Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:835

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
05-03-2019
Datum publicatie
05-03-2019
Zaaknummer
18/820337-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich in de periode van 1 juli 2016 tot en met 11 augustus 2018 schuldig gemaakt aan belaging. De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Aan de voorwaardelijke straf worden algemene en bijzondere voorwaarden verbonden. Daarnaast heeft de rechtbank een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid zoals bedoeld in artikel 38v Sr opgelegd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 285b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/820337-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 5 maart 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd te Justitieel Complex Zaanstad.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 februari 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J. van Dijk, advocaat te Scheemda.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Lübbers.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2015

tot en met 11 augustus 2018, in de gemeente Groningen en/of Leeuwarden,

althans in het arrondissement Noord-Nederland, althans in Nederland,

wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders

persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , met het oogmerk

die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees

aan te jagen, immers heeft verdachte in bovengenoemde periode (telkens) (onder

meer):

- die [slachtoffer] meermalen telefonisch benaderd, en/of

- op de telefoon van die [slachtoffer] meerdere voice-mail berichten ingesproken

en/of naar de telefoon van die [slachtoffer] meerdere voice-mail berichten verzonden, en/of

- die [slachtoffer] meermalen bij/na haar optredens en/of in openbare ruimtes

(ongewenst) opgezocht en/of aangesproken, en/of

- die [slachtoffer] en/of haar ouders meermalen brieven gestuurd, en/of

- die [slachtoffer] meermalen e-mails gestuurd, en/of

- meerdere brieven en/of bloemen en/of cadeaus in [pleegplaats] , gemeente Leeuwarden, bij de woning(en) van de ouders van die [slachtoffer] afgeleverd en/of neergelegd, en/of

- zich bij de woning(en) van die [slachtoffer] en/of haar ouders opgehouden.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde belaging.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat niet de gehele ten laste gelegde periode van 1 september 2015 tot en met 11 augustus 2018 wettig en overtuigend bewezen kan worden en dat verdachte voor een deel van deze periode vrijgesproken dient te worden. De raadsman heeft daartoe het volgende aangevoerd. Het contact tussen verdachte en aangeefster was in het begin wederzijds en op momenten heeft aangeefster ook zelf het contact gezocht met verdachte, hetgeen voor hem wellicht verwarrend en moeilijk te duiden was. Verdachte heeft gehandeld vanuit wanhoop. In 2018 is het gedrag van verdachte richting aangeefster pas geëscaleerd. Hij had in Zweden geen werk en geen toekomst. Verdachte had ruzie met zijn ouders en geen familie en vrienden waar hij terecht kon. Hij zocht contact met aangeefster omdat hij dakloos was, niemand had tot wie hij zich kon wenden en hij het idee dat hij bij haar terecht kon, omdat zij hem begreep.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen en past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 19 februari 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Het klopt dat ik veelvuldig contact heb gezocht met aangeefster. Ik heb haar optredens bezocht en ik heb ook diverse cadeautjes, bloemen en brieven neergelegd bij de woning van haar ouders in [pleegplaats] .

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 7 augustus 2018, opgenomen op pagina 18 e.v. van het dossier van de politie Eenheid Noord Nederland met nummer 2018212687 d.d. 12 augustus 2018, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

Ik kan me herinneren dat we in de eerste helft van 2014, nadat ik mijn nummer aan hem had gegeven, via Facebook en telefoon contact hadden. Na een aantal keren begon het contact wat ongemakkelijk te worden. Ik heb gezegd dat ik geen contact meer wilde. Daaropvolgend heb ik alle contacten met hem verbroken en verwijderd. Daarna bleef het voor ongeveer een half jaar stil. Hij heeft daarna weer via de media en telefoon contact met mij gezocht.

Ook toen heb ik duidelijk aangegeven dat ik niet meer met hem te maken wilde hebben.

