Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:1099

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
11-03-2020
Zaaknummer
C/18/195153 / FA RK 19-2836
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gezagsbeëindiging. Kindermishandeling. De rechtbank en de hulpverlening kan niet met zekerheid vaststellen wie van beide ouders of dat beide ouders hun tweejarige dochter ernstig hebben mishandeld. De rechtbank ziet met de Raad aanleiding om dan te komen tot een gezagsbeëindiging van de moeder en het verzoek van de vader om (ook) het gezag uit te mogen uitoefenen af te wijzen. Hoewel het kind nog maar (ruim) een halfjaar uit huis is geplaatst, ziet de rechtbank ook geen reden voor nader onderzoek voor bijvoorbeeld een ouderschapsbeoordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2020/74 met annotatie van Graaf, J.H. de
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

Beschikking van 10 maart 2020

in de zaken met de zaak- en rekestnummers C/18/195153 / FA RK 19/2836; C/18/197585 / FA RK 20/562; C/18/197586 / JE RK 20/166

die betrekking hebben op

[minderjarige]

die geboren is op [geboortedag] 2017 in de gemeente [geboorteplaats 1],

en die hierna ''[minderjarige]'' wordt genoemd.

De rechtbank/kinderrechter wijst in deze zaken als verzoekers, belanghebbenden en/of informanten aan:

[belanghebbende 1],

die woont op een geheim, bij de rechtbank bekend adres,

en die hierna ook ''de vader'' wordt genoemd,

bijgestaan door mr. G. Meijer, advocaat te Veendam,

en

[belanghebbende 2],

die woont in Veendam,

en die hierna ook ''de moeder'' wordt genoemd,

bijgestaan door mr. M. Helmantel, advocaat te Sappemeer,

en

De Raad voor de Kinderbescherming,

regio Noord-Nederland, locatie Groningen,

die hierna ''de Raad'' wordt genoemd,

en

de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen,

die gevestigd is in Groningen,

en die hierna ''de GI'' wordt genoemd.

Het procesverloop

In de zaak met het zaak-/rekestnummer C/18/195153 / FA RK 19/2836

De procedure is ingeleid met een verzoekschrift met bijlagen van de man, dat door de rechtbank is ontvangen op 30 oktober 2019. Daarin verzoekt de man de rechtbank, verkort weergegeven, te bepalen dat hij voortaan samen met de vrouw het gezag uitoefent over [minderjarige], te bepalen dat [minderjarige] haar hoofdverblijf bij hem zal krijgen, althans dat de rechtbank een contactregeling vaststelt.

Op 13 januari 2020 heeft de rechtbank een verweerschrift met zelfstandige verzoeken van de vrouw ontvangen. Daarin concludeert de vrouw tot afwijzing van de verzoeken van de man en verzoekt zij de rechtbank, verkort weergegeven, het hoofdverblijf van [minderjarige] bij haar te bepalen en, zolang [minderjarige] nog in een pleeggezin woont, te bepalen dat zij [minderjarige] één keer per week gedurende een dagdeel (begeleid) mag zien.

Op 15 januari 2020 heeft de rechtbank deze zaak voor het eerst mondeling behandeld. Bij de mondelinge behandeling is afgesproken dat de Raad onderzoek zal doen en over dat onderzoek zal rapporteren.

Op 3 maart 2020 heeft de rechtbank een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming ontvangen.

Op 4 maart 2020 heeft de rechtbank een brief met bijlagen ontvangen van de vrouw.

Op 5 maart 2020 heeft de rechtbank brieven met bijlagen ontvangen van de man.

Op 6 maart 2020 heeft de rechtbank een brief met bijlagen ontvangen van de vrouw.

In deze zaak zijn de beide ouders belanghebbende.

