Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:822

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
14-02-2019
Datum publicatie
04-03-2019
Zaaknummer
18/820369-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor opzetheling, diefstal met braak, het medeplegen van diefstal met geweld en tot slot voor diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel. De rechtbank heeft aan verdachte een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 20 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 311
Wetboek van Strafrecht 312
Wetboek van Strafrecht 416
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/820369-18

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/830267-18

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/820355-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 14 februari 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

thans gedetineerd te P.I. Leeuwarden, Holstmeerweg 7.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van

31 januari 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.T. Huisman, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. N. Tromp.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, ten laste gelegd dat:

parketnummer 18/820369-18

1.

hij in of omstreeks de periode van 5 september 2018 tot en met 6 september

2018, te Groningen, althans in de gemeente Groningen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een personenauto, merk:

Volkswagen, type Golf, kenteken [kenteken] , staande/geparkeerd aan de

[straatnaam] , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1]

, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 5 september 2018 tot en met 11 september

2018, te Groningen, althans in de gemeente Groningen, althans in Nederland,

een goed, te weten een personenauto, merk: Volkswagen, type Golf, kenteken

[kenteken] , heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen,

terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed

wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf

verkregen goed betrof;

2.

hij op of omstreeks 8 september 2018, te Groningen, althans in de gemeente

Groningen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een restaurant/pand aan

de [straatnaam] heeft weggenomen een I-pad en/of een laptop/Macbook, in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , althans aan een

ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot genoemd

restaurant/pand heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen I-pad en/of

die/dat laptop/Macbook onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door

middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

parketnummer 18/830267-18

1.

hij op of omstreeks 28 augustus 2018, te Groningen, althans in de gemeente

Groningen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

op de openbare weg, te weten de Steentilstraat, met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een portemonnee en/of een

hoeveelheid geld en/of een rijbewijs en/of een kentekenbewijs en/of een

id-kaart en/of een OV-chipkaart en/of twee, althans een bankpas(sen), in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

tegen genoemde [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te

bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan

zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken,

hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) die

[slachtoffer 3] heeft/hebben aangeduwd en/of ten val heeft/hebben gebracht;

2.

hij op of omstreeks 28 augustus 2018, te Groningen, althans in de gemeente

Groningen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen,

een hoeveelheid geld, te weten 13.80 euro, in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s)

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) dat weg te nemen geld onder zijn/hun

bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een

bankpas die door misdrijf was verkregen;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 28 augustus 2018, te Groningen, althans in de gemeente

Groningen, een goed te weten een bankpas op naam van [slachtoffer 3] heeft

verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen,

terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van die

bankpas/dat goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een

door misdrijf verkregen bankpas/goed betrof;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

Parketnummer 18/820369-18

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder parketnummer 18/820369-18 onder 1 primair ten laste gelegde. De officier van justitie heeft op grond van de bewijsmiddelen in het dossier geconcludeerd dat het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Parketnummer 18/830267-18

Op grond van de stukken in het dossier heeft de officier van justitie geconcludeerd dat het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

Parketnummer 18/820369-18

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair, 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte wist dat de auto van diefstal afkomstig was, nu verdachte de auto geleend had in ruil voor drugs.

Wat betreft het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman erop gewezen dat verdachte enkel in het steegje is geweest naast het restaurant. De foto’s die op de telefoon van verdachte zijn aangetroffen heeft verdachte niet zelf gemaakt, maar deze zijn gemaakt door degene aan wie verdachte zijn telefoon heeft uitgeleend.

Parketnummer 18/830267-18

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1, 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat er geen sprake is van medeplegen, nu er geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking nu er van te voren geen afspraken zijn gemaakt tussen verdachte en de medeverdachten. De raadsman heeft voorts betoogd dat het opzet op het geweld niet bewezen kan worden.

