Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:1029

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
13-03-2020
Zaaknummer
7791430 CV EXPL 19-4049
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Aanneming van werk;

niet opgeleverd;

geen ingebrekestelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 7791430 CV EXPL 19-4049

vonnis van de kantonrechter d.d. 10 maart 2020

inzake

[A] ,

handelend onder de naam [AA] ,
wonende te [woonplaats] ,

eiser,

gemachtigde: Juristu Incassodiensten B.V.,

tegen

[B] ,

handelend onder de naam [BB] ,
zaakdoende te Sexbierum,

gedaagde,

procederende in persoon.

Partijen zullen hierna [A] en [B] worden genoemd.

Procesverloop

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 12 november 2019,

  • -

    het proces-verbaal van de op 5 februari 2020 gehouden comparitie van partijen.

1.2.

Ten slotte is opnieuw vonnis bepaald.

Motivering

De feiten

2. In dit geding kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

[A] heeft in of omstreeks augustus 2018 voor [B] werkzaamheden verricht, welke betrekking hadden op het aanbrengen van (systeem)plafonds op een project te Lelystad.

Partijen hadden voordien – naar tevredenheid over en weer – zaken met elkaar gedaan. Ter zake van de uit de door [A] voor [B] te verrichten werkzaamheden voortvloeiende kosten zond [A] wekelijks een factuur, waarbij hij [B] een voorschotbedrag in rekening bracht. Nadat van een bepaald project de overeengekomen werkzaamheden waren afgerond, werden tussen partijen de daadwerkelijk daarbij gemaakte kosten afgerekend.

Voordat [A] met zijn werkzaamheden aanving, heeft overleg plaatsgehad over de voorwaarden daarvoor. Partijen hebben uiteindelijk overeenstemming bereikt over verschillende prijzen per vierkante meter.

Ook ter zake van het project te Lelystad heeft [A] [B] een voorschotfactuur gezonden. Deze was gedateerd 26 augustus 2018 en [A] bracht [B] daarbij een voorschot ad € 2.800,- in rekening. De omschrijving van de factuur luidt: "Weeknr:34". De betalingstermijn bedroeg 30 dagen.

[A] heeft de overeengekomen werkzaamheden op vorenbedoeld project niet afgerond. Nadat hij, samen met een collega, gedurende week 34 van 2018 – 20 t/m 24 augustus 2018 –werkzaamheden op het project had verricht, is [A] daarmee gestopt nadat tussen hem en de opdrachtgever van [B] een verschil van mening was ontstaan.

Vervolgens is tussen partijen – met name via Whatsapp; ook wel met behulp van e‑mailberichten – gecorrespondeerd over de gang van zaken op het project.

Onderdeel van die correspondentie is een e-mailbericht van [B] aan [A] van 1 oktober 2018, dat, voorzoveel van belang, luidt:

"Vandaag zijn wij bezig met het vervangen van de plafondplaten op de 5e verd. welke met vegen zijn aangebracht, nu zie ik tot mijn grote verbazing ook kleurverschil in de paspanelen aan de zijde van het station nu blijkt dat deze plafondplaten in tegenovergestelde richting namelijk met de sponning naar de andere zijde zijn gemonteerd. Zoals jij ook weet als plafonneur is er een bepaalde richting in de platen zie de pijlen op de achterzijde van de plaat, de paspanelen zijn met de pijl haaks op de andere platen gemonteerd en nu is er kleurverschil…. Deze platen moeten worden aangepast naar de juiste richting. Totaal 18 stuks dus 2 pak.

Ik kan niet anders dan deze kosten met jou te verrekenen op het door jullie gemonteerde plafond."

[A] heeft dat bericht diezelfde dag alsvolgt beantwoord (voorzover relevant):

"Is niet andrrs [B]

We werkten zo zuinig mogelijk

Verkeerde keuze dus

Maar verreken t maar met de factuur die je vandaag toch over ga maken"

De reactie van [B] op dat e-mailbericht is (eveneens) van 1 oktober 2018 en luidt, voorzover relevant:

"Hierbij de ruimtes verricht door jullie.

Totaal:

5e verdieping

  • -

    92,3 m2 600x600 zwart verdekt à € 13,00 € 1.199,90

  • -

    13,69 m2 600x1800 zwart DZNL à € 9,00 € 123,21

  • -

    1,55 m2 600x1800 grijs DZNL à € 9,00 € 13,95

  • -

    23 stuks sparingen à € 5,00 € 115,00

4e verdieping

13,67 m2 600x1800 zwart DZNL à € 9,00 € 123,03

Transport volgens overeenkomst: € 500,00

Steiger bouwen 5e verdieping: € 65,00

Kanthout-hoeklijn 4e verdieping € 90,00

Totaal gemonteerd: € 2.230,09

Totaal in rekening gebracht: € 2.800,00

Teveel in rekening gebracht: € 569,91

Kosten nieuwe platen in verband met met vegen en verkeerde richting aangebracht:

Rockfon Color-All Charcoal 10,8 m2 à € 30,21 = € 326,26

Transportkosten € 65,00

Montage 5 uurtjes à € 35,00 € 175,00

Totaal in mindering op het gemonteerde: € 566,26 excl.21%btw.

