Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:747

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
28-02-2019
Zaaknummer
C/17/162768 / HA ZA 18-214
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

verdeling, geen informatie achtergehouden, geen onrechtmatige daad

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/162768 / HA ZA 18-214

Vonnis van 27 februari 2019

in de zaak van

[A] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. B.G. van Twist te 's-Gravendeel,

tegen

[B] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. B.G. Kooi te Dokkum.

Partijen zullen hierna [A] en [B] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 17 oktober 2018

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 10 januari 2019.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd op 7 juli 1989.

Zij hebben twee minderjarige kinderen.

2.2.

Vanaf 2 april 2011 wonen partijen niet meer feitelijk samen. [A] is in de gemeenschappelijke echtelijke woning aan [adres] blijven wonen met de minderjarige kinderen van partijen en [B] heeft deze woning verlaten.

2.3.

Partijen zijn vanaf 2010/2011 - met onderbrekingen - met elkaar in gesprek geweest over de gevolgen van hun voorgenomen echtscheiding. Tot de huwelijksgemeenschap behoorde in ieder geval de woning aan [adres] en de aandelen in de door [B] gedreven onderneming [naam onderneming]

[B] werd bij de onderhandelingen bijgestaan door zijn accountant D. Venema van Ahead Accountants te Kollum (hierna: Venema) en [A] door A. Plug van Visser & Visser Accountants en Belastingadviseurs te Apeldoorn (hierna: Plug). Partijen hebben voorts notaris mr. Y. Eerens van Yvon Notariaat en Mediation te Drachten (hierna: Eerens) ingeschakeld als mediator. In verband met de financiële positie van de onderneming heeft ook J.A. Hummel van Bijzonder Beheer van de Rabobank (hierna: Hummel) zijn visie gegeven omtrent de afwikkeling van de gevolgen van de echtscheiding.

2.4.

Onder andere is de volgende correspondentie gewisseld:

- een e-mail van 25 juni 2013 van [B] aan Plug en [A] (met Venema in cc) waarin onder meer is vermeld:

[…]

2. Jaren aaneen heeft PTH op verzoek van de mediator en later rechtstreeks van [A] (formele) cijfers beschikbaar gesteld. Uiteraard konden deze niet a la minuut worden opgehoest gezien de complexiteit van PTH Groep (complexe matrix van producten en diensten). Het verwijt aan ons adres dat de vertraging door ons is ontstaan verwerpen wij. Uit deze cijfers komt een patroon naar voren van verlies cq. magere cijfers (verlies en saneringsronde in 2010) ten gevolge van de crisis. Deze kwetsbare situatie is er nog steeds waardoor de Rabobank bevolen heeft de managementfee te bevriezen. Daarmee is de draagkracht bepaald. Ondanks onze melding van deze opdracht van de bank, wordt hiermee geen rekening gehouden in jouw berekening zodat er naar onze mening nu geen werkbaar uitgangspunt in te vinden is. De bank zal niet tolereren dat wij afwijken van de gemaakte afspraak en het risico op inperken krediet ligt op de loer als wij er wel van afwijken (betekent zo goed als zeker einde van PHT).

[…]

- een e-mail van 20 maart 2014 van Plug aan Eerens waarin onder meer is vermeld:

[…]

Voor het scheidingsmoment is het niet realistisch 31 december 2010 te nemen. Onze gedachte is uit te gaan van de situatie 31/12/2012.

[…]

- een e-mail van 20 maart 2014 van Hummel aan Eerens en Venema (met [B] in cc) waarin onder meer is vermeld:

[…]

Ik zou op voorhand alleen akkoord willen gaan met het verdelingsmoment 31 december 2012 als daar voor beide partijen een goede reden is. Qua koehandel kun je ook op 31 december 2011 gaan zitten

[…]

- een e-mail van 24 maart 2014 van Hummel aan Eerens en Veenema waarin onder meer is vermeld:

[…]

