Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:1150

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12-03-2020
Datum publicatie
12-03-2020
Zaaknummer
18/097797-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt verdachte voor aanranding van de eerbaarheid tot een taakstraf van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis. De vordering van de benadeelde partij wordt deels toegewezen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 246
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/097797-19

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 12 maart 2020 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] ,

wonende [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 30 januari 2020 en 27 februari 2020.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. I. Djordjevic, advocaat te Groningen.

Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. N. Tromp.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 28 oktober 2017 te Borger, gemeente Borger-Odoorn, meermalen, althans eenmaal, [slachtoffer 1] , door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, bestaande uit:
- het dicht tegen die [slachtoffer 1] aanzitten en/of
- het slaan van zijn armen om het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of
- het onverhoeds zoenen op de wang, althans op het hoofd van die [slachtoffer 1] ;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde feit.

De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat op grond van de aangifte, de appgesprekken en de verklaring van getuige [getuige] wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte aangeefster heeft aangerand. De officier van justitie heeft er op gewezen dat aangeefster op verschillende momenten steeds hetzelfde verhaal heeft verteld. Zij maakt daarbij hetgeen haar is overkomen niet groter, haar verklaring blijft consistent. Dat maakt dat de verklaring van aangeefster betrouwbaar is te achten.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat verdachte het verwijt stellig ontkent en dat dan slechts de verklaring van aangeefster resteert. De verklaring van aangeefster is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. De appberichten aan anderen en de verklaring van getuige [getuige] kunnen niet als objectief steunbewijs dienen omdat deze steeds van dezelfde bron komen, namelijk van aangeefster. Subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat van het zoenen op de wang niet gezegd kan worden dat het een ontuchtig karakter heeft gehad en dat er tevens geen sprake was van dwang.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht op grond van de hierna opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd acht de rechtbank de verklaring van aangeefster betrouwbaar en consistent. De verklaringen die aangeefster bij de politie heeft afgelegd over hetgeen haar is overkomen zijn steeds hetzelfde gebleven. Deze verklaringen komen daarbij ook overeen met hetgeen zij aan anderen (haar werkgeefster, haar collega’s en vrienden) heeft verteld over wat haar is overkomen en hetgeen zij in de appberichten heeft geschreven. Ook kan naar het oordeel van de rechtbank voor het bewijs meewegen hetgeen de getuige [getuige] heeft verklaard over de gemoedstoestand van aangeefster direct na het voorval. Zo heeft hij verklaard dat aangeefster erg overstuur en emotioneel was op het moment dat zij hem belde direct nadat zij het huis had verlaten waar verdachte verbleef en ook op het moment dat [getuige] aangeefster wat later aantreft nadat hij naar haar toe was gereden in de auto. Ook dat maakt dat de verklaring van aangeefster betrouwbaar is te achten.

Daarnaast vindt de verklaring van aangeefster ook steun in de verklaring van de werkgeefster van aangeefster, [slachtoffer 2] , die heeft verklaard dat zij de dag na het voorval een uitgebreide app van aangeefster heeft ontvangen met hetgeen haar was overkomen. Ook heeft deze getuige nog telefonisch met aangeefster over het voorval gesproken.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verklaring van aangeefster voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen.

De rechtbank overweegt dat op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat verdachte dicht tegen aangeefster aan heeft gezeten, zijn arm om haar heeft geslagen en voornemens was aangeefster op de mond te zoenen. Doordat aangeefster haar hoofd wegdraaide kwamen de zoenen op haar wang terecht. De rechtbank is van oordeel dat dit handelen van verdachte onder de gegeven omstandigheden te kwalificeren is als ontuchtig handelen in de zin van artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht. Bij ontuchtig handelen in de zin van dit wetsartikel gaat het in beginsel om handelingen van seksuele aard, die onder de gegeven omstandigheden in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. Hierbij is van belang dat verdachte en aangeefster elkaar amper kenden, aangeefster op geen enkele wijze aanleiding had gegeven om bij verdachte het idee te laten ontstaan dat zij het krijgen van een zoen op prijs zou stellen, de zoenen onverwachts werden gegeven en dat één en ander gebeurde terwijl verdachte dicht tegen aangeefster aan zat met zijn arm voor haar langs, zodat zij zich daaraan niet kon onttrekken. Deze door verdachte aan het slachtoffer opgedrongen intimiteit kan naar het oordeel van de rechtbank onder de gegeven omstandigheden dan ook als in strijd met de heersende sociaal-ethische normen worden aangemerkt en daarmee als ontuchtig.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 16 november 2017, opgenomen op pagina 25 en verder van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2018003873 d.d. 19 februari 2018, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1] :

Het is gebeurd op 28 oktober 2017 in Borger.

Toen [verdachte] nog thuis was maakte [verdachte] allerlei opmerkingen. Zo van: “Ik kom wel eerder thuis en dan kom ik nog gezellig bij je op de bank zitten”. Daarna dacht ik weer aan het vriendschapsverzoek van [verdachte] . Dat maakte mij toen wel een beetje zenuwachtig. [verdachte] was om 23.40 uur weer thuis.

[verdachte] maakte toen de opmerking van ‘Hoezo? Het is nog geen 24.00 uur, dus we hebben nog 20 minuten.’ Toen kreeg ik de kriebels. Dit klonk heel verkeerd. Ik kreeg ook een naar gevoel.

Toen hij dit zei ben ik gelijk opgestaan van de bank. Hij vroeg aan mij of ik niet even wilde blijven. Ik gaf aan dat ik eigenlijk wel wilde gaan, want mijn vriendinnen zaten op mij te wachten. Hij vroeg mij dit meerdere keren. Hij stelde voor om samen nog 1 sigaretje te roken. Dit heb ik toen gedaan. Ik ben als eerste op de bank gaan zitten. Ik pakte een sigaretje. Hij is toen naast mij op de bank komen zitten.

We zaten samen op de bank. Hij zat scheef en had zijn hand zo scheef voor mij langs. Hij probeerde mij toen te zoenen. Ik duwde mezelf weg en draaide mijn hoofd de andere kant op. Hij zoende mij toen op de wang. Ik zei toen gelijk dat ik dit niet wilde en dat dit niet ging gebeuren.

Daarna begon hij over zijn leeftijd en vroeg hij nog een keer naar mijn leeftijd. Dat vroeg hij ook de eerste oppasdag. Toen heb ik dus mijn leeftijd verteld. Ik ben 20. Hij vroeg mij om zijn leeftijd te raden. Volgens mij heb ik gezegd tussen de 35 en 40.
Hij was 36 en volgens hem kon het wel. Toen, daarna probeerde hij het op dezelfde manier om mij nog een keer te zoenen. Ik heb toen nog een keer aangegeven dat ik dat niet wou.

Toen zei hij letterlijk: “ik wil je zoenen”. Ik verstond hem niet en vroeg wat hij zei. En daarop reageerde hij door te zeggen: “Ik wil je één keer zoenen”. Toen boog hij weer naar mij toe. Ik heb hem toen weer weggedrukt. Ik heb toen nog een keer gezegd dat ik dit niet wilde en dat het niet ging gebeuren.

Toen heb ik mijn sigaret uitgedrukt en ben ik naar mijn jas gelopen. Toen stond hij ook op van de bank en heeft hij mij 50 euro in mijn hand gedrukt. Dat heb ik aangenomen. Toen ben ik eigenlijk ook gelijk weggelopen. Toen is hij achter me aangelopen naar de deur. Ik ben gelijk half rennend naar mijn auto gegaan.

Toen heb ik in paniek mijn ex, [getuige] , gebeld. Ik was helemaal overstuur.

Hij kon er niet veel van verstaan, maar hij zei tegen mij dat ik mijn auto aan de kant moest zetten en dat hij naar mij toe kwam rijden.

Ik ben gelijk in zijn armen gevlogen en heb daar eerst een poos staan te huilen. Toen heb ik geprobeerd te vertellen wat er was gebeurd. We hebben wel een half uur tot drie kwartier in de auto gezeten toen ik weer wat rustiger werd.

Eigenlijk komt hij [ [verdachte] ] gelijk pal naast mij zitten. Ik kon niet verder opzij, omdat ik al met mijn benen tegen de hoekbank zat.
Hij heeft mij zeker 2 keer gekust op mijn rechterwang, dat weet ik zeker.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 4 december 2017, opgenomen op pagina 111 en verder van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :

De tweede keer, 28 oktober 2017, toen [slachtoffer 1] ging oppassen bij [naam] hoorde ik pas in de auto toen wij op weg waren naar een oktober feest, van [naam] dat [verdachte] weer bij haar thuis was.

De volgende dag kreeg ik nog een aantal nieuwe verzoeken om op te passen van [naam] . Ik vroeg aan [slachtoffer 1] of zij dat wilde doen. Toen vroeg [slachtoffer 1] of zij mij even kon bellen. Dat lukte even niet. Ze stuurde mij vervolgens een hele app met het hele verhaal erin.
Er stond in dat [verdachte] geprobeerd had haar meerdere malen te zoenen. Ze vertelde ook dat hij gezegd had dat hij wel met haar wilde zoenen.

[verdachte] kwam later thuis dan de afgesproken tijd. Ze gingen toen nog samen een sigaretje roken. Hij was opdringerig naar haar toe. Ze voelde zich heel ongemakkelijk.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 29 december 2017, opgenomen op pagina 119 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige] :

[slachtoffer 1] heeft mij toen gebeld. Het was ’s nachts. Ze wilde eerst een goede vriend van haar bellen maar die gaf geen gehoor. Toen heeft ze mij een berichtje gestuurd. Dat vond ik er overstuur uit zien. Ik heb haar toen gebeld. Ze klonk toen ook overstuur. Zij zat in de auto en ik heb gezegd dat ze moest stoppen en dat ik dan naar haar toe zou komen. Ik ben naar haar toegereden.

