Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2019:682

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-02-2019
Datum publicatie
21-02-2019
Zaaknummer
18/830129-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens ontucht, gepleegd in vereniging. Vrijspraak voor verkrachting, nu niet aannemelijk is geworden dat het slachtoffer onder dwang van verdachte verdovende middelen tot zich heeft moeten nemen en dat zij (door dat druggebruik) onmachtig was om weerstand te bieden aan verdachten. Voorts veroordeling voor bezit harddrugs, vrijspraak voor bezit kinderporno en bezit pepperspray.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 245
Wetboek van Strafrecht 248
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830129-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 21 februari 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [straatnaam].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 februari 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M. Landsman, advocaat te Utrecht. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T.H. Pitstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

primair

zij in of omstreeks de periode van 3 april 2016 tot en met 4 april 2016 te Groningen, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2000) heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of

mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], immers heeft zij, verdachte en/of (met) haar mededader een penis en/of vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte en/of (met) haar mededader: - die [slachtoffer] heeft voorzien van (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) drugs (te

weten cocaïne, speed, XTC, lachgas en/of wiet) en/of alcohol en/of - (daarbij) tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat zij die drugs moest nemen, omdat ze anders niet weg mocht en/of - die [slachtoffer] een drankje voorzien van GHB, althans verdovende middelen, heeft laten drinken en/of (daarbij) misbruik heeft gemaakt van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht van haar, verdachte en/of haar mededader op die [slachtoffer], gezien de kwetsbaarheid en/of jonge leeftijd van die [slachtoffer] en/of van de situatie dat die [slachtoffer] (deels) buiten bewustzijn was, althans onder een zodanige invloed van verdovende middelen en/of (gecombineerd met) alcohol verkeerde dat zij geen, althans onvoldoende, weerstand kon bieden aan voornoemde seksuele handelingen;

subsidiair

zij in of omstreeks de periode van 3 april 2016 tot en met 4 april 2016 te Groningen, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 2000, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], immers heeft zij, verdachte en/of (met) haar mededader een penis en/of vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] gebracht;

2.

hij in of omstreeks de periode van 3 april 2016 tot en met 4 april 2016, te Groningen, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) afbeeldingen, te weten (digitale) fotobestanden op een of meerdere gegevensdrager(s) (te weten op een Apple Macbook Air) heeft verworven en/of in bezit heeft gehad en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft, terwijl op die afbeelding(en) (een) seksuele gedraging(en) zichtbaar was/waren, waarbij (telkens) een of meer perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had(den) bereikt, was/waren betrokken of schijnbaar was/waren betrokken, welke voornoemde seksuele gedragingen bestonden uit:

- het met de penis en/of mond/tong en/of vinger(s)/hand en/of een voorwerp oraal en/of vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt door een ander en/ of bij zichzelf en/of

- het met de penis en/of mond/tong en/of vinger(s)/hand oraal en/of vaginaal en/of anaal penetreren van het lichaam van een (andere) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

(bestandsna(a)m(en): [bestandsnaam].jpg; [bestandsnaam].jpg; [bestandsnaam].jpg)

en/of

- het met de penis en/of vinger(s)/hand en/of een voorwerp en/of mond/tong betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen en/of de billen van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet had bereikt en/of

- het met de vinger(s)/hand en/of een voorwerp en/of mond/tong betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen en/of billen van een (andere) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet had bereikt

(bestandsna(a)m(en): [bestandsnaam]; [bestandsnaam].jpg; [bestandsnaam].jpg)

en/of

- het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet had bereikt, waarbij deze persoon gekleed en/of opgemaakt was en/of poseerde in een (onnatuurlijke) omgeving en/of met een of meer (onnatuurlijke) voorwerpen en/of in een (erotisch getinte) houding (op een wijze) die niet bij haar/zijn leeftijd paste en waarbij deze persoon zich (vervolgens) in opeenvolgende afbeeldingen/filmfragmenten van haar/zijn kleding ontdeed en/of (waarna) door het camerastandpunt, de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van deze persoon en/of de uitsnede van de afbeelding(en)/film(s) nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen en/of borsten en/of billen in beeld gebracht werden, (waarbij) de afbeelding(en) (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking had(den) en/of strekte(n) tot seksuele prikkeling

