Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:732

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
27-02-2019
Datum publicatie
27-02-2019
Zaaknummer
LEE 19/565
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Ten behoeve van het realiseren van de herinrichting Binnenstad West heeft de gemeente Groningen een omgevingsvergunning aangevraagd voor het vellen van vijf bomen, het verplanten van één boom en het verwijderen van 105 m² houtopstand (taxus) aan het Aa-kerkhof te Groningen. Die vergunning heeft het college onder voorwaarden verleend. De voorzieningenrechter heeft de vergunning geschorst nu bij hem twijfel bestaat of het college de waarde van de te kappen bomen op juiste wijze heeft meegewogen in de belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 19/565

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 februari 2019 in de zaak tussen

Stichting Bomenridders Groningen, gevestigd te Groningen, verzoekster,

(gemachtigde: mr. P. Mendelts),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verweerder,

(gemachtigden: R.O. Bakker en G. Demandt).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de gemeente Groningen, vergunninghouder

(gemachtigden: G.W. Dussel en J. van Goethem).

Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het vellen van vijf bomen, het verplanten van één boom en het verwijderen van 105 m² houtopstand (taxus) aan het Aa-kerkhof te Groningen, onder de plicht om vijf bomen elders te planten en onder de voorwaarde dat een financiële compensatie van € 4.462.50 wordt betaald voor het vellen van de houtopstand van 105 m².

Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 30 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard, onder overneming van het advies van de adviescommissie voor bezwaarschriften van 22 januari 2019.

Tegen laatstgenoemd besluit heeft verzoekster beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder kenmerk LEE 19/564. Tevens heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht om op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder kenmerk LEE 19/565.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is behandeld op de zitting van 25 februari 2019. Verzoekster is vertegenwoordigd door haar gemachtigde en voorzitter K. McGee, vergezeld door H.E van der Lans en W. Ferguson. Verweerder en vergunninghouder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Procedurele aspecten

1.1

De gemeente Groningen is door de voorzieningenrechter als belanghebbende aangemerkt en met toepassing van artikel 8:26 van de Awb in de gelegenheid gesteld deel te nemen aan de procedure. Verzoekster stelt dat dit ten onrechte is gebeurd. De voorzieningenrechter deelt dit standpunt niet. Onder een belanghebbende wordt ingevolge artikel 1:2 van de Awb verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. De gemeente Groningen heeft in haar hoedanigheid van vergunninghouder zonder meer zo'n belang. De aan haar verleende vergunning is bij het bestreden besluit gehandhaafd. Dat de vergunning volgens verzoekster niet aan haar verleend kon worden, doet daar niet af.

1.2

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter. In dit verband merkt de voorzieningenrechter op dat voor beantwoording van de vraag of de gevraagde voorziening gelet op de betrokken belangen toewijsbaar is, mede van belang is of de in bezwaar gehandhaafde omgevingsvergunning in beroep stand zal houden.

Inleiding

2.1

Ten behoeve van het realiseren van de herinrichting Binnenstad West, zoals verwoord in het besluit van de gemeenteraad van 28 maart 2018, heeft vergunninghouder op 2 juli 2018 een omgevingsvergunning voor het kappen van houtopstand aangevraagd. Met die herinrichting wil het gemeentebestuur een kwalitatief goed en aantrekkelijk verblijfsgebied realiseren. De ruimte voor de Der Aa-kerk wordt in dit herinrichtingsplan ingericht als een verblijfplek met behoud van het bestaande groene karakter en met respect voor de cultuurhistorie van de plek, aldus het gemeentebestuur. Hiertoe zullen royale plantenbakken met zitgelegenheid en ander zitmeubilair worden geplaatst. Verder zal het aanwezige mossige gras vervangen worden door (half)verharding. Voorts worden in dit plan 5 van de 11 aanwezige bomen gekapt om de gezonde bomen beter tot zijn recht te laten komen en om ter plaatse meer zonlicht te krijgen, waardoor een aangenamere verblijfplek en betere groeicondities voor het aanwezige groen ontstaan.

