Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:1201

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
17-03-2020
Zaaknummer
18/243191-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich gedurende een periode van tweeëneenhalf jaar schuldig gemaakt aan belaging (in de volksmond ‘stalking’ genoemd) van zijn ex-partner. Hij heeft aangeefster lastiggevallen door haar tegen haar uitdrukkelijke wens in te bellen, WhatsApp-berichten te sturen, dagboeken te bezorgen, posts te plaatsen op zijn Facebook tijdlijn, een brief te sturen, omschrijvingen bij overboekingen op de bankrekening in het kader van de alimentatie-betalingen te geven, het doen van een melding bij de uitkeringsinstantie van aangeefster en het versturen van een bericht aan aangeefsters broer. Verdachte probeerde op indringende, intensieve en obsessieve wijze door een verscheidenheid aan handelingen en middelen ervoor te zorgen dat zijn ex-partner contact met hem moest dulden, terwijl zij dit niet wenste en dit ook kenbaar was voor verdachte. Hij heeft zodoende ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster.

Daarnaast heeft verdachte zich als verkeersregelaar schuldig gemaakt aan mishandeling door aangever in een droge sloot te duwen. Verdachte heeft daarmee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, waarvan een gedeelte van 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 285b
Wetboek van Strafrecht 300
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

Parketnummer: 18-243191-19

Ter terechtzitting gevoegd parketnummer: 18-243575-19

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 17 maart 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats],

wonende [straatnaam] [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 3 maart 2020.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.W. Hoogland, advocaat te Den Helder. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G. Wilbrink.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Parketnummer 18-243191-19

hij in of omstreeks de periode van 23 mei 2014 tot en met 7 mei 2019 te Leeuwarden en/of te Den Helder, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1], door
- haar meermalen te bellen en/of sms berichten te sturen, en/of
- door dagboeken bij haar thuis te bezorgen, en/of
- door het meermalen plaatsen van posts op zijn tijdlijn op Facebook, en/of
- door het sturen van een brief, en/of
- door het meermalen meegeven van omschrijvingen bij overboekingen op haar bankrekening in het kader van de betaling van alimentatie, en/of
- door een melding te doen bij de gemeente Leeuwarden (als uitkeringsinstantie), dat die [slachtoffer 1] cocaïne zou gebruiken, en/of
- door een bericht te versturen aan haar broer [slachtoffer 2],
met het oogmerk die [slachtoffer 2], te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.

Parketnummer 18-243575-19

hij op of omstreeks 20 april 2019 te Schijndel, gemeente Meierijstad [slachtoffer 3] heeft mishandeld door hem in het gezicht te slaan / stompen en/of door hem (met kracht) te duwen, waardoor die [slachtoffer 3] op zijn rug in een droge sloot belandde.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

Parketnummer 18-243191-19

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde, gelet op de aangifte van [slachtoffer 1] en de bekennende verklaring van verdachte dat hij de ten laste gelegde feitelijke handelingen heeft begaan.

Parketnummer 18-243575-19

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het ten laste gelegde, wegens het ontbreken van overtuigend bewijs.

Het standpunt van de verdediging

Parketnummer 18-243191-19

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank omtrent een eventuele bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

Parketnummer 18-243575-19

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde, gelet op de ontkenning van verdachte. De verklaringen van aangever [slachtoffer 3] en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] komen niet met elkaar overeen, zodat er onvoldoende overtuigend bewijs aanwezig is.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte een rechtvaardigingsgrond toekomt, nu hij als verkeersregelaar bevoegd was om aangever [slachtoffer 3] op te houden of te dwingen een andere route te nemen. Het fysieke contact is te wijten aan het gedrag van aangever.

