Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:1083

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
10-03-2020
Zaaknummer
18/830138-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor zes diefstallen, en het opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, meermalen gepleegd. De rechtbank heeft aan verdachte een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 342 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 157
Wetboek van Strafrecht 310
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830138-19,

ter berechting gevoegde parketnummers 18/830147-19 en 18/820210-19,

ad informandum gevoegde parketnummers 18/820256-19 en 18/157005-19

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 10 maart 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 25 februari 2020.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T.H. Westerhof-Dijkstra, advocaat te Zwolle. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Lübbers.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 09 juli 2019 te Veendam

meermalen, althans eenmaal, (telkens)

opzettelijk, in een tuin/erf behorende bij woning [straatnaam],

brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met hout en/of

planten, althans met een brandbare stof

ten gevolge waarvan dat/die hout en/of planten geheel of gedeeltelijk is/zijn

verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

en daarvan gemeen gevaar voor de in/op die/dat tuin/erf aanwezige planten

en/of goederen, onder meer een schutting, een schuur en/of voor belendende

tuin/erf en/of daar in/op aanwezige goederen en/of schutting, in elk geval

gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

en

(ter berechting gevoegd parketnummer 18/830147-19)

hij op of omstreeks 12 juli 2019 te Veendam

opzettelijk, in een tuin/erf behorende bij woning [straatnaam],

brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met hout en/of

planten, althans met een brandbare stof

ten gevolge waarvan dat/die hout en/of planten geheel of gedeeltelijk is/zijn

verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

en daarvan gemeen gevaar voor de in/op die/dat tuin/erf aanwezige planten

en/of goederen, onder meer een schutting, een schuur en/of voor belendende

tuin/erf en/of daar in/op aanwezige goederen en/of schutting, in elk geval

gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

2. ( ter berechting gevoegd parketnummer 18/830147-19)

hij in of omstreeks avond/nacht van 12 op 13 juli 2019 te Veendam

gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd,

vanaf een erf behorende bij een woning gelegen aan [straatnaam], alwaar

verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

een tuinmeubel (bank/stoelen), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte;

3. ( ter berechting gevoegd parketnummer 18/830147-19)

hij op of omstreeks 12 juli 2019 te Veendam

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in/uit winkel van [benadeelde partij 1],

gelegen aan [straatnaam]) heeft weggenomen (werk)schoenen en/of laarzen, in

elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf

[benadeelde partij 1]/[slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 12 juli 2019 te Veendam

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen

(werk)schoenen/laarzen, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf

[benadeelde partij 1]/[slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

die (werk)schoenen en/of laarzen heeft gepakt en/of (vervolgens) over een hek

heeft gegooid, in elk geval heeft klaargelegd om mee te nemen, zijnde de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

4. ( ter berechting gevoegd parketnummer 18/830147-19)

hij op of omstreeks 13 juli 2019 te Veendam

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in/uit winkel van [benadeelde partij 2],

gelegen aan [straatnaam]) heeft weggenomen een tuinslanghaspel (merk Gardena),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf

[benadeelde partij 2]/[slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte;

5. ( ter berechting gevoegd parketnummer 18/830147-19)

hij op of omstreeks 13 juli 2019 te Kropswolde, gemeente Midden-Groningen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in/uit/vanaf (rubber)boot

in jachthaven Meerwijck) heeft weggenomen buitenboordmotor, in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte;

6. ( ter berechting gevoegd parketnummer 18/820210-19)

hij in of omstreeks de periode 1 tot en met 2 juli 2019 te Wildervank,

gemeente Veendam,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (vanaf een (zeil)boot,

liggende nabij/te hoogte [straatnaam]) heeft weggenomen een buitenboordmotor

(merk/type Mercury Four Stroke), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode 1 tot en met 4 juli 2019 in de gemeente

Veendam,

een goed, te weten een buitenboordmotor (merk/type Mercury Four Stroke), heeft

verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen,

terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed

wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

7. ( ter berechting gevoegd parketnummer 18/820210-19)

hij op of omstreeks 03 juli 2019 te Zuidbroek, gemeente Midden-Groningen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (aan

nabij station staande) fiets (merk/type Johnny Loco Urban Cruiser) , in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6], in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 3 tot en met 4 juli 2019 in de gemeente(n)

