Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:723

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26-02-2019
Datum publicatie
26-02-2019
Zaaknummer
18/930162-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor aanwezig hebben cocaïne in verband met ontbreken NFI-rapport. Tevens vrijspraak voor medeplegen diefstal met braak. Veroordeling voor medeplegen diefstal van drie scooters. Toepassing jeugdstrafrecht en veroordeling tot jeugddetentie van 58 dagen waarvan 40 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en bijzondere voorwaarden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 77c
Wetboek van Strafrecht 77g
Wetboek van Strafrecht 77i
Wetboek van Strafrecht 77x
Wetboek van Strafrecht 77y
Wetboek van Strafrecht 77z
Wetboek van Strafrecht 77aa
Wetboek van Strafrecht 77dd
Wetboek van Strafrecht 77gg
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/930162-18

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/920142-18

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/920112-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 26 februari 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 februari 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.W.E. Luiten, advocaat te Maastricht.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. Homans.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Parketnummer 18/930162-18

hij op of omstreeks 3 september 2018 te Emmen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning (aan de [straatnaam] , aldaar,) heeft weggenomen een HP Notebook en/of een geldbedrag, in elk geval enig goed dat, geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] , terwijl verdachte en/of zijn

mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te weg te nemen HP Notebook en/of een geldbedrag onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming

Parketnummer 18/920142-18

1.

verdachte op of omstreeks 9 april 2018 en/of 10 april 2018, te Emmen, (althans) in de gemeente Emmen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijk toeëigening (vanaf een afgesloten en omheind bedrijfsterrein gelegen aan de [straatnaam] , aldaar,) heeft weggenomen een drietal, in elk geval één of meer, bromfiets(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (respectievelijk) [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of verdachtes mededader(s), waarbij verdachte en/of verdachtes mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

2.

verdachte op of omstreeks 22 mei 2018, te Emmen, (althans) in de gemeente Emmen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 0,52 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het in de zaak met parketnummer 18/930162-18 ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het in de zaak met parketnummer 18/920142-18 onder 1 en 2 ten laste gelegde, met uitzondering van de braak, verbreking of inklimming zoals verwoord in het onder 1 ten laste gelegde.

Met betrekking tot het in dit parketnummer onder 2 ten laste gelegde wordt het wettig en overtuigend bewijs gevormd door de verklaring van verdachte, waarin hij aangeeft dat hij dacht cocaïne te hebben gekocht en door de uitslag van de indicatieve test, uitgevoerd door de politie, waaruit bleek dat de gevonden substantie positief testte voor cocaïne.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 18/930162-18 ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 18/920142-18 onder 2 ten laste gelegde.

De raadsman heeft betoogd dat een veroordeling kan volgen voor het in de zaak met parketnummer 18/920142-18 onder 1 ten laste gelegde, nu verdachte dit feit heeft bekend. De raadsman heeft daarvan uitgezonderd het aspect van de braak, verbreking of inklimming.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat er voor het in de zaak met parketnummer 18/930162-18 ten laste gelegde onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte deze feiten heeft gepleegd. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank is verder met de raadsman van oordeel dat er voor het in de zaak met parketnummer 18/920142-18 onder 2 ten laste gelegde onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
Onder verdachte is een stof in beslaggenomen, ten aanzien waarvan verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij dacht cocaïne te hebben gekocht, maar deze cocaïne nog niet te hebben gebruikt.In het dossier bevindt zich geen rapport van het Nederlands Forensisch Instituut waaruit blijkt dat de bij verdachte aangetroffen stof inderdaad een verdovend middel betrof en zo ja, welk middel. De inbeslaggenomen stof testte wel positief ten aanzien van cocaïne in een door de politie uitgevoerde indicatieve test. De resultaten van zo’n test kunnen als bewijs worden gebezigd, maar het bewijs dat de stof inderdaad cocaïne betreft, kan niet enkel op een indicatieve test worden gebaseerd. Nu in dit geval uit de verklaring van verdachte, waarin niets wordt verklaard over de werking van de stof, ook onvoldoende kan worden afgeleid dat de stof cocaïne betrof, is er onvoldoende wettig bewijs voorhanden.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/920142-18 onder 1 ten laste gelegde
De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring, met uitzondering van het bestanddeel braak, verbreking of inklimming. Naar het oordeel van de rechtbank is uit het onderzoek onvoldoende gebleken dat het hek van het terrein van [bedrijf] op slot was. Verdachte en zijn mededader hebben het hek kunnen openschuiven zonder daaraan schade toe te brengen, zodat geen sprake is van braak of verbreking. Het openschuiven van een hek kan niet worden aangemerkt als inklimming.

