Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:782

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26-02-2019
Datum publicatie
28-02-2019
Zaaknummer
6355625 \ CV EXPL 17-11562
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Paard met gebrek, niet geslaagd in bewijs dat gebrek ten tijde van de levering bestond. Vordering conventie afgewezen. Reconventie (opheffing conservatoir beslag op straffe van dwangsom) deels toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

zaak-/rolnummer: 6355625 \ CV EXPL 17-11562

vonnis van de kantonrechter d.d. 26 februari 2019

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,

gemachtigden mr. D.F. Berkhout en mr. D. Korzec, advocaten te Amsterdam,

tegen

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PURIOSO HOEVE B.V.,

gevestigd te Zevenhuizen,

2 [gedaagde sub 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

3 [gedaagde sub 3] ,

gevestigd te [woonplaats] ,

4 [gedaagde sub 4] ,

gevestigd te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie, eisers in reconventie,

gemachtigde: mr. M.J.A. Weda, advocaat te Castricum.

Partijen zullen hierna [eiser] , Purioso, [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] worden genoemd. Gedaagden zullen hierna gezamenlijk Purioso c.s. (in vrouwelijk enkelvoudsvorm) worden genoemd.

1 DE PROCESGANG

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

- tussenvonnis d.d. 24 juli 2018;

- akte na tussenvonnis; schriftelijke uitlating bewijs en overlegging nadere producties aan de zijde van [eiser] d.d. 17 september 2018;

- akte na enquête/contra-enquête aan de zijde van Purioso c.s. d.d. 15 oktober 2018.

1.2.

Ten slotte is wederom vonnis bepaald.

2 De (verdere) beoordeling

2.1.

De inhoud van het vonnis van 24 juli 2018 moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd en de daarvan deel uitmakende overwegingen worden gehandhaafd.

2.2.

De kantonrechter constateert dat zij in het voornoemde vonnis per abuis de naam 'Purisio' in plaats van Purioso heeft gehanteerd. In dit vonnis zal de kantonrechter echter de juiste naam hanteren.

in conventie

2.3.

In het tussenvonnis van 24 juli 2018 heeft de kantonrechter [eiser] opgedragen om (nader) bewijs te leveren van haar stelling dat Handsome O ten tijde van de levering op 17 februari 2015 behept was met het gebrek 'hanentred'.

2.4.

Bij akte na tussenvonnis heeft [eiser] ten behoeve van voornoemde bewijsopdracht vier nieuwe schriftelijke getuigenverklaringen in het geding gebracht van:

  • -

    [naam 1] ;

  • -

    [naam 2] ;

  • -

    [naam 3] ;

  • -

    [naam 4] .

2.5.

Voornoemde schriftelijke verklaringen zijn niet onder ede afgelegd en hebben op grond van artikel 152 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) vrije bewijskracht. De kantonrechter oordeelt over deze getuigenverklaringen als volgt.

2.6.

De verklaringen van [naam 1] en [naam 2] zijn gelijkluidend en bovendien verklaren zij niks over het moment van leveren; immers zij hebben Handsome O pas op 20 februari 2015 voor het eerst gezien. Gelet hierop ziet de kantonrechter aanleiding om deze verklaringen buiten beschouwing te laten.

2.7.

[naam 3] heeft met haar verklaring geen nieuw bewijs geleverd. [naam 3] verklaart enerzijds dat zij de manier van lopen/bewegen op het filmpje herkent als hanentred en dat Handsome O in de dagen dat zij met hem werkte op dezelfde manier liep/bewoog. Echter [naam 3] verklaart ook in haar tweede verklaring niet dat Handsome O de eerste dagen afwijkend liep. Ze verklaart nadrukkelijk dat ze geen verschil heeft gezien in de wijze van lopen van het paard tijdens de dagen dat ze met hem heeft gewerkt. Terwijl hanentred een duidelijk waarneembaar gebrek is. Ze verklaart dat de afwijkende gang vooral goed zichtbaar is 'in walk' en dat de 'movement in walk was to the best of my recollection also the same'.

2.8.

Met betrekking tot de verklaring van [naam 4] oordeelt de kantonrechter dat [naam 4] niets nieuws verklaart wat kan bijdragen aan de bewijsopdracht.

2.9.

Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] niet in haar bewijsopdracht is geslaagd dat Handsome O ten tijde van de levering op 17 februari 2015 behept was met het gebrek 'hanentred'. [eiser] betoogt in haar akte na tussenvonnis dat er bij bewijslevering een redelijke mate van zekerheid moet zijn dat Handsome O ten tijde van de levering behept was met het gebrek, echter ook hier is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake van. Dit heeft als gevolg dat er geen sprake is van een non-conforme levering. De primaire vordering tot verklaring voor recht dat de overeenkomst buitengerechtelijk is ontbonden, alsmede de meer subsidiaire vordering tot ontbinding van de koopovereenkomst zullen - nu er geen sprake is van een non-conforme levering - worden afgewezen.

2.10.

De kantonrechter ziet overigens geen aanleiding om - zoals door [eiser] verzocht - terug te komen op haar voorshands oordeel. De stelling van [eiser] dat het feitelijk debat ten tijde van het tussenvonnis nog niet tot volle wasdom was gekomen, kan de kantonrechter gelet op de voorlopig getuigenverhoren en de uitgebreide processtukken niet volgen. De kantonrechter is derhalve - in tegenstelling tot hetgeen [eiser] betoogt - niet van oordeel dat het voorshands oordeel is gebaseerd op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag.

2.11.

De kantonrechter oordeelt - met betrekking tot zowel de overige vorderingen in conventie alsook de vordering in reconventie - allereerst dat dit in beginsel vorderingen zijn die thuishoren bij de sector civiel. Echter gelet op het bepaalde in artikel 94 lid 2 en lid 3 jo artikel 93 sub c Rv acht de kantonrechter zich absoluut bevoegd om ook van de vorderingen in conventie en in reconventie kennis te nemen. Daartoe is redengevend dat één van de vorderingen in conventie gebaseerd is op consumentenkoop, hetgeen een aardzaak betreft. De samenhang tussen de vordering in conventie met betrekking tot de consumentenkoop en de overige vorderingen in (re)conventie verzet zich tegen afzonderlijke behandeling. De kantonrechter zal daarom hierna overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van de overige vorderingen.

2.12.

[eiser] stelt dat Purioso onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) door Handsome O met het gebrek te leveren en te pretenderen dat er geen sprake was van een gebrek, terwijl zij beter wist. De kantonrechter oordeelt dat - nu niet is komen vast te staan dat het gebrek reeds bij aflevering bestond - er geen sprake is van de door [eiser] gestelde onrechtmatige daad. De op deze grondslag gevorderde schadevergoeding zal om die reden ook worden afgewezen.

2.13.

Subsidiair vordert [eiser] een verklaring voor recht dat de koopovereenkomst met betrekking tot Handsome O d.d. 7 februari 2015 door [eiser] buitengerechtelijk is vernietigd op 29 mei 2015 en meer subsidiair om de vernietiging bij vonnis uit te spreken. Aan de vordering tot (buitengerechtelijke) vernietiging legt [eiser] bedrog ex artikel 3:44 lid 3 BW, dan wel dwaling ex artikel 6:228 lid 1 sub a t/m c BW ten grondslag. Ter onderbouwing van deze grondslagen stelt [eiser] wederom dat Purioso (ten tijde van de veiling) op de hoogte was van het gebrek. Dit is echter - zoals hiervoor reeds is uiteengezet – niet komen vast te staan, waardoor er naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake kan zijn van bedrog dan wel dwaling. De vordering tot verklaring voor recht dat de overeenkomst buitengerechtelijk is vernietigd, alsmede de vordering tot vernietiging van de koopovereenkomst zullen - nu er geen sprake is van bedrog dan wel dwaling - worden afgewezen.

2.14.

Nu het door [eiser] aangevoerde niet leidt tot ontbinding dan wel vernietiging van de koopovereenkomst, zullen ook de hiermee samenhangende vorderingen ten aanzien van Purioso te weten terugbetaling van de koopprijs, vergoeding van de geleden schade, alsmede het afhalen van Handsome O, worden afgewezen.

2.15.

De door [eiser] ingestelde vorderingen jegens [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] (hierna: [gedaagden] ) zullen eveneens worden afgewezen. Daartoe is redengevend dat [eiser] geen belang meer heeft bij een oordeel over de vraag of [gedaagden] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door tot herstructurering over te gaan met als doel om vermogensbestanddelen buiten haar bereik te houden en haar op die manier te benadelen. Immers nu [eiser] in het kader van deze procedure geen vordering heeft op Purioso, is van benadeling geen sprake.

2.16.

[eiser] zal als de in conventie in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Purioso c.s., welke proceskosten in conventie worden begroot op:

- salaris advocaat € 3.600,00 (4,5 punten × tarief € 800,00)

totaal € 3.600,00

In reconventie

2.17.

Purioso c.s. vordert in reconventie opheffing van de door [eiser] gelegde conservatoire (derden)beslagen op straffe van een dwangsom.

2.18.

De kantonrechter oordeelt in algemene zin als volgt. De opheffing van een conservatoir beslag kan op grond van artikel 705 lid 2 Rv onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.

2.19.

Het ligt op de weg van degene die opheffing van een conservatoir beslag vordert, in casu Purioso c.s., om aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gestelde vordering ondeugdelijk is. De enkele omstandigheid dat de vorderingen in conventie, waarvoor de beslagen zijn gelegd, zullen worden afgewezen in dit vonnis, rechtvaardigt niet zonder meer het oordeel dat deze vorderingen ondeugdelijk zijn, nu tegen dit vonnis nog hoger beroep openstaat (zie HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1074). In dat geval moeten de wederzijdse belangen van partijen worden afgewogen, waarbij in aanmerking dient te worden genomen dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de hoofdzaak wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering voor de door het beslag ontstane schade kan worden aangesproken. De omstandigheid dat de rechter in de hoofdzaak reeds uitspraak heeft gedaan, dient hierbij te worden meegewogen. Van de rechter kan daarbij niet worden gevergd dat zij in haar vonnis mede een voorlopige beoordeling geeft van de kans van slagen van het door de beslaglegger tegen het vonnis mogelijk aan te wenden rechtsmiddel (zie HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1559).

2.20.

Purioso c.s. stelt in dit kader dat zij er belang bij heeft dat de beslagen op de bankrekeningen van [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 3] worden opgeheven, omdat haar gehele bedrijfsvoering door dit beslag stil is komen te liggen. Ten aanzien van de op het vermogen van Purioso gelegde beslagen heeft zij ter comparitie als onderbouwing gegeven dat indien de gevorderde ontbinding van de koopovereenkomst wordt afgewezen, het beslag ook jegens Purioso moet worden opgeheven. [eiser] betwist daarentegen dat de beslagen voor Purioso c.s. bezwarend zijn. Daarnaast heeft [eiser] op de comparitie aangekondigd dat het zeer waarschijnlijk is dat zij in hoger beroep gaat bij afwijzing van de vorderingen in conventie en derhalve belang heeft bij handhaving van de gelegde beslagen.

De kantonrechter oordeelt hierover als volgt.

2.21.

Voor zover het beslag rust op het vermogen van de verkoper - in het onderhavige geval Purioso - is het enkele feit dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen onvoldoende om het ten laste van Purioso gelegde beslag op te heffen. Nu van andere belangen aan de zijde van Purioso niet is gebleken en [eiser] heeft gesteld dat haar belang erin gelegen is haar vorderingen gedurende het hoger beroep veilig te stellen, ziet de kantonrechter geen aanleiding om de ten aanzien van Purioso gelegde beslagen op te heffen.

2.22.

Voor zover het beslag is gelegd op het vermogen van derden, in het onderhavige geval [gedaagden] , ligt dit anders. Slechts in uitzonderlijke omstandigheden zijn derden, zoals andere concernvennootschappen, verantwoordelijk voor schulden van een andere (rechts)persoon. Deze uitzonderlijke omstandigheden zijn in de onderhavige procedure niet komen vast te staan. Van een oogmerk van benadeling is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gebleken. Uit de overgelegde jaarrekeningen blijkt immers dat het eigen vermogen van de verkoper na de herstructurering niet is verminderd, maar juist is toegenomen.

2.23.

Gelet op het voorgaande zal de vordering tot opheffing van de conservatoire beslagen daarom worden toegewezen in die zin dat de kantonrechter [eiser] zal gebieden om de conservatoire (derden)beslagen op de bankrekeningen van [gedaagden] op te heffen. De gevorderde dwangsom zal eveneens worden toegewezen, met dien verstande dat deze zal worden gemaximeerd tot een bedrag van € 100.000,00. Het conservatoire beslag op het vermogen van Purioso zal blijven liggen. Ook het op de onroerende zaak gelegde beslag kan blijven liggen, nu gesteld noch gebleken is dat de bedrijfsvoering door dit beslag wordt geschaad.

2.24.

De kantonrechter ziet aanleiding om de proceskosten in reconventie te compenseren, nu beide partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld.

3 Beslissing

De kantonrechter:

in conventie

3.1.

wijst de vorderingen af;

3.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, aan de zijde van Purioso c.s. tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 3.600,00 voor salaris van de gemachtigde;

in reconventie

3.3.

gebiedt [eiser] om de onder [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] gelegde conserverende beslagen, zoals omschreven in het beslagrekest van 1 juni 2017, op te heffen binnen vijf dagen na datum vonnis, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij in gebreke blijft aan voornoemde vordering te voldoen, met een maximum van € 100.000,00;

3.4.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt;

3.5.

wijst af het meer of anders gevorderde;

in conventie en in reconventie

3.6.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen onder 3.2. en 3.3. uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. M.A.B. Faber-Siermann, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 februari 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 30101