Veendam en/of Midden-Groningen,

een goed, te weten een fiets (merk/type Johnny Loco Urban Cruiser), heeft

verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen,

terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed

wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft partiële vrijspraak gevorderd van de onder 1 ten laste gelegde brandstichting op 12 juli 2019, nu er onvoldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 ten laste gelegde brandstichting op 9 juli 2019 en het onder 2, 3 primair, 4, 5, 6 primair en 7 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. De officier van justitie heeft daartoe verwezen naar de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen en hetgeen verdachte ter terechtzitting heeft verklaard.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het onder 1 ten laste gelegde.

Zij heeft daartoe ten aanzien van de brand op 9 juli 2019 aangevoerd dat het gemeen gevaar voor goederen niet bewezen kan worden, nu er zich in het dossier geen technisch brandonderzoek bevindt waar het gemeen gevaar voor goederen uit kan worden afgeleid. De raadsvrouw heeft verder aangevoerd dat de politie meerdere keren langs is geweest en die keren is de brand ook door de verbalisanten niet aangemerkt als het opzettelijk brandstichten met gemeen gevaar voor goederen, omdat het niet tot ingrijpen is gekomen. De raadsvrouw heeft verder aangevoerd dat het opzet – ook in de voorwaardelijke variant – niet bewezen kan worden. Verdachte was bij de brand aanwezig en hij had een tuinslang in zijn nabijheid, waardoor niet bewezen kan worden dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de brand zou uitbreiden.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte partieel moet worden vrijgesproken van de strafverzwarende grond ‘op een besloten erf’.

Ten aanzien van het onder 3 primair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe aangevoerd dat er nog geen sprake was van een voltooide diefstal op het moment dat verdachte de werkschoenen en -laarzen over het hek heeft gegooid.

De raadsvrouw heeft geen bewijsverweer gevoerd ten aanzien van het onder 3 subsidiair, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de onder 1 ten laste gelegde brandstichting op 12 juli 2019 niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan partieel zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt dat er onvoldoende bewijs voorhanden is dat verdachte ook op 12 juli 2019 brand heeft gesticht.

De rechtbank acht het overige onder 1 ten laste gelegde en het onder 2, 3 primair, 4, 5, 6 primair en 7 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank past ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde de bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten, zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

1. De door verdachte ter zitting van 25 februari 2020 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Het klopt dat ik op 8 en 9 juli 2019 steeds heb geprobeerd om vuur te stoken. Ik heb het vuur gemaakt met hout dat ik had liggen. Het klopt dat het vuur boven de schutting uitkwam en dat de druivenbladeren verschroeid waren. De voorzitter houdt mij de foto’s uit het procesdossier voor en vraagt mij of ik vind dat ik gevaarlijk heb gehandeld. Ja, het was idioot en het had uit de hand kunnen lopen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 juli 2019, opgenomen op pagina 3 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2019178798 d.d. 10 juli 2019, inhoudend als relaas van verbalisant:

Op 8 juli 2019 zijn er vier meldingen gedaan over een brand in de tuin aan de [straatnaam] te Veendam. Hierbij hebben de collega's twee keer gewaarschuwd, een keer een proces-verbaal aangezegd en de laatste keer is de heer [verdachte] meegenomen ter beoordeling.

Op 9 juli zijn collega's [verbalisant 1] en [verbalisant 2] omstreeks 18:40 uur ter plaatse gegaan en zij zagen dat er een vuur was in de tuin van de [straatnaam] te Veendam. Collega [verbalisant 1] zag dat het vuur op dezelfde plek was al waar het gisteravond 8 juli 2019 ook was geweest. De collega's zagen dat de bladeren van de druivenplant boven het vuur bruin waren geworden. Hierop hebben zij het vuur gedoofd met veel water en hebben zij [verdachte] gewaarschuwd dat hij geen vuur meer moest maken.

