Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:1019

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
04-03-2020
Datum publicatie
13-03-2020
Zaaknummer
C/17/170824 / HA ZA 20-2
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

incident voorlopige voorziening (art 223 Rv)

procedeerverbod,

voorlopig getuigenverhoor bij andere rechtbank

bevoegdheid,

gezag van gewijsde uitspraak hof

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2020/338
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/170824 / HA ZA 20-2

Vonnis in incident van 4 maart 2020

in de zaak van

[A] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. R.J.B. Baarspul te Amsterdam,

tegen

[B] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat mr. T.C. ten Rouwelaar-Hoogland te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [A] en [B] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding tevens houdende de incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn van 24 april 2002 tot 10 oktober 2012 met elkaar gehuwd geweest. Uit het huwelijk van partijen zijn drie kinderen geboren, te weten [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] (hierna: [kind 3] ).

2.2.

[B] heeft de afgelopen jaren diverse procedures tegen [A] ingesteld.

2.3.

Bij beschikking van 29 oktober 2019 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof) beslist dat [B] wordt toegelaten om van de door hem genoemde getuigen de heer J. Heijen, [A] , mevrouw F.O. Shire en de heer N. [B] onder ede te laten horen over de volgende vragen:

 Zijn de foto's van [kind 3] zoals genomen op de bruiloft van [A] op 23 mei 2015, en ingediend door [A] bij brief van 16 juni 2015 als productie 11 en 12 in de kortgedingprocedure bij de rechtbank Midden-Nederland locatie Utrecht (393220 KG ZA 15-373) (…), op enigerlei manier gefotoshopt, in die zin dat blauwe of rode plekken, bulten of ander sporen van fysiek geweld zijn verdoezeld?

 Zijn de foto's van [kind 3] zoals genomen door [B] op 22 mei 2015, en ingediend door [B] bij zijn aangifte bij de politie op 28 mei 2015, en door hem overgelegd in dit hoger beroep als productie 22 bij akte ontvangen op 15 augustus 2019, op enigerlei manier gefotoshopt, in die zin dat sporen van fysiek geweld zijn toegevoegd?

2.4.

Het voorlopig getuigenverhoor staat op 11 maart 2020 gepland bij de rechtbank Midden Nederland, locatie Lelystad.

3 Het geschil in de hoofdzaak

3.1.

[A] vordert in de hoofdzaak, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I.I primair: [B] te verbieden om voor onbepaalde tijd, subsidiair gedurende een periode van vijf jaar, meer subsidiair gedurende een door de rechtbank te bepalen periode, enige procedure, waaronder tevens begrepen is het 'horen van de voorlopige getuigen' zoals nu gepland staat op 11 maart 2020, te starten tegen [A] dan wel door- of voort te zetten tegen haar, zulks uitvoerbaar onder lijfsdwang voor een periode van één jaar voor elke keer dat [B] het verbod overtreedt, subsidiair voor een door de rechtbank te bepalen periode, en zo nodig onder machtiging om [B] met behulp van de sterke arm in gijzeling te nemen;

I.II. subsidiair: [B] te verbieden om voor onbepaalde tijd, subsidiair gedurende een periode van vijf jaar, meer subsidiair gedurende een door de rechtbank te bepalen periode, enige procedure, waaronder tevens begrepen is het 'horen van de voorlopige getuigen' zoals nu gepland staat op 11 maart 2020, te starten tegen [A] dan wel door- of voort te zetten tegen haar, zulks op straffe van een dwangsom van € 100.000,00 per overtreding;

II. [B] in de proceskosten en de nakosten te veroordelen.

4 Het geschil in incident,

4.1.

[A] vordert bij wijze van voorlopige voorziening,

I.I primair: [B] te verbieden om tijdens de duur van het geding, enige procedure, waaronder tevens begrepen is het 'horen van de voorlopige getuigen' zoals nu gepland staat op 11 maart 2020, te starten tegen [A] dan wel door- of voort te zetten tegen haar, zulks uitvoerbaar onder lijfsdwang voor een periode van één jaar voor elke keer dat [B] het verbod overtreedt, subsidiair voor een door de rechtbank te bepalen periode, en zo nodig onder machtiging om [B] met behulp van de sterke arm in gijzeling te nemen;

I.II. subsidiair: [B] te verbieden om tijdens de duur van het geding enige procedure, waaronder tevens begrepen is het 'horen van de voorlopige getuigen' zoals nu gepland staat op 11 maart 2020, te starten tegen [A] dan wel door- of voort te zetten tegen haar, zulks op straffe van een dwangsom van € 100.000,00 per overtreding;

II. [B] in de proceskosten en de nakosten te veroordelen.

4.2.

[A] heeft - samengevat - het volgende aan haar provisionele vordering ten grondslag gelegd. Waar [B] suggereert dat hij de echtheid van de door [A] in de diverse gedingen getoonde huwelijksfoto's zoals gemaakt door Muthert wil toetsen door het horen van getuigen, weet [B] al lang dat de foto's echt zijn. Dat heeft Muthert hem als zijnde de fotograaf bij herhaling verteld. [B] heeft Muthert bewust niet als getuige opgevoerd. Het is helder dat met het horen van getuigen niets duidelijk wordt over de echtheid van de foto's. Die echtheid kan wel blijken uit een deskundigenonderzoek, maar daar wil [B] niet aan meewerken. Daarnaast blijkt uit het oordeel van het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau dat de foto's van [A] echt zijn en van welke foto het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau op verzoek van de [B] de authenticiteit heeft onderzocht.

