Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:800

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
01-03-2019
Datum publicatie
01-03-2019
Zaaknummer
18/830015-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak mishandeling, veroordeling tot een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren wegens diefstal (7x), zware mishandeling en met medeplegen van een poging tot zware mishandeling.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 302
Wetboek van Strafrecht 310
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830015-19

ter terechtzitting gevoegde parketnummers 18/201817-17 en 18/071787-18

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 21/006445-15

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 1 maart 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

thans gedetineerd te P.I. Veenhuizen, gevangenis Esserheem, te Veenhuizen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van

15 februari 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. U. van Ophoven, advocaat te Leek.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. Roggen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Parketnummer 18/830015-19

1.

hij op of omstreeks 24 januari 2019 te Groningen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening in/uit een (winkel)pand (gelegen aan de

[straatnaam] aldaar) heeft weggenomen een hoeveelheid (29 pakken) koffie

(Douwe Egberts), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

het (winkel)bedrijf [benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte;

2.

hij op of omstreeks 23 januari 2019 te Groningen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening in/uit een (winkel)pand (gelegen aan de [straatnaam]

aldaar) heeft weggenomen een hoeveelheid (33 pakken) koffie (Douwe Egberts),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het

(winkel)bedrijf [benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

3.

hij op of omstreeks 22 januari 2019 te Groningen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening in/uit een (winkel)pand (gelegen aan de [straatnaam]

aldaar) heeft weggenomen een hoeveelheid (24 pakken) koffie (Douwe Egberts),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het

(winkel)bedrijf [benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

4.

hij op of omstreeks 29 augustus 2018 te Groningen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening in/uit een (winkel)pand (gelegen aan de

[straatnaam] aldaar) heeft weggenomen een hoeveelheid (30 pakken) koffie

(Douwe Egberts), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

het (winkel)bedrijf [benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte;

5.

hij op of omstreeks 5 juli 2018 te Groningen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening in/uit een (winkel)pand (gelegen aan het [straatnaam]

aldaar) heeft weggenomen een hoeveelheid (56 pakken) koffie (Douwe

Egberts), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het

(winkel)bedrijf [benadeelde partij 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte;

6.

hij op of omstreeks 4 juli 2018 te Groningen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening in/uit een (winkel)pand (gelegen aan het [straatnaam]

aldaar) heeft weggenomen een hoeveelheid (30 pakken) koffie (Douwe

Egberts), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het

(winkel)bedrijf [benadeelde partij 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte;

Parketnummer 18/201817-17

1.

hij op of omstreeks 5 oktober 2017 te Lageland, gemeente Midden-Groningen

(eerder gemeente Slochteren), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten

een gebroken onderkaak, waaraan een operatie is uitgevoerd) heeft toegebracht

aan [slachtoffer 1] door die meermalen, althans eenmaal, met kracht

- te slaan/stompen op het hoofd, althans het bovenlichaam, en/of

- een "knietje" te geven tegen het hoofd, althans het bovenlichaam;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 5 oktober 2017 te Lageland, gemeente midden Groningen

(eerder gemeente Slochteren), ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om aan een persoon, (te weten [slachtoffer 1] ), opzettelijk zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet:

- te slaan/stompen op het hoofd, althans het bovenlichaam, van die [slachtoffer 1] en/of

- een "knietje" te geven tegen het hoofd, althans het bovenlichaam van die [slachtoffer 1]

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 5 oktober 2017 te Lageland, gemeente Midden-Groningen

(eerder gemeente Slochteren), [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die meermalen,

althans eenmaal (met kracht):

- te slaan/stompen op het hoofd, althans het bovenlichaam, en/of

- een "knietje" te geven tegen het hoofd, althans het bovenlichaam,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken onderkaak

(waaraan een operatie is uitgevoerd) ten gevolge heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 3 juli 2017 te Groningen, gemeente Groningen,

[slachtoffer 2] heeft mishandeld

door die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal (met kracht)

- te slaan/stompen in het gezicht, althans het bovenlichaam, en/of

- te duwen/trekken, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] (telkens) ten val is

gekomen;

3.