[…] het blijft erg moeilijk als je geen uitgangspunten hebt waarover je het samen eens bent. Dit geld met name welk scheidingsmoment kies je voor de vermogensbestanddelen en hoe lang moet/wil je alimentatie betalen. Je kunt je natuurlijk ook op het volgende standpunt stellen. We scheiden per 31/12/2013. [A] krijgt 50% van de aandelen van de holding toebedeeld, we splitsen de pensioenvoorziening in een deel voor de man en voor de ex-vrouw. 50% van de opgebouwde rekening courant schuld Wijnand is ook voor haar. Ze heeft recht op 50% van de mogelijke overwaarde van de woning. Qua geld gebeurt er dan niks. De alimentatie wordt berekent en hieruit komt naar voren dat Wijnand geen partneralimentatie kan betalen. Hierdoor zal haar inkomen dus drastisch dalen en onder bijstand niveau komen en daarmee gaat ze natuurlijk nooit akkoord en kortom wederom een conflict.

[…]

- een e-mail van 25 maart 2014 van Plug aan Eerens (met [B] en Venema in cc) waarin wordt verwezen naar een bijgesloten "finale tegenvoorstel" van [A] .

2.5.

Partijen hebben vervolgens verder onderhandeld. Onder meer is op 16 juni 2014 door [A] per mail aan Eerens (met kopie aan [B] en Plug) het volgende bericht:

[…]

De gehele constructie zoals die er nu is met uitbetaling van ruim 5 jaar partneralimentatie is verdiscontering van vermogen, bezit. […] De waarde van bezit is hiermee dus omgezet in alimentatie. Ik zou niet weten waarom dat met de waarde van de polissen niet zou kunnen.

[…]

2.6.

Naar aanleiding van een e-mail van Eerens van 16 juni 2014 waarin onder meer is vermeld:

[…]

Er ligt nu een alternatief op tafel waar - denk ik - aan alle bezwaren tegemoet wordt gekomen:

[…]

is de volgende correspondentie gewisseld:

- een e-mail van 16 juni 2014 van [A] aan [B] , Eerens en Venema (en Plug in cc) waarin onder meer is vermeld:

[…]

Dit lijkt mij een mooi voorstel.

Wanneer Arie [rb: Plug] niet met bezwaren komt zal ik dit doorgeven aan mijn advocaat om op te nemen in het convenant.

[…]

- een e-mail van [B] van 16 juni 2014 aan [A] , Eerens en Venema (met Plug in cc) waarin is vermeld:

Mee eens [A]

- een e-mail van 16 juni 2014 van Eerens aan [B] , [A] en Venema (en kopie aan Plug) waarin onder meer is vermeld:

[…]

Goed [A] , ik mail het naar je advocaat en jij ook, dan kan zij bezig. […] Fijn dat er een gezamenlijk gedragen akkoord is.

[…]

2.7.

[A] had zich inmiddels tot mr. A.J. de Boer, advocaat te Leeuwarden gewend teneinde een echtscheidingsverzoek in te dienen bij de rechtbank. Ook heeft zij mr. De Boer verzocht een echtscheidingsconvenant op te stellen.

2.8.

Partijen hebben op 14 november 2014 het door mr. De Boer opgestelde "echtscheidingsconvenant tevens vaststellingsovereenkomst" (hierna: het echtscheidingsconvenant) ondertekend. Hierin is onder meer vermeld:

[…]

F. Voor het geval de echtscheiding tussen partijen wordt uitgesproken en de beschikking wordt ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand, hebben partijen de (financiële) gevolgen van deze echtscheiding op de hieronder omschreven wijze met elkaar geregeld. Ten aanzien van de vermogensrechtelijke aspecten van dit convenant heeft die regeling het karakter van een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 e.v. BW. Dit brengt met zich mee dat geen der partijen in beginsel een beroep kan doen op dwaling terzake van hetgeen waarover juist werd getwist of onzekerheid bestond. Beide partijen zijn zich hier, ten tijde van ondertekening van onderhavig convenant, van bewust.

G. Ter beëindiging en/of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen dan tussen partijen rechtens geldt,

Verklaren zij het volgende met elkaar te zijn overeengekomen en tussen hen bindend vast te stellen:

[…]

2.9.

