Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:802

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
01-03-2019
Datum publicatie
01-03-2019
Zaaknummer
18/830138-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord Nederland, locatie Groningen veroordeelt een 26-jarige man uit Hoogeveen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden wegens het plegen van ontucht met een meisje van beneden de leeftijd van 16 jaar. Het verweer inhoudende dat het ontuchtig karakter aan de seksuele handelingen ontbrak, werd verworpen. De rechtbank verwijt de man - die aangaf dat hij niet wist dat het slachtoffer beneden de zestien jaar oud was - dat hij onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de leeftijd van het meisje. Het beroep op de schulduitsluitingsgrond afwezigheid van alle schuld werd verworpen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 245
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830138-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 1 maart 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 25 januari 2019. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.P.E.M. Pover, advocaat te Meppel.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T.H. Pitstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 26 mei 2016, althans in de maand april 2016 en/of mei 2016 te [pleegplaats] , (in elk geval) in de gemeente Oldambt, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2001, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of de mond van die [slachtoffer] .

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Daartoe heeft hij aangevoerd dat weliswaar bewezen kan worden dat verdachte seksuele handelingen met [slachtoffer] heeft verricht, maar dat het ontuchtige karakter ontbreekt. Verdachte was nog maar recent in Nederland en had geen ervaring met seks. Het initiatief ging uit van [slachtoffer] en er was geen sprake van dwang. Onder deze omstandigheden ontbreekt het ontuchtige karakter van de seksuele handelingen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank constateert dat op basis van de hierna op te nemen bewijsmiddelen vaststaat dat verdachte - kort gezegd - seks heeft gehad met [slachtoffer] , toen zij veertien jaar oud was.

Uit de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie van de Hoge Raad1 valt af te leiden dat onder omstandigheden het ontuchtig karakter kan ontbreken aan seksuele handelingen met een persoon tussen de twaalf en zestien jaren.

Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn indien die handelingen vrijwillig plaatsvinden tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen. Een scherpe afgrenzing van dergelijke omstandigheden valt in haar algemeenheid niet te geven. De wetgever heeft bij de totstandkoming van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) in dit opzicht als maatstaf voor ogen gestaan of de betreffende seksuele handeling algemeen als sociaal-ethisch is aanvaard.

De rechtbank overweegt dat in het onderhavige geval sprake was van de volgende omstandigheden. Verdachte was ten tijde van het feit 23 jaar oud, terwijl [slachtoffer] 14 jaar oud was. Tussen hen bestond geen affectieve relatie; sterker nog, ze kenden elkaar niet. Verdachte had [slachtoffer] enkel eens in het bos gezien terwijl ze seks had met (oudere) mannen. Verdachte nam op verzoek van zijn vriend deel aan een trio met [slachtoffer] en die vriend. Dit vond (eveneens) plaats in het bos en de seks werd gefilmd.

De rechtbank is van oordeel dat de seksuele handelingen tussen verdachte en [slachtoffer] onder deze omstandigheden wel degelijk een ontuchtig karakter kennen. Er is sprake van een meer dan gering leeftijdsverschil, er is geen sprake van enige relatie en ook de overige omstandigheden waaronder een en ander plaatsvond, kunnen door de rechtbank niet anders dan als in strijd met de sociaal ethische norm worden gezien. Dat verdachte nog geen seksuele ervaring had en/of [slachtoffer] niet heeft gedwongen, doet hier niet aan af.

De rechtbank verwerpt het verweer derhalve en zal het ten laste gelegde bewezen verklaren.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 25 januari 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik heb op 26 mei 2016 seks gehad met [slachtoffer] . Ze heeft me gepijpt en ik heb haar geneukt.

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 30 november 2017, opgenomen op pagina 173 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NNRBC17105 RITARI V-008 d.d. 14 maart 2018, inhoudend als verklaring van

[slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2001:

V: Waar ontmoeten [medeverdachte] en jij elkaar?

A: Bij de [pleegplaats] .

V: Uit de chatsessie met [medeverdachte] blijkt dat er ook sprake is van een derde persoon. Wat kun je hier over vertellen?

A: Oh ja, klopt. Dat was een vriend van hem en dat was ook een asielzoeker. Ik heb een trio gehad met [medeverdachte] erbij.

V: Wat is er dan gebeurd met deze man er bij?

A: Ik moest van [naam] ook seks hebben met hem. Dat was ook met [medeverdachte] erbij.

V: Wat voor seks was er met die derde persoon dan?

A: Vaginale seks.

V: We tonen je nog een foto. Wat zie je op de foto?

A: Die achterste is [medeverdachte] , de middelste ben ik en de voorste is die vriend. [medeverdachte] heeft op dat

moment vaginale seks met mij en die voorste wordt door mij gepijpt.

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 2 januari 2018, opgenomen op pagina 239 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [medeverdachte] :

V: We willen het nu hebben over die keer met je vriend erbij. Wat hadden jullie afgesproken.

A: In het bos dat was onze afspraaklocatie.

V: Hoe heet deze vriend.

A: [verdachte] . Zijn achternaam is [verdachte] .

V: Jullie komen dan aan in het bos. Hoe gaat het dan.