2.2

Aan de verlening van de omgevingsvergunning heeft verweerder - kort samengevat - ten grondslag gelegd dat aan het belang dat met het verwijderen van de houtopstand is gediend meer waarde gehecht moet worden dan aan het belang dat met het behoud van de houtopstand is gediend. Daartoe wijst verweerder erop dat met de herinrichting Binnenstad West sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in de “Beleidsregels vellen van een houtopstand” die een dringende reden kan zijn voor het verlenen van de omgevingsvergunning. Daarnaast blijkt uit de Bomen Effect Analyse van 9 februari 2018, aangevuld met de Bomen Effect Analyse van 26 juni 2018, dat de te kappen bomen (1) een beperkte levensverwachting hebben, (2) de overige vijf behouden monumentale bomen niet in de toekomst kunnen vervangen en (3) de groeiomstandigheden van de monumentale bomen negatief beïnvloeden, de kronen van de bomen concurreren namelijk met elkaar.

Algemene Plaatselijke Verordening

3.1.1

Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om houtopstand te vellen of te doen vellen, geldt een zodanige bepaling ingevolge artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) als een verbod om een project zonder omgevingsvergunning uit te voeren voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat.

3.1.2

Ingevolge artikel 4:9, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Groningen 2009 (APV) is het verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een houtopstand te vellen of te doen vellen. Onder het bevoegd gezag wordt ingevolge artikel 1.1 onder ka van de APV verstaan het college, tenzij op grond van de Wabo anders is bepaald.

Het bevoegd gezag verleent ingevolge artikel 4:11, eerste lid, van de APV in beginsel geen omgevingsvergunningen anders dan na een zorgvuldige belangenafweging op basis van de criteria “waardering”, “overlast”, “kwaliteit” en “dringende redenen”. Met betrekking tot die criteria en de te maken afweging kan het college beleidsregels vaststellen. Zulke regels heeft het college op 26 november 2013 vastgesteld in de “Beleidsregels vellen van een houtopstand” (hierna: de Beleidsregels).

Ingevolge artikel 4:19 van de APV houdt verweerder een register bij bestemd voor de inschrijving van monumentale houtopstanden als bedoeld in artikel 4:8, eerste lid, onder d, van de APV. Zulke bomen voldoen aan één van de artikel 4:8 van de APV genoemde specifieke voorwaarden en aan de basisvoorwaarden: 50 jaar of ouder, redelijke conditie: minimaal 10 a 15 jaar nog te leven en karakteristiek (moet er uitzien zoals door natuurlijke groeien en snoeiwijze is ontstaan).

3.1.3

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Beleidsregels toetst het college voor het criterium ‘waardering’ de volgende aspecten: onderdeel van de groenstructuur, vervangbaarheid, esthetische waarde, monumentale c.q. cultuurhistorische waarde, potentieel monumentale houtopstand en zeldzaamheid (dendrologische waarde). Ingevolge het derde lid van dit artikel toetst het college voor het criterium ‘kwaliteit’ de volgende aspecten: goed, voldoende, matig en slecht. Blijkens de toelichting bij de Beleidsregels wordt daaronder (in elk geval) verstaan:

Goed (normaal): Op middellange termijn (10–15 jaar) worden er geen problemen verwacht.

Voldoende (verminderd): De conditie is verminderd, maar op de korte termijn (<5 jaar), worden ten aanzien van de fysiologische toestand van de houtopstand geen problemen verwacht.

Matig (sterk verminderd): De conditie is duidelijk verminderd. De fysiologische toestand van de houtopstand is slecht, maar herstel van de houtopstand is eventueel mogelijk.

Slecht: De conditie en levensverwachting van de houtopstand is minimaal. De mechanische en/of fysiologische toestand is zo slecht dat 'herstel' van de houtopstand niet of nauwelijks mogelijk is.

3.2.

De voorzieningenrechter deelt niet het standpunt van verzoekster dat de omgevingsvergunning reeds niet in beroep in stand kan blijven omdat de vergunning in strijd met de APV zonder toestemming van de eigenaar van de bomen is aangevraagd. De bestuursrechter kan een besluit op grond van artikel 8:69a van de Awb niet vernietigen op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Ingevolge artikel 4:10, eerste lid, van de APV moet een vergunning worden aangevraagd door, namens of met toestemming van degene, die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken. Op grond van het tweede lid van dit artikel dient een aanvraag namens of met toestemming van degene, die krachtens zakelijk recht gerechtigd is over de houtopstand te beschikken, vergezeld te gaan van een machtiging voor het indienen van de aanvraag. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter strekt artikel 2 van de APV tot bescherming van de belangen van de zakelijk gerechtigde van de gronden waarop de bomen staan en dus niet tot bescherming van de belangen van verzoekster. Toepassing van artikel 8:69a van de Awb leidt er dan toe dat deze grond niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

3.3

Verzoekster betoogt dat de akte van erfpacht, die vergunninghouder met de Nederlandse Hervormde Gemeente van Groningen heeft afgesloten, uitvoering van het herinrichtingsplan in de weg staat.

