Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:825

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
02-01-2019
Datum publicatie
05-03-2019
Zaaknummer
18/820414-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor diefstal. De rechtbank heeft aan verdachte de ISD-maatregel opgelegd voor de duur van twee jaren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 310
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

Parketnummer 18/820414-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 2 januari 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd te P.I. Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 december 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.G.E. Klatter, advocaat te Veendam.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E.J. Heus.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 oktober 2018, te Groningen, althans in de gemeente

Groningen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een

bouwmarkt aan de [straatnaam] heeft weggenomen een accuboormachine

en/of een lader en/of twee, althans een accu('s), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van het bewijs geen verweer gevoerd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte het tenlastegelegde feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 19 december 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 18 oktober 2018, opgenomen op pagina 3 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0l00-2018275886 d.d. 19 oktober 2018, inhoudend de verklaring van [getuige] ;

3. een schriftelijk stuk, te weten een landelijk aangifteformulier winkeldiefstal, opgenomen op pagina 5 e.v. van voornoemd dossier en ondertekend door [getuige] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 18 oktober 2018 te Groningen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een bouwmarkt aan de [straatnaam] heeft weggenomen een accuboormachine, een lader en twee accu’s, toebehorende aan [benadeelde partij] .

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Motivering van de maatregel

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna ook: ISD) voor de duur van twee jaren. De officier van justitie heeft zich niet verzet tegen een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel na 12 maanden.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair gepleit voor oplegging van een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest met daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf, dan wel een voorwaardelijke ISD-maatregel als stok achter de deur om verdachte te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de ISD-maatregel een zware maatregel is, die gelet op de geringe ernst van het feit niet passend is. Subsidiair heeft zij verzocht de ISD-maatregel voor de duur van twee jaren op te leggen, waarbij de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering gebracht dient te worden. De raadsvrouw heeft daarbij verzocht om na 12 maanden een tussentijdse toetsing van de ISD-maatregel te bepalen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opleggen. Verdachte voldoet aan de voorwaarden voor het opleggen van de ISD-maatregel, zoals gesteld in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht. Het door verdachte begane feit betreft een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, verdachte is in de vijf jaren voorafgaand aan dit misdrijf ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf veroordeeld en het feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Voorts moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan, en de veiligheid van personen of goederen eist het opleggen van de maatregel.

De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen het advies dat op 3 december 2018 is uitgebracht door Reclassering Nederland onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog. De reclassering acht op basis van trajecten uit het verleden en het gedrag dat voortkomt uit de verslavingsproblematiek van verdachte een fors kader nodig om tot gedragsverandering te komen. De kans op een terugval in middelengebruik blijft aanwezig omdat de verslaving een grote rol speelt in het leven van verdachte. De reclassering adviseert een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. In het ISD-kader kan verdachte langdurige en passende verslavingsbehandeling geboden worden. Daarnaast kan hij ook middels dit kader direct uit zijn verslaving gehaald worden wanneer hij terugvalt in het gebruik van middelen.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank oplegging van de maatregel geboden ter beveiliging van de maatschappij en ter beëindiging van de recidive van verdachte. De rechtbank zal, in aanmerking genomen de ernst van de verslaving van verdachte en zijn grote wens om van zijn verslaving af te komen, de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen. Om de maximale termijn van twee jaren optimaal te kunnen benutten zal de rechtbank geen aftrek toepassen van het door verdachte ondergane voorarrest. Hierbij heeft de rechtbank tevens meegewogen dat verdachte al eerder is gediagnosticeerd, zodat de overgang naar transmurale begeleiding binnen relatief korte tijd kan plaatsvinden. De rechtbank zal het verzoek van de raadsvrouw van verdachte honoreren en bepalen dat de noodzaak van voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel twaalf maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel dient te worden beoordeeld.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 38m, 38n, 38s en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.

Beslist tot een beoordeling na één jaar na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Baluah, voorzitter, mr. R.B.M. Keurentjes en

mr. P.H.M. Smeets, rechters, bijgestaan door mr. S. Fokkert, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 januari 2019

Mr. R. Baluah is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.