In de zaak met het zaak-/rekestnummer C/18/197585 / FA RK 20/562

De procedure is ingeleid met een verzoekschrift met bijlagen van de Raad, dat de rechtbank op 6 maart 2020 heeft ontvangen. Daarin verzoekt de Raad de rechtbank, verkort weergegeven, het gezag van de moeder te beëindigen en de GI tot voogd over [minderjarige] te benoemen.

In deze zaak zijn de Raad en de moeder belanghebbende en merkt de rechtbank de vader aan als informant.

In de zaak met het zaak-/rekestnummer C/18/197586 / JE RK 20/166

De procedure is ingeleid met een verzoekschrift met bijlagen van de Raad, dat de rechtbank op 6 maart 2020 heeft ontvangen. Daarin verzoekt de Raad de kinderrechter om, als het gezag van de moeder niet wordt beëindigd, [minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI en een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen.

In deze zaak zijn de Raad en de moeder belanghebbende en merkt de kinderrechter de vader aan als informant.

In alle zaken

Op 6 maart 2020 zijn alle zaken gevoegd mondeling behandeld. Verschenen en gehoord zijn de vader, de moeder, hun advocaten en mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] die de Raad vertegenwoordigt. Tijdens de mondelinge behandeling zijn door de vader, met uitdrukkelijke instemming van de moeder, een 35-tal foto's overgelegd.

De feiten

De rechtbank kan in deze procedure van de volgende feiten uitgaan.

Uit een inmiddels verbroken affectieve relatie tussen de vader en de moeder is [minderjarige] geboren. [minderjarige] is door de vader als zijn dochter erkend. De moeder oefent over [minderjarige] het gezag uit.

De vader en de moeder hebben na hun uiteengaan afspraken gemaakt over een contactregeling tussen de vader en [minderjarige].

Op 19 juli 2019 heeft de moeder [minderjarige] bij de vader gebracht in verband met de afgesproken contactregeling. Tijdens de overdracht vertelde de moeder aan de vader dat [minderjarige] een opgezwollen oog had en een pluk haar miste, maar dat zij niet wist hoe dat kwam. De moeder heeft aan de vader verteld dat [minderjarige] zo uit haar bedje was gekomen die ochtend.

De vader heeft de huisarts ingeschakeld en een ambulance gebeld. De ambulanceverpleegkundige heeft vervolgens de politie ingeschakeld.

Er was geen medische noodzaak om [minderjarige] mee te nemen naar het ziekenhuis. De vader is met [minderjarige] naar de huisarts gegaan en de politie heeft de forensische arts van de GGD ingeschakeld voor een letselbeschrijving.

Op 20 juli 2019 is [minderjarige] gezien door een kinderarts.

Op 22 juli 2019 is door Veilig Thuis het Landelijk Expertise Centrum Kindermishandeling (hierna: het LECK) ingeschakeld.

Op 23 en 24 juli 2019 is [minderjarige] nader onderzocht in het Ommelander Ziekenhuis in Scheemda.

Op 24 juli 2019 heeft Veilig Thuis op basis van de uitkomsten van de medische onderzoeken, melding gedaan bij de politie Noord-Groningen, in verband met het vermoeden van toegebracht letsel door kindermishandeling.

Op 25 juli 2019 heeft het LECK aan Veilig Thuis advies uitgebracht. Het LECK komt tot de conclusie, samengevat weergegeven, dat sprake is van ernstig lichamelijk letsel, dat niet kan worden verklaard door één enkele krachtsinwerking en dat de vastgestelde letsels waarschijnlijker onder de hypothese toegebracht letsel dan onder de hypothese accidenteel passen.

Het onderzoek door de politie heeft geleid tot strafvervolging van de moeder.

Op 24 januari 2020 heeft de strafrechter in deze rechtbank de moeder veroordeeld wegens mishandeling, begaan tegen haar kind, gepleegd in de periode van 12 tot en met 19 juli 2019 tot een taakstraf voor de duur van tachtig uur onvoorwaardelijk, en een gevangenisstraf voor de duur van één maand voorwaardelijk.