In het echtscheidingsconvenant is voorts onder meer bepaald dat [B] gedurende vijf jaren en drie maanden een bedrag aan [A] van € 1.250,00 bruto per maand als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud voldoet (ongeacht of zij hertrouwt of zelf inkomsten verwerft) en dat zij tot uiterlijk 1 september 2016 in de gemeenschappelijke woning - die aan [B] wordt toegedeeld - kan verblijven, welke woning kosteloos door [B] aan haar (en de minderjarige kinderen van partijen) ter beschikking wordt gesteld. Verder is de bij haar in gebruik zijnde auto zonder verrekening aan haar toegedeeld (en die bij [B] in gebruik is aan hem). Ook is aan haar zonder verrekening een levensverzekering toegedeeld en het bedrag van een inmiddels reeds afgekochte polis en is de aan de hypotheek gekoppelde polis zonder verrekening aan [B] toegedeeld. Tevens is de afspraak gemaakt dat [B] een bedrag van € 8.000,00 aan herinrichtingskosten aan [A] zal betalen zodra zij de gemeenschappelijke woning verlaat.

2.10.

Omtrent de door [B] gedreven onderneming is onder meer het volgende in het echtscheidingsconvenant vermeld:

[…]

ARTIKEL 4: ONDERNEMING "PTH" (PRESENTATIE TECHNIEK HOLLAND B.V.) en overige B.V.'s.

4.1

Tot de gemeenschap van goederen behoren alle aandelen in de besloten vennootschap Presentatie techniek Holland B.V., statutair gevestigd te Kollumerzwaag (KVK nummer 01095735), [naam onderneming] , statutair gevestigd te Dronrijp (KVK nummer 01082201), Presentatie Techniek Holland Holding, statutair gevestigd te Kollumerzwaag (KVK nummer 01079743), P.T.H. Media B.V., statutair gevestigd te Kollumerzwaag (KVK nummer 01107472), P.T.H. Rental B.V., statutair gevestigd te Kollumerzwaag (KVK nummer 01138581) en AVDL Nederland B.V., statutair gevestigd te Zoetermeer (KVK nummer 27362630). Deze aandelen (dit tbs-vermogen) vallen (valt) in het huwelijksvermogen van partijen. De aandelen in al deze voornoemde B.V.'s (dit tbs-vermogen) worden (wordt) toegedeeld aan de man. Nu partijen in gemeenschap van goederen zijn gehuwd en de man de betreffende BV's zal voortzetten, zullen deze aandelen, c.q. zal dit tbs-vermogen (fiscaal) geruisloos worden doorgeschoven.

4.2.

Partijen hebben de waarde van de aandelen van de B.V.'s, zoals genoemd in artikel 4.1 in onderling overleg en conform de meest recente jaarrekening vastgesteld op nihil.

4.3.

De man zal de schuld (in rekening-courant) aan de B.V.'s, zoals genoemd in artikel 4.1. voor zijn rekening nemen en geheel als eigen schuld voldoen. De man verklaart middels ondertekening van dit convenant in zijn hoedanigheid van directeur, c.q. bestuurder van de B.V.'s, zoals genoemd in artikel 4.1 dat de vrouw niet aansprakelijk is voor de vordering(en) die B.V.'s, zoals genoemd in artikel 4.1. op de man/vrouw hebben c.q. mochten hebben.

[…]

4.5.

Partijen constateren dat, vanwege de hiervoor genoemde toedeling er geen sprake is van overbedeling van de man, dan wel onderbedeling van de vrouw, zodat er wat dit betreft ook geen sprake hoeft te zijn van een overbedelingsvergoeding, c.q. onderbedelingsvergoeding.

[…]

Voorts heeft [A] afstand gedaan van haar pensioenrechten welke opgebouwd waren in de ondernemingen.

2.11.

Bij beschikking van 14 januari 2015 heeft deze rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Bepaald is - conform hetgeen partijen waren overeengekomen - dat [B] een bedrag van € 300,00 per kind per maand dient te betalen aan [A] als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Het echtscheidingsconvenant is aan de beschikking gehecht.

2.12.

Op 26 januari 2015 is de beschikking van 14 januari 2015 ingeschreven in de daartoe bestemde registers.

2.13.

In een brief van 2 oktober 2018 van Venema aan de advocaat van [B] (met [B] in cc) is onder meer vermeld:

[…]

In het overleg van vorige week hebben jullie mij gevraagd een en ander inzake de financiële situatie in 2014 van [naam onderneming] .