(bestandsna(a)m(en): [bestandsnaam].jpg; [bestandsnaam].jpg; [bestandsnaam].jpg)

en/of

- het masturberen boven/bij en/of ejaculeren op het gezicht/lichaam van een perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en/of het houden van een (stijve) penis bij het lichaam van een perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had/hadden bereikt

(bestandsna(a)m(en): [bestandsnaam].jpg; [bestandsnaam].jpg; [bestandsnaam].jpg);

3.

zij op of omstreeks 4 april 2016 te Groningen, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:

- ongeveer 22 zogeheten XTC-pillen (bevattende MDMA) en/of

- 2,1 gram amfetamine en/of

- 0,3 gram cocaïne en/of

- 625,2 gram van een materiaal bevattende GHB in elk geval (telkens) (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDMA en/of amfetamine en/of cocaïne en/of GHB, zijnde MDMA en/of amfetamine en/of cocaïne en/of GHB (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

zij op of omstreeks 4 april 2016 te Groningen, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een busje pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van

personen met (een) giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of

traanverwekkende stof(fen) van de categorie II, onder 6° en/of een stroomstootwapen, zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht van de categorie II onder 5° voorhanden heeft gehad.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de ten laste gelegde feiten onder 1 primair, 2, 3 en 4 wat betreft het stroomstootwapen. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Wat betreft feit 1 primair heeft medeverdachte [medeverdachte] tot driemaal toe tegenover de politie verklaard dat hij samen met verdachte seksuele handelingen heeft verricht bij [slachtoffer]. Medeverdachte is gewezen op zijn recht op rechtsbijstand, maar heeft van dit recht geen gebruik gemaakt. De processen-verbaal zijn geschikt om als bewijs te dienen. Forensisch onderzoek heeft uitgewezen dat DNA-materiaal van medeverdachte aan de binnenzijde van een condoom en DNA-materiaal van [slachtoffer] aan de buitenzijde van datzelfde condoom zit. [slachtoffer] heeft onder dwang van verdachte en medeverdachte verdovende middelen tot zich genomen, waardoor zij zich niet aan de seksuele handelingen heeft kunnen onttrekken. Ook hebben verdachte en medeverdachte misbruik gemaakt van hun overwicht op [slachtoffer].

Wat betreft feit 2 staan op de laptop die is aangetroffen in een kast in de woning van verdachte kinderpornografische afbeeldingen. De afbeeldingen zijn opgeslagen onder account '[naam]' en betreffen toegankelijke bestanden. De laptop is alleen bij verdachte en medeverdachte in gebruik.

Wat betreft feit 3 blijkt de aanwezigheid van de verdovende middelen in de woning zoals ten laste gelegd uit de processen-verbaal betreffende de verdovende middelen, uit de test van de Forensische Opsporing en uit de onderzoeksresultaten van het bloed van [slachtoffer].

Wat betreft feit 4 dient verdachte te worden veroordeeld voor het voorhanden hebben van een stroomstootwapen. Voor de aanwezigheid van pepperspray dient vrijspraak te volgen, nu onvoldoende kan worden vastgesteld dat de in haar woning achter de bank aangetroffen tas, waarin het busje zat, aan haar toebehoort.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feiten 1, 2, 3 en 4 ten aanzien van de pepperspray. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Verdachte heeft ontkend seks met [slachtoffer] te hebben gehad, zodat zij van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Er is geen sprake van bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en medeverdachte, verdachte heeft [slachtoffer] geen verdovende middelen toegediend en heeft haar niet gedwongen tot het ondergaan van seksuele handelingen. Met de verklaringen van medeverdachte, opgenomen in de processen-verbaal van bevindingen, moet terughoudend worden omgegaan, nu medeverdachte zich niet liet bijstaan door een raadsman en medeverdachte onder invloed van verdovende middelen was.

Wat betreft feit 2 had verdachte geen enkele wetenschap dat de kinderpornografische afbeeldingen op de computer stonden. Dat geldt ook voor feit 3: Verdachte was er niet van op de hoogte dat zich verdovende middelen in haar woning bevonden.

Wat betref feit 4 ontkent verdachte dat zij pepperspray voorhanden heeft gehad. De tas waarin de pepperspray is aangetroffen is geen eigendom van verdachte. Zij was er niet van op de hoogte dat zowel de tas als de pepperspray zich in haar woning bevond.

Oordeel van de rechtbank

feit 1

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 7 februari 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Op 3 april 2016 zat ik op de bank in mijn woning. Ik zag dat [slachtoffer] binnen kwam. Ze waggelde. Toen de politie binnenkwam, heb ik gezien dat [slachtoffer] naakt was.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding d.d. 4 april 2016, opgenomen op pagina 216 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2016094611, inhoudend als relaas van verbalisanten:

Op 3 april 2016 rond 23.30 uur gingen wij het pand aan de [straatnaam] te Groningen binnen. Op een hoekbank lag een volledig naakte man verstrengeld samen met een meisje. De man gaf aan dat het meisje naast hem [slachtoffer] betrof.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 4 april 2016, opgenomen op pagina 168 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1]:

Ik ben de moeder van [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 2000. Op 3 april 2016 rond 22.30 uur kwam [getuige 2] met haar moeder bij mij aan de deur. [getuige 2] vertelde dat [slachtoffer] 4 lijntjes coke had gesnoven en steeds weg viel. Ik heb toen de politie gebeld vanwege de coke en dat ze steeds wegviel. De politie ging naar [straatnaam].

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van inverzekeringstelling d.d. 4 april 2016, opgenomen op pagina 221 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [medeverdachte]:

Ik heb inderdaad seks met [slachtoffer] gehad. Mijn vriendin [verdachte] ook. Ik heb voor [slachtoffer] gezorgd dat ze coke kreeg.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 april 2016, opgenomen op pagina 108 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

[medeverdachte] vertelde dat zijn vriendin naakt op haar rug op de bank lag, dat [slachtoffer] op [verdachte] lag en dat hij [slachtoffer] van achteren 2 a 3 keer vaginaal geneukt had. Deze positie was dermate ongemakkelijk dat ie zijn penis eruit getrokken had en de condoom had weggegooid. Wel had hij staan kijken hoe [slachtoffer] en [verdachte] aan het seksen waren. Hierbij had hij [slachtoffer] nog wel in haar vagina gevingerd en gezoend op haar mond.

Tijdens het uiteindelijk door de forensische GGD-arts Van Mesdag uitgevoerde sporenonderzoek aan het geslachtsdeel van [medeverdachte] verklaarde [medeverdachte] nogmaals dat hij [slachtoffer] kort vaginaal geneukt had met condoom, haar vaginaal gevingerd had en haar op de mond gezoend had. Hierbij vertelde [medeverdachte] letterlijk dat hij zich meer een voyeur had gevoeld omdat die 2 meiden ([slachtoffer] en [verdachte]) zo druk met elkaar in de weer waren geweest. Hierbij had hij staan toekijken.

6. Een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 4 april 2016, opgenomen op pagina 318 van voornoemd dossier, inhoudende als kennisgeving van verbalisant:

Inbeslagneming

Plaats: [straatnaam] Groningen

Merk/type: Condoom
SIN: AAJE2536NL
Bijzonderheden: Leeg, op tafel woonkamer, 04-04.

7. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2016.06.10.090, d.d. 24 augustus 2016 opgemaakt door J.L.W. Dieltjes, op de door deze afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudend:

Tabel 1Resultaten, interpretatie en conclusie vergelijkend DNA-onderzoek

SIN

Beschrijving DNA-profiel/ celmateriaal kan afkomstig zijn van

AAJE2536NL#01 en #02 (buitenzijde bij aantreffen)

DNA-mengprofiel van (minimaal) twee vrouwen

- slachtoffer [slachtoffer]

- onbekende vrouw A

AAJE2536NL#03 en #04 (binnenzijde bij aantreffen)

DNA-mengprofiel van minimaal drie personen

- verdachte [medeverdachte]

- onbekende vrouw A

- minimaal één andere persoon

8. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2016.06.10.090, d.d. 2 juni 2017 opgemaakt door J.L.W. Dieltjes, op de door deze afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudend als verklaring:

hypothese 1:

de bemonstering AAJE2536NL#02 bevat celmateriaal van het slachtoffer [slachtoffer] en één willekeurige onbekende persoon.

hypothese 2:

de bemonstering AAJE2536NL#02 bevat celmateriaal van twee willekeurige onbekende personen.

