Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:870

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
07-03-2019
Datum publicatie
07-03-2019
Zaaknummer
18/850082-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van diefstal door middel van een valse sleutel door zijn bankrekeningnummer beschikbaar te stellen aan zijn medeverdachte, die met de inlogcodes die hij via de bewindvoerder van aangeefster had verkregen, drie keer een bedrag naar de bankrekening van verdachte heeft overgeboekt.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een deels voorwaardelijke taakstraf en legt daarbij bijzondere voorwaarden op.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/850082-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 7 maart 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [straatnaam].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 21 februari 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.M. Veldman, advocaat te Breda.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T.H. Pitstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 april 2017 tot en met 18 april 2017 te Groningen, althans in de gemeente Groningen, althans elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen, (in totaal) 7.500,- euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn medeverdachte,

waarbij verdachte en/of zijn medeverdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen geldbedrag(en), althans enig goed, onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door het onbevoegd gebruik van (een combinatie van) (een) inlogcode(s), althans toegangscode(s), voor internetbankieren en/of een randomreader en/of een laptop van de bewindvoerder

van die [slachtoffer] , zijnde [medeverdachte 1] , en/of (een) bankrekeningnummer(s) van die [slachtoffer] ,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachte met gebruikmaking van die gegevens en/of voorwerpen via internetbankieren, althans via een programma voor online bankieren, (telkens) geldbedragen van de bankrekening van die [slachtoffer] overgeboekt naar verdachtes eigen bankrekening en/of de bankrekening van verdachtes medeverdachte, althans de bankrekening van een ander;

subsidiair

[medeverdachte 2] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 april 2017 tot en met 18 april 2017 te Groningen, in de gemeente Groningen, althans elders in Nederland met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen, (in totaal) 7.500,- euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen geldbedrag(en), althans enig goed, onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door het onbevoegd gebruik van (een combinatie van) (een) inlogcode(s), althans toegangscode(s), voor internetbankieren en/of een randomreader en/of een laptop van de bewindvoerder van die [slachtoffer] , zijnde [medeverdachte 1] , en/of (een) bankrekeningnummer(s) van die [slachtoffer] ,

immers heeft die [medeverdachte 2] met gebruikmaking van die gegevens en/of voorwerpen via internetbankieren, althans via een programma voor online bankieren, (telkens) geldbedragen van de bankrekening van die [slachtoffer] overgeboekt naar verdachtes bankrekening, althans de bankrekening van een ander,

tot en/of of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 april 2017 tot en met 27 april 2017, te Groningen, althans in de gemeente Groningen, althans elders in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door zijn bankrekeningnummer ter beschikking te stellen aan die [medeverdachte 2] ;

meer subsidiair

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 april 2017 tot en met 27 april 2017, te Groningen, althans in de gemeente Groningen, althans elders in Nederland, een of meer voorwerp(en), te weten een of meer geldbedragen (van in totaal) 7.500,- euro), heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van dat/die geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde. Zij heeft gesteld dat mede op basis van de bekennende verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd, kan worden bewezen dat sprake is van medeplegen. Verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 2] hebben afspraken gemaakt met betrekking tot het overboeken van het geld en verdachte wist dat het geld niet van [medeverdachte 2] was. Vervolgens heeft verdachte het geld opgestreken.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte, ondanks zijn verklaring ter terechtzitting, moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde, omdat het dossier onvoldoende steun biedt voor medeplegen. Op basis van de stukken in het dossier kan het subsidiair ten laste gelegde worden bewezen, nu verdachte zijn bankrekeningnummer ter beschikking heeft gesteld.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 21 februari 2019;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 6 september 2017, opgenomen op pagina 110 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NN2R017101-NUBBUR d.d. 1 november 2017, inhoudende de verklaring van

[slachtoffer] .

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Anders dan de raadsvrouw, acht de rechtbank op grond van de opgenomen bewijsmiddelen het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank ziet geen reden om de bekentenis die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd niet voor het bewijs te gebruiken. Verdachte heeft verklaard dat hij met medeverdachte [medeverdachte 2] heeft afgesproken dat het geld naar de rekening van verdachte zou worden overgemaakt en dat hij wist dat [medeverdachte 2] op een onrechtmatige manier aan dit geld was gekomen. Hoewel hij niet wist dat het geld van aangeefster was, wist hij wel dat het geld niet van [medeverdachte 2] was. Verdachte heeft ook ter terechtzitting verklaard, daarnaar gevraagd door de raadsvrouw, dat [medeverdachte 2] hem heeft verteld dat hij inloggegevens van een ander had waarmee hij het geld op de rekening van verdachte stortte.

Uit voornoemde gedragingen leidt de rechtbank af dat verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de diefstal van een geldbedrag van aangeefster en daarbij bewust en nauw heeft samengewerkt met [medeverdachte 2] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

primair

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 7 april 2017 tot en met 18 april 2017 te Groningen, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen in totaal 7.500,- euro, toebehorende aan [slachtoffer] ,