Totaal tegoed € 1.663,83

Nadien – nadat [A] zijn vordering ter incasso in handen had gesteld van zijn gemachtigde – heeft [B] [A] (dan wel diens gemachtigde) aangegeven:

" [AA] heeft dan ook tegoed van [BB] .

Totaal termijn-werkbon: € 2.800,00

Teveel in rekening € 569,91

Kosten [BB] € 566,26

BTW 21% € 118,92

Totaal te goed: € 1.544,91

Uiteraard gaan wij niet akkoord met incassokosten, en zullen dit bovenstaande bedrag à € 1.544,91 dinsdag 23-10-2018 overmaken op het rekeningnummer van [AA] .

(…)"

Laatstbedoeld bedrag is door [B] op 18 oktober 2018 aan [A] voldaan, echter deze heeft het daags na ontvangst ervan aan [B] terugbetaald.

Het standpunt van [A]

3.1.

vordert in dit geding de veroordeling van [B] tot betaling van een bedrag ad € 2.800,- in hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke handelsrente en met buitengerechtelijke kosten ad € 405,75. Tevens vordert [A] de veroordeling van [B] in de proceskosten, waaronder een bedrag ad € 907,50 wegens procedurekosten.

Bij repliek wijst [A] er op – daarmee tevens reagerend op het verweer van [B] – dat [B] gedurende ruim 5 weken niets van zich heeft laten horen en pas na herinnering door [A] aan de openstaande voorschotfactuur te kennen heeft gegeven dat het een en ander niet in orde was. [B] had die gebreken direct na montage van de plafonds moeten constateren.

Ter comparitie heeft [A] een nadere toelichting gegeven op de gang van zaken betreffende het project. Volgens [A] kan het juist zijn dat hij ongeveer 120 m² plafond heeft aangebracht.

Het standpunt van [B]

3.2.

heeft zich verweerd en daartoe onder meer gesteld, dat zijn opdrachtgever op 24 augustus 2018 enige opmerkingen heeft gemaakt over de kwaliteit van de door [A] verrichte werkzaamheden en over de wijze waarop met materialen werd omgegaan. [B] heeft de kwaliteit beoordeeld en dat was niet de kwaliteit die hij van [A] verwachtte. [B] heeft [A] hierop gewezen. Na het vertrek van [A] op 27 augustus 2018 is er geconstateerd dat er bepaalde werkzaamheden niet naar behoren waren uitgevoerd. [B] heeft [A] hiervan op de hoogte gesteld en hem gelegenheid geboden deze voor eigen rekening te herstellen. [A] heeft geen herstelwerkzaamheden verricht. Uiteindelijk heeft [B] zelf herstelwerkzaamheden verricht, waarvoor hij kosten heeft moeten maken. Deze kosten heeft [B] verrekend met de voorschotfactuur van [A] en het resterende bedrag ad € 1.544,91 aan [A] overgemaakt. Deze heeft dat bedrag daags daarna teruggestort.

Ter comparitie heeft [B] nog gesteld, dat [A] voor ongeveer € 2.000,- aan vierkante meters plafond heeft aangebracht en dat het daarbij om ongeveer 120 m² ging. Volgens [B] kan [A] aanspraak maken op in totaal € 2.230,- voor de plafonds, de steiger en de sparingen.

De beoordeling van het geschil

4.1.

In dit geding kan er van worden uitgegaan, dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen betreffende het verrichten van de werkzaamheden als door partijen bedoeld. Deze overeenkomst kwalificeert als een overeenkomst van aanneming van werk, waarbij [A] als onderaannemer van [B] gold.

Omdat vast staat dat [A] de door hem aangenomen werkzaamheden niet heeft voltooid, kan er tevens van worden uitgegaan dat van oplevering van het werk geen sprake is geweest.

4.2.

Vast staat voorts – want door [A] niet met zoveel woorden betwist, terwijl dit ook uit het tussen partijen gevoerde whatsapp- en e-mailverkeer kan worden afgeleid – dat er tevens sprake is geweest van het door [A] niet op de juiste wijze aanbrengen van een aantal plafondplaten.

[B] heeft in dat verband gesteld, dat hij [A] van de niet naar behoren verrichte werkzaamheden op de hoogte heeft gesteld en hem gelegenheid heeft geboden om herstelwerkzaamheden te verrichten. Kennelijk ter onderbouwing van die stelling heeft [B] de gevoerde correspondentie in het geding gebracht. Geoordeeld wordt, dat in die correspondentie wel het [A] op de hoogte stellen van gebreken, maar niet een deugdelijke ingebrekestelling kan worden gelezen, evenmin als een redelijke termijn waarbinnen [A] zijn herstelwerkzaamheden diende te verrichten.