Hij op of omstreeks 10 januari 2018, te Groningen, gemeente Groningen,

een zak M&M's, althans een hoeveelheid M&M's, in elk geval enig goed, dat

geheel of ten dele aan een ander toebehoord, te weten aan de [benadeelde partij 1] (vestiging:

[straatnaam] ) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te

eigenen;

Parketnummer 18/071787-18

hij op of omstreeks 4 april 2018 te en in de gemeente Groningen,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [slachtoffer 3]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

immers hebbende verdachte en zijn mededader meermalen, althans eenmaal, -

zelfs toen die [slachtoffer 3] op de grond lag- hard tegen het hoofd en/of het

lichaam van die [slachtoffer 3] geschopt en/of getrapt en/of gestompt en/of

geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 4 april 2018 te en in de gemeente Groningen,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

[slachtoffer 3] heeft mishandeld door deze meermalen, althans eenmaal - ook als

deze [slachtoffer 3] al op de grond ligt - hard tegen het hoofd en/of het

lichaam geschopt en/of getrapt en/of gestompt en/of geslagen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

Parketnummer 18/830015-19

De officier van justitie heeft op grond van de stukken in het dossier en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde.

Parketnummer 18/201817-17

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd nu op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld wat er op 3 juli 2017 tussen aangeefster en verdachte is voorgevallen.

Met betrekking tot het onder 1 primair en 3 ten laste gelegde heeft de officier van justitie geconcludeerd dat de zware mishandeling en de diefstal wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

Parketnummer 18/071787-18

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van de aangifte van [slachtoffer 3] , de samenvatting medische informatie en de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het een feit van algemene bekendheid is dat het hoofd een kwetsbaar onderdeel is van het lichaam. Verdachte heeft, door samen met een ander aangever tegen het hoofd en het lichaam te schoppen en te stompen terwijl aangever op de grond lag, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zwaar lichamelijk letsel kan ontstaan.

Standpunt van de verdediging

Parketnummer 18/830015-19

De raadsman heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Parketnummer 18/201817-17

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde kan de raadsman zich vinden in het standpunt van de officier van justitie dat verdachte moet worden vrijgesproken.

Met betrekking tot de bewezenverklaring van het onder 1 primair en het 3 ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Parketnummer 18/071787-18

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat er niet tegen het hoofd van aangever is getrapt. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het subsidiair ten laste gelegde kan worden bewezen, omdat verdachte heeft verklaard dat hij een klap heeft uitgedeeld.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak parketnummer 18/201817-17 feit 2

De rechtbank overweegt dat op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende duidelijk is geworden wat er op 3 juli 2017 precies tussen aangeefster en verdachte is gebeurd, anders dan dat er op enig moment een worsteling heeft plaatsgevonden. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring van het vereiste opzet op het toebrengen van pijn of letsel te komen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring overige feiten

De rechtbank acht het onder parketnummer 18/830015-19 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde en het onder parketnummer 18/201817-17 1 primair en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte het onder parketnummer 18/830015-19 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde en het onder parketnummer 18/201817-17 1 primair en 3 ten laste gelegde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Deze opgave luidt als volgt:

Parketnummer 18/830015-19

Feit 1

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 februari 2019;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 25 januari 2019, opgenomen op pagina 58 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100 2019022978 d.d. 26 januari 2019, inhoudende als verklaring van [getuige 3] ;

Feit 2

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 februari 2019;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 23 januari 2019, opgenomen op pagina 46 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 4] ;

Feit 3

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 februari 2019;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 22 januari 2019, opgenomen op pagina 37 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 4] ;

Feit 4

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 februari 2019;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 30 augustus 2018, opgenomen op pagina 23 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van

[getuige 3] ;

Feit 5

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 februari 2019;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 6 juli 2018, opgenomen op pagina 15 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 5] ;

Feit 6

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 februari 2019;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 11 juli 2018, opgenomen op pagina 7 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 6] .