A: Niks we hadden seks. Ze stond in doggyhouding en terwijl ik aan het neuken was,

pijpte [slachtoffer] , [verdachte] en vervolgens werden de posities gewisseld.

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 februari 2018, opgenomen op pagina 245 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant(en):

De WhatsApp-gegevens van de telefoon van aangeefster [slachtoffer] met betrekking tot het contact met [medeverdachte] :

Donderdag 26 mei 2016

07:05 [slachtoffer] : So today is your last day here, You said to me yesterday you can take friend with you, so do it, and tell me how late.

10:10 [slachtoffer] : when do you come today with your friend

13:17 [slachtoffer] : Stay by the bridg at 14.20 please with friends

14:26 [medeverdachte] : Ok, I com

17:09 [medeverdachte] : Tnx fot everything [slachtoffer]

18:05 [medeverdachte] ontvangt de video [bestandsnaam]

5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 januari 2018, opgenomen op pagina 239 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant(en);

Beschrijving [bestandsnaam] :

Ik verbalisant zie drie personen in een bosomgeving. Ik zie [slachtoffer] geheel naakt op de knieën in het gras. Achter [slachtoffer] is een manspersoon met een witte trui. De man zit op zijn knieën achter [slachtoffer] . De man penetreert vermoedelijk op dat moment of probeert op dat moment [slachtoffer] met zijn penis te penetreren. Ik zie namelijk dat de man zijn hand bij zijn penis heeft en dicht tegen de billen van [slachtoffer] zit.

Voor [slachtoffer] zit een tweede manspersoon op zijn knieën. De man draagt een donkere broek.

[slachtoffer] is de man aan het pijpen. Hierna wordt er van positie gewisseld. De man met de donkere broek gaat op de knieën achter [slachtoffer] zitten. De man met de witte trui gaat voor [slachtoffer] op de knieën zitten. [slachtoffer] zegt tegen de man met de witte trui" A litlle bit there". [slachtoffer] gaat vervolgens met haar hand naar de penis van de man. [slachtoffer] pijpt vermoedelijk de man voor enkele seconden. Ik zie namelijk dat [slachtoffer] met haar mond richting de penis van de man gaat. Ik zie dat haar hoofd kort heen en weer gaat. De penis van de man is niet in beeld. De man in de donker broek doet ondertussen zijn broek uit en zit dan geheel naakt op de knieën achter [slachtoffer] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 26 mei 2016 te [pleegplaats] , in de gemeente Oldambt, met [slachtoffer] , geboren

op [geboortedatum] 2001, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het brengen van

zijn, verdachtes, penis in de vagina en de mond van die [slachtoffer] .

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte heeft aangevoerd dat hij niet wist dat [slachtoffer] veertien jaar oud was. Hij vond dat ze er ouder uitzag, net als degenen die hij eerder seks met haar zag hebben. De rechtbank vat dit op als een beroep op de schulduitsluitingsgrond afwezigheid van alle schuld (AVAS).

De rechtbank is van oordeel dat een beroep op dwaling ten aanzien van de leeftijd slechts in uitzonderlijke gevallen kans van slagen heeft. De vraag of alle schuld in strafrechtelijke zin ontbreekt, moet worden beantwoord in verband met de aard en de strekking van de strafbepaling. In dat kader is van belang dat artikel 245 Sr. de lichamelijke integriteit van jeugdige personen een zo doeltreffend mogelijke strafrechtelijke bescherming beoogt te bieden, ook tegen seksuele handelingen die (mede) van henzelf zijn - of lijken te zijn - uitgegaan.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte niet alle zorg heeft betracht die van hem kon worden gevergd en dat hij aldus een ongeoorloofd risico heeft genomen, zodat niet kan worden gesproken van het ontbreken van alle schuld. Hetgeen hieromtrent door verdachte is aangevoerd, maakt dit niet anders. De rechtbank is van oordeel dat op verdachte een onderzoeksplicht rustte, juist nu hij [slachtoffer] niet kende en hij haar eerder in het bos had gezien terwijl ze seks had met andere oudere mannen. Het beroep op afwezigheid van alle schuld wordt dan ook verworpen.

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu - ook overigens - niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien maanden.

Zij heeft onder meer benadrukt dat de vergelijking van deze zaak met zaken die betrekking hebben op jeugdprostitutie niet opgaat. Bij jeugdprostitutie (artikel 248b) gaat het om slachtoffers van zestien of zeventien jaar oud en een strafmaximum van vier jaar gevangenisstraf, terwijl het bij het onderhavige artikel 245 Sr gaat om slachtoffers in de leeftijd van twaalf tot zestien jaar en een strafmaximum van acht jaar gevangenisstraf.