[…]

In 2010 heeft de PTH groep een noodzakelijke reorganisatie meegemaakt vanwege de negatieve resultaten van de groep. Ook is de groep onder bijzonder beheer van de Rabobank gekomen, welke de teugels stevig heeft aangetrokken. Zo zijn er allerlei restricties opgelegd inzake vergoedingen aan directie, dividenduitkeringen, etc.

Ten tijde van de besprekingen inzake de scheiding met (onder andere) Arie Plug, accountant van mevrouw [A] , is uitgegaan van de cijfers 2012 (en later ook 2013). In de mailwisselingen is door [B] voorgesteld om van de situatie 2010 uit te gaan, omdat dat het eigenlijke moment was dat [B] en [A] uit elkaar gingen. Arie Plug heeft aangegeven uit te willen gaan van de cijfers 2012 (31-12-2012).

[…]

In deze overeenkomst (rechtbank: het echtscheidingsconvenant) heeft [A] afstand gedaan van haar deel in de pensioenrechten, welke opgebouwd waren in [naam onderneming] . Als gevolg hiervan viel er ruim € 133.000 vrij, wat als bijzondere bate is verantwoord in de jaarrekening 2014. De vrij uitkeerbare reserves bedroegen echter per 31-12-2014 nog steeds

€ 115.547 negatief.

3 De vordering

3.1.

De vordering van [A] strekt ertoe, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat [B] onrechtmatig jegens [A] heeft gehandeld door haar, vóór het aangaan van het echtscheidingsconvenant, niet juist en/of volledig te informeren over de actuele waarde van de aandelen [naam onderneming] bij de verdeling, terwijl hij wist, althans behoorde te begrijpen, dat de informatie die hij voor haar achterhield, voor haar van essentieel belang was om in te stemmen met de toedeling aan hem van de aandelen [naam onderneming] , zonder aanspraak te maken op enige vergoeding wegens onderbedeling;

II. de door [A] geleden schade begroot op het bedrag gelijk aan de helft van de intrinsieke waarde van de aandelen [naam onderneming] op 14 november 2014, zijnde een bedrag van € 172.145,50, althans een bedrag nader op te maken bij staat, althans een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

III. [B] veroordeelt om binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis aan [A] te betalen het door de rechtbank onder II begrote schadebedrag;

IV. [B] veroordeelt in de kosten van het geding, met bepaling dat daarover de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis en met veroordeling van [B] in de nakosten, conform het liquidatietarief begroot op € 205,00, dan wel in het geval van betekening € 273,00.

3.2.

[B] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna - voor zover van belang - nader ingegaan.

4 Het geschil en de beoordeling daarvan

4.1.

[A] heeft gesteld dat [B] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door haar, vóór het aangaan van het echtscheidingsconvenant, niet juist en/of volledig te informeren over de actuele waarde van de aandelen [naam onderneming] bij de verdeling, terwijl hij wist, althans behoorde te begrijpen, dat de informatie die hij voor haar achterhield, voor haar van essentieel belang was om in te stemmen met de toedeling aan hem van de aandelen [naam onderneming] , zonder aanspraak te maken op enige vergoeding wegens onderbedeling. [A] heeft er daarbij op gewezen dat uit de jaarrekening 2014 blijkt dat [naam onderneming] op 31 december 2014, te weten zes weken na de ondertekening van het echtscheidingsconvenant, een eigen vermogen had van € 395.177,00. Blijkens de jaarrekening 2013 had [naam onderneming] op

31 december 2013 nog slechts een eigen vermogen van € 23.239,00, zodat het boekjaar 2014, in financieel-economisch opzicht, een zeer succesvol jaar is geweest voor

[naam onderneming]

4.2.