De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn minimaal 1 miljard keer waarschijnlijker als hypothese 1 waar is, dan als hypothese 2 waar is.

hypothese 3:

de bemonstering AAJE2536NL#04 bevat celmateriaal van de verdachte [medeverdachte] en twee willekeurige onbekende personen.

hypothese 4:

de bemonstering AAJE2536NL#04 bevat celmateriaal van drie willekeurige onbekende personen.

De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn minimaal 1 miljoen keer waarschijnlijker als hypothese 3 waar is, dan als hypothese 4 waar is.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

betrouwbaarheid processen-verbaal

Medeverdachte [medeverdachte] heeft op meerdere momenten verklaard dat hij seksuele handelingen bij [slachtoffer] heeft verricht, welke handelingen bestonden uit vaginale penetratie met zijn penis en zijn vingers. [slachtoffer] was op dat moment 15 jaar oud. Ook heeft medeverdachte op meerdere momenten verklaard dat verdachte, zijnde de partner van medeverdachte, een actieve rol bij die seksuele handelingen had. De rechtbank hecht waarde aan de processen-verbaal waar de verklaringen in zijn opgenomen, nu zij op ambtseed zijn opgemaakt en medeverdachte de verklaringen -die op zichzelf consistent zijn- op meerdere momenten heeft afgelegd, terwijl hij er van op de hoogte was gebracht dat hij op vragen niet hoefde te antwoorden en dat hij recht op rechtsbijstand had.

seksuele handelingen en medeplegen

[slachtoffer] heeft verklaard niet te weten wat er in de woning van verdachte is gebeurd, toen zij daar voor de tweede keer die avond bij medeverdachte kwam. Ter zitting hebben verdachte en medeverdachte de seksuele handelingen ontkend. Wat betreft de medeverdachte acht de rechtbank echter bewezen dat hij seksuele handelingen met [slachtoffer] heeft verricht, gelet op de verklaringen die medeverdachte eerder bij de politie heeft afgelegd, ondersteund door de intieme wijze waarop medeverdachte en [slachtoffer] samen op de bank zijn aangetroffen en de resultaten van het DNA-onderzoek van het condoom.

Voor de vraag of er sprake is van medeplegen dient de rechtbank te beoordelen of er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking van verdachte en medeverdachte. Daarbij kan rekening gehouden worden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van elk van de verdachten, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

De rechtbank ziet in de door medeverdachte beschreven seksuele handelingen die hij en verdachte bij [slachtoffer] hebben verricht een bewuste en nauwe samenwerking. Beide verdachten hebben immers tegelijkertijd, in elkaars aanwezigheid en fysiek dichtbij elkaar gedurende enige tijd een aantal verschillende seksuele handelingen verricht met [slachtoffer]. Verdachte en medeverdachte waren aldus betrokken in een gezamenlijk seksueel handelen, waarbij elk op actieve wijze heeft deelgenomen. De rechtbank acht derhalve bewezen dat verdachte de ten laste gelegde seksuele handelingen heeft verricht tezamen en in vereniging met medeverdachte.

(bedreiging met) geweld of andere feitelijkheid

Het toxicologisch onderzoek1 dat is verricht naar het bloed van [slachtoffer] toont de aanwezigheid van cocaïne, amfetaminen, MDMA en MDA aan. Uit de verklaring van medeverdachte is gebleken dat medeverdachte cocaïne aan [slachtoffer] heeft verstrekt. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat [slachtoffer] de verdovende middelen, waaronder de cocaïne, door (bedreiging met) geweld of andere feitelijkheid als omschreven in de tenlastelegging van verdachte heeft ingenomen. Weliswaar is zowel door [slachtoffer] als haar vriendin [getuige 2] verklaard dat medeverdachte zou hebben gezegd dat [slachtoffer] drugs moest nemen omdat zij anders niet weg zou mogen. Gelet echter op de door beide meisjes omschreven sfeer en de omstandigheid dat beide meisjes de woning hebben verlaten toen ze dat wilden, waarna [slachtoffer] na circa anderhalf uur weer is teruggekomen naar de woning van verdachte, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gebleken dat [slachtoffer] zich door deze opmerking gedwongen heeft gevoeld drugs te nemen. Evenmin is aannemelijk geworden dat [slachtoffer] bij aanvang van en tijdens de seksuele handelingen buiten bewustzijn was, althans onmachtig was om aan die handelingen weerstand te kunnen bieden. Hierover is door niemand verklaard. Sterker nog, uitgaande van de verklaringen die medeverdachte bij de politie heeft afgelegd, lijkt [slachtoffer] tijdens de seksuele handelingen voldoende bij bewustzijn te zijn geweest. Dat [slachtoffer] ten tijde van de komst van de politie niet aanspreekbaar was, is onvoldoende om daaruit te concluderen dat zij zich op een eerder moment op de avond, waarop de seksuele handelingen plaatsvonden, ook al in diezelfde staat bevond.

Bovenstaande leidt tot de slotsom dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer] door (bedreiging met) geweld of een feitelijkheid heeft gedwongen om seksuele handelingen te ondergaan zoals primair ten laste gelegd. Verdachte zal van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Wel betekent bovenstaande dat , gelet op de hiervoor vermelde bewijsmiddelen, verdachte zich samen met medeverdachte heeft schuldig gemaakt aan het subsidiair ten laste gelegde, zoals hieronder nader omschreven.

feit 2

De rechtbank acht feit 2 niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

De kinderpornografische afbeeldingen zijn aangetroffen op een laptop die door zowel verdachte als medeverdachte wordt gebruikt. De afbeeldingen zijn opgeslagen onder account '[naam]'. Dit account werd gebruikt door verdachte. Medeverdachte had een eigen account op de laptop. Verdachte heeft verklaard dat zij de administratie van medeverdachte deed, en dat die administratie werd bijgehouden op de account '[naam]' van haar. Gelet op de ontkennende proceshouding van verdachte en de mogelijkheid dat medeverdachte (of een ander) de afbeeldingen heeft verworven, is er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewijs voorhanden dat verdachte, al dan niet in bewuste en nauwe samenwerking met medeverdachte, de afbeeldingen heeft verworven, in bezit heeft gehad of zich de toegang tot die afbeeldingen heeft verschaft.

feit 3

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 7 februari 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik gebruik sporadisch drugs, dezelfde als [medeverdachte]. De woning aan [straatnaam] is mijn hoofdverblijf.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van inverzekeringstelling d.d. 4 april 2016, opgenomen op pagina 221 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2016094611 d.d. 4 juli 2016, inhoudend als verklaring van [medeverdachte]:

Ik gebruik sinds enige weken allerlei harddrugs. Ik heb voor [slachtoffer] gezorgd dat ze coke kreeg.

3. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2016.06.10.090, d.d. 2 november 2016 opgemaakt door K.J. Lusthof, voor zover inhoudend als toxicologisch onderzoek in het bloed van [slachtoffer]:

Tabel 2 Resultaten toxicologisch onderzoek in het bloed van [slachtoffer] [TAAN9880NL]

stof stof(groep) resultaat

Cocaïne Overig Aangetoond, < 0,005 mg/l

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verdovende middelen d.d. 12 april 2016, opgenomen op pagina 267 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relatering:

Goednummer PL0100-2016094611-704717

B: 1 witte, papieren wikkel met fijn, wit poeder

netto gewicht: 0,322 gram

positief op cocaïne.

De kleur-reactietest is een indicatie dat het testmateriaal waarschijnlijk cocaïne bevat.

5. Kennisgeving van inbeslagneming, opgenomen op pagina 316 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relatering:

Volgnummer 4

Goednummer : PL0100-2016094611-704717

Categorie omschrijving : Medicamenten/ hulpmiddelen

Object : Verdovende mid

Kleur : wit

Bijzonderheden : 10 zakjes met wit poeder mogelijk vedomi

6. Zoekingslijst, opgenomen op pagina 99 e.a. van voornoemd dossier, inhoudend:

Locatie 1: [straatnaam] te Groningen Beslagdatum: 04-04-16

Volgnr. Subnr. Omschrijving voorwerp plaats van aantreffen

L1 D.4.1 10x zakje met inhoud - vermoedelijk vedomi mandje in slaapkamer

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

In de woning van verdachte zijn wit poeder en overige middelen aangetroffen, waarvan het vermoeden is gerezen dat het verdovende middelen zijn. Medeverdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij in de periode waarin het poeder is aangetroffen diverse soorten harddrugs gebruikte en dat hij [slachtoffer] die avond voorzag van cocaïne. Deze verklaring vindt steun in het toxicologisch bloedonderzoek van [slachtoffer]. In combinatie met de resultaten van de indicatieve test acht de rechtbank bewezen dat het aangetroffen witte poeder cocaïne betreft.

Verdachte is bekend met het gebruik van verdovende middelen en gebruikt deze naar eigen zeggen sporadisch. De cocaïne is aangetroffen in een afgescheiden privégedeelte van de woning van verdachte2, bij wie medeverdachte met regelmaat verbleef. Daarmee acht de rechtbank aannemelijk dat verdachte de cocaïne tezamen en in vereniging met medeverdachte opzettelijk aanwezig heeft gehad, nu overigens ook niet gebleken is van een andere redelijke verklaring voor de aanwezigheid van deze drugs op de aangetroffen plaats.

Van de aanwezigheid van de overige ten laste gelegde verdovende middelen zal verdachte worden vrijgesproken, nu de resultaten van de indicatieve testen niet door ander bewijsmateriaal wordt ondersteund.

feit 4

De rechtbank overweegt dat met betrekking tot het busje pepperspray geen bewezenverklaring kan volgen, reeds niet omdat onvoldoende is gebleken dat de inhoud van het busje daadwerkelijk pepperspray bevat. De verbalisant heeft slechts geconstateerd dat het busje, dat de opdruk Pepperspray had, gevuld was met een vloeistof of gas, dan wel een combinatie daarvan.3

De rechtbank acht feit 4 ten aanzien van het stroomstootwapen wel wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 7 februari 2019;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 10 mei 2016, opgenomen op pagina 285 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2016094611 d.d. 4 juli 2016, inhoudend als relatering.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feiten 1 subsidiair, 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

zij in de periode van 3 april 2016 tot en met 4 april 2016 te Groningen, tezamen en in vereniging met een ander met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 2000, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], immers heeft zij, verdachte met haar mededader een penis en vingers in de vagina van die [slachtoffer] gebracht;

3.

zij op 4 april 2016 te Groningen, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad 0,3 gram cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

4.

zij op 4 april 2016 te Groningen een stroomstootwapen, zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht van de categorie II onder 5° voorhanden heeft gehad.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft

bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan

uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl het feit wordt gepleegd door

twee of meer verenigde personen

3. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven

verbod, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

4. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van feit 4 gepleit voor toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Subsidiair heeft hij gepleit voor een geheel voorwaardelijke straf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met haar vriend seksuele handelingen verricht met een vijftienjarig meisje. Verdachte heeft daarbij de geestelijke en lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden. Het slachtoffer was ten tijde van die handelingen voor verdachte kenbaar onder invloed van verdovende middelen. In plaats van de minderjarige in bescherming te nemen, heeft verdachte samen met medeverdachte het slachtoffer tot (het ondergaan van) seksuele handelingen aangezet. Verdachte heeft aldus haar persoonlijke lusten en die van medeverdachte laten prevaleren boven de bescherming van een minderjarige. Dat rekent de rechtbank verdachte aan.

Verdachte heeft verder opzettelijk cocaïne en een stroomstootwapen in haar woning aanwezig gehad.

