Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:1154

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12-03-2020
Datum publicatie
12-03-2020
Zaaknummer
18/930105-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt verdachte voor poging brandstichting en vernieling tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 157
Wetboek van Strafrecht 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18.930105-19

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 16.142262-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 12 maart 2020 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats],

wonende [straatnaam], [woonplaats],

thans gedetineerd in de P.I. Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 december 2019 en 27 februari 2020.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. O.R.R. Hetterscheidt, advocaat te Utrecht.

Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. N. Tromp.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

verdachte op of omstreeks 8 oktober 2019, te Hoogeveen, (althans) in de gemeente Hoogeveen, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te

stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen in een (flat)woningen, gelegen aan de [straatnaam], aldaar, met dat opzet in de keuken van die woning een of meer gaspitten heeft open gezet, in elk geval een gaskraan in die woning heeft open gedraaid/gezet en open heeft laten staan waardoor gas vrijelijk die woning kon in stromen,, en daarvan

- gemeen gevaar voor die woning en/of een of meer belendende woning(en) en/of de inboedel van die woning en/of de inboedel van die belendende woning(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer zich in die belendende woning(en) aanwezige perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen,

te duchten was,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

verdachte op of omstreeks 8 oktober 2019, te Hoogeveen, (althans) in de gemeente Hoogeveen, opzettelijk en wederrechtelijk (een deel van) de inboedel van een (flat)woning

en/of die (flat)woning, aan de [straatnaam], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (respectievelijk) [slachtoffer] en/of [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de feiten 1 en 2. De officier van justitie acht de poging tot brandstichting bewezen en acht de verklaring van verdachte dat hij vergeten was de gaspitten uit te draaien en dat de gaspitten zijn uitgewaaid doordat het raam openstond niet geloofwaardig, te meer nu uit de verklaring van [getuige 1] blijkt dat hij ramen en deuren heeft opengezet nadat hij de gaskraan had dichtgedraaid. Ook heeft verdachte tot tweemaal toe aan aangeefster geappt dat hij de woning in brand wilde steken. Ook in een gesprek met [naam] heeft verdachte zich in gelijke bewoordingen uitgelaten.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 omdat verdachte steeds heeft ontkend dat hij brand heeft willen stichten. Verdachte was vergeten om het gas uit te draaien. Het ontbreken van opzet kan ook blijken uit de omstandigheid dat verdachte na het verlaten van de woning heeft verbleven op het adres [straatnaam], een flatwoning gelegen in hetzelfde gebouw als de woning waar het ten laste gelegde zich heeft voorgedaan. Dit zou hij niet hebben gedaan als hij daadwerkelijk brand had willen stichten. Ook ontbreekt er bewijs voor gemeen gevaar voor personen en/of goederen, omdat er geen gevaar was voor brand danwel ontploffing. Uit de verklaring van [getuige 1] kan worden afgeleid dat het nog wel vertrouwd was om naar binnen te gaan. Ook uit de gasmeting van de brandweer welke meting geen uitslag gaf kan de gevaarzetting niet blijken. Ten aanzien van feit 2 refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank grondt haar oordeel op de hierna opgenomen bewijsmiddelen.

De rechtbank is daarbij van oordeel dat verdachte opzettelijk brand heeft willen stichten in de woning van aangeefster. In de hierna opgenomen appgesprekken die verdachte met aangeefster en met [naam] heeft gevoerd, geeft verdachte meermalen aan dat hij voornemens is de woning aan de [straatnaam] in brand te zullen steken. Daar komt bij dat verdachte opzettelijk vernielingen heeft gepleegd in de woning van aangeefster en dat hij in die situatie ook met opzet waterkranen heeft opengezet en open heeft laten staan. Het openzetten van het gas moet naar het oordeel van de rechtbank dan ook worden gezien in het licht van het willen toebrengen van schade aan de woning van aangeefster. Naar algemene ervaringsregels levert het openzetten en open laten staan van de gaspitten een voorzienbaar gevaar op voor brand.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij vergeten was het gas uit te draaien en dat de vier gaspitten mogelijk door de wind zijn uitgeblazen, niet geloofwaardig. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat alle vier de gaspitten openstonden. Verdachte heeft zijn verklaring onvoldoende onderbouwd om aannemelijk te maken dat de wind alle vier de gaspitten in een keer heeft uitgeblazen.