Ongeveer anderhalf jaar later werd ik door zijn ouders gebeld. Ze vertelde mij dat hij een zelfmoordpoging had gedaan. Hij gaf aan zijn ouders aan dat hij het graag met mij wilde afsluiten, maar op een aantal vragen een antwoord wilde. Na aandringen van zijn ouders heb ik toegezegd om met hem in Nederland af te spreken. Toen hebben we twee keer in een druk café afgesproken. Toen hij toenadering zocht, heb ik vervolgens gezegd dat het moest ophouden en dat ik niets van hem wilde. Hij reageerde met iets wat klonk als dat hij niet zonder mij kon en wilde vertrekken. Hij bleef toen met vlagen contact zoeken met mij.

In de periode eind 2016, begin 2017 kreeg ik een WhatsApp-bericht van mijn moeder dat er een man bij haar huis was gekomen. Zij bracht hem naar mijn vader. Hij volgde hen constant en stelde vragen over mij. Mijn vader heeft hem destijds op een rustige manier uit huis gekregen. Ik werd toen boos en ben toen naar de politie gegaan. Omdat hij mij toen cadeautjes, handgeschreven brieven en continue contact zocht met mijn ouders, ben ik

14 april 2017 weer naar het politiebureau gegaan. De politie zei dat ik een logboek moest bijhouden. In 2017 heeft hij meerdere malen geprobeerd mij op te zoeken en het is hem toen één keer gelukt bij Swingin Groningen. Toen stond hij een paar meter bij mij vandaan. Ik schrok hier enorm van. Mijn familieleden hebben mij tijdens die ontmoeting beschermd. Meerdere malen is hem medegedeeld dat hij weg moest gaan, maar hij wilde mij niet naar huis laten gaan. Het is toen de bewaking gelukt om hem op afstand van mij te houden. Verder heeft hij mij vorig jaar meerdere malen via anonieme nummers geprobeerd contact te krijgen met mij. Ik weet dat hij het was omdat ik diverse voicemails van hem heb ontvangen.

In het voorjaar van 2018 werd ik meerdere malen gebeld door een telefoonnummer van [hotel] in Groningen. Ik heb ze teruggebeld en gevraagd waarom ze mij belden. Ze gaven aan dat ze zelf niet hadden gebeld. Tot op een dag ik weer door dat zelfde nummer werd gebeld. Ik nam de telefoon op met de intentie om te vragen waarom ze mij weer belden. Tegelijkertijd hoorde ik [verdachte] iets zeggen. Ik schrok hiervan en heb gelijk opgehangen. Mijn moeder kreeg in die periode ook handgeschreven brieven van hem - zonder postzegel - in de brievenbus.

In het voorjaar van 2018 heb ik een contactpersoon gekregen van het politiebureau Rademarkt in Groningen. In juni heeft de politie in Franeker met [verdachte] gesproken. Toen was hij bij een optreden van mij. Medewerkers hebben hem toen tegengehouden en de politie gebeld. De politie heeft toen met hem gesproken, hulp aangeboden en verzocht dat hij moest stoppen. Ongeveer een week daarna heeft de politie in [pleegplaats] nogmaals met hem gesproken. Op 19 juli 2018 is het hem gelukt om oog in oog met mij te staan. Toen is hij door de politie aangehouden. Dat hij mij in het begin lastig viel, vond ik in eerste instantie niet leuk. Maar toen hij ook mijn familie erbij betrok merkte ik dat het mentaal mij enorm raakte. Vooral de laatste maanden heb ik gemerkt dat ik er mentaal en fysiek het zwaar heb gekregen. Alles bij elkaar, maakte het dat er iets brak in mij en kon ik de tranen niet meer tegenhouden. Ook merk ik dat ik sinds de laatste maanden veel te alert ben op straat en als ik iemand zie die op hem lijkt schiet de stress door mijn lichaam. Dit gebeurde ook toen ik

18 juni 2018 zijn laatste mail ontving. Ik kreeg er bijna een hypo van. Ik heb last van hypoglykemie. Ook merk ik dat mijn lichaam en spieren constant vastzitten.