De rechtbank overweegt dat partijen het er over eens zijn dat - anders dan in het echtscheidingsconvenant in artikel 4.1. is vermeld - tot de ontbonden huwelijksgemeenschap slechts de aandelen in het kapitaal van [naam onderneming] behoren - en niet de aandelen in het kapitaal van de overige in artikel 4.1. van het echtscheidingsconvenant genoemde vennootschappen. De waarde van de aandelen in het kapitaal van [naam onderneming] worden daarbij in belangrijke mate bepaald door de (in)directe deelnemingen in de overige in artikel 4.1. van het echtscheidingsconvenant genoemde vennootschappen. Hierna zal dus slechts gesproken worden over (de aandelen in)

[naam onderneming]

4.3.

Tussen partijen staat vast dat [A] geen vordering tot vernietiging van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap meer kan instellen, omdat deze rechtsvordering ten tijde van de aanvang van de onderhavige procedure reeds was vervallen op grond van artikel 3:200 BW.

4.4.

Van onrechtmatig handelen in de zin van artikel 6:162 BW is onder meer sprake indien de laedens (in dit geval de man) een handeling heeft verricht of juist heeft nagelaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt (en zonder dat daartoe een rechtvaardigingsgrond bestaat), welke handeling of welk nalaten aan de laedens kan worden toegerekend en waardoor de gelaedeerde (in dit geval de vrouw) als gevolg van dit handelen of nalaten schade heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vermogensrechtelijke afwikkeling van een huwelijk na echtscheiding, in het bijzonder de verdeling van de door de echtscheiding ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen. Artikel 1:83 BW schrijft partijen voor elkaar desgevraagd inlichtingen te verschaffen over de stand van hun goederen en schulden. Artikel 3:166 lid 3 BW bepaalt verder dat op de rechtsbetrekkingen tussen deelgenoten artikel 2 van boek 6 BW van overeenkomstige toepassing is. Dat betekent dat die rechtsbetrekkingen worden beheerst door de eisen van de redelijkheid en billijkheid, bij de vaststelling waarvan rekening moet worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, de in Nederland levende rechtsovertuigingen en de maatschappelijke en persoonlijke belangen die bij dit geval zijn betrokken. Dit vloeit evenzeer voort uit het hier ook toepasselijke artikel 6:248 BW juncto artikel 6:216 BW. De rechtbank is van oordeel dat uit artikel 3:166 lid 3 BW voor partijen als deelgenoten in de ontbonden huwelijksgemeenschap voortvloeit, dat zij gehouden zijn elkaar, maar ook een bij de verdeling betrokken professionele derde, volledig, deugdelijk en naar waarheid in te lichten over de (waarde van de) goederen en de schulden die tot de ontbonden gemeenschap behoren. Dat is naar het oordeel van de rechtbank in overeenstemming met het algemeen erkende rechtsbeginsel en de hier te lande levende rechtsovertuiging dat men niet opzettelijk informatie die voor de wederpartij van doorslaggevend belang is mag verzwijgen, dat onder meer ten grondslag ligt aan artikel 3:194 lid 2 BW en artikel 6:228 lid 1 sub b BW. Bovendien strookt dit met het persoonlijke belang van de vrouw om in deze zaak volledig op de hoogte te worden gesteld van hetgeen voor de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap van belang is. De kernvraag in de onderhavige zaak is of de man de vrouw naar waarheid en volledig heeft ingelicht over de (waarde van de) vermogensbestanddelen van de (ontbonden) gemeenschap (zie: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 1 juli 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:5229).

4.5.

De rechtbank overweegt dat in artikel 4.1. van het echtscheidingsconvenant is vermeld dat de waarde van de aandelen in onderling overleg en conform de meest recente jaarrekening is vastgesteld op nihil. Uit de eigen stellingen van [A] volgt dat partijen daarbij gedoeld hebben op de jaarrekening 2012. Partijen zijn het er over eens dat de waarde van de aandelen conform deze jaarrekening daadwerkelijk op nihil kan worden vastgesteld. [A] heeft voorts onvoldoende gemotiveerd weersproken dat zij op of vóór 16 juni 2014 ook - zoals [B] heeft gesteld en ook volgt uit de brief van Venema van 2 oktober 2018 - de beschikking heeft gehad over de cijfers over het jaar 2013.

4.6.