waarbij verdachte en zijn medeverdachte die weg te nemen geldbedragen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door het onbevoegd gebruik van een combinatie van (een) inlogcode(s) voor internetbankieren en/of een randomreader en/of een laptop van de bewindvoerder van die [slachtoffer] , zijnde [medeverdachte 1] , en een bankrekeningnummer van die [slachtoffer] , immers hebben verdachte en zijn medeverdachte met gebruikmaking van die gegevens en/of voorwerpen via internetbankieren telkens geldbedragen van de bankrekening van die [slachtoffer] overgeboekt naar verdachtes eigen bankrekening.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf van 60 uur met aftrek van voorarrest, waarvan 30 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, alsmede de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. De officier van justitie heeft daarbij de omstandigheid in aanmerking genomen dat er inmiddels een vaststellingsovereenkomst is gesloten tussen verdachte en aangeefster [slachtoffer] , waarbij een betalingsregeling is overeengekomen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, mocht de rechtbank de vordering van de benadeelde partij toewijzen, primair gepleit voor een geheel voorwaardelijke werkstraf, zodat verdachte zijn tijd kan besteden aan het zoeken van een betaalde baan. Mocht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering verklaren, heeft de raadsvrouw de rechtbank subsidiair verzocht de eis van de officier van justitie te volgen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van Reclassering Nederland, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van diefstal door middel van een valse sleutel door zijn bankrekeningnummer beschikbaar te stellen aan medeverdachte [medeverdachte 2] , die met de inlogcodes die hij via de bewindvoerder van aangeefster had verkregen, drie keer een bedrag naar de bankrekening van verdachte heeft overgeboekt. Met dit handelen heeft verdachte laten zien dat hij geen enkel respect had voor andermans goederen en eigendom en heeft hij financiële schade berokkend aan het slachtoffer.

De reclassering heeft omtrent verdachte een rapport opgemaakt, gedateerd 15 februari 2019. Uit dit rapport komt naar voren dat verdachte problemen heeft op het gebied van financiën, huisvesting, dagbesteding en sociaal netwerk. Vanwege deze problemen, het ontbreken van passende hulpverlening en het vriendschappelijke contact met medeverdachte [medeverdachte 2] , wordt het risico op herhaling als gemiddeld ingeschat. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met de bijzondere voorwaarden 'meldplicht bij de reclassering' en 'meewerken aan schuldhulpverlening'.

Alles afwegende acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden. De beslissing op de vordering van de benadeelde partij kan, gelet op de ernst van het feit, geen factor vormen bij de bepaling van de strafmaat.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 6.236,03 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de vordering kan worden toegewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair gesteld dat [slachtoffer] niet-ontvankelijk in haar vordering moet worden verklaard, omdat er een vaststellingsovereenkomst ligt en er een betalingsregeling is getroffen. Subsidiair heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht, mocht de rechtbank de vordering toewijzen, de schade op € 2.736,03 te stellen. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat de gevorderde advocaatkosten ad € 3.500,-- van de vordering moeten worden afgetrokken. Omdat verdachte zonder bijstand van een advocaat de onderhandelingen met [slachtoffer] in is gegaan, zijn deze kosten enkel in de vaststellingsovereenkomst tussen verdachte en [slachtoffer] terecht gekomen en niet in die tussen de medeverdachten en [slachtoffer] .

Oordeel van de rechtbank

[slachtoffer] en verdachte hebben in een vaststellingsovereenkomst het bedrag dat verdachte terug dient te betalen vastgesteld op € 7.500,- vermeerderd met € 3.500,- aan advocaatkosten. Zij hebben voor dit bedrag een betalingsregeling getroffen. Gebleken is dat verdachte sinds eind 2018 de betalingsregeling niet meer is nagekomen. Verdachte heeft in totaal een bedrag van € 180,- afbetaald. Daarnaast is eind december 2018 een bedrag van € 4.583,97 via het beslagbureau aan [slachtoffer] uitgekeerd. [slachtoffer] heeft gesteld dat het restantbedrag ad

€ 6.236,03 ineens opeisbaar is, omdat verdachte de getroffen betalingsregeling niet is nagekomen.

De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] en verdachte de betalingsregeling hebben getroffen ter vergoeding van de door [slachtoffer] geleden schade en gemaakte advocaatkosten. Verder stelt de rechtbank vast dat verdachte de met [slachtoffer] getroffen betalingsregeling niet stipt is nagekomen waardoor deze is komen te vervallen en het restantbedrag ineens opeisbaar is geworden. Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar tot een bedrag van € 2.736,03. De rechtbank beschikt met betrekking tot het overige deel van de vordering, te weten de advocaatkosten die door de verdediging zijn betwist, over onvoldoende informatie om de hoogte van deze geleden schade te kunnen vaststellen. Dit deel is onvoldoende onderbouwd waardoor niet eenvoudig is vast te stellen wat de relatie is met het strafbare feit. De rechtbank zal echter niet overgaan tot schorsing van het onderzoek om de hoogte van die schade alsnog te doen aantonen. Dit zal namelijk leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in het overige deel van de vordering. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedings-maatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 36f en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf, voor de duur van 60 uren.

Bepaalt dat van deze taakstraf een gedeelte, groot 30 uren, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaar, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 15 dagen zal worden toegepast.

Beveelt voorts dat, indien het mocht komen tot de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde deel van de taakstraf, vervangende hechtenis voor de duur van 15 dagen zal worden toegepast, indien de veroordeelde dat deel van de taakstraf niet naar behoren verricht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich op uitnodiging meldt bij Reclassering Nederland, Leonard Springerlaan 21 te Groningen en zich hierna blijft melden zo frequent en zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht en zich houdt aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft;

2. dat de veroordeelde meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dat inhoudt dat hij meewerkt aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP), en de reclassering inzicht geeft in zijn financiën, waaronder zijn schulden.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 2.736,03 (zegge: tweeduizend zevenhonderdzesendertig euro en drie eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 april 2017.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 2.736,03 (zegge: tweeduizend zevenhonderdzesendertig euro en drie eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 37 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 april 2017.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Jongsma, voorzitter, mr. M.J.B. Holsink en

mr. B.F. Hammerle, rechters, bijgestaan door A.W. ten Have-Imminga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 maart 2019.