Op dinsdag 9 juli 2019 omstreeks 20.25 uur kregen zij opnieuw de melding dat de bewoner van de [straatnaam] Veendam vuur aan het maken was in zijn tuin. Hierop zijn zij ter plaatse gegaan en zagen zij dat op dezelfde plek veel hout was gestapeld en dat er onder dit hout een heel klein vlammetje was. De collega's hebben hierop opnieuw [verdachte] aangesproken dat hij niet een nieuw hout stapel moet maken. Hierop hebben zij opnieuw veel water gebruikt om het vuurtje te doven.

Op dinsdag 9 juli 2019 omstreeks 21.14 uur kregen de collega's opnieuw van de

meldkamer Noord Nederland de melding te gaan naar het adres [straatnaam] in Veendam.

De collega's zijn naar de woning gegaan en zij zagen dat in de tuin tussen de schuur en een houten schutting opnieuw een vuur was.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding, met fotobijlagen, d.d. 10 juli 2019, opgenomen op pagina 7 e.v. voornoemd dossier inhoudend als relaas van verbalisanten:

Op 9 juli 2019 hebben wij de verdachte [verdachte] aangehouden. Wij verbalisanten hebben meerdere foto's gemaakt van de branden en deze zijn door ons bijgevoegd.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Om te kunnen komen tot een bewezenverklaring van brandstichting als bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht (Sr) moet allereerst worden vastgesteld of verdachte opzettelijk brand heeft gesticht. Het opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, dient gericht te zijn op de brandstichting. Het opzet hoeft niet gericht te zijn op het teweegbrengen van de in onderdeel 1°-3° van artikel 157 Sr genoemde gevolgen, zoals het hier tenlastegelegde gemeen gevaar voor goederen. Gelet op het feit dat vast is komen te staan dat verdachte bewust meerdere malen stukken hout en ander brandbaar materiaal in zijn tuin in brand heeft gestoken, komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht.

Daarnaast moet worden beoordeeld of gevaar voor goederen te duchten is geweest. Daarvoor moet komen vast te staan dat het gevaar naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was ten tijde van de brandstichting. Dat betekent dat moet worden beoordeeld of er een aanmerkelijke kans is dat het gevaar zich daadwerkelijk verwezenlijkt in objectieve zin. Het gaat dan dus niet om de subjectieve beleving van verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat uit het proces-verbaal van bevindingen, de ter terechtzitting door verdachte afgelegde verklaring - inhoudende dat de vlammen boven de heg uitkwamen - en de bij het proces-verbaal van bevindingen gevoegde foto’s volgt dat ten tijde van de brandstichting concreet gevaar te duchten is geweest voor goederen. Wanneer open vuur wordt geplaatst onder een pergola met druivenplant, in een tuin in een woonwijk en bovendien op enkele meters afstand van een houten schutting en een schuur, kan naar algemene ervaringsregels worden gesteld dat de in de nabijheid liggende goederen vlam kunnen vatten en dat het vuur vervolgens kan overslaan naar de andere goederen die zich in de nabijheid bevinden. Dat een verslag van een technisch onderzoek in het dossier ontbreekt, zoals door de verdediging is aangevoerd, doet aan het vorenstaande niet af. De rechtbank overweegt ten slotte dat het gemeen gevaar voor goederen zich ook daadwerkelijk heeft verwezenlijkt, nu uit de foto’s in het procesdossier blijkt dat de bladeren van de druivenplant als gevolg van de brand verschroeid zijn.

De rechtbank is daarom van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde, te weten het meermalen opzettelijk brandstichten omstreeks 9 juli 2019 met gemeen gevaar voor goederen, wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

1. De door verdachte ter zitting van 25 februari 2020 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik heb het tuinmeubel voor de woning van de [straatnaam] meegenomen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 13 juli 2019 opgenomen op pagina 57 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2019185498 d.d. 16 juli 2019, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1]:

Ik ben woonachtig aan de [straatnaam] te Veendam. Voor onze woning hadden wij in onze voortuin een aluminium bankje staan. Gisteren zag ik dat het bankje er nog stond. Toen ik vanmorgen, 13 juli 2019, buitenkwam, zag ik dat het bankje er niet meer stond.

De rechtbank acht op basis van bovenstaande het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen als hierna omschreven. Het door de raadsvrouw gevoerde verweer zal worden besproken bij de strafbaarheid van het bewezenverklaarde.