De moeder is het met het vonnis van de strafrechter niet eens en heeft daartegen hoger beroep ingesteld. Zij vindt dat ze moet worden vrijgesproken omdat zij [minderjarige] niet heeft mishandeld.

Om te voorkomen dat [minderjarige] met spoed onder toezicht zou worden gesteld en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing zou worden verleend, heeft de moeder ingestemd met een vrijwillige uithuisplaatsing.

Op 25 juli 2019 is [minderjarige] opgenomen in een pleeggezin.

De beoordeling

Het gaat in deze zaak, samengevat weergegeven, om de vraag of de moeder, al dan niet samen met de vader, het gezag over [minderjarige] kunnen uitoefenen. Afhankelijk van de daarover te nemen beslissing, zal moeten worden bekeken waar [minderjarige] komt te wonen en of en zo ja welke kinderbeschermingsmaatregelen in dat geval moeten worden genomen. Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst het verzoek van de Raad behandelen tot gezagsbeëindiging. Dat doet de rechtbank, omdat eventuele toewijzing van dat verzoek het meest verstrekkend is. Ten aanzien van de over het gezag ingenomen standpunten en de beoordeling daarvan, wordt als volgt overwogen.

Wat verzoekt de Raad?

De Raad verzoekt de rechtbank het gezag van de moeder te beëindigen. De Raad doet dat verzoek uitsluitend ten aanzien van de moeder, omdat die op dit moment het gezag alleen uitoefent. Uit de toelichting van de Raad tijdens de mondelinge behandeling, blijkt dat wanneer de vader ook het gezag zou uitoefenen de Raad eveneens ten aanzien van hem zou hebben verzocht het gezag te beëindigen.

De Raad legt aan zijn verzoek ten grondslag, samengevat weergegeven, dat [minderjarige] bij de ouders is blootgesteld aan een chronische en ernstig verwaarloosde opvoedingssituatie waarbij zij beide niet toereikend hebben kunnen voorzien in de basisbehoeften van [minderjarige], onder meer vanwege het ontbreken van veiligheid. De Raad stelt vast dat [minderjarige] op anderhalf jarige leeftijd uit huis is geplaatst vanwege de zorgen van Veilig Thuis over aan [minderjarige] toegebracht letsel. Er zijn inmiddels veel zorgen opgekomen over de mate van stress en onveiligheid die [minderjarige] in haar jonge leven al heeft meegemaakt en de invloed daarvan op haar ontwikkeling. De Raad brengt benoemt in dit verband ook dat tijdens de onderzoeken die nodig waren om duidelijkheid te krijgen over de toedracht van het letsel, [minderjarige] zeer angstige reacties liet zien. Die reacties waren zodanig dat niet alle onderzoeken mogelijk waren. De Raad ziet zijn zorgen bevestigd in de informatie die onder meer uit het pleeggezin komt. [minderjarige] toont zich als een ondervoed kind met blauwe plekken rond haar ogen en haar schaamstreek. [minderjarige] mist ook een pluk haar. Ook tijdens huisbezoek door de Raad wordt [minderjarige] gezien als een bang meisje, met angst voor vreemden.

Hoewel [minderjarige] inmiddels ruim een halfjaar in het pleeggezin verblijft, valt nog steeds op dat haar emoties zomaar kunnen omslaan, zij op de peuterspeelzaal weinig rekening kan houden met andere kinderen, dat zij moeilijk kan luisteren, veel slaapt en ongeremd kan eten. Volgens de Raad gaat het hierbij om signalen die wijzen op verwaarlozing en mishandeling. Haar hoofd is nog steeds een gevoelige plek, ze wil bijvoorbeeld geen muts op of verkleedkleren aan. Inmiddels is duidelijk dat nader onderzoek nodig is om meer duidelijkheid te krijgen over de oorzaken en zorgen met betrekking tot de ontwikkeling van [minderjarige] en ook om vast te stellen wat ze nodig heeft om haar ontwikkeling te bevorderen.

