring van verdachte niet. Van opzet in voorwaardelijke zin is volgens de verdediging evenmin sprake nu er geen aanmerkelijke kans op het overlijden van aangever is geweest. Dit maakt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde poging tot doodslag en/of poging tot zware mishandeling.

Ten aanzien de meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling refereert de verdediging zich

aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van de onder 2. tenlastegelegde bedreiging van [slachtoffer] , heeft de raadsman ook vrijspraak bepleit, nu er geen overtuigend bewijs is dat verdachte de bedreiging heeft geuit.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het ten laste gelegde uit van de feitelijke gang van zaken zoals door aangever [slachtoffer] is verklaard, te weten dat hij door verdachte [verdachte] met beide handen bij de keel is gegrepen, dat verdachte de keel van aangever heeft dichtgedrukt en enige tijd heeft dichtgedrukt gehouden, dat aangever weinig lucht kreeg en het gevoel had te stikken, dat hij doodsbang was en dat hij geprobeerd heeft om verdachte weg te duwen maar dat dit niet lukte. De rechtbank acht die verklaring betrouwbaar, te meer nu deze steun vindt in andere bewijsmiddelen te weten de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , de letselrapportage van GGD Drenthe inzake het bij aangever geconstateerde letsel en het rapport aanvullend DNA onderzoek van het NFI, zoals hieronder weergegeven. Daarnaast heeft aangever over de handelingen die plaatsvinden in de auto steeds consequent en gedetailleerd verklaard. Dat aangever in eerste instantie anders heeft verklaard over de herkomst van het mes, maakt niet dat zijn verklaring als geheel onbetrouwbaar is.

De rechtbank overweegt dat de verklaring van verdachte, dat hij aangever niet bij de keel heeft gepakt en deze niet heeft dichtgedrukt, zijn weerlegging vindt in de bewijsmiddelen. Daarbij ziet de rechtbank geen enkel aanknopingspunt om aan te nemen dat een ander dan verdachte bij aangever het letsel heeft toegebracht. Ook de verklaring van verdachte zelf geeft daarvoor geen enkel aanknopingspunt.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte bij zijn handelen opzet had op de dood van aangever dan wel, subsidiair, of zijn opzet gericht is geweest op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde opzet op de dood

De rechtbank overweegt met betrekking tot de primair tenlastegelegde poging tot doodslag dat niet is gebleken dat verdachte het opzet heeft gehad op de dood van aangever, ook niet in de vorm van voorwaardelijk opzet. Niet duidelijk is geworden met welke kracht en intensiteit het vastpakken en dichtdrukken van de keel heeft plaatsgevonden en hoe lang het dichtgedrukt houden van de keel heeft geduurd. Er was bij aangever in elk geval geen sprake van bewustzijnsverlies. Voorts is niet duidelijk in hoeverre dit vastpakken en dichtdrukken van de keel onder de gegeven omstandigheden zou hebben kunnen leiden tot zodanig letsel dat aangever daaraan had kunnen overlijden. Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat in het onderhavige geval niet kan worden gesproken van het aanvaarden door verdachte van de aanmerkelijke kans dat aangever door zijn handelen zou komen te overlijden. De rechtbank acht het primair ten laste gelegde daarom niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte hiervan vrijspreken.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde opzet op toebrengen van zwaar lichamelijk letsel

Verdachte ontkent te hebben gehandeld met de intentie om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De rechtbank stelt vast dat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet bewezen kan worden dat verdachte zogenoemd ‘vol’ opzet heeft gehad op zwaar lichamelijk letsel bij aangever.

Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is overwogen en de hierna opgenomen bewijsmiddelen staat naar het oordeel van de rechtbank wel vast dat verdachte het voorwaardelijk opzet had om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier zwaar lichamelijk letsel - is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Dit laatste wordt ook aangenomen als de gedragingen van de verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte zich van de aanmerkelijke kans op dit gevolg bewust is geweest en deze heeft aanvaard.

