Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:78

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-01-2019
Datum publicatie
15-01-2019
Zaaknummer
C/17/159683 / HA ZA 18-39
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Overheidsaansprakelijkheid. Mededelingen gemeente over uitrit school. Wijzigiging beleid in het kader plantontwikkeling. Betekenis oordeel Nationale ombudsman

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2019/20
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/159683 / HA ZA 18-39

Vonnis van 9 januari 2019

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

en

2. [eiseres 2],

beiden wonend te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. J. Plat te [woonplaats] ,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE SMALLINGERLAND,

zetelend te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. E.E. van der Kamp te Leeuwarden.

Partijen zullen hierna [eisers] (in enkelvoud) en de Gemeente genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 13 juni 2018,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 20 september 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisers] is in 1995 eigenaar geworden van de woning aan de [adres] te [woonplaats] . De woning is gelegen op de hoek van twee wegen, de [straat 1] en de [straat 2] .

2.2.

Tegenover de zijkant van de woning van [eisers] aan de [straat 2 zijde] lag een middelbare school, het CSG Liudger. Gezien vanuit de woning van [eisers] bevond zich rechts naast de school een fietsenstalling, in het midden de hoofdingang van de school en links naast de school een parkeerterrein.

2.3.

Het CSG Liudger maakt deel uit van het zogenoemde Leerpark. Op het Leerpark bevinden zich ook andere onderwijsvoorzieningen. De Gemeente heeft op enig moment het voornemen opgevat om het Leerpark opnieuw in te richten. Onderdeel van deze herinrichting was de gedeeltelijke nieuwbouw en verbouwing (vernieuwbouw) van CSG Liudger.

2.4.

Bij brief van 7 december 2010 heeft de Gemeente naar aanleiding van vragen van [eisers] aan [eisers] meegedeeld:

Hierbij delen wij u het volgende mede. Dinsdag 30 november jl. heeft u telefonisch contact gehad met de heer Hokken van de afdeling samenlevingszaken. U heeft met hem gesproken over de ontsluiting van de nieuwe school Liudger.

U heeft in dat overleg aangegeven bang te zijn dat door de situering van de ingang van het nieuwe [straat 2] -gebouw u in de toekomst overlast zal hebben van verkeer van en naar de school.

De heer Hokken heeft u het volgende meegedeeld:

• De gemeente en het schoolbestuur hebben niet de intentie de school, vanaf de [straat 2] toegankelijk te maken.

• Er zullen tal van prikkels worden ingebouwd om docenten en bezoekers te stimuleren op het leerpark zelf te parkeren.

• Uit de contacten met de buurt is ons duidelijk geworden dat vanuit de wijk het gewenst wordt gevonden als de toegankelijkheid richting [straat 2] vanuit de omgeving Liudger zo mogelijk tot nul (behoudens af te sluiten vluchtwegen e.d.) wordt teruggebracht.

Deze uitgangspunten zullen door ons zoveel mogelijk worden gerespecteerd bij de verdere planontwikkeling. Een ontwikkeling waarbij wij u als buurtgenoten zeker zullen betrekken.

Als een ingrijpende verandering in de toegankelijkheid van het scholengebied zal worden gerealiseerd, iets waar wij geen enkele aanleiding voor zien, dan zal die verandering een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk maken. U zult dan op de gebruikelijke wijze in de gelegenheid worden gesteld hiertegen bezwaar te maken.

U wilde deze mededeling graag schriftelijk bevestigd hebben. Wij voldoen graag aan uwwens.

2.5.

Vervolgens is de planvorming voortgezet. Op diverse momenten heeft de Gemeente hierover berichten gepubliceerd in de huis-aan-huis verspreide informatiekrant 'Breeduit', onder meer op 23 mei 2013, 30 mei 2013 en 24 juli 2014. Er zijn ook inloopavonden georganiseerd, waarop informatie over de plannen is gegeven. Voor die inloopavonden is [eisers] niet persoonlijk uitgenodigd.

2.6.