Uit het dossier volgt dat de politie ter plaatse een sterke gaslucht rook waardoor de verbalisanten besloten de woning niet te betreden, de brandweer te bellen en de omliggende woningen te evacueren. Uit de verklaring van [getuige 2], als bevelvoerder van de brandweer ter plaatse, volgt dat het niet vertrouwd was dat getuige Klosse de woning is ingegaan en dat er een gasexplosie had kunnen ontstaan wanneer er niets was gedaan. Uit de verklaring van [getuige 3], officier van dienst van de brandweer, volgt dat wanneer in de woning een explosief mengsel was ontstaan, het aandoen van het licht of het drukken op de deurbel de hoeveelheid gas in de woning tot ontploffing had kunnen brengen of er brand had kunnen ontstaan. Hierdoor zou er gevaar voor de omliggende woningen ontstaan en voor de personen die zich hierin bevonden. Daarmee acht de rechtbank bewezen dat er gemeen gevaar voor personen en goederen te duchten was. Dat de meting van de brandweer geen uitslag heeft gegeven, maakt dit niet anders omdat de getuige [getuige 1] de deuren en ramen al had open gezet om de woning door te luchten.

De rechtbank acht feit 2 eveneens wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

De opgave van de bewijsmiddelen luidt als volgt:

feit 1:

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 9 oktober 2019, opgenomen op pagina 43 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2019285150 d.d. 5 november 2019, inhoudend als verklaring van [slachtoffer], voor zover betrekking hebbend op feit 1:

Ik woon aan de [straatnaam] te Hoogeveen.

Sinds twee maanden kwam [verdachte] af en toe bij mij logeren in huis.

Ik ben maandag 7 oktober 2019 richting Rotterdam gegaan.

Op maandag 7 oktober 2019, om 17:00 uur, ontving ik een whats-app bericht van [verdachte] dat hij zijn spullen uit mijn woning wilde halen.

Ik heb hierop geantwoord dat als ik weer thuis zou zijn dat ik zijn spullen bij mijn buurvrouw neer zou leggen.

Hierop antwoordde [verdachte] dat dit goed was en hij wenste mij een fijne avond.

Ongeveer een half uur later kreeg ik nogmaals een whats-app van [verdachte] dat ik bij een andere man zou zijn en dat ik hem genaaid zou hebben, ook zei hij: "Nee je huis gaat vandaag in de kanker f 8 j". Met "f8j" bedoelt hij denk ik: in de fik.

Ik zag dat hij mij daarna stuurde: "Ik steek alles in de fik".

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 oktober 2019, opgenomen op pagina 78 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant 1]:

Op dinsdag 8 oktober 2019 omstreeks 14.44 uur kwamen wij ter plaatse bij de [straatnaam]

te Hoogeveen in verband met een melding dat op genoemd adres een vernieling in de woning zou plaatsvinden.

Ter plaatse hebben wij meerdere malen aangebeld en geklopt bij de voordeur van de woning. Ik zag dat de deur van de woning niet geopend werd. Hierop hebben wij besloten om de voordeur middels een flipperkaart te openen. Nadat dit gelukt was hebben wij de deur geheel geopend. Ik rook direct een sterke gaslucht uit de woning komen. Ik voelde dat deze gaslucht direct op mijn ademhaling sloeg en hierop hebben wij besloten om de woning niet in te gaan. Wij besloten om direct de brandweer ter plaatse te laten komen, omdat het mij niet verstandig leek om zelf de woning naar binnen te gaan vanwege de sterke gaslucht vanuit de woning. Nadat de brandweer ter plaatse was gekomen, hoorden wij van de bevelvoerder van de brandweer dat alle gaskranen van het fornuis open stonden.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 oktober 2019, opgenomen op pagina 119 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant 2]:

Op 8 oktober 2019 omstreeks 17.00 uur werd een Samsung S7 in beslag genomen. Het toestel werd als eigendom erkend door verdachte [verdachte].

Op 14 oktober 2019 werd er data van de Samsung S7 veiliggesteld.

Tevens heb ik, verbalisant, gekeken naar bestanden in de periode van 5 oktober 2019

tot en met 9 oktober 2019 die betrekking hebben tot de ten laste gelegde feiten.