Op grond van de bewijsmiddelen staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte aangever bij diens keel/hals heeft vastgepakt en vervolgens met zijn beide handen heeft dichtgedrukt en enige tijd heeft dichtgedrukt gehouden en daardoor aangever enige tijd de ademhaling heeft belet, terwijl aangever en verdachte zich in een kleine ruimte, namelijk een auto, bevonden. Daarbij bevond verdachte zich bovendien bovenop de aangever die geen kant op kon.

Het is een feit van algemene bekendheid dat de halsstreek een zeer kwetsbaar gebied van het lichaam is, waar zich onder meer de luchtpijp en (slag)aders bevinden. De halsstreek is zeer gevoelig voor samendrukking waardoor als gevolg van zuurstoftekort en/of verminderde doorbloeding grote schade aan het lichaam, waaronder met name ook de hersenen, kan worden toegebracht. Verdachte moet dit ook hebben geweten.

Verdachtes gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm bovendien worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij aangever heeft aanvaard. Van contra-indicaties is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

De rechtbank komt op grond van voorgaande tot een bewezenverklaring van de onder 1. subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.

De verweren van de raadsman ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde worden verworpen.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder kort en zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 14 augustus 2018, opgenomen op pagina 107 e.v. van het proces-verbaal van de Politie eenheid Noord-Nederland, districtsrecherche Drenthe, met registratienummer 2018227483/2018214336/2018212970 opgemaakte en gesloten op 18 februari 2019, inhoudende:

Ik zag en voelde, dat die man met het witte shirt mij met één hand om mijn keel pakte en met zijn andere hand mij bij mijn rechterschouder. Hij begon mijn keel dicht te knijpen. Ik voelde hierdoor veel pijn aan mijn keel. Ik was heel angstig. Ik riep nog, dat hij van mij af moest blijven en mij niet aan moest raken. Ik wilde dat hij mij met rust liet. Ik begon ook uit paniek te huilen.

In plaats van mij los te laten, pakte die man mij met twee handen bij mijn keel. Ik kreeg weinig lucht, waardoor ik het gevoel kreeg te stikken. Ik had het heel benauwd.

De man was over mij heen gebogen en ik kon mij niet bewegen. Ik probeerde hem van mij

af te duwen, maar die man was gewoon veel te zwaar en te sterk voor mij.

Ik had het idee, dat ik dood ging omdat ik bijna geen lucht kreeg, het gevoel van stikken had. Ik hoorde mijn moeder ook schreeuwen dat hij mij los moest laten.

Ik voelde dat de man mij nog steeds bij mijn keel had en deze dichtkneep.

Ik voelde na het incident erge pijn aan mijn hals en keel.

2.

De letselrapportage inzake [slachtoffer] , opgemaakt op 31 oktober 2018 door S.P.H. Letmaath, als forensisch arts werkzaam bij Forensische Geneeskunde GGD Drenthe, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Letselbeschrijving

1) Rechts in de hals is een bandvormige roodroze verkleuringen te zien met daarin

paarsrode puntvormige verkleurinkjes met een afmeting van ca. 45 bij 7 mm passend bij

onderhuidse bloeduitstortingen eventueel gecombineerd met zogenaamd erytheem

(opnames 1,2, 3, 5, 8 en 9).

2) Achter het rechteroor, ter hoogte van het rotsbeen is een gebied met een afmeting van ca.

35 bij 20 mm, met daarin meerdere diagonaal verlopende bandvormige deels

samenvloeiende roodroze verkleuringen en ene enkele paarsrode puntvormige

verkleuring die in benedenwaartse richting naar achteren lopen. Het beeld is passend bij

zogenaamd erytheem en/of onderhuidse bloeduitstorting (opnames 8 en 9).

3) Achter het onder 1 beschreven letsel is rechts achter in de nek een roodroze verkleuring

zichtbaar met een afmeting van ca. 15 bij 4 mm passend bij zogenaamd erytheem en/of

onderhuidse bloeduitstorting (opnames 9 en 11).

