Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:913

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
13-02-2019
Datum publicatie
11-03-2019
Zaaknummer
18.122938-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verzoek ex artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering:

Het verzoekschrift strekt tot toekenning van een vergoeding ten laste van de Staat voor de schade die is ontstaan ten gevolge van het opschorten en intrekken van het transmuraal verlof.

De vraag die voorligt is of het karakter van het intrekken van transmuraal verlof rechtvaardigt dat artikel 89 Sv analoog wordt toegepast.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met de bepalingen van artikel 89 tot en met 93 Sv een beperkte regeling voor ogen heeft gehad, waarin louter schade ten gevolge van specifieke vrijheidsbenemende dwangmiddelen voor compensatie in aanmerking komt. Onderkend wordt dat de regeling van artikel 89 Sv e.v. in sommige zaken ruimhartig wordt toegepast, al dan niet omdat redelijke wetsuitleg daartoe noopt, maar de gemene deler van die gevallen is dat de daarin aan de orde zijnde vormen van vrijheidsbeperking en -beneming zijn toegepast in het kader van voorlopige hechtenis in de strafzaak waarin de betrokken verzoeker als verdachte is aangemerkt. Het zou naar het oordeel van de rechtbank te zeer tegen de bedoeling van de wetgever indruisen om op de voet van artikel 89 Sv compensatie te bieden voor de intrekking van transmuraal verlof in het kader van de tenuitvoerlegging van een in een andere strafzaak opgelegde TBS-maatregel.

Vorenstaande leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot schending van artikel 5, eerste of vijfde lid van het EVRM.

Het voorgaande brengt mee dat de verzoeker niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2019/38
NJFS 2019/211
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

Parketnummer: 18.122938-18

Raadkamernummers: 18/005862 en 18/005863

Beschikking van de meervoudige raadkamer d.d. 13 februari 2019 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen:

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum] 1969,

verblijvende in de FPC Van Mesdagkliniek, Helperlinie 2 te 9722 AZ Groningen,

in deze woonplaats kiezende op het adres van zijn raadsman mr. R.A. Schenk,

Stadionplein 71 te 1076 CJ Amsterdam,

verzoeker.

Procesverloop

De raadsman van verzoeker heeft op 17 juli 2018 een verzoek ingediend tot vergoeding van de door verzoeker gemaakte kosten terzake het opschorten en intrekken van het transmuraal verlof, alsmede van kosten rechtsbijstand, als bedoeld in artikel 89 en 591a Wetboek van Strafvordering. Het verzoek is ter griffie van de rechtbank ontvangen op 18 juli 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken met betrekking tot de onderhavige zaak waaronder de reactie van de officier van justitie van 30 juli 2018 op het ingediende verzoekschrift.

Op 30 januari 2019 zijn de raadsman van verzoeker en de officier van justitie, mr. L. Lübbers, in openbare raadkamer op het verzoekschrift gehoord. Verzoeker is niet verschenen.

Motivering

Verzoeker verblijft in de FPC Van Mesdag in het kader van een hem door de rechtbank Rotterdam in 1998 opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging, welke maatregel tot op heden steeds is verlengd.

De FPC Van Mesdag heeft op 18 januari 2018 aangifte gedaan tegen verzoeker terzake bedreiging van een medewerkster van de FPC Van Mesdag, gepleegd op 17 januari 2018.

Het transmuraal verlof van verzoeker is als gevolg van de verdenking ingetrokken en de machtiging is komen te vervallen. Op 25 juni 2018 is de zaak wegens onvoldoende bewijs geëindigd met een sepot-beslissing.

De rechtbank heeft het verzoekschrift op 18 juli 2018 ontvangen en het is derhalve tijdig ingediend.

Standpunt van de raadsman

Verzoek ex artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering:

Het verzoekschrift strekt tot toekenning van een vergoeding ten laste van de Staat voor de schade die is ontstaan ten gevolge van het opschorten en intrekken van het transmuraal verlof van 28 januari 2018 tot en met 25 juni 2018. De raadsman heeft de rechtbank verzocht aansluiting te zoeken bij de hoogte van de schadevergoeding voor dagen die onterecht in beperkingen zijn doorgebracht, te weten € 25,- per dag.

Verzoeker heeft in genoemde periode 149 dagen in de kliniek doorgebracht zonder transmuraal verlof, waardoor de vergoeding uitkomt op 149 x € 25,- = € 3.725,00.