In dit betoog ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit in beroep geen stand zal houden. Voorop stelt de voorzieningenrechter dat bij de besluitvorming, anders dan verweerder kennelijk meent, betrokken dient te worden of voldoende zekerheid bestaat dat het project waarvoor de omgevingsvergunning voor kappen wordt verleend, uitgevoerd kan worden. Immers indien daar gerede twijfel over bestaat dan kan in zo'n situatie niet in redelijkheid meer waarde worden gehecht aan het belang dat met het kappen van de houtopstand wordt gediend dan aan het belang dat met behoud van de houtopstand is gediend.

Voor wat betreft de vraag of een privaatrechtelijke belemmering aan realisering van de herinrichting in de weg staat, overweegt de voorzieningenrechter dat de burgerlijke rechter de eerst aangewezene is om die vraag te beantwoorden. Dit betekent dat voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de realisering van een activiteit in de weg staat, slechts aanleiding bestaat wanneer deze een evident karakter heeft. Die situatie doet zich niet voor. Ingevolge artikel 5:89 van het Burgerlijk Wetboek heeft de erfpachter hetzelfde genot van de zaak als een eigenaar, voor zover niet in de akte van vestiging anders is bepaald. Artikel 3 van de akte luidt namelijk als volgt:

" Partij ter andere zijde (gemeente) zal de erfpachtgoederen als plein en voor zoveel mogelijk als plantsoen moeten aanleggen, passend aan de omgeving en als zoodanig onderhouden en voor geen andere doeleinde hoe ook genaamd mogen gebruiken, zoodat het haar uitdrukkelijk is verbooden onder anderen de terreinen voor woningbouw of gebouwen aan te wenden of wel voor opslagplaatsen of bergplaatsen in te richten evenmin als het geoorloofd is op de terreinen publieke vermakelijkheden toe te laten of deze geheel of gedeeltelijk in te richten tot speelplaatsen (…)".

Anders dan verzoekster meent, kan gelet op de betekenis die aan de woorden plein en plantsoen in het normale spraakgebruik wordt gegeven, uit artikel 3 van de akte niet worden afgeleid dat het de erfpachter zonder meer niet is toegestaan om zitgelegenheden te creëren. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat die zitgelegenheden niet ten behoeve van horeca-inrichtingen worden gerealiseerd, het zijn openbare zitgelegenheden, die ook thans ter plaatse aanwezig zijn.

3.4

Evenmin volgt de voorzieningenrechter verzoekster in haar standpunt dat het bestemmingsplan Binnenstad realisering van de herinrichting Binnenstad West in de weg staat. Het plan voorziet in het plaatsen van plantenbakken met zitgelegenheid en zitmeubilair. Dergelijke voorzieningen vallen naar het oordeel van de voorzieningenrechter onder de ter plaatse geldende bestemming Groen. Gronden met die bestemming zijn onder meer bestemd voor groen- en recreatieve voorzieningen, waaronder speelvoorzieningen en additionele voorzieningen.

3.5

De voorzieningenrechter onderschrijft verzoekster ook niet in haar betoog dat verweerder geen beroep kan doen op het herinrichtingsplan omdat de gemeenteraad in zijn huidige samenstelling niet meer achter het raadsbesluit herinrichting Binnenstad West zou staan. Niet is gebleken van een gewijzigde opvatting van de gemeenteraad. Stukken die daarop wijzen ontbreken.

3.6

Voor zover verzoekster meent dat het herinrichtingsplan geen dringende reden kan zijn omdat dat plan onrechtmatig is, overweegt de voorzieningenrechter dat het herinrichtingsplan in deze procedure niet ter beoordeling staat. Dit betekent dat van dat plan moet worden uitgegaan, tenzij uit een rechterlijke beslissing anders volgt. Van zo'n beslissing is niet gebleken.

3.7.1

Verzoekster is daarnaast van mening dat verweerder het belang dat met het behoud van de bomen is gediend, had moeten laten prevaleren, in het bijzonder gelet op de waarden die deze bomen vertegenwoordigen en gelet op de conditie waarin zij verkeren.