4) Aan de achterzijde, in achter in de nek zijn een drietal vaag begrensde rode horizontaal

verlopende bandvormige verkleuringen zichtbaar met lentes van ca. 110, 70 en 20 mm,

passend bij zogenaamd erytheem en/of onderhuidse bloeduitstorting (opnames 12 en 13).

Beschouwing

Vooral rond de hals zijn er meerdere verkleuringen geconstateerd passend bij erytheem en/of

onderhuidse bloeduitstorting. Deze zijn zeer wel te verklaren door de druk op de hals en nek

zoals door de heer [slachtoffer] is aangegeven. Aanwijzingen voor andere vormen van

krachtsinwerking op de hals en de nek zijn niet gevonden.

Conclusie

Het geconstateerde letsel kan passen bij de door het slachtoffer aangegeven toedracht.

De geconstateerde letsels zullen doorgaans binnen enkele weken herstellen.

Beantwoording van de vragen

Waardoor kan dit letsel zijn ontstaan? (met name: met welke kracht)?

Er zijn vooral rond de hals en de nek meerdere letsels geconstateerd in de vorm van erytheem en/of onderhuidse bloeduitstorting. Deze bevinden zich gedeeltelijk over een hardere (benige) onderliggende structuur en gedeeltelijke onder zachtere structuren.

De mate van kracht is niet exact aan te geven anders dan dat bij het ontstaan van

onderhuidse bloeduitstortingen over zachtere structuren er meer kracht noodzakelijk is

dan in het geval van een hardere structuur zoals botweefsel onder de huid.

Omdat er over weke delen bloeduitstortingen zijn moet de kracht behoorlijk zijn geweest.

Er is naar mijn mening met name kracht uitgeoefend aan de linkerzijde van de hals.

Dit kan passen bij wat [slachtoffer] heeft aangegeven over het dichtknijpen van de keel.

Zouden de gedragingen/handelingen, die geleid hebben tot het letsel, geleid kunnen

hebben tot zwaar lichamelijk letsel?

Gericht op de hals, zou het dichtknijpen van de keel zoals aangegeven, hebben kunnen

lijden tot bewustzijnsverlies, zuurstof tekort en een verminderde doorbloeding naar de

hersenen die tot een hersenbeschadiging hadden kunnen leiden.

3. Een rapport DNA-onderzoek van het NFI d.d. 31 oktober 2018, opgenomen op pagina 217 e.v. van voornoemd proces-verbaal, inhoudende:

Onderstaand onderzoeksmateriaal is onderworpen aan een DNA-onderzoek:

AAL01706NL#01 een bemonstering (linker- en rechterzijde van de hals) en

RABS0559NL een referentiemonster wangslijmvlies van het slachtoffer [slachtoffer] .

Resultaten, interpretatie en conclusie:

Van het referentiemateriaal van slachtoffer [slachtoffer] RABS0559NL is een DNA-profiel

verkregen. Dit DNA-profiel en het DNA-profiel van verdachte [verdachte] RABP7444NL (geboren op [geboortedatum] 1979) zijn betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek. onderwerp

AAL01706NL#01 betreft een DNA-mengproflel van minimaal drie personen en een

afgeleid DNA-hoofdprofiel te weten [slachtoffer] .

Bemonstering AAL01706NL#01 kan worden onderworpen aan aanvullend DNA-onderzoek.

Dit levert mogelijk een DNA-mengprofiel op waarvan de DNA-nevenkenmerken kunnen

worden vergeleken met het DNA-profiel van een persoon.

4.

Een rapport aanvullend DNA-onderzoek van het NFI d.d. 11 februari 2019, opgenomen op pagina 219 e.v. van voornoemd proces-verbaal, inhoudende:

Bemonstering AALO1706NL#01 (betreft bemonstering linker- en rechterzijde) bevat een DNA-mengprofiel van minimaal drie personen: een afgeleid DNA-hoofdprofiel van [slachtoffer] , en DNA-nevenkenmerken van [verdachte] en minimaal één onbekende persoon.

Bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek.

