Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:1159

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12-03-2020
Datum publicatie
12-03-2020
Zaaknummer
18/830153-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor brandstichting op 7 juli 2019 te Kiel-Windeweer, waarbij kippenschuren zijn afgebrand, tot een gevangenisstraf van 360 dagen, waarvan 208 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, en een taakstraf van 240 uren. Verminderd toerekeningsvatbaar.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 157
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830153-19

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 12 maart 2020 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van

27 februari 2020.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. W.J. Morra, advocaat te Amsterdam. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L.J. van der Heide.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 7 juli 2019 te Kiel-Windeweer, in de gemeente Midden-Groningen, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een (onder een schuur geparkeerd staande) (bedrijfs)auto, (merk Renault) door open vuur in aanraking te brengen met:

- een hoeveelheid doeken die zich in/nabij voornoemde (bedrijfs)auto bevonden en/of

- een hoeveelheid papier en/of doeken en/of een plastic tas en/of (vervolgens) dit/die brandend(e) papier en/of doeken en/of plastic tas in die (bedrijfs)auto te leggen,

althans door open vuur in aanraking te brengen met een brandbare stof, ten gevolge waarvan voornoemde (bedrijfs)auto en/of de voornoemde schuur waaronder die auto geparkeerd stond en/of een naastgelegen schuur en/of (ongeveer) 100.000 (in voornoemde schuren bevindende) kuikens geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor voornoemde schuren en/of (in voornoemde schuren bevindende) kuikens en/of een aantal (voeder)silo('s), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde feit.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 februari 2020;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 7 juli 2019, opgenomen op pagina 18 e.v. van het dossier met nummer 2019176090 d.d. 16 oktober 2019, inhoudende de verklaring van [getuige];

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 8 juli 2019, inclusief bijlagen, opgenomen op pagina 71 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisanten;

4. een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2019.07.31.126, d.d. 14 januari 2020 opgemaakt door ing. F.W.N. van Rijswijk, als los document gevoegd bij voornoemd dossier.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 7 juli 2019 te Kiel-Windeweer, in de gemeente Midden-Groningen, opzettelijk brand heeft gesticht in een onder een schuur geparkeerd staande bedrijfsauto, (merk Renault) door open vuur in aanraking te brengen met:

- een hoeveelheid doeken die zich in voornoemde bedrijfsauto bevonden en/of

- een hoeveelheid papier en/of een plastic tas,

ten gevolge waarvan voornoemde bedrijfsauto en voornoemde schuur waaronder die auto geparkeerd stond en een naastgelegen schuur en ongeveer 100.000 (in voornoemde schuren bevindende) kuikens geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor voornoemde schuren en (in voornoemde schuren bevindende) kuikens en een aantal voedersilo's te duchten was.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd om aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden te verbinden zoals door de reclassering geadviseerd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, alsmede oplegging van een voorwaardelijk strafdeel met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. De raadsman heeft de rechtbank in overweging gegeven daarnaast een taakstraf op te leggen. De raadsman heeft de rechtbank verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich in de nacht van 7 juli 2019 in Kiel-Windeweer schuldig gemaakt aan brandstichting door een auto in brand te steken die geparkeerd stond onder een carport, grenzend aan een schuur. De brand in de auto is overgeslagen naar deze schuur en vervolgens naar een tweede schuur en heeft het leven gekost van ongeveer 100.000 kuikens die zich in deze schuren bevonden. De [getuige] heeft door de brand een groot gedeelte van haar boerenbedrijf in vlammen zien opgaan en is daardoor zowel materieel als immaterieel zwaar getroffen, zoals ook blijkt uit de slachtofferverklaring die ter terechtzitting door de heer [getuige] is voorgelezen. De [getuige] tast tot op heden in het duister omtrent de beweegredenen van verdachte om de brand te stichten, nu verdachte daaromtrent zelf geen helderheid heeft kunnen of willen verschaffen. Het lijkt erop dat de [getuige] een willekeurig slachtoffer was en daarmee heeft verdachtes handelen niet alleen bij deze familie voor gevoelens van angst en onveiligheid gezorgd, maar ook bij omwonenden. Bij het plegen van de brandstichting heeft verdachte zich op geen enkele wijze bekommerd om de impact die zijn strafbaar handelen zou hebben op de slachtoffers. Verdachte stelt weliswaar zich de brandstichting niet te kunnen herinneren, maar ook daarna heeft hij niets gedaan om de gevolgen van zijn daad te beperken. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan en is van oordeel dat sprake is van een ernstig strafbaar feit.

De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak in beginsel slechts oplegging van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is.

De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met het feit dat hij ondanks zijn beweerdelijke geheugenverlies verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daad en zich schuldbewust heeft opgesteld en dat hij nooit eerder onherroepelijk is veroordeeld. Gelet op de aangekondigde civiele vordering houdt de rechtbank daarnaast rekening met het feit dat de (financiële) gevolgen van verdachtes daad hem mogelijk nog zeer lange tijd zullen achtervolgen.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op het psychologisch Pro Justitiarapport van

D. Breuker, Forensisch GZ-psycholoog, opgemaakt op 2 december 2019, en het psychiatrisch Pro Justitiarapport van T.W.D.P. van Os, psychiater/psychoanalyticus, opgemaakt op

22 januari 2020.

Uit het psychologisch rapport blijkt dat bij verdachte sprake is van een (verstandelijke) ontwikkelingsstoornis in de zin van een aandachtstekortstoornis van het gecombineerde type en handelingsvaardigheden met een verwerkingssnelheid op licht verstandelijk beperkt niveau. Daarnaast is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens in de vorm van een vermijdende persoonlijkheidsstoornis.

Uit het psychiatrisch rapport blijkt dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens in de vorm van een (verstandelijke) ontwikkelingsstoornis en persoonlijkheidsproblematiek.

Zowel de psychiater als de psycholoog concluderen dat de door hen vastgestelde problematiek aanwezig was ten tijde van het ten laste gelegde en dat deze verdachtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde beïnvloedde. Zij adviseren daarom om het ten laste gelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

De rechtbank neemt bovenstaande conclusies over, maakt die tot de hare en verklaart verdachte verminderd toerekeningsvatbaar. Dit heeft een matigende invloed op de strafmaat.

De rechtbank heeft eveneens acht geslagen op het advies van Reclassering Nederland van

18 februari 2020. Hieruit volgt dat het recidiverisico als gemiddeld wordt ingeschat. Om het recidiverisico te kunnen inperken adviseert de reclassering om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling bij De Waag en het verlenen van medewerking aan middelencontrole. Een nieuwe detentie zou het traject dat in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis is ingezet doorkruisen.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank een groot gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen, met daarbij bijzondere voorwaarden. In verband met de ernst van het feit zal de rechtbank daarnaast aan verdachte een taakstraf opleggen van 240 uren.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde feit bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 208 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering;

2. dat veroordeelde zich onder behandeling stelt van De Waag of soortgelijke zorginstelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, waarbij veroordeelde zich houdt aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener hem in het kader van deze behandeling geeft;

3. dat veroordeelde meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en drugs, te weten urineonderzoek en ademonderzoek, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig acht.

Geeft aan Reclassering Nederland, Leonard Springerlaan 21 te Groningen, de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.V. Nolta, voorzitter, mr. H.J. Schuth en mr. H.R. Bracht, rechters, bijgestaan door mr. C.A.C. Thiadens, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 maart 2020.