4.3.

Uit het niet op deugdelijke wijze in gebreke stellen van [A] vloeit voort, dat [B] niet op gerechtvaardigde gronden een beroep heeft kunnen doen op verrekening van de door hem uiteindelijk gemaakte en gespecificeerde kosten van het door hem zelf verrichten van herstelwerkzaamheden. In zoverre moet dan ook aan zijn verweer worden voorbijgegaan.

4.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat [A] in totaal ongeveer 120 m² plafond heeft aangebracht. Uitgaand van de specificatie, door [B] gegeven in zijn hierboven bij de vaststaande feiten weergegeven e-mailbericht aan [A] van 1 oktober 2018, welke specificatie door [A] niet gemotiveerd is betwist, gaat het dan om, om precies te zijn, 121,21 m² in totaal. Volgens diezelfde specificatie kan [A] daarom aanspraak maken op een bedrag ad € 2.230,09 inclusief de kosten van sparingen, transport, steiger en kanthout/hoeklijn.

4.5.

De kantonrechter acht de vordering van [A] in zoverre voor toewijzing vatbaar. Dat aan het door [A] verrichte werk het een en ander mankeerde maakt dat niet anders: in dat verband is immers deugdelijke ingebrekestelling van [A] noodzakelijk. Daaromtrent is hierboven reeds overwogen dat van deugdelijke ingebrekestelling geen sprake is geweest. In zoverre dienen de door [B] kennelijk gemaakte kosten, zoals deze in vorenbedoelde specificatie zijn vermeld, dan ook voor zijn eigen rekening te blijven.

4.6.

Aan hoofdsom is dan ook toewijsbaar een bedrag ad € 2.230,09.

Daarbij kan in het midden worden gelaten of over dat bedrag btw is verschuldigd, omdat partijen daaromtrent niets, althans onvoldoende relevants hebben gesteld.

4.7.

Tegen de vorderingen tot vergoeding van rente en buitengerechtelijke kosten is door [B] niet op zelfstandige gronden enig rechtens relevant verweer gevoerd, zodat ook deze in beginsel kunnen worden toegewezen.

4.8.

De kantonrechter plaatst bij deze vorderingen evenwel de volgende kanttekening.

[A] vordert rente en buitengerechtelijke kosten over het door hem gevorderde bedrag ad € 2.800,-. Van een toewijzing over dat bedrag kan geen sprake zijn, omdat een lager bedrag aan hoofdsom wordt toegewezen dan [A] heeft gevorderd. Daar komt bij, dat [A] er, om onduidelijke redenen, voor heeft gekozen het op 18 oktober 2018 door [B] betaalde bedrag ad € 1.544,91 terug te storten. Wanneer hij dat bedrag had behouden, dan resteerde te voldoen een fors lagere hoofdsom. [A] kan daarom, naar het oordeel van de kantonrechter, niet op goede gronden rente en buitengerechtelijke kosten vorderen over een hoger bedrag dan (€ 2.230,09 – € 1.544,91 =) € 685,18. Gelet op hetgeen in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is bepaald, is daarom aan buitengerechtelijke kosten toewijsbaar een bedrag ad € 102,78.

4.9.

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom, dat toewijsbaar zijn bedragen ad € 2.230,09 ter zake van hoofdsom en € 102,78 ter zake van buitengerechtelijke kosten, ofwel in totaal € 2.332,87, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de toewijsbare hoofdsom vanaf 26 september 2018.

4.10.

Toewijzing van de door [A] bedoelde procedurekosten ad € 907,50 is niet aan de orde. De kosten van het produceren van een dagvaarding – want blijkens de bij dagvaarding overgelegde, aan [A] gerichte factuur van 19 oktober 2018 gaat het daarom – dienen te worden bestreden uit het toe te kennen bedrag aan salaris gemachtigde. [A] kan dergelijke kosten niet separaat vorderen; daartoe bestaat geen wettelijke basis.

4.11.

De uitslag van dit geding geeft de kantonrechter aanleiding om de kosten ervan aldus tussen partijen te compenseren, dat [B] van de tot op heden aan zijde van [A] gevallen kosten aan deze dient te voldoen bedragen ad € 89,68 aan explootkosten en € 231,- aan griffierecht en dat voor het overige iedere partij de eigen kosten draagt.

Beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [B] tot betaling aan [A] van een bedrag groot € 2.332,87 (zegge: tweeduizend driehonderdtweeëndertig euro en zevenentachtig cent), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 2.230,09 vanaf 26 september 2018 tot de dag der algehele voldoening;

compenseert de kosten van het geding in dier voege tussen partijen, dat [B] van de tot op heden aan zijde van [A] gevallen kosten aan deze dient te voldoen bedragen ad

€ 89,68 aan explootkosten en € 231,- aan griffierecht en dat voor het overige iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr R. Giltay, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 633