Oordeel van de rechtbank

Parketnummer 18/820369-18

Vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde

De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen van het onder 1 primair ten laste gelegde. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 1 primair ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 31 januari 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik heb op 11 september 2018 te Groningen in een auto gereden. Ik heb die auto geleend van iemand in ruil voor drugs. Ik ken die persoon niet van naam. Ik heb geen autopapieren gezien of gekregen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 6 september 2018, opgenomen op pagina 24 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2018242105 d.d. 13 september 2018, inhoudende als verklaring van [naam] , namens [slachtoffer 1] :

Ik ben de dochter van de eigenaar van een personenauto van het merk Volkswagen, type Golf, voorzien van kenteken [kenteken] . Op woensdag 5 september 2018 heeft mijn vader de personenauto nog zien staan aan de [straatnaam] . Op 6 september 2018 zag mijn vader dat de auto door onbekende(n) was weggenomen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 september 2018, opgenomen op pagina 28 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant(en):

Op 11 september 2018 zag ik, verbalisant dat er in de Nieuwstad in Groningen een donkere Volkswagen Golf, voorzien van het kenteken [kenteken] , reed. Ik verbalisant controleerde, middels mijn diensttelefoon, in de politie-informatiesystemen wie de eigenaar van het voornoemde voertuig was. Ik verbalisant zag vervolgens dat er op voornoemd voertuig een A87 signalering stond. Mij verbalisant is bekend dat dit betekent dat het voertuig als gestolen gesignaleerd staat. Ik bracht de bestuurder over naar het politiebureau. Op het politiebureau zag ik dat de verdachte betrof: [verdachte] .

Uit bovengenoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte de personenauto heeft verworven en voorhanden heeft gehad terwijl hij wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Daartoe is voor de rechtbank onder meer bepalend de wijze waarop verdachte de personenauto in zijn bezit heeft gekregen, te weten op de hoek van de straat, van een persoon van wie verdachte weinig tot geen informatie heeft, zonder autopapieren, in ruil voor drugs. De rechtbank gaat er daarom van uit dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte wist dat het een gestolen auto betrof. Op grond hiervan kan het onder 1 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend worden bewezen.

Ten aan zien van het onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 31 januari 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik was in de nacht van 8 op 9 september 2018 in een steeg naast restaurant [naam restaurant] te Groningen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 12 september 2018, opgenomen op pagina 35 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :

Ik doe aangifte van inbraak in restaurant [naam restaurant] , [straatnaam] in Groningen. In de nacht van vrijdag op zaterdag 8 september 2018 omstreeks 01:30 uur was ik nog in het restaurant. Alle ramen en deuren waren afgesloten. Zaterdagochtend 8 september 2018 omstreeks 11:00 uur kwam ik weer in het restaurant. Ik zag dat de raamhandel van het bovenlicht boven het aanrecht was gebroken. Er was ingebroken. Ik liep naar de kassa in het midden van de zaak en zag dat de kassalade openstond. Ik zag dat mijn I-pad en mijn Macbook waren weggenomen. Ik zag ook dat er een oranje COOP tas was weggenomen. Het opengebroken raampje is bereikbaar vanuit een steeg naast het restaurant.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 september 2018, opgenomen op pagina 38 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant(en):

Wij, verbalisanten, kregen op maandag 10 september 2018, omstreeks 17:30 uur de melding dat melder [slachtoffer 2] zojuist een persoon zag die zaterdag 8 september 2018 bij zijn restaurant had ingebroken. Melder zou deze persoon herkennen van de beelden die hij heeft. Ik, verbalisant, heb de beelden bekeken op de mobiele telefoon van melder [slachtoffer 2] en zag dat dit om de bekende [verdachte] ging.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 september 2018, opgenomen op pagina 43 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant(en):