Parketnummer 18/201817-17

Feit 1 primair

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 februari 2019;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 10 oktober 2017, opgenomen op pagina 1 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100 2017268661 d.d. 7 april 2018, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] ;

3. een geneeskundige verklaring, op 11 oktober 2017 opgemaakt, opgenomen op pagina 12 van voornoemd dossier en ondertekend door B. van Minnen, kaakchirurg;

Feit 3

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 februari 2019;

2. een aangifteformulier winkeldiefstal d.d. 10 januari 2018, opgenomen op pagina 5 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100 2018009397 d.d. 24 januari 2018, inhoudende als verklaring van [getuige 7] .

De rechtbank past ten aanzien van het onder parketnummer 18/071787-18 primair ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Parketnummer 18/071787-18 primair

1. De door verdachte ter zitting van 15 februari 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik heb [slachtoffer 3] op 4 april 2018 een harde klap gegeven. Ik droeg die avond een badjas.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 4 april 2018, opgenomen op pagina 1 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018079992 d.d. 14 juni 2018, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 3] :

Op dinsdag 3 april 2018 kwam ik thuis aan de [straatnaam] te Hoogkerk en toen kwam er een vriend van mij [medeverdachte] langs. [medeverdachte] was in eerste instantie alleen. Rond een uur of 22.00 of 23.00 uur is [medeverdachte] weggegaan. Ongeveer een uur later was [medeverdachte] terug met een onbekende man. Die andere gast heeft mij volgens mij met zijn rechterhand geslagen. Hij heeft mij vooral in mijn gezicht geslagen. Die onbekende man was blank. Ik denk dat hij ongeveer 1.80 á 1.85 meter was. Volgens mij had hij donkerbruin haar. Ik heb nu last van mijn linkerschouder en van mijn rechter elleboog. Ik denk dat ik op de grond geklapt ben. (…) In het ziekenhuis hebben ze een scheur in mijn kaak ontdekt en tevens ben ik op twee plaatsen in mijn gezicht gelijmd. Ik schat die onbekende man een jaar of dertig. De man had een tenger postuur. [medeverdachte] droeg een spijkerbroek, een shirtje en een normale jas. [medeverdachte] heeft zijn haar geschoren aan de zijkanten.

3. Een samenvatting medische informatie op 4 april 2018, opgenomen op pagina 20 van voornoemd dossier opgemaakt en ondertekend door T. van Mesdag, forensisch arts GGD Groningen voor zover inhoudende, als zijn/haar verklaring:

Samenvatting medische informatie betreffende [slachtoffer 3] , geboren op 26-09-1979.

Samenvatting bevindingen brief traumatologie: na mishandeling enkele minuten buiten

bewustzijn geweest. Enkele wonden hoofd en aangezicht. Pijnlijke mond en tanden.

Conclusie: mishandeling/geweld op het hoofd. Kleine breuk in de onderzijde van de oogkas rechts. Klein wondje linker wenkbrauw en barstwond 1 cm "frontaal".

Samenvatting bevindingen consult neurologie: geweld op het hoofd bij mishandeling. Conclusie: licht traumatisch schedelhersenletsel (noot T. van Mesdag: werd vroeger wel lichte hersenschudding genoemd).

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 4 april 2018, opgenomen op pagina 4 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van

[getuige 1] :

Op 4 april 2018 kwam ik toen ik naar huis liep twee mannen tegen. Ik kan de mannen als volgt omschrijven:

Man 1 :

- Blank;

- Normaal postuur;

- 1.80-1.90m lang;

- Beige badjas;

- Blauwe pet.

Man 2 :

- Blank;

- Iets steviger dan man 1;

- 1.80-1.90m lang;

- Zwarte jas;

- Spijkerbroek;

- Hij had een soort hanenkam. Aan de zijkant was zijn haar korter dan bovenop.