3.7.2

De vijf te kappen bomen betreffen een Amerikaanse eik met kiemjaar 1980 (M1), een Amerikaanse eik met kiemjaar 1975 (M2), een iep met kiemjaar 1980 (M3), een paardenkastanje met kiemjaar 1980 (M6) en een linde met kiemjaar 1940 (M8). De te verplaatsen boom betreft een es met kiemjaar 1995 (M9).

De te behouden monumentale bomen betreffen een paardenkastanje met kiemjaar 1930 (M4), een linde met kiemjaar 1930 (M5), een linde met kiemjaar 1940 (M7), een linde met kiemjaar 1940 (M10) en een paardenkastanje met kiemjaar 1930 (M11).

3.7.3

Tussen partijen is niet in geschil dat van vier te kappen bomen, M1, M2, M6 en M8 sprake is van een verminderde levensverwachting. De door verweerder ingeschakelde deskundige C. Kok, als European Tree Technican werkzaam bij het bureau "Alles over Groenbeheer", heeft in de Bomen Effect Analyses aangegeven dat de bomen M1, M6, M8 een levensverwachting hebben van 5 à 10 jaar en de boom M2 van 10 à 15 jaar. Van der Lans, bioloog en zelfstandig adviseur op het gebied van ecologie, heeft ter zitting de levensverwachting van die bomen geschat op circa 10 jaar.

De voorzieningenrechter stelt vast dat in de Bomen Effect Analyses deskundige Kok heeft aangegeven dat de levensverwachting van boom M3 meer dan 15 jaar is, de conditie van die boom is normaal, aldus deskundige Kok. Dit betekent dat verweerder bij zijn belangenafweging ten onrechte er vanuit is gegaan dat de levensverwachting van alle 5 te kappen bomen is verminderd. Het bestreden besluit ontbeert daarom wat betreft boom M3 een deugdelijke motivering.

3.7.4

De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen ook niet in geschil is dat de bomen een zekere esthetische waarde hebben, nu zij zichtbaar zijn vanaf de openbare weg. Ook staat vast dat zij een zekere waarde hebben vanwege het feit dat zij onderdeel uitmaken van een groenstructuur. Zij zijn opgenomen in de bomenstructuurvisie Sterke Stammen. Naar de voorzieningenrechter begrijpt, stelt verweerder zich op het standpunt, dat aan voormelde waarden in dit geval minder gewicht toegekend moet worden omdat de vijf te kappen bomen de groeimogelijkheden van de andere gezonde monumentale bomen negatief beïnvloeden. De deskundige Kok heeft in de Bomen Effect Analyse aangegeven dat de kronen van de te kappen bomen concurreren met de kronen van de oudere monumentale bomen. Hierdoor zullen de te kappen bomen niet kunnen uitgroeien tot bomen die het gebied kunnen dragen, aldus deskundige Kok.

3.7.5

Ter zitting heeft Van der Lans en Ferguson (tuinontwerper en beplantingsadviseur), betwist dat de 5 te kappen bomen een bedreiging vormen voor de monumentale bomen. Gesteld is dat de 11 bomen zich aan de plaatselijke condities hebben aangepast en dat zij een ecologische eenheid vormen. De leefconditie van deze eenheid alsmede van de individuele bomen kan worden verbeterd door hier en daar te snoeien en door bodemmaatregelen te treffen.

3.7.6

De voorzieningenrechter constateert dat de deskundigen van partijen verschillende opvattingen hebben over de invloed die de te kappen bomen op de monumentale bomen hebben. Daarnaast stelt de voorzieningenrechter vast dat in de Bomen Effect Analyses niet nader is gespecificeerd welke concrete gevolgen de concurrentie op de monumentale bomen heeft. Gelet hierop bestaat bij de voorzieningenrechter gerede twijfel of de monumentale bomen door de vijf te kappen bomen (substantieel) negatief beïnvloed worden. Dit betekent dat ook twijfel bestaat of verweerder de waarde van de te kappen bomen op juiste wijze heeft meegewogen in de belangenafweging.