Door mij, verbalisant, zijn de door [slachtoffer 2] aangeleverde camerabeelden bekeken. Ik herken op de beelden [verdachte] . [verdachte] loopt met een mij onbekende man meerdere malen op en neer voor het pand waar restaurant [slachtoffer 2] gevestigd is. Omstreeks 03:02 uur gaat hij de steeg in naast restaurant [slachtoffer 2] . De onbekende man gaat dan bij de bushalte op straat staan voor het pand. Bij het ingaan van de steeg heeft verdachte niets bij zich. De onbekende man loopt af en toe heen en weer en kijkt in de richting van de steeg. Na ongeveer 25 minuten komt verdachte de steeg uit en draagt in zijn rechterhand een volle felkleurige boodschappentas en loopt in de westelijke richting.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 september 2018, opgenomen op pagina 5 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

Bij zijn insluiting bleek de verdachte [verdachte] in het bezit te zijn van een mobiele telefoon, merk Samsung, type Galaxy S6. Op donderdag 13 september 2018 heeft er een onderzoek plaatsgevonden aan de in beslag genomen mobiele telefoon. Hieruit is het navolgende gebleken: In het mapje galerij stonden een 4 tal foto's afgebeeld welke waren toegevoegd op 8 september. Op de fotoprints is het navolgende te zien:

- een overzichtsfoto met daarop de datum 8 september

- een afbeelding van een witte kabelset

- een afbeelding van een laptop voorzien van het logo "Apple"

- een afbeelding van een beeldscherm en toetsenbord van een laptop

- een afbeelding met daarop de gegevens van een Macbook Air voorzien van het serienummer [nummer]

Opmerking verbalisant:

Het serienummer op de afbeelding, aangetroffen in de in beslag genomen mobiele telefoon van de verdachte [verdachte] , komt overeen met het serienummer van de bij de inbraak aan de [straatnaam] te Groningen, weggenomen Apple Mac Book Air3, waarvan door [slachtoffer 2] aangifte werd gedaan.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende. Verdachte ontkent betrokken te zijn geweest bij de hem ten laste gelegde inbraak. Van de inbraak zijn camerabeelden beschikbaar en deze beelden zijn bekeken door de politie ter herkenning van de dader van de inbraak. Door twee verbalisanten is de dader herkend als verdachte. De verklaring van verdachte, inhoudende dat hij achter in de steeg is gaan zitten om drugs te gebruiken en een onbekende persoon meerdere keren naar hem toe kwam, acht de rechtbank ongeloofwaardig gelet op het feit dat deze onbekende persoon nergens op de beelden te zien is. Verdachte heeft over de in het restaurant weggenomen COOP tas die hij in zijn bezit had, verklaard dat hij deze heeft gevonden in de steeg. Op de telefoon van verdachte zijn vervolgens foto’s aangetroffen van de goederen die uit het restaurant zijn weggenomen. De verklaring van verdachte hieromtrent, inhoudende dat hij zijn telefoon uitgeleend heeft aan een onbekende die de foto’s gemaakt zou hebben, acht de rechtbank onaannemelijk. Deze verklaring is voorts op geen enkele wijze door verdachte onderbouwd, noch blijkt uit het dossier overigens van enige ondersteuning van een van zijn andere stellingen omtrent de aanwezigheid in de steeg. Op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank concludeert dat er geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte, zodat verdachte van dit deel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

Parketnummer 18/830267-18

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde,

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 31 januari 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik was op 28 augustus 2018 in de Steenstilstraat te Groningen. Ik heb een jongen aangesproken. Ik maakte mij stevig tegenover die jongen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 4 september 2018, opgenomen op pagina 1 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2018228045 d.d. 1 november 2018, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 3] :