De Raad meent dat de ouders gelet op hun belaste voorgeschiedenis en de mishandeling van [minderjarige], niet in staat zijn om binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn opvoedingsverantwoordelijkheid te dragen.

Wat vindt de moeder?

De moeder vindt dat het verzoek tot gezagsbeëindiging moet worden afgewezen. Zij ervaart dat zij ten onrechte wordt verdacht van de mishandeling van [minderjarige]. Moeder ontkent dat zij [minderjarige] heeft mishandeld. De moeder vindt het belangrijk dat zij [minderjarige] zoveel mogelijk ziet en dat [minderjarige] terugkomt bij haar. De moeder meent dat gekeken moet worden naar de mogelijkheid van een ouderschapsbeoordeling, bijvoorbeeld door een opname in "De Lariks".

Wat vindt de vader?

De vader vindt dat het gezag van de moeder moet worden beëindigd, omdat zij [minderjarige] heeft mishandeld. De vader vindt ook dat hij met het gezag moet worden belast, zodat [minderjarige] bij hem kan opgroeien.

Wat vindt de rechter?

De rechter stelt bij de beoordeling voorop dat het verzoek van de Raad zich uitsluitend richt op de moeder, omdat die op dit moment het gezag alleen uitoefent. Uit de toelichting van de Raad tijdens de mondelinge behandeling, blijkt dat wanneer de vader ook het gezag zou uitoefenen, de Raad eveneens ten aanzien van hem zou hebben verzocht het gezag te beëindigen.

De rechtbank zal daarom bij de beoordeling uitgaan van de door de Raad ter onderbouwing van zijn verzoek aangevoerde feiten en omstandigheden en beoordelen of die op zichzelf genomen ertoe zouden moeten leiden dat niet alleen het gezag van de moeder moet worden beëindigd, maar ook of die maatregel passend en geboden zou zijn geweest, wanneer de vader het gezag ook had uitgeoefend. De rechtbank acht die beoordeling van belang gelet op het verzoek van de vader om te bepalen dat hij voortaan samen met de moeder het gezag zal uitoefenen.

Uit de wet volgt1 dat de rechtbank het gezag kan beëindigen als [minderjarige] zodanig opgroeit dat zij bij het laten voortduren van dat gezag in haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, de moeder niet in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding2 te nemen, en hierin binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn geen verandering valt te verwachten. De rechtbank komt op grond van de stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken tot de volgende beoordeling.

Uit de stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat [minderjarige] een kwetsbaar en beschadigd meisje is van nu twee jaar oud. [minderjarige] woont sinds ruim een halfjaar in een pleeggezin, nadat bij haar ernstig lichamelijk letsel is vastgesteld, waarvan deskundigen zeggen dat het moet gaan om toegebracht letsel. Dat laatste betekent dat [minderjarige] door één van haar ouders of op het moment dat zij bij één van haar ouders verbleef ernstig moet zijn mishandeld. Uit de stukken blijkt dat [minderjarige] over haar hele lichaam bloeduitstortingen had, op het hoofd, op het lichaam en op haar schaamstreek. Het in de stukken beschreven letsel wordt bevestigd met de foto's die tijdens de mondelinge behandeling aan de rechter zijn gegeven. Ook blijkt dat zij een zeer grote kale plek heeft op haar hoofd, waarvan deskundigen zeggen dat die, samengevat weergegeven, met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet anders kan worden verklaard dan dat haar haar uit haar hoofd is getrokken. Volgens deskundigen kan het letsel niet worden verklaard uit één enkele krachtsinwerking.