Ik hoorde toen dat er een ruzie gaande was. Omdat het geschreeuw bij de [straatnaam] vandaan kwam, ben ik daar gaan kijken. Ik zag in de achtertuin drie mannen staan. Een daarvan herkende ik als mijn buurman die op de [straatnaam] woont. De andere twee mannen waren de mannen die ik even daarvoor was tegengekomen. Ik zag dat mijn buurman een klap tegen zijn hoofd kreeg. Dit was een flinke vuistslag, waarbij de arm eerst naar achter werd gebracht en mijn buurman daarna met de vuist in het gezicht werd geslagen. Ik zag dat mijn buurman hierna gestrekt achterover viel en dat hij op de grond lag. Ik zag dat man 2 ondertussen in de ribben van mijn buurman trapte. Deze trappen zagen eruit alsof man 2 een voetbal weg wilde trappen. Hij haalde eerst zijn voet naar achter en trapte vervolgens hard in de ribben van mijn buurman.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 4 april 2018, opgenomen op pagina 6 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van

[getuige 2] :

Dinsdag 3 april 2018 had ik visite van mijn overbuurman [getuige 1] . [getuige 1] is woensdag 4 april 2018 omstreeks 02:00 uur naar huis gegaan. (…) Ik was achter mijn woning en keek over de schutting heen in de richting van de woning van waar het geschreeuw vandaan kwam. Ik zag hoe twee personen in de tuin van [straatnaam] aan het vechten waren, ik zag dat ze slaande en schoppende bewegingen naar de grond maakten.

De jongens hadden het volgende signalement: dader 1: blank, leeftijd 24 jaar, slank-junkachtig type, blauw petje, beige badjas, dader 2: blank, 178 cm, gezet postuur, 36 jaar.

Ik zag dat ze allebei drie tot vier schoppen gaven en duikende bewegingen naar beneden maakten op het moment dat ze sloegen. (…) Ik zag dat [slachtoffer 3] gewond was aan zijn hoofd, ik zag bloed aan zijn gezicht.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende. Medeverdachte [medeverdachte] heeft ontkend dat hij geweld tegen aangever heeft gebruikt. Hoewel aangever en verdachte dit hebben bevestigd, acht de rechtbank de verklaring van [medeverdachte] niet aannemelijk. De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , niet zijnde vrienden van aangever, verdachte of [medeverdachte] , hebben namelijk los van elkaar bij de politie verklaard dat zij hebben gezien dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] allebei geweld hebben gebruikt tegen aangever. De rechtbank gaat daarom uit van de lezing van deze onafhankelijke getuigen, ook omdat aangever, verdachte en medeverdachte hebben verklaard dat zij die avond een flinke hoeveelheid alcohol hebben gedronken. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

Uit bovengenoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte en medeverdachte

[medeverdachte] aangever hebben getrapt, gestompt en geslagen tegen zijn hoofd en lichaam, zelfs toen aangever op de grond lag. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijk geweld tegen het hoofd en bovenlichaam kan leiden tot schade aan vitale organen en hersenen. Door op een dergelijke manier te handelen heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever als gevolg van zijn handelen zwaar lichamelijk letsel zou kunnen worden toegebracht. Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot zware mishandeling.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder parketnummer 18/830015-19 1, 2, 3, 4, 5 en 6, het onder parketnummer 18/201817-17 1 primair en 3 en het onder parketnummer 18/071787-18 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

Parketnummer 18/830015-19

1.

hij op 24 januari 2019 te Groningen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkelpand gelegen aan de [straatnaam] aldaar heeft weggenomen 29 pakken koffie Douwe Egberts toebehorende aan het winkelbedrijf [benadeelde partij 1] ;

2.

hij op 23 januari 2019 te Groningen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkelpand gelegen aan de [straatnaam] aldaar heeft weggenomen 33 pakken koffie

Douwe Egberts toebehorende aan het winkelbedrijf [benadeelde partij 2] ;

3.

hij op 22 januari 2019 te Groningen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkelpand gelegen aan de [straatnaam] aldaar heeft weggenomen 24 pakken koffie

Douwe Egberts toebehorende aan het winkelbedrijf [benadeelde partij 2] ;

4.

hij op 29 augustus 2018 te Groningen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkelpand gelegen aan de [straatnaam] aldaar heeft weggenomen 30 pakken koffie Douwe Egberts toebehorende aan het winkelbedrijf [benadeelde partij 1] ;

5.