Tijdens het op datum door zoeken van de gesprekken kwam ik ene [naam] tegen die in een whatsapp gesprek is met [verdachte].

Op 7 oktober 2019 om 22:37:52 stuurt [verdachte]:

"Kill ben buiten ga deze wijf dood maken met kind en al geloof me kill ben net in die

osso politie alles heb die hele kanker deur gesloopt." gevolgd door:" Alleen maar

chit nieuwe osso fuck dat steek alles un de fuk mn.".

[naam] vraagt op 8 oktober 2019 of zij moet bellen. [verdachte] reageerde om 0:20:11 "Dus ik laat het zo morgen ochtend spullen inpakken het huis in de fik steken en dn gone"

In de whatsapp gesprekken tussen aangeefster [slachtoffer] en verdachte:

Vervolgens stuurt [verdachte] : "Ik steek alles in de fikkkk" 7-10-2019 15:26:40

[verdachte] stuurt video dat hij in huis is van aangeefster.

Vervolgens stuurt hij wederom: " Ik steek je hele kanker huis in de fik boeiend je moest me geen g3vo31 geven" 7-10-2019 15:37:37.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 10 oktober 2019, opgenomen op pagina 136 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 3].

Ik ben officier van dienst bij de Brandweer Zuidwest Drenthe ten tijde van het incident.

Wat de eventuele gevolgen zijn van een gas lekkage? In een woning, in dit geval een flat op de eerste verdieping.

Als er een ideaal gasmengsel ontstaat, tussen zuurstof en gas, ontstaat er een explosief mengsel en dat kan ontstoken worden door een kleine ontstekingsbron te denken aan een lichtknopje of de deurbel. De hele gevel kan eruit vliegen en de mensen die aanwezig zijn kunnen gewond raken of overlijden.

Door de druk die er vrij komt kan het zwakste deel van de woning, de gevel of een ander onderdeel van de woning van de flat eruit vliegen. Het zwakste deel vliegt er als eerste uit. Dit heeft gevolgen voor de mensen op straat. Het kan ook zo zijn dat de constructie van de flat aangetast wordt, en de woning onbewoonbaar wordt verklaard. Er zou ook nog brand kunnen ontstaan als de gas lekkage niet stopt. Of andere delen in de woning vliegen in brand.

De volgorde is: Gas, explosie en brand.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 10 oktober 2019, opgenomen op pagina 138 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2]:

Als bevelvoerder van de brandweer ben ik ter plaatse geweest. Wij kregen een melding van een gaslucht binnen. Ik hoorde van mijn manschappen dat toen ze bij de deur aankwamen zij nog 2 mensen in de woning zagen. De mensen bleken medewerkers van woonconcept te zijn. Ik hoorde de man zeggen dat hij de gaskraan had dichtgedraaid en alle ramen en deuren had geopend. Ik heb hem verteld dat ik het belachelijk vond dat hij naar binnen is gegaan. Wij hebben de woning geventileerd met een overdruk ventilator om de gaslucht uit de woning te krijgen. Als wij niets hadden gedaan dan had er binnen no-time een gasexplosie kunnen ontstaan.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 9 oktober 2019, opgenomen op pagina 132 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1]:

Ik werk als onderhoudsmonteur. Ik ben naar de [straatnaam] gegaan om een cilinder van het slot te vervangen. Op de eerste verdieping rook ik gas. Doordat ik gas rook, ben ik naar binnen gegaan. Heb de gaskraan, bij het gasstel dichtgedraaid. Ik heb alle ramen en deuren open gezet. Op het gasstel stonden de knoppen nog open. Ik hoorde het gas lopen. Sissen is nog beter. Als het langer had geduurd, had er wel een explosie kunnen komen.

feit 2:

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 9 oktober 2019, opgenomen op pagina 43 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer], voor zover betrekking hebbend op feit 2.

8. De bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 februari 2020,

-zakelijk weergegeven- “Ik beken het mij onder 2 tenlastegelegde feit.”