Ten aanzien van het onder 3 primair ten laste gelegde

1. De door verdachte ter zitting van 25 februari 2020 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik heb op 12 juli 2019 de werkschoenen en laarzen uit de [benadeelde partij 1] gepakt en daarna buiten over het bedrijfshek gegooid. Ik had het idee om de werkschoenen en laarzen vervolgens ’s nachts met een bootje op te halen. Het was de bedoeling om de werklaarzen en de laarzen te stelen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 13 juli 2019 opgenomen op pagina 26 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2019185498 d.d. 16 juli 2019, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2], namens [benadeelde partij 1]:

Ik ben bedrijfsleider bij de [benadeelde partij 1], vestiging Veendam. Sinds een drietal weken

missen wij meerdere werkschoenen en werklaarzen. Gisteren, 12 juli 2019, trof ik achter het hek van het bedrijfsterrein een paar werkschoenen en werklaarzen aan, van dezelfde merken en dezelfde maat. Deze goederen waren duidelijk afkomstig uit onze winkel.

Op basis van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank de onder 3 primair ten laste gelegde diefstal wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank is van oordeel dat, doordat verdachte de werkschoenen en -laarzen over het bedrijfshek heeft gegooid, verdachte deze heeft onttrokken aan de beschikkingsmacht van de rechthebbende, waarmee de diefstal op dat moment reeds was voltooid.

Nu verdachte het onder 4, 5, 6 primair en 7 primair ten laste gelegde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank ten aanzien van deze feiten met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Deze opgave luidt als volgt:

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 25 februari 2020;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 15 juli 2019 opgenomen op pagina 72 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2019185498 d.d. 16 juli 2019, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3], namens [benadeelde partij 2].

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 25 februari 2020;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 13 juli 2019 opgenomen op pagina 22 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 4].

Ten aanzien van het onder 6 primair ten laste gelegde

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 25 februari 2020;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 4 juli 2019 opgenomen op pagina B1 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019173360 d.d. 7 juli 2019, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 5].

Ten aanzien van het onder 7 primair ten laste gelegde

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 25 februari 2020;

2. Een internetaangifte d.d. 3 juli 2019 opgenomen op pagina B4 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 6].

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 2, 3 primair, 4, 5, 6 primair en 7 primair wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. hij omstreeks 9 juli 2019 te Veendam meermalen opzettelijk, in een tuin behorende bij de woning aan de [straatnaam], brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met hout en planten, ten gevolge waarvan dat hout en die planten geheel of gedeeltelijk zijn verbrand en daarvan gemeen gevaar voor de in die tuin aanwezige planten en goederen, onder meer een schutting, een schuur en voor de belendende tuin en daarin aanwezige goederen en schutting te duchten was.

2. hij omstreeks de nacht van 12 op 13 juli 2019 te Veendam, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, vanaf een erf behorende bij een woning gelegen aan [straatnaam], alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tuinmeubel, toebehorende aan [slachtoffer 1].

3. hij op 12 juli 2019 te Veendam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkel van [benadeelde partij 1] heeft weggenomen werkschoenen en laarzen toebehorende aan winkelbedrijf [benadeelde partij 1].

4. hij op 13 juli 2019 te Veendam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkel van [benadeelde partij 2] heeft weggenomen een tuinslanghaspel merk Gardena, toebehorende aan winkelbedrijf [benadeelde partij 2].

5. hij op 13 juli 2019 te Kropswolde, gemeente Midden-Groningen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening vanaf een rubberboot in jachthaven Meerwijck heeft weggenomen een buitenboordmotor toebehorende aan [slachtoffer 4].

6. hij omstreeks de periode 1 tot en met 2 juli 2019 te Wildervank, gemeente Veendam,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening vanaf een zeilboot,

liggende nabij [straatnaam], heeft weggenomen een buitenboordmotor merk Mercury Four Stroke toebehorende aan [slachtoffer 5].

7. hij op 3 juli 2019 te Zuidbroek, gemeente Midden-Groningen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een nabij het station staande fiets, merk Johnny Loco Urban Cruiser, toebehorende aan [slachtoffer 6].