[B] is doende met een zinloze procedure en maakt zich schuldig aan misbruik van procesrecht. Zo maakt hij ook misbruik van het systeem van gefinancierde rechtsbijstand. Het spoedeisende karakter voor [A] bij de provisionele vordering is gelegen in het feit dat zij een hevig gevecht voert tegen kanker. Daarnaast hebben de kinderen behoefte aan rust en stabiliteit.

4.3.

[B] heeft verweer gevoerd tegen de door [A] gevorderde voorlopige voorziening. Hij heeft daartoe - samengevat - het volgende aangevoerd. Het hof heeft besloten dat het voorlopige getuigenverhoor diende te worden gehouden en heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad opdracht gegeven om dit te entameren. [B] heeft hier geen invloed op gehad. Het is niet aan [B] om te bepalen dat het voorlopig getuigenverhoor geen doorgang dient te vinden en te stoppen met alle (te entameren) procedures. De rechtbank heeft namelijk op bevel van het hof een datum bepaald voor het voorlopige getuigenverhoor en aan [B] de opdracht gegeven om de betreffende, bij het hof aangegeven, getuigen op te roepen. Dat [B] reeds vele procedures tegen [A] heeft gevoerd, doet hieraan niets af. Aan [B] kan niet het recht om processen te voeren worden ontzegd, tenzij deze procedures volledig uit het niets worden gevoerd. Hiervan is geen sprake. [B] acht dit overigens ook in strijd met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, althans met zijn recht op het voeren van procedures. Thans is gebleken dat [B] , naar het oordeel van het hof, alle recht en reden kan hebben om tegen [A] diverse procedures te voeren.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in het incident

5.1.

Artikel 223 Rv biedt onder strikte voorwaarden de mogelijkheid tot het treffen van een incidentele voorziening van materiële aard. Voorwaarden zijn dat er een voorziening gevraagd wordt die slechts voor de duur van de hoofdzaak kan worden getroffen en dat de voorziening samenhangt met de vordering in de hoofdzaak. Door deze bepaling wordt de voorlopige aard van een incidentele vordering ten opzichte van de hoofdzaak benadrukt.

Het algemene vereiste dat een eisende partij belang moet hebben bij zijn vordering, gevoegd bij de beperkte werkingsduur van een voorziening op grond van artikel 223 Rv, leidt ertoe dat het belang bij de gevraagde voorziening dringend moet zijn, in die zin dat van de eisende partij niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de procedure in de hoofdzaak afwacht.

5.2.

Omdat de beoordeling van de provisionele vordering sterk is verweven met de beoordeling van de gegrondheid van de vorderingen van partijen in de hoofdzaak, en het processuele debat zich in de hoofdzaak thans nog niet volledig heeft kunnen ontwikkelen, kan de gegrondheid van de stellingen van partijen thans slechts met terughoudendheid worden beoordeeld. Het oordeel dat thans zal worden gegeven kan bovendien slechts een voorlopig oordeel zijn.

5.3.

De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat een onbelemmerde toegang tot de rechter tot de grondbeginselen van de rechtsstaat behoort. Dit betekent dat een verbod tot procederen als gevorderd slechts kan worden toegewezen onder uitzonderlijke omstandigheden, zoals wanneer evident sprake is van misbruik van bevoegdheid c.q. het systematisch onrechtmatig instellen van vorderingen, die gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan echter pas sprake zijn als de eiser (verzoeker) zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans op slagen hadden (zie bijvoorbeeld gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 augustus 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:7369).

5.4.

Voor zover de vordering ziet op het voorlopig getuigenverhoor dat op 11 maart 2020 bij de rechtbank Midden Nederland, locatie Lelystad staat gepland, overweegt de rechtbank als volgt. Nog los van de vraag of deze rechtbank de bevoegdheid heeft om het voortzetten van een lopende procedure bij de rechtbank Midden Nederland te verbieden, geldt dat de uitspraak van het hof over het voorlopig getuigenverhoor gezag van gewijsde heeft tussen partijen. In deze procedure heeft [A] in feite haar verweer tegen het houden van een voorlopig getuigenverhoor, waarover het hof reeds heeft geoordeeld, onderbouwd met aanvullende feiten.

5.5.

De rechtbank acht voorts een algeheel procedeerverbod thans een te vergaande maatregel, nu de voorgaande procedures zijn ingesteld door de voormalige advocaat van [B] en hij thans wordt bijgestaan door een andere advocaat. Bovendien zijn niet alle door [B] in het verleden ingestelde vorderingen afgewezen.

5.6.

Uit het voorgaande volgt dat de incidentele vordering zal worden afgewezen.

5.7.

[A] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het incident worden veroordeeld zoals in het dictum vermeld.

6 De beslissing

De rechtbank

in het incident

6.1.

wijst de vordering af

6.2.

veroordeelt [A] in de kosten van het incident, aan de zijde van [B] tot op heden vastgesteld op € 543,00 aan salaris gemachtigde;

6.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak

6.4.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 15 april 2020 voor conclusie van antwoord;

6.5.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Biesma en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2020.1

1 type: 611 coll: