Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:719

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
15-02-2019
Datum publicatie
26-02-2019
Zaaknummer
18/730203-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte voor opzettelijke brandstichting, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met als bijzondere voorwaarden een ambulante behandelverplichting, opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang en een drugs- en alcoholverbod. Verdachte is naar de kamer van een medebewoner gegaan met wie hij een conflict had en heeft aanstekerbenzine voor de deur gespoten, waarna verdachte deze brandbare vloeistof heeft aangestoken en er brand is ontstaan. Verdachte mag van geluk spreken dat het vuur vanzelf is uitgegaan en de schade beperkt is gebleven tot roet en inbrandschade aan de deur.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 157
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730203-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 15 februari 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd te PI Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 01 februari 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R. Oude Breuil, advocaat te Enschede. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Veen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 5 september 2018 te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden,

opzettelijk brand heeft gesticht bij een kamer/woning (te weten: kamer [nummer] ) in het pand van de [benadeelde partij] , gevestigd aan of bij de Nieuweweg, aldaar, immers heeft verdachte toen aldaar met dat opzet een brandbare vloeistof, althans een brandbevorderende middel (te weten: aanstekerbenzine) aangestoken, in elk geval open vuur in aanraking gebracht met een brandbare stof, ten gevolge waarvan de (toegangs)deur van die kamer/woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

en daarvan gemeen gevaar voor de in die kamer/woning aanwezige goederen en/of

voor de in voornoemd pand van de [benadeelde partij] aanwezige goederen, in

elk geval gemeen gevaar voor goederen

en/of

levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer zich in (een) kamer(s) naast, althans in de directe omgeving van, voornoemde kamer/woning bevindende bewoner(s), althans voor zich in het pand van de [benadeelde partij] aanwezige bewoner(s) en/of medewerker(s), in elk geval levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de ten laste gelegde brandstichting met gemeen gevaar voor goederen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er sprake is van een voltooid delict. Verdachte heeft aanstekerbenzine bij de deur gespoten en aangestoken. Indien er papier achter de deur had gelegen was de kans aanmerkelijk geweest dat het vuur zich verder ging verspreiden. De officier van justitie acht niet bewezen dat er 'levensgevaar voor personen' te duchten was. Ten aanzien van dit deel van de tenlastelegging is vrijspraak gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Hij heeft daartoe primair aangevoerd dat er sprake was van vrijwillige terugtred, omdat verdachte is teruggegaan om het vuur uit te maken. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de door verdachte aangestoken aanstekerbenzine nooit tot brand heeft kunnen leiden, omdat de door hem gebruikte stof daar te vluchtig voor is. Brandstichting is alleen strafbaar als er daadwerkelijk gevaar is ontstaan. Er geen bewijs dat door het stichten van brand gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander is ontstaan.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 01 februari 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Het klopt dat ik op 5 september 2018 te Leeuwarden in het pand van [benadeelde partij] voor de deur van kamer [nummer] aanstekerbenzine heb gespoten en die vervolgens in brand heb gestoken.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 6 september 2018, opgenomen op pagina 7 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2018235798 d.d. 9 september 2018, inhoudend als verklaring van [medewerker] :

Ik doe namens [benadeelde partij] aangifte van brandstichting op 5 september 2018 bij de algemene opvang aan de [straatnaam] te Leeuwarden door [verdachte] . Door de brandstichting is schade ontstaan aan de deur van kamer [nummer] en zijn de levens van de veertig medebewoners in gevaar gebracht.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d.

6 september 2018, opgenomen op pagina 14 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige] :

Op 5 september 2018 zag ik dat [verdachte] een busje aanstekerbrandstof pakte. Hij riep: "ik steek die hut in de hens. Ik spuit zijn deur onder en steek het in brand". Na ongeveer 10 minuten zag ik dat [verdachte] terug kwam. Ik hoorde dat hij riep: "straks gaat de hele tent in de hens".

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van sporenonderzoek met fotobijlage d.d. 6 september 2018, opgenomen op pagina 55 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Ik zag dat de toegangsdeur van het appartement [nummer] aan de [straatnaam] te Leeuwarden beroet was. Ook aan de binnenzijde van de deur was op twee plaatsen brand- en roetschade onder aan de deur. Op foto 4 is zichtbaar dat de onderzijde van de deur bij de beroeting links al een beetje aan het inbranden is. Ik ben van mening dat de brand is aangestoken met gebruik van een brandbevorderend middel. Als de brand zich verder had ontwikkeld was er zeker levensgevaar voor personen te duchten geweest, omdat in het pand een veertigtal personen wonen en slapen.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte was boos op een medebewoner en heeft brand gesticht door aanstekerbenzine voor en onder de deur van de kamer van deze bewoner te spuiten en aan te steken. Ook heeft hij tegen een getuige gezegd dat hij de boel in de hens ging steken, door de deur onder te spuiten

– naar de rechtbank begrijpt met aanstekerbenzine - en aan te steken. Nadat verdachte brand had gesticht heeft hij nog geroepen dat de hele tent in de hens zou gaan.

Uit het proces-verbaal sporenonderzoek forensische opsporing van 6 september 2018 is gebleken dat de toegangsdeur van appartement [nummer] beroet was, dat er ook brand- en roetschade aan de binnenzijde van de deur zat, en dat de onderzijde van de deur bij de beroeting links al een beetje aan het inbranden was. Uit dit forensisch onderzoek blijkt dat er sprake is geweest van inbranden van de deur, om die reden is de rechtbank van oordeel dat er sprake is geweest van een voltooid delict. De brand is vanzelf gedoofd, omdat er zich geen andere brandbare goederen achter de deur bevonden. De rechtbank is van oordeel dat het objectief voorzienbaar was dat de brand zich had kunnen verspreiden en dat gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

Door en namens verdachte is gesteld dat hij is teruggegaan om de brand uit te maken en dat hij dus vrijwillig is teruggetreden. De verklaring dat verdachte terug is gegaan om het vuur uit te maken acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Bovendien heeft de rechtbank vastgesteld dat er sprake is van een voltooid delict. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat er sprake is geweest van vrijwillige terugtred.

De forensisch onderzoeker heeft gerapporteerd dat, indien de brand zich verder had ontwikkeld, er zeker levensgevaar voor personen te duchten was geweest. Uit ditzelfde proces-verbaal én uit de verklaring van aangever blijkt dat er ten tijde van de brandstichting een veertigtal bewoners in het pand aanwezig waren. De rechtbank neemt deze conclusie over. De rechtbank tevens van oordeel dat er levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor deze personen te duchten was.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat het ten laste gelegde, te weten het opzettelijk brand stichten, waarbij gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor personen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was, wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 5 september 2018 te Leeuwarden opzettelijk brand heeft gesticht bij een kamer (te weten: kamer [nummer] ) in het pand van de [benadeelde partij] , gevestigd aan de [straatnaam], aldaar, immers heeft verdachte toen aldaar met dat opzet een brandbare vloeistof, (te weten: aanstekerbenzine) aangestoken, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in het pand van de [benadeelde partij] aanwezige bewoners te duchten was;

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat hij zich kan verenigen met de conclusie van de psycholoog dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is.

Standpunt raadsman

De raadsman heeft betoogd dat verdachte door zijn beperkingen heel impulsief en onverstandig kan reageren.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op de psychologische onderzoeksrapportage d.d. 24 januari 2019, opgemaakt door deskundige de heer drs. T. ’t Hoen, psycholoog. De conclusie van dit rapport luidt, zakelijk weergegeven, dat bij verdachte sprake is van een lichte verstandelijke beperking in combinatie met een borderline persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken.

De deskundige concludeert dat verdachte als gevolg van zijn persoonlijkheidspathologie onvoldoende in staat is om zijn gedrag op een meer gezonde wijze bij te sturen en niet beschikt over voldoende mogelijkheden om een meer adequate keuze te maken. Daarom concludeert de deskundige dat het ten laste gelegde in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.

De rechtbank kan zich met deze conclusie verenigen, neemt deze over en oordeelt dat het bewezenverklaarde verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het tenlastegelegde brandstichten met gemeen gevaar voor goederen wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en de bijzondere voorwaarden van reclasseringstoezicht, begeleid wonen, ambulante begeleiding door VNN of een soortgelijke instantie en een drugs- en alcoholverbod.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor het opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het voorarrest. De raadsman heeft voorts gepleit dat de duur van wonen in een begeleide woonvorm moet worden gesteld op een periode van maximaal één jaar.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzettelijke brandstichting, waarbij er gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor zijn medebewoners te duchten is. Verdachte is naar de kamer van een medebewoner gegaan met wie hij een conflict had en heeft aanstekerbenzine voor de deur gespoten, waarna verdachte deze brandbare vloeistof heeft aangestoken en er brand is ontstaan. De rechtbank acht dit een ernstig feit en is van oordeel dat de brand veel ernstiger gevolgen had kunnen hebben. Verdachte mag van geluk spreken dat het vuur vanzelf is uitgegaan en de schade beperkt is gebleven tot roet en inbrandschade aan de deur.

Zowel de reclassering als de psycholoog heeft over verdachte gerapporteerd. Uit deze rapportages blijkt onder meer het volgende. Verdachte heeft een licht verstandelijke beperking in combinatie met een borderline persoonlijkheidsstructuur met antisociale trekken en polymiddelenafhankelijkheid, dan wel -misbruik (met name alcohol, maar ook cannabis, cocaïne, speed en soms XTC en MDMA). Als gevolg van zijn persoonlijkheidspathologie, in combinatie met zijn intellectuele beperkingen, heeft verdachte al snel onvoldoende controle op zijn emoties en impulsen. Onder invloed van middelen zal zijn interne rem alleen maar verder afnemen en het risico op acting-out van agressieve impulsen toenemen. Zonder passende hulpverlening, toezicht en controle wordt het risico op vergelijkbaar delictgedrag voor de lange termijn als hoog ingeschat. De psycholoog acht een klinische behandeling noodzakelijk teneinde de kans op recidive te verminderen. Verdachte heeft hier echter geen enkele intrinsieke motivatie voor, en het is de vraag in hoeverre een dergelijk klinisch traject haalbaar is. Verdachte is beperkt leerbaar en vooral wanneer hij weerstand zal laten zien, is een positief behandelresultaat zeer moeilijk realiseerbaar. Alhoewel de verwachting is dat een ambulante behandeling onvoldoende resultaat zal opleveren, adviseert zowel de psycholoog als de reclassering de rechtbank om verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarde een ambulante behandeling bij de Forensische Polikliniek van de VNN, omdat verdachte hiervoor wel gemotiveerd is. Daarnaast wordt geadviseerd om als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang en een drugs- en alcoholverbod op te leggen.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de adviezen van de reclassering en de psycholoog, de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en gelet op het recidiverisico aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd. Omdat verdachte niet gemotiveerd is voor een klinische behandeling, zal de rechtbank een dergelijke behandeling niet als voorwaarde stellen.

Gelet op het voorgaande en de adviezen van de reclassering en de psycholoog, zal de rechtbank verdachte een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren opleggen. Aan de voorwaardelijke straf zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij de reclassering, opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, ambulante behandelverplichting bij de Forensische kliniek van de VNN en een drugs- en alcoholverbod verbinden, waarbij op aanwijzing van de reclassering het middel cannabis (gedeeltelijk) kan worden uitgesloten van het drugsverbod. Daarnaast dient verdachte, ten behoeve van de naleving van het drugs- en alcoholverbod mee te werken aan bloed- of urineonderzoek.

Inbeslaggenomen goederen

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de inbeslaggenomen goederen te onttrekken aan het verkeer.

Standpunt van de verdediging en verdachte

De raadsman heeft verzocht de inbeslaggenomen Zippo aanstekers aan verdachte terug te geven. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat vaststaat dat verdachte één Zippo aansteker heeft gebruikt, zodat in ieder geval de andere aanstekers aan hem terug kunnen worden gegeven. Verdachte heeft verklaard dat de aanstekers van zijn vriend zijn en emotionele waarde hebben, omdat zijn vriend deze heeft geërfd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen Zippo aanstekers aan verdachte moeten worden teruggegeven, omdat verdachte heeft aangegeven dat ze van zijn vriend zijn en emotionele waarde hebben.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot zes maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan de duur van de aan verdachte onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich binnen 5 dagen volgend op zijn ontslagdatum uit detentie meldt bij reclassering VNN, Oostergoweg 6 te Leeuwarden en zich hierna blijft melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

2. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd van drie jaar, zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, zulks ter beoordeling van de reclassering, en zich zal houden aan de daar geldende (huis)regels;

3. dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd van drie jaren onder ambulante behandeling zal stellen van de Forensische Polikliniek van Verslavingszorg Noord Nederland, of soortgelijke instelling, op de tijden en plaatsen als door of namens de reclassering en/of die instelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn problematiek.

4. dat de veroordeelde zich zal onthouden van het gebruik van drugs en alcohol, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, waarbij op aanwijzing van de reclassering het middel cannabis (deels) kan worden uitgesloten van het drugsverbod, en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloed- of urineonderzoek.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven aanstekers van het merk Zippo.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Dijkstra, voorzitter, mr. A.H.M. Dölle en

mr. C.A.J. Tuinstra, rechters, bijgestaan door C. Vellinga-Terpstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 februari 2019.

Mr. Tuinstra is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.