hij op 5 juli 2018 te Groningen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkelpand gelegen aan het Gedempte Zuiderdiep aldaar heeft weggenomen een hoeveelheid koffie Douwe Egberts, toebehorende aan het winkelbedrijf [benadeelde partij 3] ;

6.

hij op 4 juli 2018 te Groningen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkelpand gelegen aan het [straatnaam] aldaar heeft weggenomen 30 pakken koffie

Douwe Egberts, toebehorende aan het winkelbedrijf [benadeelde partij 3] ;

Parketnummer 18/201817-17

1. primair

hij op 5 oktober 2017 te Lageland gemeente Midden-Groningen (eerder gemeente Slochteren), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel te weten een gebroken onderkaak, waaraan een operatie is uitgevoerd heeft toegebracht aan [slachtoffer 1] door met kracht

- te slaan op het hoofd en

- een "knietje" te geven tegen het hoofd;

3.

hij op 10 januari 2018 te Groningen een hoeveelheid M&M's toebehorend aan de [benadeelde partij 1] vestiging [straatnaam] heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te

eigenen;

Parketnummer 18/071787-18

hij op 4 april 2018 in de gemeente Groningen tezamen en in vereniging met een ander

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 3]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, immers hebbende verdachte en zijn mededader meermalen, zelfs toen die [slachtoffer 3] op de grond lag, hard tegen het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer 3] getrapt en gestompt en geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Parketnummer 18/830015-19

1. diefstal;

2. diefstal;

3. diefstal;

4. diefstal;

5. diefstal;

6. diefstal;

Parketnummer 18/201817-17

1. primair zware mishandeling;

3. diefstal;

Parketnummer 18/071787-18

primair medeplegen van een poging tot zware mishandeling.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder parketnummer 18/830015-19 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde, het onder parketnummer 18/201817-17

1 primair en 3 ten laste gelegde en het onder parketnummer 18/071787-18 primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals opgenomen in het rapport van de reclassering d.d. 1 februari 2019. Verdachte dient zich overeenkomstig deze voorwaarden onder andere te laten opnemen in de Piet Roordakliniek of soortgelijke instelling voor de duur van maximaal 18 maanden. Bij de formulering van de strafeis heeft de officier van justitie meegewogen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige feiten waarbij er sprake is geweest van excessief geweld. Dergelijke feiten rechtvaardigen, ondanks het tijdsverloop en de toepassing van het bepaalde in artikel 63 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Gelet echter op de noodzaak dat verdachte aan zijn problematiek gaat werken en hij zich gemotiveerd heeft getoond om dit te gaan doen, heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd met daaraan verbonden de eerdergenoemde bijzondere voorwaarden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om rekening te houden met de ouderdom van de zaken en met de toepassing van het bepaalde in artikel 63 Sr. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om aan verdachte een kortere gevangenisstraf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd, zodat verdachte gemotiveerd blijft om na detentie aan zijn problematiek te werken. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de voorwaarden van de reclassering, zoals opgenomen in het rapport d.d. 1 februari 2019, op te leggen. Verdachte is bereid om daaraan mee te werken.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het rapport van de reclassering d.d. 1 februari 2019, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee ernstige geweldsdelicten en zeven vermogensdelicten. In oktober 2017 heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling door een vriend op het hoofd te slaan en hem een knietje tegen zijn hoofd te geven. Het slachtoffer heeft ten gevolge hiervan zijn kaak gebroken. In april 2018 heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot zware mishandeling door samen met een ander het slachtoffer, zelfs toen hij op de grond lag, hard tegen het hoofd te trappen, te stompen en te slaan. Door op een dergelijke manier te handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. De rechtbank overweegt dat de gevolgen voor de slachtoffers ook veel ernstiger hadden kunnen zijn. Dat dit niet het geval is, is niet aan het handelen van verdachte te danken.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een flink aantal winkeldiefstallen. Dergelijke feiten zorgen voor veel schade en overlast bij de winkeliers.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 30 januari 2019, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor vermogensdelicten. Daarnaast liep verdachte in een proeftijd.