Uit de onder 2.6 vermelde correspondentie volgt naar het oordeel van de rechtbank - zoals [B] heeft gesteld maar door [A] is weersproken - dat partijen op

16 juni 2014 overeenstemming hebben bereikt omtrent de afwikkeling van hun ontbonden huwelijksgemeenschap. De mediator - Eerens - heeft toen ook geconcludeerd dat er een "gezamenlijk gedragen akkoord" is.

4.7.

Uit de door [B] als productie 13 in het geding gebrachte omzetontwikkeling over het jaar 2014 volgt - zoals [A] niet heeft weersproken - dat over de eerste zes maanden van het jaar 2014 een omzet van € 2.600.000,00 is gerealiseerd. [B] heeft voorts onweersproken gesteld dat het break-evenpoint ligt op

€ 5.500.000,00 omzet per jaar, zodat de omzet van € 2.600.000,00 onvoldoende was om dat punt te bereiken. Op of vóórdat partijen op 16 juni 2014 overeenstemming hadden bereikt, bestond er dan ook naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding voor [B] om [A] op de hoogte te stellen van enige (verwachte) verandering in de waarde van de aandelen [naam onderneming]

4.8.

[B] heeft voorts onweersproken gesteld dat de onderneming een order van de Gasunie heeft gekregen, die op verzoek van de Gasunie nog in december 2014 is uitgefactureerd en waarmee in die maand een omzet van ruim € 1.100.000,00 is behaald. Onvoldoende gesteld of gebleken is dat [B] hiermee reeds op 16 juni 2014 bekend was. Daarbij wordt opgemerkt dat ook indien [B] hiermee al bekend zou zijn geweest op 16 juni 2014, dan wel op 14 november 2014 (ten tijde van het ondertekenen van het echtscheidingsconvenant), het nog maar de vraag is of [B] toen reeds heeft moeten beseffen dat ten gevolge daarvan aan de aandelen van [naam onderneming] een substantieel hogere waarde diende te worden toegekend dan nihil. Onvoldoende gesteld of gebleken is dat ook zonder deze order sprake zou zijn geweest van een situatie waarin sprake is van een substantieel hogere waarde van de aandelen dan nihil. Daarbij wordt opgemerkt dat uit de brief van Venema van 2 oktober 2018 (sub 2.13) volgt dat er als gevolg van de echtscheiding pensioenrechten zijn vrijgevallen ter hoogte van € 133.000,00, wat als bijzonder bate is verantwoord in de jaarrekening 2014. De vrij uitkeerbare reserves bedroegen echter per 31 december 2014 nog steeds € 115.547,00 negatief.

4.9.

Aan het voorgaande kan worden toegevoegd dat uit de onder 2.4 geciteerde correspondentie volgt dat partijen gesproken hebben over diverse peildata voor de waardering van de vermogensbestanddelen, die alle (ver) in het verleden lagen. De accountant van [A] heeft in dat verband de datum 31 december 2012 genoemd. [B] stelt zich op het standpunt dat partijen daadwerkelijk als peildatum

31 december 2012 zijn overeengekomen. Weliswaar betwist [A] dat partijen daadwerkelijk een peildatum zijn overeengekomen, maar dit laat onverlet dat partijen wel van beide zijden hebben gesproken over een peildatum die in het (verre) verleden gelegen was, waarbij (naast 31 december 2012) alleen eerdere data dan 31 december 2012 zijn genoemd. Gelet hierop, alsmede gelet op de omstandigheid dat uit de stellingen van partijen volgt dat de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap en de alimentatie een "totaalplaatje" betrof - in de woorden van [A] in de onder 2.5. geciteerde e-mail van

16 juni 2014: "partneralimentatie is verdiscontering van vermogen, bezit" - is het nog maar de vraag of de wetenschap van nu over de cijfers over 2014 tot een ander resultaat in de onderhandelingen tussen partijen zou hebben geleid. Voor zover [B] deze wetenschap destijds reeds zou hebben gehad, is er gelet op het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake van het opzettelijk verzwijgen van informatie door [B] die voor [A] van doorslaggevend belang is.

4.10.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van onrechtmatig handelen door [B] . De vordering zal dan ook worden afgewezen.

4.11.

Gelet op de omstandigheid dat partijen met elkaar gehuwd zijn geweest, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.Th.M. Zwart-Sneek en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2019.1

1 82.