Nadat [eisers] eind oktober of begin november 2014 had vernomen dat schuin tegenover zijn woning een in- en uitrit van het Leerpark zou komen, heeft hij op 10 november 2014 gesproken met [ambtenaar A] en [ambtenaar 2] van de Gemeente. Partijen hebben vervolgens met elkaar gecorrespondeerd, waarbij [eisers] een beroep heeft gedaan op de mededelingen in de onder 2.4 genoemde brief van 7 december 2010 en bezwaar heeft gemaakt tegen de in- en uitrit tegenover zijn woning. Bij e-mail van 26 november 2014 heeft de Gemeente aan [eisers] onder meer meegedeeld:

Uitrit

Er is op dit moment een uitrit vanaf de school naar [straat 2] . U ondervindt daar hinder van. De huidige uitrit is een tijdelijke zaak. Die is nodig omdat op dit moment op het middenterrein grote activiteiten plaatsvinden Deze uitrit zal t.z.t. weer verdwijnen Zoals met u gecommuniceerd in 2010 is de ontsluiting van het leerpark geregeld via de Splitting en Leidijk.

Voor de goede orde merken wij op dat er beperkte doorgangen in latere fases zijn toegevoegd aan het plan tijdens de inspraakprocedures. Ook vanuit de [straat 2] zal er een beperkte toegankelijkheid blijven, vooral gericht op het toegankelijk maken van het gebied voor wijkbewoners.

2.7.

Bij brief van 10 april 2015 heeft de Gemeente een klacht van [eisers] ongegrond verklaard, voor zover [eisers] had geklaagd over het niet-nakomen van een afspraak dat het Leerpark niet vanaf de [straat 2] toegankelijk zou worden. De klacht is wel gegrond verklaard, voor zover [eisers] had geklaagd dat hij niet als buurtgenoot bij de verdere planontwikkeling was betrokken.

2.8.

Bij brief van 15 april 2015 heeft de Gemeente aan [eisers] meegedeeld dat zij diens verzoek om handhaving met betrekking tot de in- en uitgang aan de [straat 2] afwees. Volgens de Gemeente is de in- en uitgang niet in strijd met het bestemmingsplan.

[eisers] heeft tegen dit besluit geen bezwaarschrift ingediend.

2.9.

De Gemeente heeft in december 2015 en januari 2016 onderzoek laten doen naar (onder meer) de verkeersbewegingen op de [straat 2] , met behulp van een camera op het dak van het gebouw van CSG Liudger. Bij brief van 12 september 2016 heeft de Gemeente hierover aan [eisers] onder meer meegedeeld:

Rapportage

De camera heeft van 8 december t/m 18 december 2015 en van 8 januari t/m 1 februari 2016 beelden gemaakt van de [straat 2] ter plaatse van de fietsenentree van het Liudger.

Het aantal fietsers, voetgangers en de parkeeracties zijn geteld. Op de drukst gemeten dag zijn er een 1.350 fietsbewegingen (in en uit) ter plaatse van deze ingang. En op een drukke dag vinden er 55 parkeeracties plaats. Donderdag is veelal een drukke dag. De andere dagen van de week zijn er relatief minder fietsbewegingen en vinden er minder parkeeracties plaats (..)

Uit de tabel en de beelden kan de conclusie getrokken worden dat de situatie op de [straat 2] niet anders is dan bij andere schoollocaties in [woonplaats] .

2.10.

Bij rapport van 23 februari 2017 (2017/023) heeft de Nationale ombudsman een oordeel gegeven over een klacht van [eisers] tegen de Gemeente. Het rapport luidt onder meer:

WAT IS DE VISIE VAN VERZOEKER?

Verzoeker geeft aan dat hij zich gezien de toezeggingen in de brief geen zorgen meer maakte over overlast. Hij zag geen reden meer om zich actief met de planontwikkeling bezig te houden. Hij was namelijk in de veronderstelling dat de gemeente met hem had afgesproken dat het schoolgebouw niet in de richting van zijn woning en werkplaats zou worden ontsloten. Daarbij komt dat verzoeker ervan uitging dat wanneer de ontsluitingswijze zou veranderen, hij tegen een bestemmingsplanwijziging bezwaar kon maken. Verzoeker vernam niets meer van de gemeente. Pas tijdens de graafwerkzaamheden werd het hem duidelijk op welke wijze de ontsluiting zou plaatsvinden en dat de gemeente van de gedane toezeggingen was afgeweken. Verzoeker voelt zich door deze gang van zaken op het verkeerde been gezet en niet serieus genomen.

WAT IS DE VISIE VAN DE GEMEENTE SMALLINGERLAND?