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat de opsteller van de tenlastelegging, kennelijk de delictsomschrijving van artikel 311 lid 1 sub 3 Sr voor ogen heeft gehad, hetgeen ook blijkt uit het direct onder die tenlastelegging opgenomen wetsartikel. Vanwege het ontbreken van het bestanddeel ‘besloten’ in de delictsomschrijving, is de delictsinhoud van het genoemde wetsartikel niet vervuld. Het bewezenverklaarde kan als gevolg hiervan niet worden gekwalificeerd als het strafbare feit als bedoeld in artikel 311 lid 1 sub 3 Sr.

Een en ander betekent naar het oordeel van de rechtbank dat het bewezenverklaarde feit enkel te kwalificeren is als handelen in strijd met artikel 310 Sr.

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

1. opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, meermalen gepleegd;

2. diefstal;

3 primair. diefstal;

4. diefstal;

5. diefstal;

6 primair. diefstal;

7 primair. diefstal.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 primair, 4, 5, 6 primair en 7 primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur die verdachte reeds in voorarrest heeft gezeten. Voorts heeft de officier van justitie verzocht om aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op de leggen voor de duur van zes maanden met een proeftijd van 2 jaren, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals beschreven in het rapport van de reclassering van 17 februari 2020.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft eveneens bepleit om aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarvan het onvoorwaardelijke deel niet langer is dan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Verdachte is bereid en gemotiveerd om zich aan de door de reclassering voorgestelde bijzondere voorwaarden te houden.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de aangaande zijn persoon opgemaakte rapportages, het uittreksel uit de justitiële documentatie, de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de door verdachte erkende ad informandum gevoegde feiten zoals op de dagvaarding zijn vermeld, die hiermee zijn afgedaan.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich in een betrekkelijk korte periode schuldig gemaakt aan een reeks diefstallen. Hierdoor heeft verdachte niet alleen een inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van anderen, ook heeft hij voor schade en ergernis bij de benadeelden gezorgd en wakkert dergelijk gedrag gevoelens van onveiligheid in de samenleving aan. Verdachte heeft alleen maar gedacht aan zijn eigen financiële gewin en heeft zich kennelijk niet bekommerd om de gevolgen van dergelijke delicten voor de slachtoffers. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan brandstichting, meermalen gepleegd, door in zijn achtertuin op twee avonden maar liefst negen keer brand te stichten. Door brand te stichten in een woonwijk heeft verdachte niet alleen gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt bij omwonenden, ook heeft hij gezorgd voor reëel gevaar voor omliggende goederen. Vuur is onvoorspelbaar en om die reden zijn de gevolgen niet te overzien. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

De rechtbank heeft verder gelet op de psychologische rapportage van 24 januari 2020, opgemaakt door T.E.G.A. Oosterhof, klinisch psycholoog en psychotherapeut. De conclusie van dit rapport luidt, zakelijk weergegeven, dat bij verdachte sprake is van een stoornis in alcoholgebruik, in vroege remissie, en een stoornis in cannabisgebruik, in vroege remissie, en een stoornis in tabaksgebruik. Voorts wordt betrokkenes persoonlijkheidsstructuur gekenmerkt door een gebrekkige coping en geringe frustratietolerantie als hij onder druk komt te staan en een neiging tot non-conformisme en een egocentrische instelling. Deze problematiek was ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig; de verslavingsproblematiek was toen echter nog actueel en nog niet in remissie. Voornoemde heeft verdachtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde ten dele beïnvloed. De rechtbank wordt geadviseerd om het ten laste gelegde verdachte volledig toe te rekenen.

De rechtbank kan zich met dit advies verenigen en neemt het over. Met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte is de rechtbank van oordeel dat het bewezen verklaarde aan hem volledig kan worden toegerekend.

De reclassering adviseert in haar rapportage van 17 februari 2020 om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een drugs- en alcoholverbod, het meewerken aan dagbesteding en het meewerken aan ambulante begeleiding.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder wegens vermogensdelicten met justitie in aanraking is geweest, zij het langere tijd geleden.