Het uitgangspunt in ontuchtzaken moet een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zijn.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor oplegging van een lagere straf dan geëist. Verdachte heeft slechts eenmalig en op initiatief van zijn vriend en [slachtoffer] seks met [slachtoffer] gehad. Voorts heeft de raadsman verwezen naar de hetgeen door verdachte is aangevoerd met betrekking tot de strafbaarheid van verdachte.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage d.d. 23 november 2018, het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 19 december 2018, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met een meisje van veertien jaar oud door zich door haar te laten pijpen en vaginale seks met haar te hebben. Dit vond plaats in een bos, tijdens een trio met een vriend van verdachte. Verdachte, die zelf 23 jaar oud was ten tijde van het feit, heeft onvoldoende gedaan om zich te vergewissen van de leeftijd van het slachtoffer. Hij heeft haar fysieke en psychische welzijn ondergeschikt gemaakt aan de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeften.

Verdachte heeft hierdoor inbreuk gemaakt op de lichamelijke en emotionele integriteit van het slachtoffer en haar ongestoorde (seksuele) ontwikkeling. De ervaring leert dat (jeugdige) slachtoffers van zedendelicten in een later stadium psychisch nadelige gevolgen kunnen ondervinden van hetgeen hen is overkomen.

De zaak van verdachte maakt onderdeel uit van een groter onderzoek, waaraan de rechtbank enkele woorden zal wijden ten behoeve van een completer beeld van de zaak, de impact ervan op het slachtoffer, maar ook de rol van verdachte. Het slachtoffer waarmee verdachte ontucht heeft gepleegd, werd langere tijd door haar oom misbruikt. Vanaf enig moment moest zij ter bevrediging van diens lustgevoelens seks hebben met andere mannen (ook tegelijkertijd), waarvan verdachte er een was. Onder druk van haar oom heeft het slachtoffer het asielzoekerscentrum waar verdachte verbleef, bezocht en contact gelegd met een vriend van verdachte, waarna zij onder andere met verdachte en die vriend seks heeft gehad. Het slachtoffer moest zorgen dat de seks werd gefilmd en dat de filmpjes zo snel mogelijk ter beschikking van haar oom werden gesteld.

Door seks met het slachtoffer te hebben, heeft verdachte bijgedragen aan de immense ellende die het slachtoffer heeft moeten meemaken. De rechtbank hecht er in dit kader aan te benoemen dat op geen enkele wijze is gebleken dat verdachte op de hoogte was van de afschuwelijke achtergrond waartegen deze zaak zich afspeelde.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat voor alle mannen met wie het slachtoffer seks heeft gehad een onvoorwaardelijke gevangenisstraf het uitgangspunt dient te zijn. De rechtbank houdt er ten aanzien van verdachte bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf - meer dan de officier van justitie - rekening mee dat verdachte niet zelf op zoek was naar seks met een meisje van beneden de leeftijd van zestien jaar en dat verdachte niet het initiatief tot het afspreken of de ontuchtige handelingen heeft genomen.

De rechtbank hanteert onder deze omstandigheden als ondergrens voor eenmaal plegen van ontuchtige handelingen met het slachtoffer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

Gelet op de hierna genoemde omstandigheden zal de rechtbank aan verdachte een maand gevangenisstraf extra opleggen, bovenop het uitgangspunt van zes maanden.

Verdachte heeft in een voor het slachtoffer ontluisterende setting - in een bos, tijdens een trio met een man die ze niet kende - seks gehad met het slachtoffer. Daar komt nog bij dat verdachte geen condoom heeft gebruikt, met alle risico’s voor de gezondheid van het slachtoffer van dien.

De rechtbank heeft voorts de persoonlijke omstandigheden van verdachte in aanmerking genomen, alsmede het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Hierin ziet de rechtbank geen aanleiding tot matiging of verhoging van de duur van de op te leggen gevangenisstraf.

Alles overwegend zal de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden aan verdachte opleggen.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 5.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft tot toewijzing van de vordering gerequireerd.

Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen in het geval van een bewezenverklaring.

Oordeel van de rechtbank
Zoals reeds overwogen ten aanzien van de op te leggen straf is het slachtoffer door haar oom aangezet tot het verrichten van seksuele handelingen met onder andere verdachte. Het is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat zowel diens handelwijze als - weliswaar in veel mindere mate - de handelwijze van verdachte immateriële schade bij het slachtoffer heeft veroorzaakt. Ten laste van de oom van het slachtoffer heeft de rechtbank reeds een vordering tot immateriële schadevergoeding ter hoogte van € 100.000,00 toegewezen.

De rechtbank schat de immateriële schade die het slachtoffer heeft geleden ten gevolge van het bewezen verklaarde en die voor rekening van verdachte komt op een bedrag van

€ 2.000,00. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Het doen van nader onderzoek naar de vraag of, en zo ja, in hoeverre de immateriële schade door toedoen van verdachte dit bedrag te boven gaat en in hoeverre dit overlapt met de schade die de oom van het slachtoffer reeds dient te vergoeden, zou een onevenredige belasting van het strafgeding vormen. De rechtbank zal de vordering voor het overige daarom niet ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f en 245 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 2.000,00 (zegge: tweeduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 mei 2016.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer] te betalen een bedrag van € 2.000,00 (zegge: tweeduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 mei 2016, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 30 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.V. Nolta, voorzitter, mr. A.H.M. Dölle en mr. O.J. Bosker, rechters, bijgestaan door mr. C.L. van der Woude, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 maart 2019.

1 ECLI:NL:HR:2010:BK4794.