De raadsman heeft in dit kader ter zitting aangevoerd dat de vrijheidsbeneming die het directe gevolg is van het intrekken van het transmuraal verlof op grond van artikel 17 van de Verlofregeling TBS onder de regeling van artikel 89 Sv kan worden gerubriceerd en in de schadevergoeding betrokken kan worden. De vrijheidsbeneming heeft er immers feitelijk voor gezorgd dat verzoeker 149 dagen in de TBS-kliniek heeft moeten verblijven zonder van zijn verloven te kunnen genieten. De raadsman heeft voorts gewezen op artikel 5 EVRM, eerste en vijfde lid, inhoudende dat (1) een ieder recht heeft op vrijheid en veiligheid van zijn persoon en dat niemand zijn vrijheid mag worden ontnomen, en dat (5) een ieder die het slachtoffer is geweest van een arrestatie of een detentie in strijd met de bepalingen van dit artikel, recht heeft op schadeloosstelling. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om te beoordelen of in het onderhavige geval, gelet op alle relevante factoren (aard, duur, effecten), een vrijheidsbeneming in de zin van art. 5 EVRM aan de orde was.

Verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering:

Het verzoekschrift strekt tot het toekennen van de vergoeding van de kosten van de advocaat. Deze kosten bedragen inclusief BTW € 10.222,76.

De rechtsbijstand is niet verleend op grond van een toevoeging.

De raadsman heeft in dit kader ter zitting verwezen naar de door hem overgelegde factuur en urenspecificatie van zijn werkzaamheden inzake de door hem verleende bijstand in de strafzaak tegen verzoeker en naar de LOVS-afspraak inhoudende dat declaraties van raadslieden ten aanzien van reiskosten en reistijd in verband met de behandeling van strafzaken die zonder oplegging van straf of maatregel zijn geëindigd - tenzij deze onredelijk hoog voorkomen - integraal worden vergoed.

Daarnaast heeft de raadsman verzocht om de standaard vergoeding inclusief BTW van

€ 550,- voor het opstellen van het verzoekschrift en de behandeling ter terechtzitting.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van verzoeker in zijn verzoek ex artikel 89 Sv. Ingevolge artikel 89 Wetboek van Strafvordering (Sv) kan de rechter op verzoek van een gewezen verdachte -indien de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel- hem een vergoeding toekennen voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van de ondergane verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om artikel 89 Sv analoog toe te passen op de situatie van het verval van het (transmurale) verlof zoals omschreven in het Reglement verpleging ter beschikking gestelden (Rvt). De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hiervan geen sprake kan zijn nu de wetgever met de bepaling in artikel 89 Sv een beperkte regeling voor ogen heeft gehad waarin enkel en alleen de schade ten gevolge van limitatief opgesomde vrijheidsbenemende dwangmiddelen voor vergoeding in aanmerking komt. In het geval van verzoeker was er geen sprake van één van de in artikel 89 Sv genoemde vormen van vrijheidsbeneming.

De officier van justitie heeft zich met betrekking tot de ex artikel 591a Sv gevorderde kosten van rechtsbijstand op het standpunt gesteld dat deze dienen te worden afgewezen nu het openbaar ministerie concludeert tot niet-ontvankelijkheid van het eerdergenoemde verzoek ex artikel 89 Sv. Subsidiair heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht de vordering ex artikel 591a Sv te matigen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ten aanzien van het verzoek ex art. 89 Sv.

Ingevolge artikel 89 Sv kan de rechter op verzoek van de gewezen verdachte - indien de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel - hem een vergoeding toekennen voor de schade die hij tengevolge van ondergane verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden.

Vast staat dat de verzoeker voor de tegen hem geëntameerde strafzaak niet in verzekering gesteld is of in voorlopige hechtenis of klinische observatie heeft verbleven; er is wel aangifte tegen hem gedaan en hij is als verdachte gehoord.