Het oordeel van de rechtbank

Parketnummer 18-243191-19 1

Uit de aangifte van [slachtoffer 1] blijkt dat zij en verdachte een relatie hadden die in 2007 is verbroken. Uit deze relatie is een dochter voortgekomen, [naam]. Verdachte heeft geen voogdij of omgang met zijn dochter. Aangeefster wilde geen contact met verdachte en had een geheim adres en telefoonnummer.2

Vanaf 2 januari 2017 tot en met eind 2018 zijn er omschrijvingen geschreven bij overboekingen op de bankrekening van aangeefster in het kader van de betaling van alimentatie door verdachte.3

In oktober 2017 heeft aangeefster twee van haar dagboeken in haar brievenbus aangetroffen.4

Op 27 maart 2018 heeft aangeefster een brief van verdachte ontvangen, waarin hij schrijft dat hij aangeefster en hun dochter regelmatig ziet fietsen of lopen.5

Op 18 mei 2018 heeft [slachtoffer 2], aangeefsters broer, een bericht via Facebook ontvangen met de Kadastrale gegevens van de woning van hun ouders.6

In augustus 2018 is aangeefster gebeld door het telefoonnummer [mobielnummer]. Later ziet zij dat de profielfoto van dit telefoonnummer een foto betreft van verdachte. Op 14 mei 2018 heeft zij een WhatsApp bericht van ditzelfde telefoonnummer gekregen.7

Aangeefster heeft gezien dat verdachte op zijn eigen tijdlijn op Facebook posts plaatst waaruit blijkt dat hij in Leeuwarden is geweest bij haar woning of de woning van haar ouders.8

Op 13 december 2018 heeft verdachte per e-mail melding gemaakt bij de gemeente Leeuwarden (als uitkeringsinstantie) dat aangeefster cocaïne gebruikt. Naar aanleiding van die melding is een onderzoek ingesteld door de gemeente naar onder andere aangeefsters bankzaken. Ook vond in dat kader een gesprek plaats tussen de gemeente en aangeefster.9

In mei/juni 2018 heeft een civiele procedure plaatsgevonden tussen aangeefster en verdachte waaruit eindelijk een vaststellingsovereenkomst is voortgekomen.

Uit de verklaring van [slachtoffer 2] blijkt, zoals ook aangeefster heeft verklaard, dat aan hem via Facebook de Kadastrale gegevens van de woning van hun ouders zijn gestuurd.10 Ook toont hij aan de politie dat verdachte op zijn eigen tijdlijn op Facebook posts plaatst waaruit blijkt dat hij in Leeuwarden is geweest bij de woning van zijn ouders of zus.11

Verdachte heeft bekend dat hij de hiervoor beschreven feitelijke handelingen heeft begaan.12 Hij heeft evenwel betwist dat deze door hem gepleegde handelingen als belaging gezien kunnen worden. Naar zijn mening moeten zijn handelingen worden gezien als het geven van een levensteken ten behoeve van zijn dochter en het (terug) pesten van zijn ex-partner omdat zij hem het leven ook zuur maakt.

De rechtbank overweegt als volgt.

Voorop staat dat bij de beoordeling of er sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht, verschillende factoren van belang zijn, te weten de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijke leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.

De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor vastgestelde gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder deze zijn verricht en de invloed daarvan op het leven van aangeefster – naar objectieve maatstaven bezien – zodanig zijn dat hiermee sprake is van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Verdachte probeerde immers op indringende, intensieve en obsessieve wijze door een verscheidenheid aan handelingen en middelen ervoor te zorgen dat aangeefster contact met hem moest dulden, terwijl aangeefster dit niet wenste en dit ook kenbaar was voor verdachte. De rechtbank acht het ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de ten laste gelegde handelingen gepleegd in de periode vóór 1 januari 2017. De enkele post op Facebook en het daarna sturen van een kaart (allebei in mei 2014) kunnen, gelet op het hiervoor geschetste beoordelingskader, immers niet worden gezien als het op stelselmatige wijze inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster.