Zijn gedragingen heeft in de afgelopen maanden enorm mijn werk beïnvloed. Zoals het verstoren van mijn optredens. Ik slaap er zelfs de afgelopen weken niet goed meer van.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 11 augustus 2018, opgenomen op pagina 94 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

Op 11 augustus 2018 ben ik wederom lastiggevallen door [verdachte] . Ik was samen met een vriend in [café] te Groningen. Omstreeks 01:00 uur zag ik dat [verdachte] op mij kwam aflopen. Vervolgens heb ik hem geprobeerd te ontwijken. Ik hoorde dat [verdachte] zei: 'I have nobody. I want to talk to you.' Ik zag dat hij erbij kwam zitten. Op dat moment heb ik de politie gebeld. Ik heb nog iets gezegd in de trant van: 'Please leave. I'm not interested.' Ik ben naar de toiletruimte gegaan. In mijn poging om mij te verschuilen in de toiletruimte heeft [verdachte] mij bij mijn arm gepakt. Ik heb mij losgerukt met een krachtige beweging. Ik schrok heel erg. Ik voelde dat hij hard kneep. Ik heb een bloeduitstorting aan de binnenkant van mijn rechterbovenarm.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 22 augustus 2018, los opgenomen in voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 1] :

Vorig jaar, in het voorjaar, zag ik dat er een Engelssprekende man bij mij voor de deur stond. Dit was bij mijn eigen woning in [pleegplaats] . Hij was hier gebracht door mijn ex-vrouw.

Ik hoorde de Engelssprekende man het volgende zeggen: 'I know [slachtoffer] '. Vervolgens hoorde ik hem zeggen: 'I am in love with [slachtoffer] '. Toen viel bij mij het kwartje. Ik bedacht me dat dit de man moest zijn waar [slachtoffer] constant last van had. Ik heb deze man sindsdien nog twee keer gezien. Eerst bij een optreden van [slachtoffer] in [pleegplaats] op 8 of 9 juni 2018. Hier hoorde ik hem zeggen dat hij [slachtoffer] nodig had. Ik zag dat hij ook steeds naar haar toe wilde.

Hij is uiteindelijk verwijderd door de terreinbeheerder, omdat hij vervelend was. Hierna heb ik hem ook bij een optreden van [slachtoffer] in Leeuwarden gezien. Dit was op 18 juli 2018.

Hier zag ik dat hij in een deuropening stond en op [slachtoffer] af wilde gaan. [slachtoffer] is hierdoor weggelopen. Ik weet van [slachtoffer] dat ze hem vaker tegenkomt, vrijwel altijd in de stad Groningen. In de stad Groningen zoekt hij haar bij eetgelegenheden en cafés op. Eén of twee weken geleden kwam ze hem bijvoorbeeld ook weer tegen in een restaurant. Ze had hier een date. [slachtoffer] heeft toen de politie gebeld, omdat ze bang was.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie oord-Nederland d.d. 23 augustus 2018, los opgenomen in voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 2] :

Mijn eerste ervaring met de man die [slachtoffer] lastigvalt was bij mijn eigen woning. Dit was, naar schatting, zeker twee jaar terug. Toen stond er ineens een man voor mijn deur. Ik hoorde dat deze man Engels sprak. Hij vroeg naar de vader van [slachtoffer] , mijn ex-partner. Ik heb de man hierop naar mijn ex-partner gebracht. Tijdens de rit naar mijn ex-partner hoorde ik de man zeggen dat hij eigenlijk voor [slachtoffer] kwam. Toen bedacht ik me dat dit de stalker van [slachtoffer] moest zijn.

Ik heb hem hierna zelf nog één keer gezien. Dit was bij een concert van [slachtoffer] in Leeuwarden, ongeveer half juli 2018. Ik zag dat [slachtoffer] , die toen aan het optreden was, van het podium afliep zodra zij de man zag. Ik zag dat de man naar haar toe wilde, maar werd tegengehouden door enkele mensen. Ik zag dat de man agressief werd toen hij niet naar [slachtoffer] toe kon gaan.