Alles overziend acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf, die bij het advies van de reclassering aansluit en verder zowel een onvoorwaardelijke als een voorwaardelijke gevangenisstraf inhoudt, passend en geboden.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer 7], namens [benadeelde partij 3], tot een bedrag van € 35,76 ter zake van materiële schade vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
2. [slachtoffer 8], tot een bedrag van € 53,95 ter vergoeding van materiële schade vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 7] heeft de officier van justitie primair gevorderd om de vordering geheel toe te wijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en vermeerderd met de wettelijke rente. Indien het ontbreken van een uittreksel van de Kamer van Koophandel aan toewijzing in de weg staat, heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank, met gebruikmaking van haar schattingsbevoegdheid, de vordering geheel toewijst, onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8] heeft de officier van justitie dat de vordering geheel wordt toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en vermeerderd met de wettelijke rente.

Standpunt van de verdediging

Met betrekking tot de vordering van [slachtoffer 7] heeft de raadsvrouw bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens het ontbreken van een uittreksel van de Kamer van Koophandel.

Met betrekking tot de vordering van [slachtoffer 8] heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de vordering niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, nu uit het dossier niet is gebleken dat de lamp op de fiets kapot is gegaan door de diefstal. Verdachte is echter bereid om in een vrijwillig kader de gevorderde schade te vergoeden.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7]:

De rechtbank is van oordeel dat, ondanks het ontbreken van een uittreksel van de Kamer van Koophandel, voldoende is komen vast te staan dat de vordering, ondertekend door [slachtoffer 7], namens [benadeelde partij 3] is ingediend en dat [slachtoffer 7] bevoegd was om [benadeelde partij 3] te vertegenwoordigen. De rechtbank overweegt daartoe dat [slachtoffer 7] ook degene is geweest die aangifte heeft gedaan.

Naar het oordeel van de rechtbank is ook voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het door verdachte erkende en door de rechtbank bij de strafoplegging meegewogen ad informandum gevoegde feit. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 27 juni 2019.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8]:

De rechtbank overweegt dat door de benadeelde partij een factuur is overgelegd voor de aanschaf van een nieuwe fietslamp. Het staat vast dat de lamp van de fiets na de diefstal ontbrak. Bovendien heeft de benadeelde partij direct na ontvangst van de fiets aan de politie aangegeven dat de koplamp voor de diefstal nog aanwezig was en nu ontbrak. De rechtbank acht het aannemelijk dat de geclaimde schade door de diefstal is ontstaan. De rechtbank overweegt dat hiermee het causaal verband tussen deze schadepost en het door verdachte erkende en door de rechtbank bij de strafoplegging meegewogen ad informandum gevoegde feit vast staat. De vordering zal daarom geheel worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2019.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 157 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1, 2, 3 primair, 4, 5, 6 primair en 7 primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenis voor de duur van 342 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 180 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich meldt binnen 7 dagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland, op het adres Leonard Springerlaan 21, 9727 KB te Groningen. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

2. dat de veroordeelde geen drugs gebruikt en meewerkt aan controle op dit verbod, zolang de reclassering dat nodig acht. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd;

3. dat de veroordeelde geen alcohol gebruikt en meewerkt aan controle op dit alcoholverbod, zolang de reclassering dat nodig acht. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd. Mogelijke controlemiddelen zijn urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest);

4. dat de veroordeelde wordt verplicht mee te werken aan het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding, indien en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

5. dat de veroordeelde meewerkt aan ambulante begeleiding door Cosis Veendam of door een door de reclassering nader te bepalen organisatie, zolang de reclassering dat nodig acht. Veroordeelde houdt zich aan aanwijzingen die hem worden opgedragen door de ambulante hulpverlening.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen:

Ad informandum gevoegde feit 1

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 35,76 (zegge: vijfendertig euro en zesenzeventig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juni 2019.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 7] te betalen een bedrag van € 35,76 (zegge: vijfendertig euro en zesenzeventig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juni 2019, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door gijzeling voor de duur van 1 dag, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 7] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ad inforumandum gevoegde feit 3

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 53,95 (zegge: drieënvijftig euro en vijfennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2019.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 8] te betalen een bedrag van € 53,95 (zegge: drieënvijftig euro en vijfennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2019, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door gijzeling voor de duur van 1 dag, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 8] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schuth, voorzitter, mr. S. Timmermans en mr. C.J. Hoedt, rechters, bijgestaan door mr. S. Fokkert, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 maart 2020.

Mr. C.J. Hoedt is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.