Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:845

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-02-2019
Datum publicatie
06-03-2019
Zaaknummer
18/740046-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan een afpersing en diefstal met geweld in vereniging op de bezorger van shoarmazaak Shalom en zijn twee metgezellen, waarbij hij ook een verboden wapen heeft gebruikt. De overval is op professionele wijze aangepakt en was tot in detail gepland. Verdachte en zijn medeverdachten hebben doelbewust een afgelegen locatie opgezocht, vanwaar zij vervolgens een bestelling hebben geplaatst bij de betreffende shoarmazaak. Er was een duidelijke taakverdeling, waarbij verdachte en de medeverdachte wapens hebben getrokken en hiermee goederen van aangevers hebben ontvreemd. Nadat verdachte en de medeverdachte de autosleutel hadden afgeperst zijn zij er met de auto vandoor gegaan.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 77a
Wetboek van Strafrecht 77g
Wetboek van Strafrecht 77i
Wetboek van Strafrecht 77m
Wetboek van Strafrecht 77n
Wetboek van Strafrecht 77x
Wetboek van Strafrecht 77y
Wetboek van Strafrecht 77z
Wetboek van Strafrecht 77za
Wetboek van Strafrecht 77aa
Wetboek van Strafrecht 77gg
Wetboek van Strafrecht 312
Wetboek van Strafrecht 317
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/740046-18

verkort vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 28 februari 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [straatnaam].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 februari 2019.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.C. van Linde, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P.A. van der Vliet.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 14 november 2018 te Wergea, (althans) in de gemeente Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van (een) mobiele telefoon(s) en/of (een) autosleutel(s) [en/of (daarmee) een (personen)auto en/of eet- en/of drinkwaren (pizza's en/of shoarma en/of wodka en/of bier)], in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [benadeelde partij] en/of [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) (elk) een (op een) pistool/vuurwapen (gelijkend voorwerp) heeft/hebben doorgeladen en/of (vervolgens) (telkens) een (op een) pistool/vuurwapen (gelijkend voorwerp) op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft/hebben gericht en/of gericht heeft/hebben gehouden en/of (daarbij) aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft/hebben toegevoegd; "Geef je telefoon en ga op de grond liggen" en/of "Hier die autosleutel" en/of "Ga op de grond liggen, nú!" en/of "Ga liggen" en/of "Geef alles", althans woorden van gelijke (dreigende) aard of strekking;

2.

hij op of omstreeks 14 november 2018 te Wergea, (althans) in de gemeente Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (personen)auto (Audi A4) en/of een mobiele telefoon en/of een rugtasje en/of een powerbank en/of handschoenen en/of eet- en/of drinkwaren (pizza's en/of shoarma en/of wodka en/of bier), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke

bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) (elk) een (op een) pistool/vuurwapen (gelijkend voorwerp) heeft/hebben doorgeladen en/of (vervolgens) (telkens) een (op een) pistool/vuurwapen (gelijkend voorwerp) op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft/hebben gericht en/of gericht heeft/hebben gehouden en/of (daarbij) aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of S.B.M.

[slachtoffer 3] heeft/hebben toegevoegd; "Geef je telefoon en ga op de grond liggen" en/of "Hier die autosleutel" en/of "Ga op de grond liggen, nú!" en/of "Ga liggen" en/of "Geef alles", althans woorden van gelijke (dreigende) aard of strekking;

3.

hij op of omstreeks 14 november 2018 te Wergea, (althans) in de gemeente Leeuwarden,

een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gaspistool, van het merk Zoraki, type 917, kaliber 9mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard, met dien verstande dat diefstal van de auto niet bewezen kan worden verklaard. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat met het afgeven van de autosleutel, ook de macht over de auto is afgegeven. De raadsman heeft aangevoerd dat de auto daarmee is afgeperst en niet gestolen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank achter het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank past de bewijsmiddelen toe zoals die zullen worden opgenomen in de eventueel later op te maken aanvulling van dit vonnis. Deze bewijsmiddelen bevatten de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden, waarbij ieder bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts gebruikt is voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Overweging rechtbank ten aanzien van de auto

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat er geen sprake kan zijn van diefstal van de auto, omdat met het afgeven van de autosleutel ook de macht over de auto is afgegeven.