Ik weet dat deze man geregeld bij mijn huis komt. Hij laat dan cadeautjes achter. Dit zijn de volgende cadeautjes: bloemen, armbandje, dolfijnenbeeldje, knuffelkonijn en nogmaals bloemen. Ik weet dat hij het is, omdat hij elke keer een brief bij het cadeautje achterlaat.

De cadeautjes zijn voor [slachtoffer] , maar de brieven zijn aan mij gericht. [slachtoffer] is daadwerkelijk bang voor deze man. Ze heeft al verschillende keren 112 moeten bellen om met spoed politie te vragen.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van voornoemde bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat verdachte reeds in de periode voorafgaand aan 1 juli 2016 aangeefster heeft belaagd. De rechtbank zal dus een kortere periode dan is tenlastegelegd, bewezen verklaren.

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 1 juli 2016 tot en met 11 augustus 2018 op stelselmatige en intensieve wijze heeft geprobeerd in contact te komen met aangeefster.

De aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster zijn zodanig geweest dat van een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer sprake is geweest. De rechtbank is daarbij van oordeel dat het handelen van verdachte als wederrechtelijk is aan te merken. Aangeefster heeft herhaaldelijk aangegeven niet gediend te zijn van de handelwijze van verdachte. Aangeefster heeft zijn telefoontjes en berichten niet beantwoord en verdachte via alle social media en op haar telefoon geblokkeerd. Ook heeft de politie een stop-gesprek gevoerd met verdachte. Dit gesprek heeft verdachte er niet van weerhouden door te gaan met zijn gedragingen richting aangeefster. Dit alles met het doel om contact te zoeken met aangeefster.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

verdachte op één of meer tijdstippen in de periode van 1 juli 2016 tot en met

11 augustus 2018, in de gemeente Groningen en Leeuwarden,

wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders

persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , met het oogmerk

die [slachtoffer] , te dwingen iets te dulden, immers heeft verdachte in bovengenoemde periode telkens onder meer:

- die [slachtoffer] meermalen telefonisch benaderd, en

- op de telefoon van die [slachtoffer] meerdere voice-mail berichten ingesproken en

- die [slachtoffer] meermalen bij/na haar optredens en in openbare ruimtes ongewenst opgezocht en aangesproken, en

- die [slachtoffer] en haar ouders meermalen brieven gestuurd, en

- die [slachtoffer] meermalen e-mails gestuurd, en

- meerdere brieven en bloemen en cadeaus in [pleegplaats] , gemeente Leeuwarden, bij de woningen van de ouders van die [slachtoffer] neergelegd, en

- zich bij de woningen van de ouders van die [slachtoffer] opgehouden.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

- belaging.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden onvoorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd verdachte vrijheidsbeperkende maatregelen als bedoeld in artikel 38v, tweede lid, sub a en b van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op te leggen in de vorm van een contactverbod met zowel aangeefster [slachtoffer] als haar ouders [getuige 1] en [getuige 2] , alsmede een locatieverbod voor de gemeente Groningen en het dorp [pleegplaats] , gelegen in de gemeente Leeuwarden, voor de duur van vijf jaren. Zij heeft gevorderd deze maatregelen eveneens dadelijk uitvoerbaar te verklaren en te bepalen dat bij de 1e overtreding van één van deze maatregelen één week vervangende hechtenis wordt toegepast, bij de 2e overtreding een vervangende hechtenis van twee weken en daarna bij iedere overtreding van één van deze maatregelen telkens één maand vervangende hechtenis wordt toegepast, met een maximum van zes maanden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor oplegging van een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest en oplegging van een voorwaardelijke straf. Verdachte is bereid mee te werken aan eventueel op te leggen bijzondere voorwaarden. Verdachte heeft aangegeven dat hij wil terugkeren naar Zweden, waar hij (tijdelijk) bij zijn moeder kan verblijven totdat hij een baan en een eigen woonruimte in Zweden heeft gevonden.