Ten behoeve van het berekenen van de bewijskracht van de match tussen het DNA-profiel van verdachte [verdachte] RABP7444NL en DNA-mengprofiel AAL01706NL#01 zijn de volgende aannames gedaan:

- bemonstering AAL01706NL#01 bevat DNA van drie personen;

- slachtoffer [slachtoffer] RABS0559NL is één van de donoren van het DNA in deze

bemonstering;

- de personen in dit mengsel zijn niet onderling verwant.

Onder deze aannames zijn de resultaten van het DNA-onderzoek beschouwd onder het

volgende hypothesepaar:

Hypothese l: De bemonstering bevat DNA van slachtoffer [slachtoffer] , verdachte

[verdachte] en één willekeurige onbekende persoon.

Hypothese 2: De bemonstering bevat DNA van slachtoffer [slachtoffer] en twee

willekeurige onbekende personen.

Het verkregen DNA-mengprofiel AAL01706NL#01 is circa 330.000 keer waarschijnlijker

wanneer hypothese l waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.

5.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 23 augustus 2018, p. 68 e.v.:

V: Wat heb je vervolgens gedaan?

A; Ik ben richting de auto gelopen om hem staande te houden.

V: Wat deed [getuige 3] ?

A: Die trok mij uit de auto.

V: Was die jongen op dat moment een bedreiging voor jou?

A: Nee.

V: Hoe was je gemoedstoestand toen je bij de auto kwam?

A: Boos, gewoon boos omdat hij wat vernield had.

6.

Een proces-verbaal inhoudende de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] opgemaakt op 28 augustus 2018 en opgenomen op pagina 92 e.v. van voornoemd proces-verbaal, inhoudende:

A: Ik kom bij de auto aan en dan zie ik [verdachte] met een handgemeen met [slachtoffer] in de auto.

Ik heb [verdachte] direct teruggetrokken.

7.

Een proces-verbaal inhoudende de verklaring van de getuige [getuige 1] opgemaakt op 13 augustus 2018 en opgenomen op pagina 174 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende:

A: Ik zag dat [verdachte] de jongen die al op de passagiersplaats zat in een soort wurggreep beet pakte.

V: Hoe reageerde de jongen in de auto op die wurggreep van [verdachte] ?

A: Ik heb eigenlijk niet goed gezien wat die jongen in de auto deed, maar hij kon zich niet goed meer bewegen.

V: Waar bevond de bewoner van [nummer] zich op dat moment?

A; Die kwam ook aanrennen maar via een padje tussendoor.

V: Wat deed hij vervolgens?

A: Ik zag dat hij [verdachte] bij de jongen in de auto wegtrok.

V: Wat deed jij toen [verdachte] de jongen in de wurggreep had?

A: Ik schreeuwde naar [verdachte] dat hij moest loslaten. Op dat moment was [getuige 3] van [nummer] er ook al om [verdachte] van de jongen af te halen.

V: Hoe was de gemoedstoestand van [verdachte] ?

A: Volgens mij helemaal vol adrenaline en opgefokt.

8.

Een proces-verbaal inhoudende de verklaring van de getuige S. [getuige 2] , opgemaakt op 13 augustus 2018 en opgenomen op pagina 178 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende:

V: Oké jij staat op de parkeerplaats en ziet [verdachte] aan komen lopen. Hoe kun je het gedrag van [verdachte] omschrijven?

A: Nou ja hij was kwaad, maar ook een stukje van er flauw van zijn. Frustratie.

V: Hoe zag u dat aan hem?

A: Hoe hij liep, hij rende in ieder geval.

V: Waaraan zag je dat hij boos was?

A: Aan zijn houding, ja hoe moet je dat omschrijven, gewoon een beetje aan zijn

gezichtsuitdrukking en hoe hij praatte, nou hij zei niet veel.

V: Waar was de verdachte op dat moment?

A: In de auto, met de deur open.

V: Oké, [verdachte] rent op de auto af en toen?