Op dinsdag 28 augustus 2018 was ik op de fiets in de stad Groningen. Omstreeks 23:40 uur kwam ik bij mijn fiets aan de Steentilstraat. Ik zag dat er drie mannen voor mij langs liepen. Ik zag dat een van de drie mannen terug naar mij liep. Op dat moment kreeg ik een duw van die man. Ik zag en voelde dat hij me met beide handen op mijn borst achteruit duwde. Ik voelde een duw met forse kracht, waardoor ik uit balans rakte. Door de duw, raakte ik uit balans naar achteren toe. Doordat ik uit balans raakte, viel ik over mijn fiets achterover. Ik zag dat een andere man uit dat groepje van drie mannen tussen mij en die man ging staan. De derde man uit dat gezelschap liep om ons heen. Binnen tien seconden renden ze alle drie ineens weg, het steegje in. Op dat moment voelde ik aan mijn jaszakken. Ik had mijn portemonnee in mijn rechter jaszak zitten. Ik voelde dat mijn portemonnee weg was. Ik had mijn portemonnee nog in mijn bezit toen ik mijn fiets wilde pakken en na het voorval was mijn portemonnee weg. In mijn portemonnee zaten de volgende goederen: ID-kaart, rijbewijs (NL), creditcard, twee pinpassen, kentekenbewijs, geld te weten 25 euro, anonieme ov-chipkaart met een saldo van ongeveer 15 euro, aantal bonnetjes, kortingskaart en een meereiskaart voor de trein.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 29 augustus 2018, opgenomen op pagina 13 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 1] :

De nacht van dinsdag 28 augustus op woensdag 29 augustus 2018 zat ik, omstreeks 00:00 uur, buiten op het terras aan de Steentilstraat te Groningen. Ik zag drie jongens langslopen uit de richting van het Gedempte Zuiderdiep in de richting van het Damsterdiep. Ter hoogte van het steegje bij de Vivant, zag ik dat voornoemde drie jongens in gesprek gingen met een andere blanke man. Ik hoorde dat de stemming op een gegeven moment agressiever werd. Vervolgens zag ik dat er geduw en getrek ontstond. Ik zag en hoorde dat de blanke jongen en een fiets omviel. Ik zag dat de blanke jongen opstond, dat vervolgens de Antilliaanse man op de blanke man afliep, dat de Marokkaanse man er vervolgens tussen sprong en dat vervolgens de drie buitenlandse mannen wegrenden richting het voormalige Holland Casino. Toen hoorde ik de blanke man zeggen dat hij zojuist beroofd was van zijn portemonnee.

4.Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 10 september 2018, opgenomen op pagina 15 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 2] :

Op 28 augustus 2018 zat ik met collega’s na het werk op het terras bij de [bedrijf 2]. Ik zag toen drie mannen best wel snel lopen. Ik zag dat zij elkaar geld gaven en dat was op een andere manier als wij elkaar geld zouden geven. De middelste had een portemonnee in de hand en gaf het aan de rechter.

O: Getuige worden de beelden getoond die gemaakt zijn bij het [hotel] aan het Kattendiep te Groningen.

A: Ja dat zijn de mannen waar ik over verteld heb.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 september 2018, opgenomen op pagina 18 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten:

De drie daders vluchtten op 28 augustus 2018 via het Hoornstraatje naar het gedempte Kattendiep. Daar werd door getuige [getuige 2] waargenomen dat ze omstreeks die tijd drie mannen zag lopen komende uit de richting van het Gedempte Zuiderdiep. Ze liepen sneller dan normaal. Omdat ze richting het Schuitendiep liepen zijn de beelden gevorderd van het [hotel] . De beelden werden onderzocht. Op de beelden zijn drie mannen te zien. Ook is duidelijk te zien dat de middelste iets in zijn hand heeft. Er wordt kennelijk iets uitgehaald en de inhoud wordt onderzocht. Te zien is dat ze het hotel voorbij lopen, stoppen, omkeren en dan oversteken en in de richting van het centrum lopen.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen kan worden bewezen dat verdachte zich samen met zijn medeverdachten schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweldpleging, gepleegd tegen aangever. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