De raadsman kan zich vinden in de vrijheidsbeperkende maatregel zoals gevorderd door de officier van justitie en de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan. Verdachte zal zich hier ook aan houden. Toepassing van vervangende hechtenis bij overtreding van deze maatregel acht de raadsman niet nodig, temeer nu van een voorwaardelijk op te leggen straf ook reeds een dreiging uitgaat.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van de reclassering het Leger des Heils d.d. respectievelijk 20 november 2018 en 7 februari 2019, het uittreksel uit het European Criminal Records Information System (ECRIS) Zweden d.d. 11 augustus 2018 en het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 27 november 2018, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich in de periode van 1 juli 2016 tot en met 11 augustus 2018 schuldig gemaakt aan belaging. In genoemde periode heeft verdachte aangeefster veelvuldig en op verschillende manieren, ook via haar ouders, benaderd. Daarbij heeft verdachte op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Verdachte heeft daarmee doelbewust gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt bij aangeefster.

Aangeefster heeft ter terechtzitting op indringende wijze verwoord welke impact het handelen van verdachte op haar heeft gehad. De ervaring leert dat slachtoffers van belaging veelal langdurig ernstige psychische gevolgen daarvan ondervinden en verdachte is hier volledig aan voorbij gegaan. Verdachte is ondanks meerdere waarschuwingen van aangeefster en na het stopgesprek met de politie doorgegaan met het belagen van aangeefster. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

De rechtbank heeft ook in aanmerking genomen dat verdachte zowel in Nederland als in Zweden niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van het Pro Justitia rapport d.d. 13 november 2018, opgesteld door N. van der Weegen, psycholoog. In voornoemd rapport is - onder

meer - het volgende zakelijk weergegeven:

Betrokkene lijdt aan een narcistische persoonlijkheidsstoornis en aan een depressieve stoornis. Ten tijde van het ten laste gelegde waren deze stoornissen ook aanwezig en deze stoornissen beïnvloedde destijds de gedragskeuzes en gedragingen van betrokkene. Betrokkene was en is ervan overtuigd dat aangeefster hetzelfde voor hem voelt als hij voor haar voelt. Dit wordt voor een groot deel veroorzaakt door zijn narcistische persoonlijkheidsstoornis. Betrokkene voelt zich speciaal en kan afwijzingen nauwelijks verdragen. Hij vindt verder, ook door zijn narcistische persoonlijkheidsstoornis, dat hij het recht heeft om aangeefster te benaderen, ook als zij aangeeft geen contact met hem te willen. Door zijn narcistische persoonlijkheidsstoornis acht betrokkene zijn eigen belang als veel groter dan het respecteren van de grenzen van een ander. Door de depressieve stoornis voelde en voelt betrokkene zich wanhopig. Hierdoor was en is hij nog minder geneigd de grenzen van een ander te respecteren. Daar zowel de narcistische persoonlijkheidsstoornis als de depressieve stoornis betrokkene hebben belemmerd in het maken van een andere keuze ten tijde van het tenlastegelegde, adviseert de rapporteur hem het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen. Het recidiverisico lijkt hoog te zijn.

Betrokkene zou, vanuit het oogpunt van recidivepreventie, gebaat zijn bij een ambulante psychotherapie gericht op de depressieve stoornis en op het leren omgaan met de narcistische persoonlijkheidsstoornis, waarin specifiek wordt stilgestaan bij stalking.

Geadviseerd wordt betrokkene een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen waarbij de hiervoor beschreven behandeling als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd.

De rechtbank onderschrijft de conclusies en neemt deze over.