3.8

Verzoekster heeft ter zitting betoogd dat ter plaatse ook een aangename verblijfplek gecreëerd kan worden zonder dat bomen gekapt hoeven te worden; Van der Lans zou hier een plan voor hebben opgesteld.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder dient te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. Het bestaan van alternatieven kan slechts tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van die alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Dat neemt niet weg dat op grond van artikel 3, eerste lid, onder o, van de Beleidsregels de onderzochte alternatieven vermeld moeten worden in de Bomen Effect Analyse. Hierin is aangegeven dat andere ontwerpen zijn bekeken en dat het niet mogelijk was om meer bomen te sparen. Daarbij is aangegeven dat er gezocht is naar een situatie die recht doet aan de cultuurhistorische waarde en aan de wens om de verblijfsmogelijkheden te vergroten en optimale groeiomstandigheden te creëren voor de te behouden bomen en nieuwe beplanting. Daarbij is opgemerkt dat bij de positionering van de plantenbakken de monumentale bomen worden ontzien en vrijgehouden. De voorzieningen rechter stelt vast in de Bomen Effect Analyses geen nadere informatie is gegeven over de onderzochte ontwerpen, enkel is aangegeven dat er andere ontwerpen zijn bekeken. Dat betekent dat ook niet inzichtelijk is welke mogelijke alternatieven voor behoud van de houtopstand zijn onderzocht. Dit brengt mee dat het bestreden besluit ook op dit punt onvoldoende is gemotiveerd.

Vleermuizen

4.1

Verzoekster kan zich tevens niet met het bestreden besluit verenigen omdat de kapactiviteiten negatieve gevolgen hebben voor de vleermuizen die in de toren van de Der Aa-kerk verblijven.

4.2.1

De voorzieningenrechter begrijpt dit betoog aldus, daarbij de rechtsgronden ambtshalve aanvullend, dat de kapactiviteiten zullen leiden tot overtreding van artikel 3.5, vierde lid, van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb).

Ingevolge dat lid is het verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. Dit betekent dat in deze uitspraak de vraag voorligt of verweerder een juiste toepassing heeft gegeven aan artikel 2.2aa, aanhef en onder b, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor).

4.2.2

Ingevolge art 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving.

4.2.3

Ingevolge artikel 2.2aa, aanhef en onder b, van het Bor zijn als categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, tevens aangewezen: het verrichten van een handeling als bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 of 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, behoudens de gevallen, bedoeld in de artikelen 3.3, tweede of zevende lid, 3.8, tweede of zevende lid, 3.10, tweede of derde lid, of 3.31, eerste lid, voor zover die handeling bestaat uit een activiteit waarop het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a tot en met h of in artikel 2.2 van de wet, of bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de wet in samenhang met artikel 2.2a van toepassing is en voor zover voor die handeling geen ontheffing als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, 3.8, eerste lid of 3.10, tweede lid in samenhang met 3.8, eerste lid, is aangevraagd of verleend.

4.3

Verweerder stelt zich op het standpunt, naar de voorzieningenrechter begrijpt, dat geen sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.2aa, aanhef en onder b, van het Bor. Uit onderzoeken is gebleken dat in de te kappen bomen geen vleermuizenverblijven zijn aangetroffen en dat de te kappen bomen ook geen indirect nadelig effect hebben op de leefomgeving van de in de toren verblijvende vleermuizen. Daartoe verwijst verweerder naar het door de toenmalige gemeente-ecoloog J. Arisz verrichte onderzoek in het voorjaar van 2017, de zogenaamde kraamperiode, en het door het onderzoeksbureau- en adviesbureau Bureau FaunaX in het najaar van 2017, de zogenaamde paarperiode, verrichte onderzoek. De bevindingen van deze onderzoeken zijn neergelegd in het schrijven van 4 oktober 2017 van J. Breidenbach van Bureau FaunaX en in de notitie Wet natuurbescherming van beschermde vleermuiswaarden bomenkap Der A-kerk van 1 november 2018.

4.4

Verzoekster heeft aangevoerd dat de bomen bij de Der Aa-Kerk volgens de Vleermuizenwerkgroep Groningen in de winter nog voor enig voedsel (insecten) voor de vleermuizen kunnen zorgen, juist omdat direct naast de toren volwassen en oude bomen in een groep staan. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster noch een rapport van de vleermuizenwerkgroep Groningen noch andere stukken heeft overgelegd, die die stelling onderbouwen. Ter zitting is door Ferguson verklaard dat de huidige verscheidenheid aan boomsoorten waarborgt dat voldoende insecten ter plaatse aanwezig zijn voor de in de Der Aa-kerk verblijvende vleermuizen. In die verklaring ziet de voorzieningenrechter, mede gelet op de expertise van de deskundige Ferguson, vooralsnog onvoldoende reden om te twijfelen aan de bevinding van de door verweerder ingeschakelde deskundigen, dat het leefmilieu van de vleermuizen ter plaatse door de overgebleven bomen voldoende is gewaarborgd.