Uit het rapport van de reclassering d.d. 1 februari 2019 volgt dat verdachte kampt met

een stoornis in het autisme spectrum, gedrags- en verslavingsproblematiek en problematiek op nagenoeg alle leefgebieden. Verdachte overschat zijn eigen niveau van functioneren, hij bagatelliseert en externaliseert problemen. Verdachte kan situaties niet goed beoordelen. Als het gaat om het gedrag van verdachte, lijkt er sprake te zijn van een neerwaartse spiraal. Het recidiverisico is hoog, net als de kans op onttrekking aan voorwaarden bij een ambulant traject of klinisch traject zonder beveiligingsniveau. Een stevig voorwaardelijk justitieel kader genereert mogelijk de nodige druk om klinische behandeling af te maken. De reclassering adviseert om aan verdachte een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen.

Gelet op de aard en de ernst van de gepleegde feiten acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf een passende reactie. Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gelet op de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS. Op grond hiervan, alsmede de toepassing van het bepaalde in artikel 63 Sr, komt de rechtbank tot de oplegging van een lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is gevorderd. Gelet op de problematiek van verdachte en het advies van de reclassering, zal de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Nu verdachte gemotiveerd is om aan zijn problematiek te werken en de rechtbank het van belang acht dat hij gemotiveerd blijft om zich na detentie klinisch te laten behandelen, zal de rechtbank een forse voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. De rechtbank zal aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarden koppelen zoals opgenomen in het rapport van de reclassering d.d.

1 februari 2019. De rechtbank zal bepalen dat de opname in de FVK Piet Roordakliniek of soortgelijke zorginstelling maximaal 12 maanden duurt.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden van 8 juli 2016, is verdachte veroordeeld tot - onder meer - een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op

23 juli 2016. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.

De officier van justitie heeft bij vordering van 16 april 2018 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.

De raadsman heeft zich verzet tegen tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf.

Nu veroordeelde het onder parketnummer 18/071787-18 primair bewezenverklaarde en het onder parketnummer 18/201817-17 1 primair en 3 bewezenverklaarde heeft begaan voor het einde van de proeftijd, kan de vordering in beginsel worden toegewezen. Gelet op hetgeen de rechtbank in het kader van de strafmotivering heeft overwogen, in het bijzonder ten aanzien van de noodzaak om in het kader van een voorwaardelijke straf bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen, acht de rechtbank de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf thans niet opportuun en wijst de rechtbank de vordering af.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 45, 47, 57, 63, 302 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder parketnummer 18/201817-17 onder 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder parketnummer 18/830015-19 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde, het onder parketnummer 18/201817-17 1 primair en 3 ten laste gelegde en het onder parketnummer 18/071787-18 primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 12 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

a. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

b. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

c. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich gedurende maximaal 12 maanden van de proeftijd van 3 jaren laat opnemen in de FVK Piet Roordakliniek of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start op een nader te bepalen moment en bij voorkeur aansluitend aan de detentieperiode. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die veroordeelde in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling zullen worden gegeven. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

2. dat de veroordeelde zich aansluitend op de behandeling in de Piet Roordakliniek of soortgelijke zorginstelling in het kader van de nazorg ambulant laat begeleiden/behandelen door VNN of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

3. dat veroordeelde meewerkt aan indicatiestelling en plaatsing indien de reclassering na klinische behandeling een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt. Veroordeelde verblijft in een nader te bepalen woonvoorziening voor begeleid/beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor veroordeelde heeft opgesteld;

4. dat veroordeelde zich tijdens de proeftijd onthoudt van het gebruik van verdovende middelen en alcohol en ten behoeve van de naleving van dit verbod aan bloedonderzoek of urineonderzoek meewerkt. Na de klinische opname in de Piet Roordakliniek of soortgelijke zorginstelling vindt eventueel cannabisgebruik door veroordeelde plaats in overleg met de reclassering.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

21-006445-15:

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden van 8 juli 2016.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. A. Jongsma en

mr. B.F. Hammerle, rechters, bijgestaan door mr. A.C. Fennema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 maart 2019.