Uit de stukken in het dossier is gebleken er op 28 augustus 2018 in de Steenstilstraat een incident is geweest waarbij aangever werd geconfronteerd met een drietal mannen, waar verdachte deel van uitmaakte. Op enig moment is het drietal op aangever afgelopen en heeft verdachte aan aangever om een sigaret gevraagd. Verdachte heeft vervolgens aangever een duw gegeven waardoor aangever ten val is gekomen. Nadat het drietal gezamenlijk is weggerend, is aangever er achter gekomen dat hij van zijn portemonnee is beroofd. Uit de camerabeelden (waarop het drietal is herkend door verbalisanten), blijkt dat het drietal op dat moment geld aan het verdelen is op straat. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij niet wist dat aangever werd beroofd. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte dat hij niet wist dat aangever op dat moment werd overvallen en hij niet één van de daders was, gelet op het voren overwogene, ongeloofwaardig. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verdachte en zijn medeverdachten voortdurend bij elkaar geweest zijn, dat er die avond direct voorafgaand aan deze beroving een eerdere beroving heeft plaatsgevonden, waarover verdachte verklaart dat hij daar vanaf wist, en dat verdachte en zijn medeverdachten na het incident samen hard zijn weglopen. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen ook bewezen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde,

1. De door verdachte op de terechtzitting van 31 januari 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik stond op 28 augustus 2018 in de avond in de [bedrijf 1] te Groningen. Ik stond naast [medeverdachte] toen hij ging pinnen met een pinpas.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 4 september 2018, opgenomen op pagina 1 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2018228045 d.d. 1 november 2018, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 3] :

Ik had mijn portemonnee nog in mijn bezit toen ik mijn fiets wilde pakken en na het voorval was mijn portemonnee weg. In mijn portemonnee zaten de volgende goederen: ID-kaart, rijbewijs (NL), creditcard, twee pinpassen, kentekenbewijs, geld te weten 25 euro, anonieme ov-chipkaart met een saldo van ongeveer 15 euro, aantal bonnetjes, kortingskaart en een meereiskaart voor de trein.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 september 2018, opgenomen op pagina 36 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten:

[slachtoffer 3] deed aangifte van diefstal met geweld van zijn portemonnee met inhoud. Later bleek dat er kort na de diefstal contactloze betalingen waren gedaan. Er werd gepind bij: [bedrijf 1] , [straatnaam] te Groningen op 28 augustus 2018 23.47 uur, bedrag € 13,80.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 6 september 2018, opgenomen op pagina 6 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 3] :

U heeft mij beelden laten zien. Ik herken de man die met de pasjes bij de kassa staat als een van de mannen die mij beroofd heeft van mijn portemonnee. Het beeld dat ik terughaal is dat de man die er naast staat met het kale hoofd en baardje degene is die mij geduwd heeft.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 september 2018, opgenomen op pagina 22 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten:

Op de camerabeelden verstrekt door [bedrijf 1] , zijn twee personen te zien welke

gebruik maken van de pinpas van aangever [slachtoffer 3] :

Day and Night Shop 28 augustus 2018 tussen 23:46:47 uur en 23:48:00 uur

Op de camerabeelden gevorderd bij [bedrijf 1] zijn de verdachten [verdachte] en [medeverdachte] samen te zien. Verdachte [medeverdachte] heeft twee pinpassen in zijn handen. Beide vermoedelijk afkomstig van de ING bank afgaand op de oranje kleur van de passen. [medeverdachte] probeert met de eerste pas contactloos te betalen. De transacte lukt niet, dus wordt er gebruik gemaakt van een tweede pas. Deze transactie vond plaats om 23:47 uur. Ondertussen pakt verdachte [verdachte] de eerst gebruikte pas van verdachte [medeverdachte] af en steekt deze bij zich. Uit de afschriften aangeleverd door aangever [slachtoffer 3] blijkt dat bij deze transactie zijn pas is gebruikt. De pas welke rond 23:40 uur hem is afgenomen in de Steentilstraat te Groningen. De verdachten [verdachte] en [medeverdachte] zijn aan de hand van deze camerabeelden herkend door verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] .