A: Die greep dat jonkie bij zijn kleding. Dat heeft nog geen minuut geduurd en toen was [getuige 3] er ook al om hem er af te trekken.

V: Oké u vertelde net bij zijn kleding gepakt maar ik had de indruk dat u wat anders wilde zeggen klopt dat?

A: Ja bij zijn strot, maar dat wilde ik niet zeggen. Ik stond er niet goed voor maar dat heb ik niet goed kunnen zien dus ik wilde dat eigenlijk in het midden laten.

V: Waarom denkt u dat [verdachte] hem bij zijn strot gepakt heeft?

A: Dat leek zo, dat denk ik niet.

V: Hoe ver stond u van het incident af?

A: Nou ongeveer 2 meter.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Ten aanzien van de in de tenlastelegging beschreven bedreiging van [slachtoffer] is de rechtbank van oordeel dat er naast de aangifte onvoldoende ondersteunend bewijs is om tot wettig en overtuigend bewijs te komen dat het verdachte is geweest die de bedreiging heeft geuit. De rechtbank zal verdachte derhalve hiervan vrijspreken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

verdachte op 12 augustus 2018, te Emmer-Compascuum, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet die [slachtoffer] bij diens keel/hals heeft vast gepakt en vervolgens met zijn beide handen met kracht diens keel/hals heeft dichtgedrukt en enige tijd dichtgedrukt heeft gehouden en aldus gedurende enige tijd voornoemde [slachtoffer] de ademhaling heeft belet,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Poging tot zware mishandeling.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1. subsidiair en onder 2. ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair gepleit voor algehele vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman de rechtbank gevraagd een eventueel op te leggen straf te beperken tot een werkstraf eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende meegewogen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Verdachte heeft aangever, zonder dat deze voor hem een bedreiging vormde, hardhandig bij de keel gepakt en deze dichtgedrukt en dichtgedrukt gehouden. Dit handelen van verdachte had eenvoudig tot veel ernstiger gevolgen kunnen leiden voor aangever en dat deze ernstigere gevolgen zich niet hebben voorgedaan is niet aan verdachte te danken. Het betreft een ernstig feit waarvan bekend is dat dit bij direct betrokken slachtoffers nog langere tijd gevoelens van angst en onveiligheid kan veroorzaken.

Voor enig vergelijk heeft de rechtbank met betrekking tot de op te leggen straf acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS voor zware mishandeling. De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, niet eerder vanwege een soortgelijk feit in aanraking is geweest met politie of justitie.

Ondanks dat de rechtbank van oordeel is dat sprake is van een ernstig feit, zal zij, anders dan door de officier van justitie is geëist, aan verdachte geen gevangenisstraf opleggen. De rechtbank laat daarbij meewegen dat verdachte zijn dagelijks leven goed op orde heeft, dat hij ter terechtzitting heeft aangegeven dat hij spijt heeft van hetgeen gebeurd is, dat hij zelf tijdens de confrontatie met aangever ook letsel heeft opgelopen en dat hij op positieve wijze heeft deelgenomen aan herstelbemiddeling in de vorm van een gesprek met aangever. Zowel aangever als verdachte hebben het gesprek als prettig ervaren. De rechtbank merkt hierbij op dat zij uit de emoties van verdachte ter terechtzitting afleidt dat het gebeuren ook op verdachte en zijn familie veel impact heeft gehad.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezenverklaarde, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval een taakstraf van 100 uren, te vervangen door 50 dagen gijzeling, passend en geboden is.

De rechtbank ziet geen aanleiding om een deels voorwaardelijke straf op te leggen omdat zij, gelet op al het vorenstaande, geen risico op recidive aanwezig acht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1. primair en onder 2. is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1. subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder 1. subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een taakstraf, voor de duur van 100 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende gijzeling voor de duur van 50 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf, geheel in mindering zal worden gebracht, naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Eelsing, voorzitter, mr. M.A.M. Wolters en mr. L.E.A. Jonkers, rechters, bijgestaan door mr. A.D. Vermeer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 maart 2020.