De gemeente heeft de klacht wat betreft het niet nakomen van gedane toezeggingen ongegrond verklaard. De gemeente heeft zich in de klachtbehandeling op het standpunt gesteld dat zij geen onherroepelijke toezegging heeft gedaan. In de brief wordt slechts melding gedaan van een intentie, het zoveel mogelijk respecteren van uitgangspunten en de mogelijkheid om bezwaar te maken. Als gevolg van een aantal ontwikkelingen is niet aan de intentie vastgehouden, aldus de gemeente.

Naar aanleiding van de opening van het onderzoek heeft de Nationale ombudsman met medewerkers van de gemeente een gesprek gevoerd. Vanuit de gemeente is toen het volgende over de totstandkoming van de ontsluiting toegelicht.

Toen duidelijk werd dat het schoolgebouw zou worden vernieuwd, zijn er diverse koffiebijeenkomsten georganiseerd om met burgers over de planvorming te praten, waarbij ook verzoeker aanwezig was. Mede vanwege de overlast die op dat moment werd ervaren door gebruik van het schoolterrein, was de gemeente op dat moment voornemens om het schoolgebouw door middel van waterpartijen langs de [straat 2] af te schermen en via andere straten te ontsluiten. Tegen deze achtergrond is toen de brief aan verzoeker opgesteld.

Daarna is de besluitvorming omtrent de nieuwbouw in een stroomversnelling terechtgekomen. Voor de ontwikkeling van het gebied is een structuurvisie opgesteld, waarna de inspraakprocedure in gang is gezet. Dit inspraaktraject heeft ertoe geleid dat men tot andere inzichten is gekomen. In plaats van het schoolterrein af te sluiten, ontstond namelijk het idee om het schoolterrein veel meer te integreren in de buurt en meer open en toegankelijk te maken.

De gemeente realiseerde zich dat de informatie in de aan verzoeker gestuurde brief gezien de gewijzigde inzichten niet meer juist was. Daarom was zij voornemens om verzoeker uit te nodigen voor een informatieavond, waarbij extra aandacht zou worden besteed aan de gewijzigde inzichten. Vervolgens zijn buurtbewoners op basis van hun postcode uitgenodigd voor deze informatieavond. Door een misverstand heeft verzoeker geen uitnodiging gehad, omdat hij in een ander postcodegebied woont.

WAT IS DE VISIE VAN DE NATIONALE OMBUDSMAN?

De Nationale ombudsman stelt voorop dat het niet gemakkelijk is om draagvlak te creëren voor een beslissing die van invloed is of kan zijn op de directe woon- en leefomgeving van burgers. Burgers hebben daarover vragen en maken zich zorgen over de mate van overlast die ze als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen kunnen gaan ondervinden. De Nationale ombudsman onderschrijft het belang om daarover met elkaar in gesprek te gaan en om - voor zover mogelijk - daarover afspraken te maken.

Over het burgerperspectief

De Nationale ombudsman vindt het belangrijk dat de overheid zich in haar handelen rekenschap geeft van het perspectief van de burger. Er is echter niet één burger-perspectief. De samenleving bestaat uit een grote diversiteit van mensen, met overeenkomsten maar ook veel verschillen.

Rekening houden met die diversiteit is niet gemakkelijk. Het vraagt van de overheid om bij de ontwikkeling en uitvoering van ruimtelijke plannen voor ogen te hebben wat de aannames van de burger zijn. Dit geldt ook voor het geval waarin toezeggingen omtrent ruimtelijke plannen worden gedaan aan de burger. Wanneer die toezeggingen in een brief worden vervat, dan dient de overheid zich er bij het opstellen van de brief van bewust te zijn hoe de burger vanuit zijn perspectief bezien die toezeggingen opvat en welke conclusies hij daaruit trekt. Met andere woorden: welke verwachtingen wekt de brief bij de burger precies?

Via de behandeling van klachten beoordeelt de Nationale ombudsman of de overheid bij de uitvoering van haar taak voldoende rekening heeft gehouden met het burgerperspectief. Voor die toetsing maakt hij onder andere gebruik van de zogeheten behoorlijkheidsvereisten.

WAT IS HET OORDEEL VAN DE NATIONALE OMBUDSMAN?

Het vereiste van betrouwbaarheid houdt in dat de overheid binnen het wettelijk kader en eerlijk en oprecht, doet wat zij zegt en gevolg geeft aan rechterlijke uitspraken.