Beide ouders ontkennen dat zij [minderjarige] hebben mishandeld. Vaststaat dat [minderjarige] in ieder geval, op het moment dat de moeder [minderjarige] bij de vader bracht, al een kale plek en een zwelling bij haar oog had. Géén van beide ouders biedt een sluitende verklaring waaruit volgt dat [minderjarige] niet is mishandeld, maar door bijvoorbeeld een ongeluk het geconstateerde letsel heeft opgelopen.

In dit verband stelt de rechter vast dat [minderjarige] in ieder geval al een deel van het vastgestelde letsel had op het moment dat [minderjarige] op 19 juli 2019 door de moeder bij de vader werd gebracht. De moeder heeft tot zover hierover (bij de politie en tijdens de mondelinge behandeling) wisselende verklaringen afgelegd en wat zij heeft verklaard kan voor het geconstateerde letsel - naar het oordeel van de deskundigen - niet tot een andere verklaring leiden dan dat het letsel is toegebracht.

Tegelijkertijd valt het de rechter op dat de vader er alles aan lijkt te hebben gedaan om direct na de overdracht van [minderjarige] op 19 juli 2019, het letsel met foto's vast te leggen. Hij heeft de foto's die hij heeft gemaakt tijdens de mondelinge behandeling aan de rechter gegeven.

Bij bestudering van die foto's, in samenhang beschouwd met wat in de stukken over het vastgestelde letsel is beschreven, valt het de rechter op dat géén foto's zijn gemaakt van letsel dat in de loop van de week volgend op de overdracht, wel is vastgesteld. Zo heeft de vader niet het door het door artsen vastgestelde letsel gefotografeerd als het gaat om bijvoorbeeld de hematomen op de binnen- en buitenzijde van de rechterbovenarm, de hematomen op haar billen, de hematoom op haar bovenbeen en bil, de hematomen op voor- en achterzijde van het lichaam en hematomen mediaal op de billen beiderzijds en op andere zachte gedeelten van het lichaam van [minderjarige]. De rechter sluit op grond van een en ander niet uit dat [minderjarige] niet alleen voorafgaand aan de overdracht op 19 juli 2019 lichamelijk is mishandeld, maar ook nadien.

Onder deze omstandigheden, dat wil zeggen dat wel duidelijk is dat sprake is van ernstig toegebracht letsel, maar niet duidelijk is wie van de beide ouders dat letsel heeft toegebracht en ook niet kan worden uitgesloten dat beide ouders [minderjarige] hebben mishandeld, is [minderjarige] bij haar ouders niet veilig.

Los en onafhankelijk van vorenbedoeld veiligheidsaspect, blijkt dat [minderjarige] ook overigens bij haar ouders te maken heeft gehad met chronische verwaarlozing in de opvoedingssituatie. Er bestaat op zijn minst gerede twijfel over de mogelijkheid van beide ouders om kinderen op te laten groeien in een opvoedingsomgeving die voldoende tegemoet komt aan pedagogische en emotionele behoeftes van jonge kinderen. In dit verband vindt de rechter het illustratief dat beide ouders alle tijd en aandacht laten uitgaan naar het elkaar beschuldigen en diskwalificeren, maar op geen enkel moment de belangen van [minderjarige] centraal weten te stellen. In dit verband valt ten aanzien van de moeder in het bijzonder op dat zij op geen enkele wijze een consistent verhaal heeft en een verklaring zoekt en/of biedt voor het ernstige letsel van [minderjarige].

Alleen al om deze redenen vindt de rechter het nodig om de veiligheid, gezondheid en positieve ontwikkeling van [minderjarige] te borgen en dat een stabiele woonomgeving voor haar wordt gezocht. Daarin kunnen de ouders niet voorzien. De rechter neemt verder in overweging dat [minderjarige] een jong kind is, dat al meer dan een halfjaar in een pleeggezin woont. In de gegeven omstandigheden kan hiervoor bij de ouders niet binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn perspectief worden gevonden. Inzet van meer of andere hulpverlening acht de rechtbank niet opportuun. Beide ouders ontkennen de door de Raad beschreven problematiek, hebben geen probleembesef of -inzicht en daardoor ook geen hulpvraag.