Parketnummer 18-243575-19 13

Uit de aangifte van [slachtoffer 3] blijkt dat hij op 20 april 2019 in Schijndel was. Daar heeft hij een discussie gekregen met een verkeersregelaar. Dit heeft er uiteindelijk toe geleid dat hij van de verkeersregelaar een bodycheck kreeg en daardoor op zijn rug in een droge sloot is gevallen.14 Nadien heeft aangever verklaard wat hij met een bodycheck bedoelt, namelijk dat de verkeersregelaar een aanloop nam of in elk geval naar hem toe is gerend om op tijd te zijn en daarbij niet afremde om een lichamelijke duw te voorkomen. Borst tegen borst, waar hij kon blijven staan en aangever achteruit in de sloot viel.15

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij zag dat aangever een woordenwisseling had met een verkeersregelaar. Daarna ontstond er een worsteling waarbij de verkeersregelaar aangever een duw gaf, waardoor aangever in een droge sloot op zijn rug viel.16

Uit de verklaring van getuige [getuige 2] volgt eveneens dat aangever een woordenwisseling had met een verkeersregelaar. Er ontstond een worsteling en daarbij duwde de verkeersregelaar tegen de borst van aangever, waardoor aangever op zijn rug in een droge sloot viel.17

Verdachte heeft bekend dat hij op 20 april 2019 in Schijndel als verkeersregelaar werkte. Tevens heeft hij bekend dat hij een woordenwisseling met aangever heeft gehad.18 Verdachte ontkent echter dat er sprake was van enig fysiek contact tussen hem een aangever.

Uit de verklaringen van aangever, de getuigen van [getuige 1] en [getuige 2] en de verklaring van verdachte dat hij de bedoelde verkeersregelaar was, leidt de rechtbank af dat verdachte, ondanks zijn stellige ontkenning, zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde duwen van aangever waardoor deze ten val is gekomen. De verklaringen van aangever en de getuigen komen op essentiële onderdelen overeen en niet blijkt dat zij hun verklaringen in strijd met de waarheid hebben afgelegd. De verklaring van verdachte dat er geen enkel fysiek contact tussen hem en aangever heeft plaatsgevonden wordt weersproken door de (onafhankelijke) getuigenverklaringen, die de rechtbank niet ongeloofwaardig acht. Dit maakt dat de rechtbank verdachte in zijn verklaring niet zal volgen.

De rechtbank acht het ten laste gelegde derhalve wettig en overtuigend bewezen. De functie van verdachte als verkeersregelaar rechtvaardigt voornoemde fysieke handeling op geen enkele wijze, temeer nu uit de verklaringen blijkt dat juist verdachte de agressor was.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het ten laste gelegde slaan/stompen in het gezicht, aangezien de verklaringen van aangever en de hiervoor genoemde getuigen over dit ten laste gelegde onderdeel te veel verschillen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de onder parketnummers 18-243191-19 en 18-243575-19 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

Parketnummer 18-243191-19

hij in de periode van 1 januari 2017 tot en met 7 mei 2019 te Leeuwarden en/of Den Helder, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1], door
- haar meermalen te bellen en sms berichten te sturen en
- door dagboeken bij haar thuis te bezorgen en
- door het meermalen plaatsen van posts op zijn tijdlijn op Facebook en
- door het sturen van een brief en

- door het meermalen meegeven van omschrijvingen bij overboekingen op haar bankrekening in het kader van de betaling van alimentatie en
- door een melding te doen bij de gemeente Leeuwarden (als uitkeringsinstantie), dat die [slachtoffer 1] cocaïne zou gebruiken en

- door een bericht te versturen aan haar broer [slachtoffer 2],
met het oogmerk die [slachtoffer 1], te dwingen iets te dulden.

Parketnummer 18-243575-19

hij op 20 april 2019 te Schijndel, gemeente Meierijstad [slachtoffer 3] heeft mishandeld door hem (met kracht) te duwen, waardoor die [slachtoffer 3] op zijn rug in een droge sloot belandde.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Parketnummer 18-243191-19.

Belaging.

Parketnummer 18-243575-19.