Dit betekent dat wanneer de overheid verwachtingen wekt, bijvoorbeeld door het doen van toezeggingen, zij deze nakomt. Overigens betekent dit niet dat de overheid de burger altijd ter wille kan zijn. De realiteit van veranderende inzichten of feiten en omstandigheden kunnen namelijk een ander licht werpen op gedane toezeggingen. In dat geval wordt van de overheid verwacht dat zij nagaat wat dit voor de gewekte verwachtingen bij de burger betekent. Als blijkt dat niet meer aan die verwachtingen kan worden vastgehouden, dan zal de overheid de burger hierover persoonlijk moeten informeren en moeten bezien of hij gecompenseerd kan worden.

De Nationale ombudsman constateert ten aanzien van het perspectief van verzoeker, diens burgerperspectief, het volgende. Daargelaten de vraag of de brief juridisch gezien onherroepelijke toezeggingen bevat, verwachtte verzoeker dat de gemeente nu zij aangaf een bepaalde intentie te hebben, zij hier ook naar zou handelen. De gemeente heeft bij het opstellen van de brief onvoldoende voor ogen gehad dat verzoeker de brief niet met dezelfde juridische blik, oftewel het perspectief van de gemeente, zou lezen. Dit heeft ertoe geleid dat verzoeker ervaart dat de gemeente de jegens hem gedane toezeggingen niet is nagekomen.

Gewijzigde inzichten hebben ertoe geleid dat de toezeggingen aan verzoeker niet zijn nagekomen. De Nationale ombudsman vindt het gezien de toelichting hierover van de gemeente reëel en verdedigbaar dat de verwachtingen niet alsnog kunnen worden gehonoreerd. Wel had verzoeker van de gemeente mogen verwachten dat toen duidelijk werd dat de toezeggingen niet konden worden nagekomen, hierover persoonlijk contact met hem zou worden opgenomen. Met verzoeker had dan besproken moeten worden wat de gewijzigde plannen voor hem zouden betekenen. Dit heeft de gemeente nagelaten.

Op grond van het voorgaande is de Nationale ombudsman van oordeel dat de gemeente bezien vanuit het perspectief van verzoeker niet heeft gedaan wat zij heeft gezegd. De gemeente heeft nagelaten om hierover in contact te treden met verzoeker. De onderzochte gedraging van de gemeente is dan ook niet behoorlijk.

CONCLUSIE

De klacht over de onderzochte gedraging van de gemeente Smallingerland is gegrond, wegens strijd met het vereiste van betrouwbaarheid.

HOE NU VERDER?

Uit de gesprekken met verzoeker is het de Nationale ombudsman duidelijk geworden dat verzoeker veel overlast ervaart als gevolg van de ontsluiting van het schoolgebouw via de straat waaraan zijn woning en werkplaats zijn gesitueerd. Vanuit de gemeente is aangegeven dat zij hierover met verzoeker en andere buurtbewoners contact heeft. De Nationale ombudsman benadrukt het belang van dergelijk contact en wijst er daarbij op dat rekening houden met het burgerperspectief impliceert dat meldingen over overlast serieus worden genomen, goed wordt geïnventariseerd wat het probleem is en de burger wordt geïnformeerd over de (on)mogelijkheden voor de gemeente om een rol daarbij te spelen.

Tot slot realiseert de Nationale ombudsman zich dat de gang van zaken verstrekkende gevolgen heeft gehad voor de verstandhouding tussen verzoeker en de gemeente. Voor de nabije toekomst is het daarom wenselijk dat vanuit de gemeente aandacht wordt besteed aan het herstel van vertrouwen bij verzoeker. De Nationale ombudsman beveelt de gemeente aan om na te gaan wat verzoeker hiervoor nodig heeft.

2.11.

Bij brief van 12 juni 2017 heeft de Gemeente [eisers] geïnformeerd over de uitvoering van de aanbevelingen van de Nationale ombudsman. Daarbij heeft de Gemeente onder meer meegedeeld dat de in- en uitrit aan de [straat 2] niet zou worden afgesloten en dat zij met [eisers] in overleg wilde treden om de mogelijkheden te onderzoeken voor het afschermen van het zicht op de toegang en om te komen tot een billijke tegemoetkoming in de (advocaat)kosten. Het overleg heeft plaatsgevonden, maar niet tot overeenstemming geleid.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vordert dat de rechtbank bij vonnis, kort gezegd, voor recht zal verklaren dat de gemeente onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en de gemeente zal veroordelen om de schade te vergoeden die hij daardoor lijdt, op te maken bij staat, met kosten.