We stapten allebei uit. Ze was heel erg aan het huilen. Ik vroeg haar wat er aan de hand was. Ze vertelde dat ze aan het oppassen was geweest op een adres waar ze ook al eerder was geweest.
Ze had toen een man ontmoet die toen wat verkeerde signalen had gegeven. Deze avond was ze daar weer gaan oppassen en op een gegeven moment was ze alleen met die man. Hij wilde wel dat ze bleef en toen stelde zij voor om nog even een sigaretje te gaan roken. Ze waren gaan roken en toen had hij geprobeerd om haar te zoenen. Ze had wel aangegeven dat ze dat niet wilde, maar hij ging er wel mee door. Hij gaf haar kusjes op de wang. Dat wilde ze niet. Ze vertelde dat ze toen overstuur weg is gegaan. Die man had ook nog tegen haar gezegd dat ze het niet moest vertellen aan zijn vriendin.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 28 oktober 2017 te Borger, gemeente Borger-Odoorn, meermalen, [slachtoffer 1] , door een feitelijkheid heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit:
- het dicht tegen die [slachtoffer 1] aanzitten en
- het slaan van zijn armen om het lichaam van die [slachtoffer 1] en
- het onverhoeds zoenen op de wang van die [slachtoffer 1] .

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangegeven dat voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, net als de officier van justitie kan worden volstaan met het opleggen van een taakstraf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte vroeg na het oppassen door het slachtoffer een aantal malen aan het slachtoffer nog even te blijven om nog een sigaretje te roken. Zij wilde aanvankelijk direct na het oppassen weg, maar is toch op de bank gaan zitten om nog een sigaretje met verdachte te roken. Verdachte is naast het slachtoffer gaan zitten en heeft zijn arm voor het slachtoffer langs gedaan en heeft haar geprobeerd te zoenen. Het slachtoffer heeft verdachte van zich afgeduwd en heeft haar hoofd van verdachte afgedraaid waardoor verdachte haar op de wang heeft gezoend. Het slachtoffer heeft tegen verdachte gezegd dat zij dat niet wilde. Even later probeerde verdachte het op dezelfde manier weer en ook toen heeft het slachtoffer gezegd dat zij dat niet wilde. Daarna heeft verdachte het nogmaals geprobeerd.

Verdachte heeft het slachtoffer door zijn handelen zeer onheus bejegend en heeft geen gevolg gegeven aan haar opmerkingen dat zij niet door verdachte wilde worden gezoend. Door het slachtoffer opnieuw te zoenen dan wel dat te proberen heeft verdachte zijn eigen lustgevoelens laten prevaleren boven de gevoelens van het slachtoffer. Verdachte heeft met zijn gedrag een sociaal-ethische norm overschreden.

Uit de verklaring die het slachtoffer op de zitting heeft voorgelezen komt naar voren dat zij nog steeds geëmotioneerd raakt wanneer zij vertelt over hetgeen haar is overkomen. Ook blijkt uit haar verklaring dat het voorval grote impact op haar heeft gehad en nog steeds heeft. Het slachtoffer heeft verwoord dat het voor haar een heftig feit is geweest.

Met betrekking tot de op te leggen straf houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat het feit dateert van 28 oktober 2017 en de inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden op 27 februari 2020. Ook de officier van justitie heeft in haar eis het tijdsverloop laten meewegen. Ook heeft de rechtbank de (juridische) omvang van het feit meegewogen.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie in voldoende mate rechtdoet aan de zaak tegen verdachte. De rechtbank zal die eis volgen.

Benadeelde partij

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 621,56 ter vergoeding van materiële schade, bestaande uit € 13,04 aan reiskosten en € 608,52 aan bruto gederfde inkomsten en € 300,-- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering toewijsbaar is voor zover het betreft de gevorderde reiskosten en immateriële schade. De opgevoerde gederfde inkomsten acht de officier van justitie onvoldoende onderbouwd en daarmee niet toewijsbaar.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering gelet op de bepleite vrijspraak. In geval van een bewezenverklaring dient de post gederfde inkomsten te worden afgewezen omdat die post niet is onderbouwd.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade, voor zover het betreft de reiskosten en de immateriële schade, heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De rechtbank acht deze schade voldoende onderbouwd.

De gevorderde gederfde inkomsten acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd nu het slechts een opgave is en onderliggende stukken ontbreken. Er is geen arbeidsovereenkomst overgelegd en onvoldoende is onderbouwd dat de benadeelde partij de genoemde dagen onder andere omstandigheden wel had gewerkt. De benadeelde partij zal in zoverre niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

De vordering zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van € 313,04, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 28 oktober 2017.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedings-maatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 36f, 57 en 246 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 40 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 20 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 313,04 (zegge: driehonderddertien euro en vier eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 2017.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] te betalen een bedrag van € 313,04 (zegge: driehonderddertien euro en vier eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 2017, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door gijzeling voor de duur van 6 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Dit bedrag bestaat uit € 13,04 aan materiële schade en € 300,-- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van den Steenhoven, voorzitter, mr. M.A.A. van Capelle en mr. L.E.A. Jonkers, rechters, bijgestaan door D.C. Witvoet, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 maart 2020.