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld voor een seksueel delict. Wel is zij eerder onherroepelijk veroordeeld voor verboden wapenbezit.

Gelet op de ernst van met name het eerste feit acht de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf op zijn plaats. Nu de rol van verdachte in de aanloop tot het delict geringer is geweest dan die van haar medeverdachte, verdachte first offender is op zedengebied en verdachte lang op haar berechting heeft moeten wachten, kan naar het oordeel van de rechtbank worden volstaan met een maximale taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Deze voorwaardelijke straf wordt opgelegd om de ernst van de bewezenverklaarde feiten tot uitdrukking te brengen en als waarschuwing voor verdachte niet opnieuw strafbare feiten te plegen.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank acht de inbeslaggenomen computer (Apple) vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu hierop kinderpornografische afbeeldingen zijn aangetroffen en zij daarmee van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan door verdachte in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Ter terechtzitting is gebleken dat in de zaak van verdachte een iPhone 5 in beslag is genomen, die in eigendom toebehoort aan medeverdachte [medeverdachte]. De rechtbank is van oordeel dat de iPhone 5 moet worden teruggegeven aan medeverdachte, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.

Ter terechtzitting is gebleken dat de -in de zaak van medeverdachte [medeverdachte]- inbeslaggenomen iPhone 6 eigendom is van verdachte. Met betrekking tot dit inbeslaggenomen voorwerp zal in de zaak van medeverdachte [medeverdachte] worden beslist tot teruggave daarvan aan verdachte.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 90,- ter vergoeding van materiële schade en € 10.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat van de gevorderde materiële schadevergoeding

€ 30,- moet worden toegewezen, nu de benadeelde partij één dag in het ziekenhuis heeft verbleven. Het overige dient te worden afgewezen. De vordering tot vergoeding van immateriële schade ligt voor toewijzing gereed.

Standpunt van de verdediging

Primair voert de verdediging aan dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair voert zij aan dat de materiële schadevergoeding kan worden bepaald op € 30,-. De vordering wat betreft vergoeding van de immateriële schade dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat benadeelde partij materiële schade heeft geleden, nu zij een dag in het ziekenhuis heeft verbleven. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder feit 1 subsidiair bewezen verklaarde. De hoogte van de schade wordt vastgesteld op de dagvergoeding van € 30,-. Dit deel van de vordering zal daarom worden toegewezen tot dit bedrag, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 5 april 2016. Het overige deel van de vordering met betrekking tot de materiële schade zal worden afgewezen, nu dit niet voldoende is onderbouwd.

Hoewel voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het onder feit 1 subsidiair bewezen verklaarde, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte daarvan te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom niet ontvankelijk verklaren. De vordering kan wat dit betreft slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien haar medeverdachte deze al heeft betaald, en andersom.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 245 en 248 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en artikel 26 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 primair en 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder feiten 1 subsidiair, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen computer (Apple).

Gelast de teruggave aan de rechthebbende, medeverdachte [medeverdachte], van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven iPhone 6.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

Wijst de vordering van benadeelde partij [slachtoffer] wat betreft de gevorderde materiële schadevergoeding toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 30,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 april 2016, in die zin, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.
Wijst de vordering wat betreft de gevorderde materiële schadevergoeding voor het overige af.

Verklaart de vordering van benadeelde partij [slachtoffer] wat betreft de gevorderde immateriële schadevergoeding niet ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] te betalen een bedrag van € 30,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 april 2016, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van één dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] daarmee de verplichting van verdachte om aan benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Haisma, voorzitter, mr. P.H.M. Smeets en mr. H.J. Schuth, rechters, bijgestaan door mr. E.W. Jeuring, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 februari 2019.

Mrs. Haisma en Smeets zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Toxicologisch onderzoek in het bloed van [slachtoffer], 2 november 2016, zaaknummer 2016.06.10.090

2 Verwezen wordt naar het goednummer waaronder de aangetroffen middelen in het proces-verbaal zijn geregistreerd

3 Proces-verbaal Wet Wapens en munitie dd 10 mei 2016, opgenomen op pagina 285 e.v. van het politiedossier