Mishandeling.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het met parketnummer 18-243191-19 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, waarvan een gedeelte van 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit een voorwaardelijke straf op te leggen met voorwaarden.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van tweeëneenhalf jaar schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-partner [slachtoffer 1]. Hij heeft aangeefster lastiggevallen door haar tegen haar uitdrukkelijke wens in te bellen, WhatsApp-berichten te sturen, dagboeken te bezorgen, posts te plaatsen op zijn Facebook tijdlijn, een brief te sturen, omschrijvingen bij overboekingen op de bankrekening in het kader van de alimentatiebetalingen te geven, het doen van een melding bij de uitkeringsinstantie van aangeefster en het versturen van een bericht aan aangeefsters broer. Hij heeft zodoende ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Feiten als het onderhavige worden door slachtoffers doorgaans als beangstigend en bedreigend ervaren.

Daarnaast heeft verdachte zich als verkeersregelaar schuldig gemaakt aan mishandeling door aangever [slachtoffer 3] in een droge sloot te duwen. Verdachte heeft daarmee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Van belang daarbij is dat verdachte juist werkzaam was ter bevordering van de veiligheid in het verkeer.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie van 11 februari 2020 is hij niet eerder onherroepelijk veroordeeld.

De ernst van het bewezenverklaarde rechtvaardigt, mede in het licht van de straffen die rechters aan first offenders bij belaging plegen op te leggen, in beginsel oplegging van een (voorwaardelijke) vrijheidsstraf. De rechtbank houdt echter rekening met de relatief beperkte vorm van belaging, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het gegeven dat er na het in juni 2019 ondertekenen van de civiele vaststellingsovereenkomst tussen verdachte en aangeefster [slachtoffer 1] geen meldingen zijn geweest van aangeefster dat zij (wederom) is lastiggevallen door verdachte.

Anders dan de officier van justitie komt de rechtbank tot een kortere periode waarin de belaging heeft plaatsgevonden en acht de rechtbank de mishandeling, waarvoor de officier van justitie vrijspraak heeft geëist, bewezen. Alles afwegend acht de rechtbank een taakstraf als door de officier van justitie is geëist passend en geboden. De rechtbank zal daarvan een deel voorwaardelijk opleggen om verdachte er in de toekomst van te weerhouden wederom strafbare feiten te plegen. Oplegging van bijzondere voorwaarden acht de rechtbank niet nodig gelet op de reeds bestaande civiele vaststellingsovereenkomst.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 285b en 300 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het met parketnummer 18-243191-19 en parketnummer 18-243575-19 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een taakstraf voor de duur van 80 uren.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.

Bepaalt dat van deze taakstraf een gedeelte, groot 40 uren, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 20 dagen zal worden toegepast.

Beveelt voorts dat, indien het mocht komen tot de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde deel van de taakstraf, vervangende hechtenis voor de duur van 20 dagen zal worden toegepast, indien de veroordeelde dat deel van de taakstraf niet naar behoren verricht.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Janssen, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en mr. C.H. Beuker, rechters, bijgestaan door mr. R.G. Bakker-Dees, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 maart 2020.

Mr. L.W. Janssen, mr. C.H. Beuker en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer 2019064587, doorgenummerd 1 tot en met 151.

2 Pagina’s 31 e.v.

3 Pagina’s 34, 40 en 71 tot en met 85.

4 Pagina’s 34 en 89.

5 Pagina’s 34, 42, 43 en 89.

6 Pagina 34.

7 Pagina’s 93, 94 en 96.

8 Pagina’s 56, 57 en 58.

9 Pagina’s 7, 35 en 37 tot en met 39.

10 Pagina’s 106 en 114.

11 Pagina’s 107, 109 en 117.

12 Pagina’s 144, 145 en 147 tot en met 150 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 3 maart 2020.

13 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer 2019179105, doorgenummerd 1 tot en met 39.

14 Pagina’s 10 en 11.

15 Pagina’s 13 en 14.

16 Pagina’s 21 en 22.

17 Pagina’s 23 en 24.

18 Pagina 30.