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

verdachte op 8 oktober 2019, te Hoogeveen, in de gemeente Hoogeveen, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in een woning, gelegen aan de [straatnaam], aldaar,

met dat opzet in de keuken van die woning gaspitten heeft open gezet en open heeft laten staan waardoor gas vrijelijk die woning kon in stromen, en daarvan

- gemeen gevaar voor die woning en belendende woningen en de inboedel van die woning en de inboedel van die belendende woningen, en

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer zich in die belendende woningen aanwezige perso(o)n(en),

te duchten was,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

verdachte op 8 oktober 2019, te Hoogeveen, in de gemeente Hoogeveen, opzettelijk en wederrechtelijk een deel van de inboedel van een woning aan de [straatnaam], toebehorende aan [slachtoffer], heeft vernield of beschadigd of onbruikbaar gemaakt;

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen

te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

voor een ander te duchten is.

2. Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander

toebehoort, vernielen, beschadigen, onbruikbaar maken.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de feiten 1 en 2 wordt veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit met betrekking tot feit 2 te volstaan met het opleggen van een taakstraf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het rapport van de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 23 januari 2020, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte brand heeft willen stichten in de woning van het slachtoffer en dat hij daarbij ook de inboedel van de woning van het slachtoffer heeft vernield.

Uit het dossier komt naar voren dat verdachte op die 8ste oktober zijn woede heeft botgevierd op de inboedel van het slachtoffer. Verdachte heeft de woning van het slachtoffer in totale chaos achtergelaten.

Door het willen brandstichten heeft verdachte de levens van anderen op het spel gezet en is er gevaar ontstaan voor de goederen van anderen. De situatie was dermate ernstig dat de politie is overgegaan tot evacuatie van een deel van het flatgebouw waarvan de woning van het slachtoffer deel uit maakte. Feiten als het onderhavige zijn in hoge mate gevaarzettend en brengen gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg, waarbij doorgaans ook grote (financiële) schade kan worden veroorzaakt.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf meegewogen dat de verdachte in het verleden eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op het reclasseringsadvies van 23 januari 2020. De reclassering constateert problemen op het gebied van relaties, middelengebruik, huisvesting en financiën. Verdachte drinkt overmatig alcohol en gebruikt overmatig softdrugs. Professionele hulp bij het middelengebruik acht de reclassering gewenst en noodzakelijk. In het verleden is het contact met de reclassering niet altijd positief verlopen, maar verdachte lijkt gemotiveerd om aan middelengebruik aan te pakken en staat open voor een verplicht kader. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de bijzondere voorwaarden zoals genoemd in het reclasseringsadvies.

De rechtbank is van oordeel dat het bewezen verklaarde het opleggen van een gevangenis-straf rechtvaardigt. De rechtbank ziet geen aanleiding om van de eis van de officier van justitie af te wijken en zal dan ook overeenkomstig die eis een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Aan het voorwaardelijke deel zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden nu verdachte zich bereid heeft verklaard aan die voorwaarden mee te werken.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk vonnis van 25 januari 2019 van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken, met een proeftijd van 2 jaren. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen. De officier van justitie heeft bij vordering van 29 januari 2020 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de toewijzing van de vordering gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.

Oordeel van de rechtbank

De verdachte heeft de in voormeld vonnis van 25 januari 2019 gestelde algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd – die is aangevangen op 2 april 2019 – niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, niet nageleefd. Dat verdachte nog in een proeftijd liep was voor hem kennelijk geen beletsel opnieuw strafbare feiten te plegen. Nu verdachte de bewezenverklaarde feiten 1 en 2 heeft begaan voor het einde van de proeftijd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van deze voorwaardelijke gevangenisstraf.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57, 157 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen rechtens golden ten tijde van het bewezen verklaarde dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat de veroordeelde zich binnen veertien dagen na zijn invrijheidstelling meldt bij de reclassering van het Leger des Heils, Tubantiasingel 5 te Enschede. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

- dat de veroordeelde zich laat behandelen door Tactus verslavingszorg of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.

Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

- dat de veroordeelde geen verdovende middelen zal gebruiken en mee zal werken aan de controle daarop door middel van urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd;

- dat de veroordeelde geen alcohol zal gebruiken en mee zal werken aan de controle daarop.

De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

16.142262-18:

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, van 25 januari 2019, te weten: 2 weken gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.E.A. Jonkers, voorzitter, mr. M.A.A. van Capelle en mr. M. van den Steenhoven, rechters, bijgestaan door D.C. Witvoet, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 maart 2020.