Daarbij is een gezichtspunt dat de aanvaardbare termijn kort is bij een kind van de leeftijd van [minderjarige]. [minderjarige] heeft gelet op haar leeftijd duidelijkheid nodig over haar toekomstperspectief.

Het is in de gegeven omstandigheden niet denkbaar dat [minderjarige] op korte termijn zou kunnen terugkeren naar de moeder, dan wel bij een wijziging van het gezag, naar de vader. Wanneer het verzoek tot de gezagsbeëindigende maatregel niet wordt toegewezen, zal [minderjarige] daarom in ieder geval voor langere tijd uit huis moeten worden geplaatst. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Raad gesteld dat dit gelet op de belangen van [minderjarige] niet verantwoord is. [minderjarige] heeft het nodig dat haar duidelijkheid wordt geboden over haar woonperspectief, zodat haar een stabiele en veilige opvoedingsomgeving kan worden geboden. Vanuit die situatie kan worden bezien wat zij nodig heeft voor haar verdere ontwikkeling.

Een en ander in onderling verband en samenhang beschouwd leidt tot de conclusie dat [minderjarige] zodanig opgroeit dat zij in haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en dat de moeder die over haar het gezag uitoefent niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, te dragen binnen een voor [minderjarige] en haar ontwikkeling aanvaardbaar te achten termijn. Evenmin kan binnen die termijn perspectief worden gevonden bij de vader.

De rechter komt daarom tot de slotsom dat de Raad terecht en op goede gronden de rechtbank heeft verzocht het gezag van de moeder te beëindigen.

Omdat de beëindiging van het gezag ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige] komt te ontbreken, moet op grond van de wet3 een voogd over haar worden benoemd. Het is in het belang van [minderjarige] dat hierin wordt voorzien door niet de pleegouders, maar een neutrale partij, zoals de GI, tot voogd te benoemen. Het daarop gerichte verzoek van de Raad zal daarom worden toegewezen.

Gelet op het voorgaande rest geen belang meer bij een behandeling en beslissing op de verzoeken die partijen over en weer hebben gedaan en evenmin bij de behandeling en beslissing op de verzoeken van de Raad om [minderjarige] onder toezicht te stellen en een machtiging tot haar uithuisplaatsing te verlenen.

Ten overvloede overweegt de rechter dat het aan de voogd is om te bepalen of en zo ja wanneer en onder welke begeleiding de ouders contact met [minderjarige] mogen hebben. Een eventueel geschil hierover kan aan de rechtbank worden voorgelegd.

De rechtbank overweegt tot slot dat het uitdrukkelijk in het belang van [minderjarige] wordt geacht dat de te nemen beslissingen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. De rechtbank ervaart dat haar belang, gediend met de te nemen beslissing, zwaarder weegt dan het belang dat wordt gediend met een schorsing van de beslissingen door het instellen van hoger beroep of een herbeoordeling van de uitvoerbaar verklaring bij voorraad in een eventueel te voeren kort geding.

Een en ander betekent voor de uitkomst van deze procedure dat de rechter de volgende beslissingen neemt.

De beslissing

De rechtbank:

beëindigt het gezag van [belanghebbende 2], geboren op [geboortedag] 1988 in [geboorteplaats 2], over [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2017 in de gemeente [geboorteplaats 1];

benoemt tot voogd over [minderjarige] de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen, gevestigd in Groningen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af wat meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. B.R. Tromp, (kinder)rechter en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat. worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden

fn: RG

1 De rechtbank kan op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) het gezag van een ouder beëindigen, indien a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of b. de ouder het gezag misbruikt.

2 Het gaat om de verantwoordelijkheid voor de zorg en opvoeding zoals bedoeld in art. 1:247 lid 2 BW.

3 Dit volgt uit art. 1:275, eerste lid, BW.