De vraag die voorligt is of het karakter van het intrekken van transmuraal verlof rechtvaardigt dat artikel 89 Sv analoog wordt toegepast.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met de bepalingen van artikel 89 tot en met 93 Sv een beperkte regeling voor ogen heeft gehad, waarin louter schade ten gevolge van specifieke vrijheidsbenemende dwangmiddelen voor compensatie in aanmerking komt. Onderkend wordt dat de regeling van artikel 89 Sv e.v. in sommige zaken ruimhartig wordt toegepast, al dan niet omdat redelijke wetsuitleg daartoe noopt, maar de gemene deler van die gevallen is dat de daarin aan de orde zijnde vormen van vrijheidsbeperking en -beneming zijn toegepast in het kader van voorlopige hechtenis in de strafzaak waarin de betrokken verzoeker als verdachte is aangemerkt. Het zou naar het oordeel van de rechtbank te zeer tegen de bedoeling van de wetgever indruisen om op de voet van artikel 89 Sv compensatie te bieden voor de intrekking van transmuraal verlof in het kader van de tenuitvoerlegging van een in een andere strafzaak opgelegde TBS-maatregel.

Vorenstaande leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot schending van artikel 5, eerste of vijfde lid van het EVRM. Als in het geval van verzoeker al sprake is van schending van enig lid van dat artikel, heeft verzoeker gebruik kunnen maken van de beklagmogelijkheden die voortvloeien uit artikel 50, derde lid, artikel 56, tweede lid, aanhef en onder a, en artikel 57, derde lid, van de Beginselenwet (Bvt). Bij gegrondverklaring van het beklag kan de beklagcommissie in zo’n geval op de voet van artikel 66 van die wet - al dan niet op voorspraak van de verzoeker - een geldelijke tegemoetkoming vaststellen. Voorts staat voor de verzoeker de gang naar de civiele rechter open.

Het voorgaande brengt mee dat de verzoeker niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek.

Ten aanzien van het verzoek ex art. 591a Sv.

Er zijn geen omstandigheden die aan de ontvankelijkheid van verzoeker in zijn verzoek in de weg staan. De verzoeker is daarin dan ook ontvankelijk.

Bij de beoordeling van het verzoek wordt voorop gesteld dat de verzoeker - nu de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht - op de voet van artikel 591a juncto artikel 90 Sv in beginsel aanspraak kan maken op vergoeding van de te zijnen laste gekomen kosten voor de rechtsbijstand, voor zover daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn.

De rechtbank is van oordeel dat de door de raadsman ingediende urenspecificatie te algemeen is om te kunnen beoordelen of alle genoemde werkzaamheden zijn verricht in het kader van bijstand in de strafzaak en niet tevens met betrekking tot het intrekken van het transmuraal verlof. Laatstgenoemde werkzaamheden komen niet voor vergoeding in aanmerking. In zoverre zijn de kosten voor rechtsbijstand in de strafzaak onvoldoende specifiek aangegeven c.q. onderbouwd.

De rechtbank zal echter, alle omstandigheden in aanmerking nemende, op gronden van billijkheid aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toekennen voor de kosten van één bezoek van de raadsman aan verzoeker in de kliniek (bespreking van één uur, reistijd en reiskosten) en één uur diverse werkzaamheden (correspondentie, telefonische contacten).

Daarnaast zal de rechtbank de gemaakte kosten voor indiening van het verzoekschrift en de behandeling op de zitting toewijzen tot het standaard bedrag van € 550,-.

Het overige gevorderde bedrag aan schadevergoeding zal worden afgewezen.

Vorenstaande leidt tot de volgende berekening.

Verzoek ex art. 591a Sv:

kosten rechtsbijstand (2 uren à € 225,00) € 450,00

reistijd (retour Amsterdam-Groningen, 4 uren à € 225,00) € 900,00

reiskosten (retour Amsterdam-Groningen: 362 km x € 0,25) € 90,50

kantoorkosten (5%) € 72,03

subtotaal € 1.512,53

vermeerderd met 21% BTW € 317,63

kosten verzoekschrift € 550,00

Totaal € 2.380,16

Beslissing

De rechtbank:

Ten aanzien van het verzoek ex art. 89 Sv:

- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk.

Ten aanzien van het verzoek ex art. 591a Sv:

- stelt het bedrag van de aan verzoeker uit te keren vergoeding uit ’s Rijks kas vast op

€ 2.380,16 (zegge: tweeduizenddriehonderdtachtig euro en zestien eurocent);

- wijst het verzoek voor het overige af.

Gegeven door mr. G. Eelsing, voorzitter, mrs. R. Depping en M. van den Steenhoven, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.D. Vermeer, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van de raadkamer op 13 februari 2019.