De rechtbank heeft verder kennis genomen van de rapportages van de reclassering het Leger des Heils d.d. respectievelijk 20 november 2018 en 7 februari 2019. In voormelde rapportages is - onder meer - het volgende zakelijk weergegeven:

Betrokkene geeft inmiddels aan dat hij wil terug keren naar Zweden. Indien betrokkene na zijn vrijlating daadwerkelijk terug zal keren naar Zweden zien wij geen meerwaarde in een forensisch kader. Wij adviseren dan een straf onder de voorwaarde dat verdachte zich onthoudt van contact met aangeefster. Indien blijkt dat betrokkene alsnog in Nederland wil blijven, blijven de bijzondere voorwaarden van kracht zoals geadviseerd in de rapportage van 20 november 2018, te weten een meldplicht, ambulante behandeling, een contact- en locatieverbod en het realiseren van dagbesteding.

De rechtbank acht de eis van de officier van justitie in beginsel niet onredelijk, maar zal een lagere straf opleggen omdat zij niet de gehele ten laste gelegde periode bewezen acht en meer rekening houdt met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte en de achterliggende problematiek.

De rechtbank zal, alles afwegende, een gevangenisstraf opleggen voor de duur van twaalf maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren.

De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht zal in mindering worden gebracht.

Gelet op de rapportage van de psycholoog en de rapportages van de reclassering het Leger des Heils is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd in voornoemde rapportage van de reclassering het Leger des Heils d.d.

20 november 2018, nodig is om het gedrag van verdachte te beïnvloeden en de kans op herhaling in te perken. Verdachte is, ook indien hij terug zal keren naar Zweden, gebaat bij een ambulante behandeltraject.

Voorts is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid zoals bedoeld in artikel 38v Sr noodzakelijk is om te voorkomen dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen jegens . De rechtbank zal aan verdachte opleggen:

- een contactverbod, dat verdachte zich onthoudt van direct en indirect contact met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] , [getuige 1] , geboren op [geboortedatum] 1957 te [geboorteplaats] , en [getuige 2] , geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats] .

- een locatieverbod, dat verdachte zich niet zal ophouden in de gemeente Groningen en in het dorp [pleegplaats] , gelegen in de gemeente Leeuwarden.

De maatregel zal worden opgelegd voor de duur van vijf jaren. De rechtbank zal bepalen dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van twee weken, met een totale duur van ten hoogste zes maanden.

De rechtbank zal de dadelijke uitvoerbaarheid van voornoemde maatregel bevelen, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens aangeefster en haar ouders.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 1.729,- ter vergoeding van materiële schade en € 1.500,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] voldoende onderbouwd en volledig toewijsbaar, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman verzet zich niet tegen de gevorderde advocaatkosten van € 143,-.

Met betrekking tot de gevorderde kosten van de EMDR behandeling van € 950,- merkt de raadsman op dat deze kosten ook door de ziektekostenverzekering van de benadeelde partij kunnen worden vergoed. De gevorderde kosten van de personal trainer acht de raadsman overbodig, nu de benadeelde partij ook op eigen gelegenheid - zonder personal trainer - op kickboksen had kunnen gaan, zodat voornoemde gevorderde kosten moeten worden afgewezen. Voorts acht de raadsman de gevorderde immateriële schade - nu er in het onderhavig geval geen geweld is gebruikt - niet passend, zodat de benadeelde partij wat deze kosten betreft, niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde.

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op materiële schade zijnde kosten van de EMDR behandeling van € 950,- en de kosten van de personal trainer van € 636,- is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd.

De benadeelde partij heeft ter terechtzitting aangegeven dat zij de gevorderde kosten van de EMDR behandeling van € 950,- niet ter vergoeding heeft voorgelegd aan haar verzekeraar. De rechtbank acht deze kosten toewijsbaar, nu verdachte - degene die de schade heeft veroorzaakt - niet aan zijn verplichting tot vergoeding van de schade dient te ontkomen en daarvan dient te profiteren, doordat de door hem veroorzaakte schade eventueel kan worden vergoed door de verzekeraar van de benadeelde partij.