De rechtbank komt tot een ander oordeel. De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat de autosleutel door middel van afpersing is verkregen. Naar het oordeel van de rechtbank leidt dit er echter niet toe dat daarmee ook ten aanzien van de auto sprake is van afpersing. De auto stond voor het hek van het erf. Aangevers zijn het erf opgelopen om de bestelling af te leveren. Nadat aangevers niemand op het erf aantroffen liepen zij terug richting de auto. Nog voordat zij bij de auto waren aangekomen, kwamen verdachte en zijn medeverdachte met getrokken wapens tevoorschijn. Onder dreiging van de wapens hebben aangevers onder andere de autosleutel afgegeven. Anders dan de autosleutel is de auto niet onder afdreiging aan verdachte en de medeverdachte meegegeven. Verdachte en de medeverdachte hebben, nadat zij door middel van afpersing in het bezit waren gekomen van de autosleutel, daarmee de auto gestart en zijn hiermee vervolgens weggereden. Omdat de auto niet onder dwang is afgegeven maar is weggenomen, komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte en de medeverdachte de auto hebben gestolen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 14 november 2018 te Wergea, in de gemeente Leeuwarden, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon en een autosleutel en eet- en drinkwaren (pizza's en shoarma en wodka en bier), toebehorende aan [slachtoffer 1], [benadeelde partij] of [slachtoffer 4], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en zijn mededader elk een op een pistool/vuurwapen gelijkend voorwerp hebben doorgeladen en vervolgens een op een pistool/vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben gericht en gericht hebben gehouden en daarbij aan die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben toegevoegd; "Geef je telefoon en ga op de grond liggen" en "Hier die autosleutel" en "Ga op de grond liggen, nú!" en "Ga liggen" en "Geef alles", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

2.

hij op 14 november 2018 te Wergea, in de gemeente Leeuwarden, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto, Audi A4 en een rugtasje en een powerbank en handschoenen, toebehorende aan [slachtoffer 4] of [slachtoffer 1] of [slachtoffer 2], welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en zijn mededader elk een op een pistool/vuurwapen gelijkend voorwerp hebben doorgeladen en vervolgens een op een pistool/vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben gericht en gericht hebben gehouden en daarbij aan die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben toegevoegd; "Geef je telefoon en ga op de grond liggen" en "Hier die autosleutel" en "Ga op de grond liggen, nú!" en "Ga liggen" en "Geef alles", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

3.

hij op 14 november 2018 te Wergea, in de gemeente Leeuwarden, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gaspistool, van het merk Zoraki, type 917, kaliber 9mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

2. Diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

3. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 337 dagen, waarvan 300 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van het voorarrest, met daarbij de bijzondere voorwaarden een meldplicht, dagbesteding, dan wel scholing, een middelenverbod en het meewerken aan controles daarop, een contactverbod met de medeverdachten, meewerken aan diagnostiek en indien nodig behandeling, alsmede ITB Harde Kern voor de duur van één jaar en elektronisch toezicht voor de duur van maximaal zes maanden, zolang als de jeugdreclassering nodig acht. De officier van justitie heeft gevorderd de bijzondere voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd verdachte een werkstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen vervangende jeugddetentie, op te leggen. Deze werkstraf dient binnen één jaar te zijn verricht.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de eis van de officier van justitie recht doet aan de feiten. Ten aanzien van de elektronische controle heeft de raadsman aangevoerd de periode korter dan zes maanden te laten duren, waarbij de raadsman in overweging geeft deze periode maximaal drie maanden te laten duren. Ten aanzien van de duur van de maatregel ITB Harde Kern refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan een afpersing en diefstal met geweld in vereniging op de bezorger van [benadeelde partij] en zijn twee metgezellen, waarbij hij ook een verboden wapen heeft gebruikt. De overval is op professionele wijze aangepakt en was tot in detail gepland. Verdachte en zijn medeverdachten hebben doelbewust een afgelegen locatie opgezocht, vanwaar zij vervolgens een bestelling hebben geplaatst bij de betreffende shoarmazaak. Er was een duidelijke taakverdeling, waarbij verdachte en de medeverdachte wapens hebben getrokken en hiermee goederen van aangevers hebben ontvreemd. Verdachte heeft daarover verklaard: 'Voor mij was de taak de overval te plegen, de te overvallen bezorger te bedreigen, in te stappen in de te stelen auto en die weg te brengen'. Verdachte heeft verklaard dat hij schrok van het feit dat er drie personen uit de auto van de bezorger stapten, maar dit heeft hem er niet van weerhouden de overval door te zetten. Nadat verdachte en de medeverdachte de autosleutel hadden afgeperst zijn zij er met de auto vandoor gegaan. De overval heeft een diepe indruk gemaakt op de slachtoffers, zoals ook blijkt uit de door hen gegeven toelichting op de vordering of de schriftelijke slachtofferverklaring. Daarnaast veroorzaken overvallen in het algemeen angst en onrust in de samenleving. Als reactie op deze strafbare feiten is een jeugddetentie het uitgangspunt.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank de eis van de officier van justitie als uitgangspunt genomen. De ernst van de feiten rechtvaardigt oplegging van een jeugddetentie van lange duur. De rechtbank houdt echter ook rekening met de jeugdigheid van verdachte en het belang van zijn ontwikkeling voor de toekomst. De rechtbank houdt er daarnaast rekening mee dat verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.

De voorlopige hechtenis van verdachte is sinds 20 december 2018 geschorst. Sindsdien moet hij zich houden aan de voorwaarden die horen bij het traject ITB Harde Kern, waaronder elektronische controle. [medewerker 1] (hierna: [medewerker 1]) heeft namens het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid ter terechtzitting aangegeven dat het belangrijk is om verdachte nog een tijd intensief te volgen. Hij adviseert een elektronische controle voor de duur van zes maanden en de maatregel van ITB Harde Kern voor de duur van één jaar.

Namens de Raad voor de Kinderbescherming heeft [medewerker 2] ter terechtzitting aangegeven dat er veel beschermende factoren rondom verdachte zijn. Toch heeft verdachte het feit vanuit het niets gepleegd. Verdachte ziet wat de impact is en zet zich goed in. Hij bespreekt veranderingen bij afspraken en neemt daar zijn verantwoordelijkheid in. De Raad voor de Kinderbescherming ziet geen meerwaarde in het voortduren van de elektronische controle. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert de maatregel ITB Harde Kern op te leggen voor de duur van zes maanden.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het advies van [medewerker 1] namens het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid beter aansluit bij de situatie rondom verdachte dan het advies van de Raad voor de Kinderbescherming. Verdachte heeft nog maar relatief kort gefunctioneerd binnen het strakke kader van de schorsingsvoorwaarden. Bovendien vindt de rechtbank het zorgelijk dat verdachte vanuit het niets tot dergelijke ernstige delicten is gekomen. De rechtbank vindt het daarom van groot belang dat verdachte gedurende langere tijd intensieve begeleiding krijgt, zodat hij in de toekomst geen strafbare feiten meer zal plegen. Gelet op de ernst van de gepleegde strafbare (gewelds)feiten, het vastgestelde recidivegevaar en de omstandigheid dat het nog niet duidelijk is waarom verdachte “uit het niets” dergelijke strafbare feiten heeft gepleegd, zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden die zien op het voorwaardelijk deel van de jeugddetentie dadelijk uitvoerbaar verklaren. Aan de wettelijke voorwaarde daarvoor is voldaan.

Alles overwegende, oordeelt de rechtbank dat een jeugddetentie voor de duur van 337 dagen, waarvan 300 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, en daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd, alsmede een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen vervangende jeugddetentie passend is en oplegging daarvan geboden.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:


1. [slachtoffer 1], tot een bedrag van € 5.000,00 ter zake van materiële schade en € 1.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan, alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert hoofdelijke toewijzing van de gevorderde immateriële schade van € 1.000,00, alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, waarbij de jeugddetentie op 0 dagen kan worden vastgesteld. De officier van justitie vordert afwijzing van de gevorderde € 5.000,00 aan materiële schade. Zij heeft daartoe aangevoerd dat [slachtoffer 1] op 19 november 2018 heeft verklaard dat de auto niet van hem was. Mevrouw [slachtoffer 4] is als eigenaar van de auto aangeschreven als benadeelde partij en had een vordering tot schadevergoeding kunnen indienen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de gevorderde immateriële schade niet betwist. Ten aanzien van de gevorderde materiële schade heeft de raadsman aangevoerd dat uit het dossier blijkt dat [slachtoffer 1] geen eigenaar was van de auto en daarmee ook geen schade kan lijden. Uit het zich in het dossier bevindende vrijwaringsbewijs blijkt dat de auto op van 21 november 2018 is overgedragen aan [slachtoffer 1]. [slachtoffer 1] was dus op 14 november 2018, de dag waarop de diefstal plaatsvond, geen eigenaar van de auto. De overige stukken ter onderbouwing van de gestelde schade neigen naar valsheid in geschrifte.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1. en 2. bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen voor een bedrag van € 1.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 november 2018.

Ten aanzien van de gevorderde materiële schade betreffende de auto, overweegt de rechtbank dat uit het dossier blijkt dat de benadeelde partij ten tijde van de diefstal niet de eigenaar van de auto was. Uit de brief van mevrouw [slachtoffer 4], die bij de vordering is gevoegd, blijkt dat zij de auto na 14 november 2018 aan de benadeelde partij heeft verkocht. De rechtbank zal de gevorderde materiële schade om die reden afwijzen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door een of meer medeverdachten is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Omdat vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed. De vervangende jeugddetentie stelt de rechtbank op nihil.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

2. [slachtoffer 2], tot een bedrag van € 1.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan, alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, waarbij de jeugddetentie op 0 dagen kan worden vastgesteld.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld de vordering van de benadeelde partij niet te betwisten.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1. en 2. bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen voor een bedrag van € 1.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 november 2018.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door een of meer medeverdachten is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Omdat vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed. De vervangende jeugddetentie stelt de rechtbank op nihil.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.


3. [slachtoffer 3], tot een bedrag van € 1.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan, alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, waarbij de jeugddetentie op 0 dagen kan worden vastgesteld.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld de vordering van de benadeelde partij niet te betwisten.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1. en 2. bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen voor een bedrag van € 1.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 november 2018.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door een of meer medeverdachten is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Omdat vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed. De vervangende jeugddetentie stelt de rechtbank op nihil.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77za, 77aa, 77gg, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 337 dagen.

Bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 300 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als (algemene) voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich binnen 14 dagen na het onherroepelijk worden van de uitspraak meldt bij het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid op het adres Tesselschadestraat 2 te Leeuwarden en dat hij zich daarna zal blijven melden zo lang en zo frequent als deze instelling dat noodzakelijk acht;

2. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd zal meewerken aan het vinden en behouden van een passende dagbesteding in de vorm van werk en/of scholing;

3. dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het gebruik van alcohol en drugs en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan urineonderzoek;

4. dat de veroordeelde op geen enkele wijze -direct of indirect- contact zal opnemen, zoeken of hebben met:

- [naam 1], geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats];

- [naam 2], geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats];

- [naam 3], geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats];

5. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd zal meewerken aan diagnostisch onderzoek en indien daaruit volgt dat een ambulante behandeling geïndiceerd is, dat de veroordeelde zich onder ambulante behandeling zal stellen van een deskundige/zorginstelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die deskundige/zorginstelling aan te geven, waarbij hij zich moet houden aan de aanwijzingen van zijn behandelaar(s);

6. dat de veroordeelde zich gedurende maximaal de eerste zes maanden van de proeftijd, zulks ter bepaling van de jeugdreclassering, onder elektronisch toezicht zal stellen;

7. dat de veroordeelde gedurende het eerste jaar van de proeftijd in het kader van het jeugdreclasseringstoezicht zal meewerken aan de maatregel Intensieve Trajectbegeleiding Harde Kern (ITB Harde Kern), nader in te vullen door het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die maatregel door die instelling zullen worden gegeven.

Draagt de gecertificeerde instelling, te weten Regiecentrum Bescherming en Veiligheid, op toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden, waarvan de eerste zes maanden van de proeftijd in het kader van Intensieve Trajectbegeleiding Harde Kern.

Beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

En veroordeelt verdachte tot:

een werkstraf voor de duur van 200 uren. De werkstraf moet binnen 12 maanden zijn verricht.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 100 dagen zal worden toegepast.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Benadeelde partijen

[slachtoffer 1], ten aanzien van het onder 1. en 2. bewezenverklaarde

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot vergoeding van immateriële schade toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.000,00 (zegge: duizend euro), te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 14 november 2018 en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededaders van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], te betalen een bedrag van € 1.000,00 (zegge: duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 0 dagen, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededaders van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit € 1.000,00 aan immateriële schade. Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 november 2018.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

[slachtoffer 2], ten aanzien van het onder 1. en 2. bewezenverklaarde

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.000,00 (zegge: duizend euro), te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 14 november 2018 en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededaders van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], te betalen een bedrag van € 1.000,00 (zegge: duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 0 dagen, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededaders van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit € 1.000,00 aan immateriële schade. Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 november 2018.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

[slachtoffer 3], ten aanzien van het onder 1. en 2. bewezenverklaarde

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.000,00 (zegge: duizend euro), te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 14 november 2018 en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededaders van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3], te betalen een bedrag van € 1.000,00 (zegge: duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 0 dagen, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededaders van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit € 1.000,00 aan immateriële schade. Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 november 2018.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. M.J. Dijkstra en mr. N.A. Vlietstra, rechters, bijgestaan door mr. C.G. Velvis, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 februari 2019.