Klimaatverdrag

5.1

Verzoekster betoogt ten slotte dat het bestreden besluit zich niet verdraagt met het Klimaatverdrag. In dit verdrag is bepaald dat lidstaten klimaatplannen dienen op te stellen zodat de aarde niet meer dan twee graden opwarmt.

5.2

Ingevolge artikel 94 van de Grondwet vinden binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften, zoals bepalingen uit de APV, geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties. Bepalingen van verdragen die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben ingevolge artikel 93 van de Grondwet verbindende kracht nadat zij bekend zijn gemaakt.

5.3

Naar oordeel van de voorzieningenrechter bevatten artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 5, eerste lid, van het Klimaatverdrag niet een ieder verbindende bepalingen, als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet.

Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Klimaatverdrag van Parijs luidt namelijk als volgt: ‘This Agreement, in enhancing the implementation of the Convention, including its objective, aims to strengthen the global response to the threat of climate change, in the context of sustainable development and efforts to eradicate poverty, including by: increasing the ability to adapt to the adverse impacts of climate change and foster climate resilience and low greenhouse gas emissions development, in a manner that does not threaten food production’ (Trb. 2016/94 en Trb. 2016/162)

Artikel 5, eerste lid, van het Klimaatverdrag luidt ‘should parties take action to conserve and enhance, as appropiate, sinks and reservoirs of greenhouse gases as referred to in Article 4, paragraph 1(d), of the Convention, including forests’.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter leggen de bepalingen van het Klimaatverdrag slechts verplichtingen op aan de verdragsluitende staten en lenen zij zich, gezien de bewoordingen, aard en strekking, niet voor rechtstreekse toepassing. Hierbij acht de voorzieningenrechter van belang dat in voormelde artikelen van het Klimaatverdrag niet zodanig gepreciseerde normen worden gegeven dat deze naar hun inhoud voor rechtstreekse toepassing vatbaar zijn en eenieder kunnen verbinden in vorenbedoelde zin. Voorts kan uit het Klimaatverdrag, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, niet worden afgeleid dat het de bedoeling is geweest van de verdragsluitende partijen om aan de bepalingen van het Klimaatverdrag rechtstreekse werking toe te kennen. In hetgeen verzoekster voor wat betreft dit aspect naar voren heeft gebracht, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om tot een andersluidende conclusie te komen. Deze grond van verzoekster slaagt niet.

Voorlopige voorziening

6. Uit het vorengaande volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat niet uitgesloten is dat het bestreden besluit in beroep wegens motiveringsgebreken vernietigd zal worden. In aanmerking genomen dat de uitvoering van een omgevingsvergunning voor kappen een feitelijk gevolg teweegbrengt, dat in een latere fase van het geding door verweerder niet meer exact kan worden hersteld en dat niet op voorhand vaststaat dat de te kappen bomen onvoldoende te beschermen waarde en kwaliteit bezitten, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het primaire en bestreden besluit te schorsen.

Griffierecht en proceskosten

7. Nu aan het bestreden besluit naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter motiveringsgebreken kleven, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om met gebruikmaking van de in artikel 8:82, vierde lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid, te bepalen dat verweerder het betaalde griffierecht vergoedt. Om gelijke reden veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder met toepassing van artikel 8:75 in samenhang met artikel 8:84, vierde lid, van de Awb in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten € 1.024,- terzake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (verzoekschrift één punt; verschijnen ter zitting één punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 512,-). De kosten die verzoekster heeft gemaakt voor de bijdrage van de door haar ingeschakelde deskundigen Van der Lans en Ferguson ter zitting, begroot op € 800-, wijst de voorzieningenrechter af. Nog daargelaten dat verzoekster deze kosten eerst na het sluiten van de zitting heeft bekendgemaakt en verweerder daarop dus niet heeft kunnen reageren, heeft zij deze kosten noch gespecificeerd noch onderbouwd met een nota dan wel ander stuk.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    schorst het primaire en bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht ten bedrage van

€ 345 ,- aan haar vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte kosten tot een bedrag van

€ 1024,-.

Aldus gegeven door mr. L. Mulder, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr.

B.M. van der Doef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2019.

De griffier De voorzieningenrechter

Afschrift aangetekend verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.