De gevorderde kosten van de personal trainer van € 636,- (24 x een 30 minuten durende training) acht de rechtbank billijk en daarom ook toewijsbaar.

Voor wat betreft de immateriële schade acht de rechtbank de vordering naar redelijkheid en billijkheid toewijsbaar tot een bedrag van € 1.000,-, gelet op de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van de benadeelde partij.

Voor wat betreft de gevorderde advocaatkosten, de hoogte van de eigen bijdrage van € 143,-, overweegt de rechtbank dat voor toewijzing van een vordering tot schadevergoeding als bedoeld in art. 51f, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) alleen die schade in aanmerking komt die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit. De kosten van rechtsbijstand zijn niet als zodanige rechtstreekse schade aan te merken. Dat brengt mee dat dergelijke kosten ook niet in aanmerking kunnen worden genomen bij de oplegging van schadevergoedingsmaatregel. Nu de benadeelde partij dergelijke proceskosten als onderdeel van de schade in de zin van art. 51f Sv heeft gevorderd, dient zij in zoverre in die vordering

niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Door een benadeelde partij gemaakte kosten voor rechtsbijstand zijn te rekenen tot de proceskosten in de zin van artikel 592a Sv, zie Hoge Raad 4 december 2018

(ECLI:NL:HR:2018:2233).

De gevorderde advocaatkosten, de hoogte van de eigen bijdrage van € 143,-, zijn door verdachte niet betwist. De rechtbank zal daarom verdachte veroordelen in de proceskosten door de benadeelde partij [slachtoffer] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op € 143.

De rechtbank zal gelet op het vorenstaande de vordering tot een bedrag van totaal € 2.586,- toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf

11 augustus 2018. Het overige gedeelte van de vordering zal de rechtbank niet ontvankelijk verklaren. Voor zover dit deel van de vordering ziet op de immateriële schade, kan dit deel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag van € 2.586,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden, met uitzondering van voornoemde proceskosten, aangezien die volgens vaste rechtspraak niet kunnen worden betrokken bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 38v, 38w en 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf (een gedeelte, groot 3 maanden), niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich binnen drie werkdagen na het onherroepelijk worden van de uitspraak meldt bij Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering op het adres Weesperzijde 70, 1091 EH te Amsterdam, op de wijze als door de reclassering aan te geven, zo vaak en zo lang de reclassering dit nodig acht;

2. dat de veroordeelde zich laat behandelen door de forensische polikliniek De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de (huis)regels en de aanwijzingen die de veroordeelde in het kader van die behandeling door of namens de zorgverlener zullen worden gegeven;

3. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan het verkrijgen van een dagbesteding en het behouden ervan.

Draagt voorgenoemde gecertificeerde reclasseringsinstelling op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan de duur van de aan verdachte onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Legt aan de veroordeelde op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid, zoals bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, en beveelt dat de veroordeelde voor de duur van 5 jaren:

- zich onthoudt van direct en indirect contact met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] , [getuige 1] , geboren op [geboortedatum] 1957 te [geboorteplaats] , en [getuige 2] , geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats] ;

- zich niet zal ophouden in de gemeente Groningen en in het dorp [pleegplaats] , gelegen in de gemeente Leeuwarden.

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van de vervangende hechtenis bedraagt twee weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van

€ 2.586,- (zegge: tweeduizend vijfhonderdzesentachtig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2018.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is. Voor zover dit deel van de vordering ziet op de immateriële schade, kan dit deel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] te betalen een bedrag van € 2.586,- (zegge: tweeduizend vijfhonderdzesentachtig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2018, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 35 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Dit bedrag bestaat uit € 1.586,- aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [slachtoffer] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op € 143, - (zegge honderddrieënveertig euro).

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M. Wolters, voorzitter, mr. G. Eelsing en mr. J.N.M. Blom, rechters, bijgestaan door mr. H. Wachtmeester-Koning, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 maart 2019.

Mr. J.N.M. Blom is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.