Nu verdachte het medeplegen van de diefstal van drie scooters duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 februari 2019.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 11 april 2018, opgenomen op pagina 19 van het dossier met nummer PL0100-2018147259 d.d. 11 juni 2018, inhoudende de verklaring van [naam] namens [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 18/920142-18 onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

verdachte op 10 april 2018 te Emmen, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening vanaf een bedrijfsterrein gelegen aan de [straatnaam] aldaar, heeft weggenomen een drietal bromfietsen, toebehorende aan respectievelijk [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] .

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Diefstal door twee of meer verenigde personen.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 18/920142-18 onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 78 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de periode doorgebracht in voorarrest en met een proeftijd van drie jaren. De officier van justitie heeft gevorderd dat de bijzondere voorwaarden zullen worden toegepast zoals de reclassering die heeft geadviseerd en dat de (volwassenen)reclassering toezicht zal houden op de naleving daarvan.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat geen sprake is van frequente recidive wat betreft vermogensdelicten. De raadsman heeft betoogd dat aansluiting moet worden gezocht bij de oriëntatiepunten van het LOVS, waarin voor een diefstal van een brommer bij recidive uitgegaan wordt van een maand voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf van 60 uur.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van de reclassering van 18 december 2018, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. Tevens heeft de rechtbank rekening gehouden met de toelichting ter zitting van de huidige toezichthouder van de jeugdreclassering van de William Schrikker Groep.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan diefstal van drie scooters. Hoewel de rechtbank de braak, verbreking of inklimming niet bewezen acht, rekent de rechtbank het verdachte wel aan dat hij met de medeverdachte welbewust een hek heeft opengeschoven om op andermans terrein te komen, terwijl het - mede vanwege het
hek - duidelijk was dat het hier om een privéterrein ging. Ook rekent de rechtbank verdachte aan dat hij, na eerst twee scooters weggenomen te hebben, later weer is teruggekomen om een derde scooter weg te nemen. Verdachte heeft met het bewezenverklaarde feit aangetoond geen respect te hebben voor de eigendommen van een ander. Hij heeft enkel aan eigen financieel gewin gedacht.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, ondanks zijn jeugdige leeftijd, vaker is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder ook vermogensdelicten, zoals verschillende diefstallen met braak, maar ook bedreiging en diverse feiten strafbaar gesteld in de Wegenverkeerswet. Er liepen ten tijde van het plegen van het delict bovendien nog twee proeftijden. Verdachte heeft er blijk van gegeven zich hier niets van aan te trekken.

Hoewel noch de officier van justitie noch de raadsman heeft aangevoerd dat het jeugdstrafrecht zou moeten worden toegepast, ziet de rechtbank daartoe wel aanleiding, ten eerste vanwege de persoon van verdachte. Uit het rapport van de reclassering blijkt dat verdachte beperkte verstandelijke vermogens heeft. In het verleden is hij gediagnosticeerd met ADHD en PDD-NOS. Hij is onvoldoende in staat om op volwassen wijze verantwoordelijkheid te nemen voor zijn gedrag. Hij is impulsief en komt uit een sociaal zwak milieu, aldus de reclassering. Ter zitting heeft verdachte de indruk gewekt dat hij ook gemakkelijk beïnvloedbaar is. Ten tweede stelt de rechtbank vast dat uit de justitiële documentatie blijkt dat in oktober 2018, bij een strafzitting voor de politierechter, nog het jeugdstrafrecht op verdachte is toegepast. De diefstal van de scooters dateert van voor oktober 2018, zodat het ook wat dat betreft passend is deze keer nog het jeugdstrafrecht toe te passen.

Het geheel overziend komt de rechtbank, onder toepassing van het jeugdstrafrecht, tot het oordeel dat een jeugddetentie van 58 dagen waarvan 40 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar passend is. Als bijzondere voorwaarden zal de rechtbank de voorwaarden opleggen zoals de reclassering heeft geadviseerd, waarbij het toezicht zal worden opgedragen aan de jeugdreclassering van de William Schrikker Groep.

Benadeelde partij

In de zaak met parketnummer 18/930162-18 heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 700,- ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert de vordering van de benadeelde partij af te wijzen in verband met de gevorderde vrijspraak.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit de vordering niet-ontvankelijk te verklaren in verband met de bepleite vrijspraak.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het feit, waaruit de schade zou zijn ontstaan, niet bewezen. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk vonnis van 15 november 2017 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, is verdachte veroordeeld tot – voor zover hier van belang – jeugddetentie voor de duur van 137 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 30 november 2017. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij vordering van 22 januari 2019 de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke straf, nu veroordeelde zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde. Ter zitting heeft de officier van justitie gevorderd dat zal worden overgegaan tot de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijk opgelegde straf. Zij heeft gevorderd dat de rechtbank zal bepalen dat van de 120 dagen voorwaardelijke jeugddetentie, er 60 dagen zullen worden tenuitvoergelegd waarbij de hechtenis zal worden omgezet in 120 uur taakstraf. Zij heeft gevorderd dat de rechtbank de vordering voor het overige zal afwijzen.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft gevorderd dat het openbaar ministier niet ontvankelijk wordt verklaard in de vordering tenuitvoerlegging, omdat in de vordering artikel 14g Sr is genoemd, terwijl dit artikel 77dd Sr had moeten zijn, nu ten tijde van het vonnis van 15 november 2017 het jeugdstrafrecht op verdachte van toepassing was. Op dat artikel had de vordering tenuitvoerlegging moeten worden gebaseerd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat de wetgever, gezien artikel 77dd Sr, heeft gewenst dat ook bij verdachten op wie het jeugdstrafrecht van toepassing is, tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf mogelijk is. Artikel 77dd Sr stemt, wat betreft inhoud, grotendeels overeen met artikel 14g Sr. Gezien de achtergrond en de strekking van beide artikelen ziet de rechtbank geen aanleiding het openbaar ministerie vanwege de onjuiste verwijzing niet ontvankelijk te verklaren.

Nu veroordeelde de bewezenverklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd, kan de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van deze voorwaardelijke jeugddetentie. Gelet op hetgeen ter terechtzitting is behandeld, ziet de rechtbank aanleiding om de vordering tenuitvoerlegging gedeeltelijk toe te wijzen en dat gedeelte van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie om te zetten in een taakstraf. Voor het overige gedeelte zal de rechtbank de vordering afwijzen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 63, 77c, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77dd, 77gg en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte in de zaak met parketnummer 18/930162-18 en in de zaak met parketnummer 18/920142-18 onder 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart hetgeen verdachte in de zaak met parketnummer 18/920142-18 onder 1 is ten laste gelegd bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

jeugddetentie voor de duur van 58 dagen.

Bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 40 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, de hierna te noemen (algemene of bijzondere) voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als (algemene) voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich na het onherroepelijk worden van dit vonnis op uitnodiging meldt bij de William Schrikker Groep Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: WSG) op telefoonnummer [telefoonnummer];

2. dat de veroordeelde zich vervolgens meldt op afspraken met de WSG, zo vaak en zolang deze dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren;

3. dat, indien de WSG dit nodig acht, de veroordeelde gedurende de proeftijd van twee jaren, of zoveel korter als de WSG nodig acht, zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang te weten Keroazie, of een soortgelijke instelling, en zich zal houden aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de WSG heeft opgesteld.

Draagt de William Schrikker Groep Jeugdbescherming en Jeugdreclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Benadeelde partij

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij de eigen kosten draagt.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/920112-17:

Gelast de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de jeugddetentie voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 15 november 2017, te weten: 60 dagen.

Bepaalt dat deze 60 dagen jeugddetentie worden vervangen door 120 uur taakstraf.

Wijst af het overige deel van de vordering tot tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijke straf.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M. Wolters, voorzitter, mr. M. Haisma en mr. M. van den Steenhoven, rechters, bijgestaan door mr. L. Lamers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 februari 2019.

Mr. M. Haisma is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.