Met betrekking tot de hiervoor standpunten overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij pas later wist dat de pinpas waar de medeverdachte in [bedrijf 1] betaalde, een gestolen pinpas betrof. De rechtbank acht deze verklaring volstrekt onaannemelijk, mede gelet op het feit dat verdachte en de medeverdachten na de overval voortdurend bij elkaar gebleven zijn. Gezien de mate van samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] in [bedrijf 1] , heeft verdachte het door de pintransactie afgeschreven bedrag in vereniging met zijn medeverdachte weggenomen door het met een valse sleutel (de bankpas van [slachtoffer 3] ) onder zijn bereik te brengen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder parketnummer 18/820369-18 1 subsidiair en 2 en het onder parketnummer 18/830267-18 1 en 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

18/820369-18

1. subsidiair

hij in de periode van 5 september 2018 tot en met 11 september 2018, te Groningen een personenauto, merk: Volkswagen, type Golf, kenteken [kenteken] , heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2.

hij op 8 september 2018, te Groningen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een restaurant aan de [straatnaam] heeft weggenomen een I-pad en een Macbook toebehorende aan [slachtoffer 2] , waarbij verdachte zich de toegang tot genoemd restaurant heeft verschaft en die weg te nemen I-pad en Macbook onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

18/830267-18

1.

hij op 28 augustus 2018, te Groningen tezamen en in vereniging met anderen,

op de openbare weg, te weten de Steentilstraat, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee en een hoeveelheid geld en een rijbewijs en een kentekenbewijs en een ID-kaart en een OV-chipkaart en twee bankpassen, toebehorende aan [slachtoffer 3] , welke diefstal werd voorafgegaan van geweld tegen genoemde [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken welk geweld hierin bestond dat verdachte en zijn mededader die [slachtoffer 3] hebben aangeduwd en ten val hebben gebracht;

2. primair

hij op 28 augustus 2018 te Groningen tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen, een hoeveelheid geld, te weten 13.80 euro, toebehorende aan [slachtoffer 3] , terwijl verdachte en zijn mededaders dat weg te nemen geld onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een bankpas die door misdrijf was verkregen.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Parketnummer 18/820369-18

1. subsidiair opzetheling;

2. diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

Parketnummer 18/830267-18

1. diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden/die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

2. primair diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder parketnummer 18/820369-18 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde en het onder parketnummer 18-830267-18 1 en 2 primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren waarbij aan het voorwaardelijke deel van de straf de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering in het rapport van de reclassering d.d. 14 januari 2019.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bij een bewezenverklaring gepleit voor oplegging van een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest van verdachte.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich binnen een korte periode schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan heling van een auto, waarmee hij heeft bijgedragen aan de instandhouding van een afzetmarkt van goederen die afkomstig zijn van diefstal. Verder heeft verdachte ingebroken bij een restaurant. Verdachte heeft daarmee aangetoond dat hij geen enkel respect heeft voor andermans eigendom. Bedrijfsinbraken zijn ergerlijke feiten, die naast schade vaak veel hinder veroorzaken voor de gedupeerde bedrijven. Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van diefstal met geweld. Verdachte heeft door geweld de portemonnee van het slachtoffer gestolen. Dit alles vond plaats op de openbare weg. Met het plegen van dit misdrijf heeft verdachte getoond geen enkel respect te hebben voor andermans eigendom, levenssfeer en lichamelijke integriteit. Het behoeft geen betoog dat de straatroof voor het slachtoffer een zeer beangstigende en bedreigende ervaring is geweest. Daarnaast draagt een misdrijf als het onderhavige ook bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal door met de afhandig gemaakte pinpas te pinnen.

De reclassering adviseert in haar rapportage van 14 januari 2019 om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een opname in een beschermde woonvorm.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Tevens heeft de rechtbank rekening gehouden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

De ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, maken dat de rechtbank een vrijheidsbenemende straf passend en geboden acht. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf de LOVS-oriëntatiepunten als uitgangspunt genomen. De rechtbank ziet aanleiding een hogere gevangenisstraf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat de geëiste gevangenisstraf naar het oordeel van de rechtbank te weinig recht doet aan de ernst van de feiten. Gezien het advies van de reclassering acht de rechtbank het echter ter beperking van het recidiverisico ook noodzakelijk dat verdachte behandeling ondergaat voor zijn persoonlijke problematiek. De rechtbank zal daartoe een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen. Aan dit voorwaardelijk deel zal de rechtbank bijzondere voorwaarden koppelen, een en ander zoals hierna in het dictum te bepalen.

Benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer 2] , tot een bedrag van € 937,59 ter zake van materiële schade en € 100,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
2. [slachtoffer 3] , tot een bedrag van € 228,10 ter vergoeding van materiële schade en € 550,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;

Standpunt van de officier van justitie

Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft de officier van justitie gevorderd de vorderingen geheel toe wijzen.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] heeft de raadsman betoogd de materiële schade toe te wijzen tot een bedrag van € 250,-.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3] heeft de raadsman betoogd de vordering van de immateriële schade niet ontvankelijk te verklaren. Ten aanzien van de materiële schade heeft de raadsman geen verweer gevoerd.

Oordeel van de rechtbank:

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] :

De rechtbank is van oordeel dat de vordering betreffende de materiële schade toewijsbaar is tot een bedrag van € 250,-, bestaande uit eigen risico dat betaald is door de benadeelde partij.

Hoewel voor de overige posten voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte daarvan te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom voor het overige niet ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 3] :

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 augustus 2018.

Gezien de ernst van de inbreuk die verdachte met de bewezenverklaarde feiten heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij, is naar het oordeel van de rechtbank ook voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde immateriële schade heeft geleden. In het kader van het vaststellen van de hoogte van deze schade, acht de rechtbank voldoende onderbouwd dat de benadeelde partij fysiek letsel heeft opgelopen en voorts nog steeds de psychische gevolgen van het incident ervaart. Dit is bovendien veroorzaakt door het strafbare feit dat verdachte heeft gepleegd. Gelet verder op bedragen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, acht de rechtbank het gevorderde bedrag aan immateriële schade redelijk. De rechtbank zal derhalve ook dit deel van de vordering toewijzen, eveneens te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 28 augustus 2018.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk vonnis van 6 april 2017 van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Noord-Nederland te Groningen, is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een gevangenisstraf van 365 dagen, waarvan 311 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. De proeftijd is ingegaan op 21 februari 2018. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.

De officier van justitie heeft bij vordering van 1 november 2018 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.

De raadsman heeft verzocht de proeftijd te verlengen met 1 jaar.

Nu veroordeelde de bewezenverklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de proeftijd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van deze voorwaardelijke straf.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 57, 63, 311, 312 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder parketnummer 18/820369-18 1 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder parketnummer 18/820369-18 1 subsidiair en 2 en het onder parketnummer 18/830267-18 1 en 2 primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 5 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op drie jaren de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat veroordeelde zich binnen vier dagen na het ingaan van de proeftijd bij VNN reclassering meldt op het adres Canadalaan 1, Groningen. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren;

2. dat veroordeelde zich laat opnemen in een zorginstelling voor beschermd wonen, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Ten aanzien van 18/820369-18, onder 1 ten laste gelegde:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 250,- (zegge: tweehonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 september 2018.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] te betalen een bedrag van € 250,- (zegge: tweehonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 september 2018, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van vijf dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 250,- aan materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van 18-830267-18, onder 1 en 2 ten laste gelegde:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 778,10 (zegge: zevenhonderdachtenzeventig euro en tien cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2018.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] te betalen een bedrag van € 778,10 (zegge: zevenhonderdachtenzeventig euro en tien cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2018, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 15 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 228,10 aan materiële schade en € 550,- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/820355-16:

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 6 april 2017 te weten: 311 dagen gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.J. Bosker, voorzitter, mr. P.H.M. Smeets en mr. W. Geelhoed, rechters, bijgestaan door mr. S. Fokkert, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 februari 2019.