3.2.

De Gemeente voert verweer.

3.3.

De rechtbank zal de stellingen van partijen hierna bespreken, voor zover die van belang zijn voor de beslissing in deze zaak.

4 De beoordeling

Onjuiste en onvolledige informatie

4.1.

[eisers] is van mening dat hem bij diverse gelegenheden onjuiste en onvolledige informatie is verstrekt over de in- en uitrit tegenover zijn woning. De onjuiste en onvolledige informatie betreft onder meer het wel of niet realiseren van de in- en uitrit en de noodzaak voor een bestemmingswijziging en voor het verlenen van vergunningen.

4.2.

Het is alleen zinvol om na te gaan of de Gemeente onjuiste en onvolledige informatie heeft verstrekt en of dit onrechtmatig is jegens [eisers] , indien aannemelijk is dat [eisers] schade heeft geleden door het verstrekken van onjuiste en onvolledige informatie. De schade die [eisers] noemt, betreft in de eerste plaats overlast door leerlingen die gebruik maken van de in- en uitrit. Die overlast is echter geen gevolg van het verstrekken van onjuiste en onvolledige informatie, maar van de aanwezigheid van de in- en uitrit. [eisers] heeft daarnaast aangevoerd dat hij zijn woning heeft verbouwd, omdat hij de toezegging had gekregen dat er tegenover zijn woning geen in- en uitrit zou komen en dat hij dit niet zou hebben gedaan zonder die toezegging. Deze schade betreft dus het specifieke punt van het niet-nakomen van de gestelde toezegging, die volgens [eisers] is begrepen in de brief van 7 december 2010. De gestelde toezegging zal hierna worden besproken.

4.3.

Voor het overige is niet aangevoerd dat [eisers] schade heeft geleden door de informatie die hij als onjuist en onvolledig kwalificeert. De rechtbank zal die informatie daarom onbesproken laten.

Toezegging

4.4.

De grondslag van de vordering van [eisers] betreft het niet-nakomen van de toezegging die volgens [eisers] is begrepen in de mededelingen van de Gemeente in de brief van 7 december 2010. Op grond van de toezegging heeft hij erop mogen vertrouwen dat er geen in- en uitrit tegenover zijn woning zou komen, in elk geval niet zonder bestemmingswijziging, aldus [eisers] .

4.5.

In de brief van 7 december 2010 heeft de Gemeente de intentie uitgesproken dat er geen in- en uitrit tegenover de woning van [eisers] zou komen. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de Gemeente die intentie toen niet had. De intentie paste in het beeld van het Leerpark dat de Gemeente destijds voor ogen stond, namelijk dat van een afgezonderd Leerpark, dat slechts via enkele wegen toegankelijk zou zijn. Vanuit het perspectief van [eisers] heeft de Gemeente vervolgens niet gedaan wat zij heeft gezegd, omdat hij verwachtte dat de Gemeente overeenkomstig de intentie zou handelen. Vanuit dat perspectief is, zoals de Nationale ombudsman heeft geoordeeld, het handelen van de Gemeente niet behoorlijk geweest. De Gemeente heeft immers onvoldoende rekening ermee gehouden hoe [eisers] de mededelingen zou opvatten. Dit brengt echter niet zonder meer mee dat het onrechtmatig was dat de Gemeente anders heeft gehandeld dan in 2010 de intentie was.

4.6.

De Gemeente heeft in 2010 aan [eisers] meegedeeld wat de intentie destijds was en daarbij vermeld dat die 'zoveel mogelijk' zou worden gerespecteerd bij de 'verdere planontwikkeling'. Uit deze bewoordingen heeft ook [eisers] kunnen opmaken dat het plan nog verder moest worden ontwikkeld en dat de Gemeente niet op voorhand zekerheid gaf over het resultaat van die ontwikkeling, ook wat betreft de in- en uitgang. [eisers] heeft er dus rekening mee kunnen en moeten houden dat de ontsluiting van het Leerpark anders zou kunnen worden uitgevoerd dan in 2010 de intentie was, indien daarvoor tijdens de verdere planontwikkeling goede argumenten zouden worden gegeven.

4.7.

Bij de verdere ontwikkeling heeft de Gemeente niet alleen het belang van [eisers] kunnen en mogen betrekken. De Gemeente was gehouden om alle relevante belangen en inzichten af te wegen. Gaandeweg in dat proces is de Gemeente tot andere inzichten gekomen wat betreft het karakter van het Leerpark: geen afgezonderd Leerpark maar een open en toegankelijk Leerpark. Voor die nieuwe visie heeft de Gemeente goede argumenten gegeven, waaronder het tegengaan van criminaliteit en een breder gebruik van voorzieningen op het Leerpark dan alleen ten behoeve van de leerlingen van de betrokken scholen. De visie van een open Leerpark bracht mee dat het Leerpark meer moest worden ontsloten dan aanvankelijk de bedoeling was, ook aan de zijde van de [straat 2] . De Gemeente heeft tevens onderzocht of dit tot onaanvaardbare overlast aan de zijde van de [straat 2] leidt. Haar is niet gebleken dat de overlast anders is dan gebruikelijk is bij scholen in [woonplaats] . Onder deze omstandigheden heeft de Gemeente in redelijkheid ertoe kunnen komen om af te wijken van de intentie die zij in 2010 tegenover [eisers] had uitgesproken. Het is daarom niet onrechtmatig jegens [eisers] dat de Gemeente niet overeenkomstig die intentie heeft gehandeld.

4.8.

Het is ook de rechtbank opgevallen dat de Gemeente tijdens het proces van de planontwikkeling steken heeft laten vallen wat betreft de communicatie met [eisers] . Het is niet zozeer dat [eisers] redelijkerwijs mocht verwachten dat er onder geen beding een in- en uitrit tegenover zijn woning zou komen. Maar gelet op de intentie die de Gemeente in 2010 naar [eisers] heeft uitgesproken en in de brief van 7 december 2010 heeft neergelegd, heeft [eisers] wel redelijkerwijs mogen verwachten dat de Gemeente hem persoonlijk bij de planontwikkeling zou betrekken en hem vroegtijdig zou informeren over ontwikkelingen die zouden kunnen leiden tot afwijking van de intentie. De Gemeente heeft erkend dat zij op dit punt niet zorgvuldig is geweest. Door in het proces van planontwikkeling niet de vereiste zorgvuldigheid jegens [eisers] in acht te nemen, heeft de Gemeente onrechtmatig jegens hem gehandeld. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.7 is overwogen, is er echter geen aanleiding om aan te nemen dat de planontwikkeling tot een ander resultaat zou hebben geleid, indien de Gemeente wel de nodige zorgvuldigheid jegens [eisers] in acht had genomen. In zoverre heeft [eisers] daarvan geen nadeel ondervonden. Het is wel mogelijk dat [eisers] ander nadeel heeft ondervonden, zoals kosten van bijstand door advocaat, voor zover die kosten zijn toe te rekenen aan het gebrek om [eisers] adequaat te informeren en hem te betrekken bij de planontwikkeling. Dergelijk nadeel, voor zover in geld uit te drukken, behoort de Gemeente te vergoeden.

De Gemeente heeft daarvoor oog gehad, zoals blijkt uit de tegemoetkoming die zij [eisers] na het rapport van de Nationale ombudsman heeft willen bieden.

Slotsom

4.9.

Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van [eiser 1] moeten worden toegewezen, maar uitsluitend voor zover die betrekking hebben op het onder 4.8 genoemde onrechtmatig handelen.

4.10.

Beide partijen zijn op onderdelen in het ongelijk gesteld. De rechtbank zal om die reden de kosten tussen hen compenseren, zodat ieder de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat de Gemeente onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld door hem na de onder 2.4 genoemde brief van 7 december 2010 niet persoonlijk te betrekken bij de verdere ontwikkeling van de plannen met betrekking tot het Leerpark en hem niet vroegtijdig te informeren over ontwikkelingen die zouden kunnen leiden tot afwijking van de intentie die in de brief van 7 december 2010 is neergelegd;

5.2.

veroordeelt, uitvoerbaar bij voorraad, de Gemeente tot het vergoeden van de schade die [eisers] lijdt of heeft geleden door het onder 5.1 bedoelde onrechtmatig handelen, op te maken bij staat;

5.3.

compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat zij hun eigen kosten dragen;

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Los en in het openbaar uitgesproken op

9 januari 2019, in tegenwoordigheid van de griffier.1

1 type: 780 coll: